Ondanks dat Margaretha gisteren al geschreven heeft, toch nog even een kattenbelletje. Wijnkoper Brant stuurt zijn zoon naar Hamburg, omdat er in Amsterdam niets meer te verdienen is. Nu is zijn vraag of Godard Adriaan zijn zoon bij aankomst wat geld wil geven, zodat hij niet met veel geld hoeft te reizen.
Uithangbord van een wijnhandelaar: het proeven van wijn (ene kant); het kuipen der wijnvaten (andere kant), Aelbert Cuyp (omgeving van), ca. 1650 – ca. 1655. Collectie Rijksmuseum.
En als ze dan toch schrijft, dan ook nog wat over het blikken servies. Ze schrijft nog een keer wat er allemaal verstuurd is: 24 ovalen schalen, 36 teljoren en 4 kandelaars. Gisteren schreef ze nog dat ze 6 dozijn teljoren stuurde, 36 borden lijkt toch wel voldoende…
Wat het leuke is van dit kattenbelletje, is dat ze niet de moeite heeft genomen om een apart omslag te vouwen. De brief is de envelop en je ziet heel mooi hoe hij gevouwen is. De basis is een dubbelgevouwen blad waarvan ze de voorkant beschreven heeft en de binnenkant leeg gelaten heeft. Op de achterkant zit de adressering, dus ze heeft de inhoud naar binnen gevouwen. Met een lakzegel heeft ze de envelop vervolgens dichtgeplakt.
De brief op de voorkant van het velDe lege binnenkant van het velDe adressering met vouwlijnen en zegel
Margaretha heeft haar vorige brief nog maar net meegegeven onder couvert met de post van Matthias Romswinckel, of daar arriveert dan toch de Keulse post met het nieuws van de legers aan de Rijn waar Den Haag zo naar heeft uitgekeken. Helaas, geen goed nieuws:
Geen Brandenburgs succes
Er is helemaal geen slag geleverd! Turenne is een confrontatie met het leger van de keurvorst van Brandenburg uit de weg gegaan en heeft post gevat bij een plaatsje met de naam Beukeboom of Eickeboom, Margaretha weet het niet precies. Hij zit daar in een comfortabele positie waar hij bijna niet aangevallen kan worden. En net nu zijn leger zo verzwakt is (hij heeft veel zieken en gewonden achter moeten laten) en een overwinning voor de Duitse troepen binnen handbereik lag!
nae dat ick uhEd vandaech ondert koe= vert1Couvert: briefomslag van den heere romswinckel2Matthias Romswinkel heb ge schreefve, komt hier met de keulse post tijdine dat tureijne met sijn volck voor keurvorst is geweecke en geen slach heeft wille leefveren, maer post aende beucke of Eijcke boom so die plaets genoemt wort soude genoome hebbe, daer so geseijt wort hij heel avontages =ijeus3Avantagieus: gunstig, voordelig lijet4ligt ijae5ja so dat me niet gelooft den heere keurvorst hem daer sal derfvedurven atakeere6Attakeren: aanvallen men seijt ock dat tureijne veel gedevaeliseert7Gedevaliseerd: gewond of ontwapend volck en siecke heeft op de wech gelaeten, och had het godt belieft dat tureijne had mooge geslage worden, [nu met deese vorst]
Het vriest weer, dus misschien zal Willem III toch iets ondernemen. Maar dan moet hij wel snel zijn en moeten we bidden dat de Heer het wil zegenen.
[mooge geslage worden,] nu met deese vorst gelooft me dat sijn hoocheijt noch wel Eits8iets sou atenteere9Attenteren:ondernemen soot so is10Zo het zo is: als dat zo is salt haest moeten aen gaenzal het snel moeten beginnen en sou ons wel te bidde staen dat de heer het wilde seegenen, en ons voorspoedich maecken,
Vriendendienst
En dan nog een verzoekje: Mevrouw van Steelandt (geb. Emmerentia van Aerssen van Sommelsdijk) vraagt of Godard Adriaan haar zoon, de heer van Vredestein, die blijkbaar ook in het leger verblijft, 300 gulden voor kan schieten. Hij is namelijk zijn hele uitrusting kwijt geraakt. Zijn moeder heeft geen mogelijkheden om hem vanuit Den Haag iets te sturen. Ze zal het geld terugbetalen aan Margaretha zodra Godard Adriaan haar laat weten dat hij het geld gegeven heeft. Waarschijnlijk is dat goed gekomen. Mevrouw van Steelandt was zelf een dochter van de schatrijke François van Aerssen, heer van Sommelsdijk.
Waarschijnlijk Emmerentia van Aerssen van Sommelsdijk naar Cornelis van der Voort. Collectie RKD
[maecken,] mevrou steelant heeft mij versocht uhEd te versoecke dewijlle haer soon den heer
van vreedesteijn11Lodewijk van Steelandt, heer in Grijsoord, heer van Vredestein het ongeluck heeft gehadt van al sijn equipaesge verloore te hebbe, dat uhEd hem de som van drije hondert gulde wilde van haerentweechge geefve die sij mij hier weerom belooft te geefve so haest uhEd sal schrijfve die peninge getelt te hebbe, of sijn quitansi te sende, sij heeft hier heel geen geleegentheijt om hem gelt te sende of over te maecken, [de heer van ginckel is noch]
Het plan van Willem III
Margaretha komt nog even terug op het plan van Willem III. Van Ginkel is nu bij zijn moeder en natuurlijk zijn vrouw en kinderen in Den Haag, maar staat klaar om zich morgen als vrijwilliger bij de prins te voegen.
[te maecken] de heer van ginckel is noch hier, maer dewijlle hij hoort sijn hoocheijt Eenich deseijn voor heeft12Dessein: plan is hij van meenin merge derwaerts te gaen om met godts hulpe dewijl sijn reesgement int gar =nesoen weer is, sijn hoocheijt als volon= =taere13Volontaere: vrijwilliger op te wachte, de heer almachtich wil hem bewaere en voorsichticheijt geefve in wiens bescherminge uhEd beveelle en blijfve Mijn heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijff MTurnor
de heer en vrou van gincke met haer 4 kindere preesenteere haere ootmoedige14Ootmoedig: nederig/onderdanig dienst aen uhEd, deese gaet nu weer met bisdomer nu sal uhEd zien welcke Eerst en best overkomt
Nog even over de post: doordat Godard Adriaan zo trouw de ontvangstdatum op de brieven zet, weten we nu dat Bisdommer een dag trager is dan Romswinckel.
1
Couvert: briefomslag
2
Matthias Romswinkel
3
Avantagieus: gunstig, voordelig
4
ligt
5
ja
6
Attakeren: aanvallen
7
Gedevaliseerd: gewond of ontwapend
8
iets
9
Attenteren:ondernemen
10
Zo het zo is: als dat zo is
11
Lodewijk van Steelandt, heer in Grijsoord, heer van Vredestein
NB De brief is niet in de juiste volgorde gescand. Leesadvies: 23 rechts, 24 links, 26, 27 links, 24 rechts, 25 links.
Vandaag schrijft Margaretha een lange, lange brief. Om het hier een beetje behapbaar te houden, hebben we de brief in drie stukken geknipt met de volgende onderwerpen:
Een onderwerp dat vaak tussen neus en lippen door voorbij komt in Margaretha’s brieven, zijn de verhalen over familieleden. Soms heeft ze het welbewust over een neef of nicht, maar soms moet je het maar net weten. Zoals ze haar zoon en schoondochter de Heer en Vrouw van Ginkel noemt, zo worden andere familieleden ook genoemd. De familierelatie is dus lang niet altijd duidelijk. Soms is het ook zo dat ze mensen neef of nicht noemt, waarbij je geen idee hebt waarom. In ons 21e-eeuwse wereldbeeld zouden we het op zijn gunstigst over een achterneef of -nicht hebben, maar vaak zelfs niet eens meer weten dat het familie is.
In deze brief komen drie familieleden voorbij: de Heer van Wulven, de Heer en Vrouw van Heeze en Leende en Neef van Reede.
Heer van Wulven
In een eerder deel van deze brief, Gruwelen, wordt de Heer van Wulven genoemd, dit is Hieronymus van Tuyll van Serooskerken, de oudste zoon van Godard Adriaans zus Cornelia Elisabeth.
Gezicht op kasteel Wulven, gezien vanuit het zuiden, Roelant Roghman, ca. 1646 – ca. 1647. Collectie Rijksmuseum
Neef van Reede
Het belangrijkste verhaal in deze brief is over de Neef van Reede: hij is overleden. Het doet Margaretha leed dat hij is overleden, ook al heeft ze hem niet gekend. Ze vindt het vooral jammer voor Godard Adriaan, die met hem een goede vriend aan het hof van de keurvorst verliest. Ze hoopt dat Godard Adriaan snel nieuwe mensen vindt die hem daar behulpzaam kunnen zijn. Tussen de brieven van Margaretha zitten ook twee brieven van Diederik van Baer, die getrouwd is met de zus van de neef. Hij schrijft Godard Adriaan aan over de mogelijke erfenis.
[goederen in seelant konfiskeere,] de doot van ons neef van reede doet mij van harte leet en vrij leeder hoewel hem niet gekent heb als
so ick sien kan Eimant van sijn naeste vriende die mijns oordeels daer niet veel swaericheijt in maecke, dae voor mijn om dat uhEd so veel daer aent hof sende aen verliest de heere hoope ock sal al weer goede vriende en harte verwecke die uhEd behulpsaem sulle sijn
Kennelijk heeft de neef ooit van de Keurvorst een stuk land in Pruissen gekregen, maar dat eist de Keurvorst weer terug. Margaretha snapt het niet helemaal. Hij had het toch in eigendom gekregen? Hoezo wil de Keurvorst het dan terug? Het is nu vooral de vraag of Godard Adriaan tijd en geld moet steken in een stuk land in een gebied waar ze niemand kennen die er naar om zou kijken. Bovendien is het nu oorlog en zijn ze waarschijnlijk toch al alles kwijt. Of Godard Adriaan dat maar wil overwegen voor hij verantwoordelijkheden op zich neemt.
Merian, Caspar naar Johann Gregor Memhardt: Kasteel Oranienburg. Vogelperspectief op het in 1651 uitgewerkte plan van Memhardt in opdracht van Keurvorstin Louise Henriette (van Oranje Nassau). Uit: Martin Zeiller, Topographia electoratus Brandenburgici et Ducatus Pomerianiae, bei Matthäus Merian, Frankfurt am Main, 1652, nach S. 76. Collectie: Stiftung Preußische Schlösser und Gärten Berlin-Brandenburg
Carel van Reede van Drakestein, de opperschenker
De bewust neef is Carel van Reede van Drakestein. De tak Drakestein komt voort uit de tak Nederhorst. Deze Carel is een kleinzoon van een broer van Godard Adriaans opa. Een erg verre neef dus. Maar ook verre neven kunnen goede neven zijn, juist in den verre. Carel heeft Godard Adriaan erg geholpen tijdens de start van zijn verblijf in Berlijn. Hij kende het hof van de Keurvorst goed, want hij was daar opperschenker.
Een opperschenker was in de middeleeuwen de voorproever die ervoor zorgde dat de vorst niet vergiftigd kon worden. Om te zorgen dat hij zelf niet vergiftigd werd, hield deze opperschenker natuurlijk goed toezicht op met name de wijn en het schenken van de wijn, maar ook in de keuken in het algemeen. Ten tijde van Carel was de opperschenker verantwoordelijk voor de wijnkelders en bij afwezigheid van de hofmaarschalk ook voor de keuken en de tafel. Helaas weten we verder erg weinig over deze Carel.
De heer en vrouw van Heeze en Leende
Aan het eind van de brief vertelt Margaretha dat de heer van Heeze en Leende langs geweest zijn. Anna Margaretha van Randwijck, de Vrouwe van Heeze en Leende is een nichtje van Godard Adriaan. Ze is de dochter van zijn zus Catharina. Net als Neef Welland is zij ook vroeg wees geworden en mogelijk hebben Godard Adriaan en Margaretha haar ook opgenomen. Ze trouwde jong, ze was negentien, met de weduwnaar Albert Snouckaert van Schauburg. Hij had in 1659 het vervallen kasteel Eymerik gekocht in het katholieke Brabant en bouwde daar met architect Pieter Post een nieuw kasteel: Kasteel Heeze.
Over het bezoek zelf laat ze vrij weinig los, alleen dat Albert en Anna Margaretha graag naar Vlaanderen willen. Waarom is niet duidelijk.
Ziekenboeg
Gelukkig liggen er geen familieleden meer in de ziekenboeg. De update in huis gaat over Warnaar, de koetsier die dood is, keukenmeid Dorit die buiten hoop van leven is net als lakei Arend. Met die laatste is het zwaar gesteld: hij heeft een razende koorts en is bijna niet meer aanspreekbaar. Moge de Here ze maar snel tot zich nemen, zowel wat betreft de ziel als wat betreft het lichaam. Wie dood is, mag zich gelukkig prijzen…
[noch aen,] warnaer de heer van ginckels koets =sier is voorleede sondach gestorfven mijn doorij =te onse kockmeijt leijt buijten hoop van leefven so doet ock Arent de lackeij vande vrou van gincke se sijn al meest in Een raesende koorts en meest buijten verstant de heere wil haere sielle genadi sijn, ick doeder so naer den lichaeme als naer de sielle so veel bij alst doenlijck is moetse voort in de hande des heere beveelle inde welcke wij alle staen, die wel inden heere gestorfve is, is wel geluckich [want wie siet noch het Ent van deese]
Aan het eind van de brief voegt Margaretha een hele korte update van de overige zieken in het land toe: de oude Rijngraaf, Frederik Magnus van Salm is tot stervens toe krank. Margaretha weet kennelijk nog niet dat hij de dag voor ze haar brief schrijft is overleden. Er is ook een stralend lichtpuntje: Amalia van Solms is beter.
[pamphiel sijn proses wille maecke,] den oude rhijngraaf is heel kranck tot sterfens toe, Mevrou de prinses is beeter, [den heer]
Sorry
De brief is wat langer uitgevallen dan Margaretha gewild had. Dus houdt ze de ondertekening maar kort: MT en geen ps.
, dees is wat langer gevalle als gemeent hadt sal blijfve
Let op: de scans zitten een beetje door elkaar. Logische leesvolgorde is: 169, 170 links, 172, 170 rechts, 171
Margaretha heeft de brieven van Godard Adriaan van 23 en 24 september ontvangen. In Amsterdam was het 10 à 11 dagen droog geweest, maar de wegen waarop het leger van de keurvorst marcheerde moesten wel erg slecht zijn. Het heeft immers wekenlang geregend. Ze voelt mee met haar man en het hele leger. De zware mars zou Godard Adriaan wel eens op kunnen breken, vreest Margaretha. Toch verlangt ze ontzettend naar de komst van de bondgenoten. In de Republiek gaat het namelijk niet zo best…
Het leger van de keurvorst moet zich, volgens de berekeningen van Margaretha, nu niet ver meer van de stad Münster of de Rijnoever begeven. Met zo’n immense legermacht, op zulke slechte wegen… Dan is drie à vier mijl best veel. In de Republiek verlangt iedereen zeer naar de komst van de Brandenburgse troepen. Zonder hulptroepen geen verlossing, alleen het vooruitzicht van een ellendige en miserabele winter. Wat moet Margaretha doen als er niet snel verlossing van het Franse juk komt? Ze koestert weinig hoop dat de stad Utrecht en de gelijknamige provincie, zelfs de kleinste steden, vóór het invallen van de winter bevrijd zullen worden.
ick beklaech uhEd en het heelle leeger int binenste van mijn hart vreese het uhEd ock noch wel sal opbreecken sulcke tochte en reijse te doen, nu moet den heere keurvorst met het leeger naer mijn gissine en reeckenin so het daer op aengeleijt is, niet verde vande stat munster of den rhijnkant1Waarschijnlijk de rijnoever weesen, tis noch wel veel in sulcken weer en weegen noch drij a vier mijlen daechs net so swaere leeger
te marscheere, och hoe verlanckt men hier te lande naer deselfve volckeren, sonder dewelck wij geen de minste verlosinge te verwachten hebbe of konne sien, het sal wel Een Elendi ge en mieserable winter sijn voor veelle ijae voor ons alle, [ick weet noch niet hoe ickt met]
‘Een deseijn’
Het Staatse leger bestaat tegenwoordig uit zeer goede militairen, heeft Margaretha vernomen. Maar ze hebben nog helemaal niets nuttigs gedaan. Ja, er was een poging gedaan om Naarden te veroveren, maar de poging was op niets uitgelopen. Margaretha voegt een belangrijk detail toe dat niet in haar eerdere brief over de aanslag op Naarden stond: het was allemaal de schuld van Antoine Charles IV de Gramont, graaf van Louvigny. De prins van Oranje had het plan willen doorzetten, en had volgens velen de stad kunnen veroveren, maar Louvigny raadde het af. De onderneming was té gewaagd. Er stond simpelweg te veel op het spel voor de jonge prins. Maar de Fransen zijn ook niet gek… Ze weten dat de prins het hier niet bij gaat laten. De hertog van Luxembourg heeft het garnizoen in Naarden versterkt met verse manschappen, voedsel en geschut.
weer niet voort en koste, waer om den heere louvengie niet goetvont met het de =seijn voorte te gaen sijn hoocheijt wildender Evenwel op aen, da en soude so de meeste opijnie sijn de stat verovert hebbe, maer
loeuvengi raedent af segende dat het te veel voor sijn hoocheijtdie Een jonck heer is en sijn Eerste Exsploot soude sijn te veel gewaecht sou weese
Nog steeds geen orde
De poging van Willem Adriaan II van Horne – de graaf van Hoorn – om Montfoort aan te vallen was door de Franse troepen afgeslagen. Het bleek dat de graaf van Hoorn geen kruit had. Dat was hem, zei hij, wel beloofd… Margaretha vat het kort samen: er ontbreekt nog altijd het een of het ander. Veel is er niet veranderd sinds haar brief van een week geleden. Het lijkt er dan ook op dat de dood van de gebroeders De Witt nog niet veel soelaas heeft geboden. Zelfs na de dood van Johan en Cornelis de Witt wordt er nog zeer kwalijk over de broers gesproken! En dan de prins… Hij heeft zulke slechte raadgevers. Er zijn er maar weinig die het behoud van het land op de eerste plaats zetten. Er gaan ook zeer wonderlijke praatjes rond. Margaretha durft ze niet aan de pen toe te vertrouwen, schrijft ze, dus we zullen helaas nooit weten wat ze precies heeft gehoord.
[en vijfverees in gebracht,] den graef van hoorn heeft ock Een deseijn2Dessein: doel gehadt op monfoort ijae Een atacke daer op gedaen maer isser afge= slage, in de welcke kapteijn lockoert3Onbekende kapitein met Eeni =ge weijnige soldaete sijn doot gebleefve, doen donse daer voor quaeme bevont den graef van hoorn dat hij geen kruijt en hadt hetwelcke so hij seijt se hem belooft hadde te sende, insom ma4In somma: kortom daer ontbreeckt noch altijt het Een oft ander het schijnt dat met het wechneeme vande heeren de witte alde deesorderees5Desorder: ongeordendheid, ordeloosheid, wanorde noch niet wech sijn, het welcke wel bedroeft voor ons alle is, men spreeckt hier te lande noch seer qualijck van den heere bE6De adel spreekt Margaretha aan me hE (hoog edele) bijvoorbeeld shE is dan zijn hoog edele, of wel “hij”. Of als ze haar man aanspreekt gebruikt ze uhEd, u hoog edele, of wel “u”. Hier gebruikt Margaretha bE, wat zou ze daarmee bedoelen? burgere edele? bestuursedele? Of iets heel anders? wil hoope men hent ongelijck doet, [ock van onsen buermans soon den heer]
De Fransen lijken Utrecht steeds steviger in hun greep te hebben en hebben Naarden versterkt. Ook gaat het gerucht dat Engelsen bij Den Briel willen landen. Margaretha twijfelt dan ook of ze er goed aan doet om al haar spullen naar Den Haag te verhuizen, richting de kust waar mogelijk de Engelsen landen. Zal ze De Gulden Troffel nog even aanhouden? Maar de Fransen in Naarden zijn ook wel erg dichtbij…
Toch moet Margaretha wel een keer naar Den Haag. Als ze de kinderen van haar schoondochter Philipotta niet bij zich had, dan had ze het wel geweten. Dan was ze allang richting Den Haag gegaan om het geld op te eisen waar Godard Adriaan recht op heeft. Ze belooft Godard Adriaan op de hoogte te houden. Ten minste, als de brieven aankomen… De brieven van 13 en 17 september hadden Godard Adriaan namelijk nooit bereikt. Ze hoopt dat ze De Gulden Troffel voor iets minder huurgeld dan dat ze nu betaalde kon aanhouden, al was het maar voor de winter. Ze blijft in duijsent beraede…
[men nu seijt is niet met al geweest,] so omt Een alst ander derf ick mij so met persoone als goet niet teenemael in den haech begeef maer heb gedocht of ick dit huijs hier dat
noch niet verhuert is voor de winter als ickt voor Een mindere prijs kost krijge noch in huer hieldt en liet de muebel hier in met den drost en sijn vrou en vader om die te bewaere en dat wij met de kindere naer den haech gingen op deerste onraet aldaer koste Wij weer hier koomen, so uhE dit so goet vint salt selfve met de Eerste post van uhEd verwachte te verstaen, dewijl den tijt vant verhuijse seer nadert sal ick naer uhEd antwoort hier op verlange, [hebt al]
Haagse roddels
Direct na Margaretha’s opmerking over de kwalijke praat over de gebroeders De Witt, schrijft ze een curieus verhaal. Ze beschrijft mensen omfloerst, waarschijnlijk omdat ze vermoedt dat er mogelijk mee gelezen wordt. Ze zegt niet letterlijk dat er een relatie is met de verhalen over de gebroeders De Witt, maar door de overgang laat ze je het wel vermoeden.
Ze schrijft over de zoon van een buurman ‘die zijn wijn van de avond tot de morgen graag lust’7Mogelijk wordt met de buurman Frederik van Nassau-Zuylestein bedoeld. Zijn kasteel Zuylenstein staat vlakbij Kasteel Amerongen.. Samen met een vriend van haar zoon Godard, die één oog heeft, gaat de onbekende zoon van de onbekende buurman laat in avond naar het Noordeinde. Helaas wordt uit de brief niet duidelijk wie Margaretha bedoelt en of ze het heeft over haar Haagse, Amsterdamse of Amerongse buurman. Maar een saillant detail is dat de twee genoemde personen naar ‘fickfoort’ gaan, die op het Noordeinde woont. Zeer waarschijnlijk bedoelt Margaretha hiermee diplomaat Abraham de Wicquefort, een zeer illuster figuur in de zeventiende eeuw, die inderdaad op het Noordeinde woonde. Margaretha weet niet of het waar is, maar het is wel een vreemd verhaal, te meer omdat Abraham de Wicquefort toentertijd toch wel bekend stond als een vertrouweling van wijlen Johan de Witt. Het past in de lijn van de rest van de brief. Wordt zijne Hoogheid wel goed gediend?
[doet,] ock van onsen buermans soon den heer die sijn wijn vande avont tot den merge so wel mach die int voorhout woont en ons kinder goede vriendt met Een ooch, dat die alle nacht of heel laet inde avont komperijsi8Comparitie: een gelegenheid of plaats waarbij men verschijnt int noordijnde bij fickfoort9Van Wicquefort via Wickfoort en Vickfoort naar Fickfoort houde, oft waer is weet ick niet altijt se sijn seer int ooch, [sijn]
1
Waarschijnlijk de rijnoever
2
Dessein: doel
3
Onbekende kapitein
4
In somma: kortom
5
Desorder: ongeordendheid, ordeloosheid, wanorde
6
De adel spreekt Margaretha aan me hE (hoog edele) bijvoorbeeld shE is dan zijn hoog edele, of wel “hij”. Of als ze haar man aanspreekt gebruikt ze uhEd, u hoog edele, of wel “u”. Hier gebruikt Margaretha bE, wat zou ze daarmee bedoelen? burgere edele? bestuursedele? Of iets heel anders?
7
Mogelijk wordt met de buurman Frederik van Nassau-Zuylestein bedoeld. Zijn kasteel Zuylenstein staat vlakbij Kasteel Amerongen..
8
Comparitie: een gelegenheid of plaats waarbij men verschijnt
9
Van Wicquefort via Wickfoort en Vickfoort naar Fickfoort
Margaretha is prikkelbaar. Ze maakt niet eens haar aanhef af en valt gelijk met de deur in huis. “Mijn heer en” en daar houdt de aanhef op. Ze stuurt een brief mee die ze aan haar zoon gestuurd heeft en het gaat erover om iemand die ergens schuld aan heeft. Omdat we de brief aan haar zoon niet hebben, weten we niet wat er precies gebeurd is. Vrij snel wordt er een neef bij gehaald, die ook vrij weinig goed gedaan heeft en kan doen.
De tirade over deze neef neemt een hele pagina in beslag. Wat interessant hieraan is, is dat ze de naam van de neef niet noemt. Kennelijk gaat ze ervan uit dat er meegelezen wordt en dat Godard Adriaan door de beschrijving wel weet over wie het gaat. Voor ons is het daardoor vrij lastig te volgen waar het over gaat. Meer over deze tirade in de laatste alinea.
Margaretha zit zelf met een dilemma. Ze heeft een schip gehuurd om spullen van Amsterdam naar Den Haag te sturen. De vraag blijft waar het veilig is: Amsterdam of Den Haag. Het duurt lang voor de Brandenburgse troepen er zijn en het veldtochtseizoen loopt op zijn einde. De Engelsen beginnen weer te dreigen. En wat als de Fransen in de winter nog in Utrecht zitten? Stel dat het gaat vriezen en ze dan met al het goed moet vluchten! Ze kijkt het nog veertien dagen aan, maar hoopt voor die tijd wel het goedvinden haar man te krijgen.
[staen, en ons alle bewaeren,] ick weet niet wat ick doen sal heb al geen schip gehuert om mijn goet naer den haech te brenge, dan hebt selfve noch 14 opgehoude en wtgestelt, dewijlle het afkoome vande auxijlaere troepees so lange tardeert en ondertuschen het heelle saeijsoen verloopt , sijn hier groote en kleijne seer bekomert de Engelse dreijge ock noch met haer vloot te landen, so dat men aen alle kante seer benout is, en voorseecker hout so de franse voorde winter niet wt de provinsi
van wttrech raecken wij inde haech niet verseeckert sulle sijn en int hartge van de winter te moete vluchte weet ick niet hoe men met alt goet wech sou raecken daerom ick in duijsent bekom merine ben niet seetende wat ick doen sal, ben half gereesolveert het noch Een maent in te sien en so lan hier te blijfve ondertuschen uhEd goetvinde hier op verwachte, [ick kan niet]
De Hertog van Luxemburg
Pas na drie pagina’s gaat het weer over de Hertog van Luxemburg. Er is op last van de koning een nieuw plakkaat uitgegaan. Alle bewoners en ingezetenen van de bezette gebieden moeten binnen een maand terug keren naar hun huis. Margaretha blijft er nuchter onder, maar ze vermoedt dat haar schoondochter een nieuw alarm zal zijn. Waar in de vorige brief de straf voor het niet betalen van de brandschatting in beslag name en platbranden was, is dat nu al de straf voor niet terug komen.
[sien worde souden sij haer beraeden,] daer op is gistere weer Een plakaet vande hartooch van lutsenburch wt last vande koninck wt gekoomen waer bij alle ingeseetene en in woonders *die haer huisine en woonplaetse inde gekonkesteerde plaetse* hebbe wort gelast voort wtgaen van deese maent aldaer weederom te koome haer woonplaets neeme op peene dat van die tijt af haer goederen voor gekonfisqueert sulle af naer
Het deel tussen * * staat links overdwars
gehoude werde, haere huijse geraeseert en afgebrant en alle plantaesie af gehouwe en geruwineert worde, dit sal weer Een nieu =we alarm voorde vrou van ginckel sijn, hoet nu onse wtterse vriende sulle maecken sal mijn benieuwen de mense worde onder de franse met haer in quartierine so seer beswaert dat sijt niet langer harde konen[, men seijt]
Ook al schrijft Margaretha nog over allerlei saaie onderwerpen als de lokale politiek, ordinanties en belastingen, ze raakt de prikkelbaarheid niet kwijt. Ook haar ondertekening en de PS zijn wat dat betreft luid en duidelijk. Niks geen liefste hartje, en na “UhEd getrouwe” een pinnig Et(cetera). Ze stuurt Godard Adriaan een pamflet mee. Mogelijk heeft hij haar laten weten dat ze haar toon een beetje moet matigen, maar in dit boekje kan hij zelf zien hoe vilein het er tegenwoordig aan toe gaat.
[verwachte,] hier meede blijfve
Mijn heer uhEd getrouwe Et
ick sende dit boeckge op dat uhEd sout sien wat vieleijnije hier in swan gaet1In zwang gaan: beoefend/bedreven worden (op grote schaal, populair) hoop het wel sal overkoome
De tirade: puzzelen en zoeken
Terug naar de tirade uit het begin de brief. Het volgende fragment is behoorlijk onbegrijpelijk en geeft daardoor een mooi beeld van wat voor puzzels je als lezer van dit soort oude brieven moet oplossen.
Om te beginnen is er het taalgebruik. Er zijn veel woorden die je met kennis van Engels, Duits en/of Frans wel kunt invullen, maar die je voor de zekerheid toch beter even kunt opzoeken. Gelukkig staat het Woordenboek Nederlandse Taal gewoon online. Als het echt lastig wordt, zijn de medewerkers daar ook nooit te beroerd om je te helpen. Een groot deel van de puzzel is dat er nog geen standaard spelling bestaat en veel woorden fonetisch opgeschreven zijn.
Lastiger zijn de uitdrukkingen. Daarvoor biedt het Spreekwoordenboek van Stoett vaak uitkomst, bijvoorbeeld bij “reizen en rotsen”. “Het oor heel en dal hebben” is lastig terug te vinden, maar daar biedt Twitter soelaas. “Heel en dal” is bijvoorbeeld een door oma’s nog gebruikt synoniem voor “helemaal”. De combinatie met het oor blijft vooralsnog onduidelijk.
maer onse Neef die sich inmasgeneert2Imagineren:zich voorstellen het oor heel en dal te hebbe3Onbekende uitdrukking , en die uhEd de voorleedene winter en ick in ick uhEd apsensie, op sijn begeere heb gereijst en gerotst4Reizen en rotsen is een gebruikelijke samentrekking. Rotsen is vooral het (hard of wild) rijden met een paard of rijtuig en op sijn versoecke verscheijde briefve aende kleijne steede geschreefve met alleen voor Eij in sijn faveur maer ick voor sijn neef van vos , so veel gunst hebbe beweesen, de wijlle hem voort vergeefve hier van w is gesproocken, had het wel moogen teegen spreecke en Erhinderen5verhinderen het geene op uhEd vertreck pas afgesproocken, dan dien man heeft so veel te doen met Een komijs6Commies: een persoon aan wie een ambtenaar een deel van zijn taak overdraagt vander dussen die genoechsaem bij alle Eerlijcke liede voor infaem gehoude wert Eens sauve guardeS7auvegarde: bescherming van goederen of personen van sijn te prockwreere8Procureren: verschaffen, bewerkstelligen , en Ene sautijn hier inde reegeerine te brenge, het welcke, soot te weete het leste so het Eerste is geschiet
aengaet ick vreese mender van sal hoore, want die man en ons voorseijde neef sijn vader hier so int ooch sijn dat publijck op de straet daer van gesproocke wort en ick vreese sijt haer be= klaechge sulle, ick derfse niet waerschouwe, hij maeckt hem daermeede so veel te doen dat hij die voornoemde weldade vergeet en in uhEd apsensie aen sijn vriende niet meer en denckt, in somma Elck siet maer op sijn Eij gen intreste en daer hij sijn voordeel van treckt, het gaet hier teegenwoordich so dat uhEd hier waert sou hem verwonderen en verset staen, voor mijn weet niet langer wat ick segge of dencken sal de heere wil ons bij staen, en ons alle bewaeren, [ick weet niet wat]
En dan is er nog die geheimzinnige neef. Een eerste probleem is dat het begrip neef bij Margaretha erg rekbaar is. Het gaat verder dan wat we technisch gezien een neef zouden noemen. Het is bijna de ‘clan’ waar het over gaat. We krijgen in het stuk verschillende hints over de neef. Hij is weer een neef van ene Vos, die kennelijk geen neef van Godard Adriaan en Margaretha is. Kennelijk heeft hij nogal wat gunsten aan Godard Adriaan gevraagd, niet alleen voor hemzelf, maar ook voor de leden uit zijn ‘clan’.
Kennelijk heeft hij te doen gehad met een ambtenaar Van der Dussen, die niemand vertrouwt en is verantwoordelijk voor de aanstelling van ene Sautijn. Dat laatste is in ieder geval echt gebeurd volgens Margaretha. En daarin zit ook de eerste hint naar wie de neef zou kunnen zijn. Gillis Sautijn zijn is op 10 september door Stadhouder Willem III in de Amsterdamse vroedschap benoemd op voorspraak van Johan van Reede van Renswoude (Elias 1903, CXXII, onderaan de pagina). Als dit waar zou zijn, dan is het logisch dat Margaretha hem niet direct noemt: Johan van Reede van Renswoude was een belangrijke steunpilaar voor Godard Adriaan in de Utrechtse politiek en Stadhouder Willem III vertrouwde op hem. Het is alleen maar één bron en alle andere hints zijn nog niet uitgezocht.
Zo puzzelen de lezers van de brieven op verschillende details om erachter te komen wat Margaretha echt bedoelt. Daar zullen we alleen lang niet altijd (nu) achter komen.
Zeven mannen lezen aan een tafel, Jean-Julien Jacott, naar Johann Peter Hasenclever, 1847 – 1851. Collectie: Rijksmuseum.
1
In zwang gaan: beoefend/bedreven worden (op grote schaal, populair)
2
Imagineren:zich voorstellen
3
Onbekende uitdrukking
4
Reizen en rotsen is een gebruikelijke samentrekking. Rotsen is vooral het (hard of wild) rijden met een paard of rijtuig
5
verhinderen
6
Commies: een persoon aan wie een ambtenaar een deel van zijn taak overdraagt
Op 3 maart heeft Margaretha haar brief af. Hij ligt klaar om mee te geven met de post en dat zal Philippota of een personeelslid de volgende dag doen doen. Zoals Margaretha op 3 maart al aangaf moet ze echt naar Utrecht om zaken te regelen. Als Margaretha met de koets onderweg is, wordt ze onverwacht door een ruiter ingehaald: ze moet terug naar huis. En het is niet het water van Philippota dat gebroken is, maar Spaen is er!
Een aangekondigde bezoeker
Margaretha noemt Spaen voor het eerst in haar brief van 26 februari. We hebben de brieven die Godard Adriaan haar schrijft niet, maar kennelijk heeft hij haar aangegeven dat zijn vriend Spaen op bezoek komt. Hij geeft haar daarbij enkele erg specifieke opdrachten. Margaretha schrijft terug:
den heere spaen sal ick verwachte en hem so wel trackteere als mij doenlijck sal sijn maer hanekame padde stoelle1hanekampaddestoelen: catharellen met Amergrijs2ambergrijs weet ick hier geen raet toe so sijn hEd niet anders mach vrees ick dat het tracktement dat ick hem doen sal vrij slecht sal afloopen, dan geloof sijn hEd de smaeck van Een goede schinck3ham noch niet heel sal vergeeten hebbe
Dus Margaretha schrijft haar man dat ze de heer Spaen zo goed als mogelijk zal ontvangen. Ze weet zich alleen geen raad met hanekampaddestoelen en ambergrijs. Als dat het enige is wat hij eet, vreest Margaretha voor de afloop van de ontvangst, maar ze heeft het volste vertrouwen in de smaak van haar ham.
Hanekampaddestoelen
Hanekampaddestoelen zijn cantharellen. Het is de vraag of Margaretha ze wel onder die naam kende. Ze komen voor op een arme grond, bij voorkeur onder dennen, eiken, berken en beuken. Hoewel een groot deel in het bos op de Utrechtse Heuvelrug in 17e eeuw gekapt was, blijkt uit oude kaarten dat er rond Amerongen zeker wel bos of anders bomenlanen en struwelen waren. Het is dus niet onmogelijk dat cantharellen in Margaretha’s directe omgeving te vinden waren, maar ze waren wel zeer zeldzaam. Cantharellen werden wel ingevoerd vanuit Bourgondië en Italië. De kans dat Godard Adriaan ze in het metropole Berlijn wel gegeten heeft, is groter dan dat ze in Amerongen gevonden werden. In de 17e eeuw komen cantharellen wel voor het eerst in een kookboek. In 2021 verscheen een masterscriptie over paddestoelen in 17e eeuwse recepten van Emma Sofie de Vries.
Bosstilleven met paddestoelen en slang, Otto Marseus Schriek, 1657. Privé collectie. Foto van Sotheby’s 2011. Rechts op de voorgrond een hanekampaddestoel (cantharel).
Ambergrijs
Ambergrijs is de basisgrondstof voor parfums (o.a. Chanel No. 5) en wierook. Het werd ook gebruikt in eten, maar er zijn niet veel voorbeelden bekend. Het Woordenboek Nederlandse Taal noemt bijvoorbeeld “Een met peper en amber toebereide nachtegaal”. Het werd ook wel gebruikt om wijn wat te verbeteren.
Ambergrijs is een vetachtige substanties die een potvis gebruikt om scherpe stukjes uit zijn voedsel in te kapselen. Je kunt het vinden op het strand als hij het uit gepoept of uitgekotst heeft, of het kan gewonnen worden uit de darmen van een gevangen of gestrande potvis. Ambergrijs is enorm duur en als je het per ongeluk op het strand kan je zomaar miljonair worden. De walviszaal van Ecomare is gefinancierd met de opbrengst van de 83 kg ambergrijs die gevonden werd in de darmen van een bij Texel gestrande potvis. Ook in de 17e eeuw strandden wel eens potvissen in Nederland, maar lang niet elke potvis maakt ambergrijs. Het werd wel gebruikt, maar de kans dat Margaretha er bekend mee was is klein.
Een aangespoelde potvis op het strand bij Noordwijk, 28 december 1614 toegeschreven aan Hans Savery I (1614 – 1626). Collectie Rijksmuseum
Alexander van Spaen (1619-1692) is een edelman uit Kleve, het Duits-Gelderse gebied. Hij begint zijn loopbaan bij de prins van Oranje en wordt daarna luitenant in het Staatse leger. Hierna komt hij in dienst van de Keurvorst van Brandenburg en hij bevindt zich daar regelmatig aan het hof. In 1661 koopt hij kasteel Biljoen bij Velp. Hij was een goede bekende van Godard Adriaan.
Wanneer komt Spaen?
Op 29 februari schrijft Margaretha in een bijzin: “ick verwachte hier den heere spaen noch”
Op 3 maart schrijft Margaretha: “den heere spaen verneeme wij noch niet geloofe sijn hEd vergeet mijn aentespreecken”.
Op 4 maart is hij er dan eindelijk. Margaretha voegt snel, voor het vertrek van de post, nog een velletje met een gespreksverslag bij haar brief van 3 maart. Ze beschrijft dat Philippota haar terug liet halen en dat ze Spaen verzocht heeft de nacht te blijven, maar hij moet noch naar Den Haag. Hij wil zelfs in de middag niet blijven eten: in de tijd dat Margaretha terug gehaald heeft, dat hij al bij Van Son gegeten. Maar hij is wel zo goed geweest om een glas wijn met Margaretha te drinken. Hij belooft om een keer weer te komen en dan een nacht of twee te zullen blijven. Dat zint Margaretha wel, maar er hangt nog iets als een zwaard van Damocles boven dat toekomstig bezoek…
Spaen klapt uit de school
[hier te sulle blijfve,] ick heb hem geseijt mij ondertusche van haenekame am bergrijs en paddestoelle te sulle ver sien, maer sijn hEd beklaecht hem dat uhE sich so slecht trackteert datse den buijck niet konne vulle, uhEd moet hem wt dien quaede reputasie helpe ent selfve verbeeteren, sijn hEd is noch al den ouden spaen hij weet mij van uhEd wel-
vaerentheijt niet genoech te segge daer de heere voor gedanckt moet sijn, ock dat uhEd de juffrouwe so kaesijoleert dat te verwondere is, ick seijde mij van harte lief te was te hoore uhEd noch so vol vier waert, hiermeede moet dees wech
den 4 maert 1672
Zodra Margaretha begint over de hanekampaddestoelen en het ambergrijs, vertelt Spaen dat hij door Godard Adriaan zo slecht ontvangen is, dat hij daar met lege buik vertrokken is. Margaretha speelt dit gelijk terug naar Godard Adriaan: hij moet het zelf maar recht zetten en zijn reputatie verbeteren. Spaen stelt Margaretha wel gerust: het gaat haar man goed.
Misschien is er meer dan één glas wijn gedronken of is er een soort directe vertrouwdheid tussen Margaretha en Spaen, want hij durft een stapje verder te gaan. Hij vertelt haar dat haar man in Berlijn de juffrouwen zo cajoleert4van het franse cajoler: vleien, flikflooien. Margaretha laat zich hierdoor niet in het minst uit het veld slaan: ze is blij dat haar man nog zo vol vuur is. En daarmee besluit ze het gespreksverslag, want de brief moet nu echt naar de post.