Stadhouder Willem III was de zoon van de Engelse prinses Mary en daardoor een kleinzoon van koning Charles I van Engeland. Koning Charles II van Engeland was dus zijn oom. De betrekkingen tussen het huis van Oranje en het Britse koningshuis waren wat wisselend van aard. In de jaren dat Cromwell aan de macht was en Charles II als balling rond zwierf door Europa, was de latere koning regelmatig aan het hof in Den Haag. Maar in 1672 trok hij als bondgenoot van de Franse koning Louis XIV tegen de Republiek ten strijde. Die strijd liep voor de Engelse koning niet zo goed af en zijn parlement maakte hem wel duidelijk dat het handiger was om de Republiek als bondgenoot te hebben.
Portret van stadhouder Willem III (1650-1702), naar Caspar Netscher, ca. 1675-1680. Collectie Kasteel Amerongen.
De juiste troonopvolger
Religie speelde daarbij een grote rol. De broer van de koning, James, was katholiek geworden en dat maakte hem bepaald niet populair bij de bevolking. Zijn dochters, Mary en Anne, waren opgevoed als leden van de Anglicaanse kerk. Aangezien Charles geen wettige nakomelingen had, waren Mary en Anne potentiële troonopvolgers. Koning Charles wilde Mary graag uithuwelijken aan de Franse dauphin maar het parlement was tegen. Stadhouder Willem III was in hun ogen een betere kandidaat.
De hertog en hertogin van York met hun twee dochters, Peter Lely en Benedetto Gennari, 1668-1685. Collectie: Royal Collection Trust.
Het huwelijk
In 1677 was Mary 15 jaar oud, Willem was 27. Mary had haar neef waarschijnlijk al wel eens langs zien komen: pokdalig, geen schoonheid en bepaald geen feestbeest. Voor een 15-jarig meisje niet de prins op het witte paard maar Mary had niets te kiezen. Het huwelijk vond plaats op 4 november 1677, ’s morgens om 9 uur, in St James palace in London. De reis naar de Republiek had de nodige vertraging vanwege het slechte weer. En toen de overtocht dan uiteindelijk lukte, was de Maas bevroren en moest het bruidspaar landen in Ter Heijde en in de vrieskou gaan lopen naar paleis Honselaarsdijk. Een moeizaam begin, maar op 14 december vond de feestelijke intocht in Den Haag plaats.
Huwelijk van prins Willem III met Maria Stuart, Carel Allard (uitgever), 1677. Collectie Rijksmuseum.
Mary in de Republiek
Ondanks het moeizame begin van de relatie werd Mary al snel verliefd op haar echtgenoot. Ze was vrolijk en vriendelijk van karakter en dat viel in de Republiek ook zeer in de smaak. Eén van de buitenverblijven van Willem III, Hof te Dieren, lag in de naaste omgeving van kasteel Middachten, waar Philippota veel verbleef. Als de prins een jachtpartij organiseerde op het Hof te Dieren, was Van Ginkel van de partij en dan voegde Philippota zich bij de dames die prinses Mary gezelschap hielden. Mary en Philippota gingen vriendschappelijk met elkaar om. Maar of ze nu hartsvriendinnen waren? Philippota was katholiek en in die zin een vreemde eend in de bijt bij de protestantse hofhouding. Daarnaast, Philippota kreeg zonder problemen kind na kind terwijl Mary tot haar grote verdriet kinderloos bleef.
Het Hof te Dieren (in 1795 afgebrand) jachtslot van Stadhouder Willem II en Stadhouder Willem III, anoniem, 1770-1795. Collectie Gelders Archief.
Mevrouw de prinses
In de brieven van Margaretha zal Mary “Mevrouw de prinses” genoemd worden. In de vroegere brieven is die titel voorbehouden aan Amalia van Solms, maar die is in 1675 overleden.
Voor de herbouw van Kasteel Amerongen was een hoop materiaal nodig. In de brieven van Margaretha aan haar man lezen we over kalk, hout, steen en turf. Er moest per slot van rekening weer een functioneel kasteel gebouwd worden. Maar het oog wil ook wat. Op 11 april 1680 ontvangt Godard Adriaan een brief van ene Jochem Fopma uit Bremen, een handelaar in bewerkte steen. Hierin wordt gesproken over ‘beelden en ballen’, en over bijbehorende ‘klapmutsen’. Dat zijn sierstukken om een muur mee af te dekken. Over welke beelden en ballen Jochem Fopma het heeft, wordt uit de betreffende brief niet duidelijk, maar het kan bijna niet anders dan om de beelden Fortitudo en Prudentia gaan die samen met twee grote stenen ballen bij de trap naar de bovenbrug staan. Het had nog flink wat voeten in aarde om de pronkstukken van Bremen naar Amerongen te krijgen. Aan de hand van het briefarchief van Kasteel Amerongen hebben we deze interessante reis eens in kaart gebracht.
[17 courant uijt Berlin hem toegesonden,] begeerende dat ick dit aen UE mocht beantwoorden, alsmeede bij eerste goe occasie d’affsendingh de twee vaerdige Beelden & bewerckte decksteen voor sijn Ex.ie den H.re van Amerongen te bevorderen twelck hebbe aengenoomen nae vermoogen te doen, ondertusschen sijn hier meede gearriveert de twee geordineerde stucken steens totte twee Ballen; die souden, indien sijn HoochEd. beliefde, nu vervaerdight (terwijl doch gheen scheepen tot noch toe parat sijn) konnen meede gesonden worden, als oock de vier klapmutsen die totte Beelden en Ballen vereijscht worden, ende van streckstucken moeten sijn [waerop Mr Prangh resolutie wacht,]
25 maart 1680, Jochem Fopma aan Godard Adriaan van Reede
Rozen, bal en Fortitudo bij Kasteel Amerongen, foto: Annemiek Barnouw, 2020.
April: de beelden zijn verstuurd per boot
Op 29 april ontvangt Godard Adriaan een brief van dezelfde Jochem Fopma uit Bremen. Hij schrijft dat hij na 7 april de gelegenheid had om de beelden alvast per boot te versturen. Ondanks dat hij daartoe nog geen opdracht had ontvangen en de ballen en klapmutsen nog niet klaar zijn, heeft hij dat gezien de waterstand in de Vaart maar gedaan. De beelden heeft hij op een ‘boecken bael’ vastgebonden en met stromatten beschermd. De kosten worden helaas wel wat hoger, want Meester Prang moest zelf met nog iemand de rivier af komen om te helpen.
Ick heb dan de twee vaerdige beelden jeder op een boecken bael wel vast gebonden en met stromatten bewaert, neffens de decksteen, 4 klapmutsen op de muijr en de geordineerde vloersteen, t’saemen in’t schip van Obbo Jelles van Worckom gelaeden en aen S.r A.T. Jacobs1Temminck geconsigneert, waervan ick dito S.r aenstaende Woensdag per post oock advijs sal geeven; de beelden sijn tot Vegesack neffens ‘t ander goet wel en onbeschadigt ‘t scheep gekomen, maer de kosten komen wat hooch want Mr Prangh met noch een persoon selffs daerom naer beneeden geweest sijn2de rivier af gekomen; en ick heb den schipper, die een nieuw Schmack voert3smakschip, het goet ten hoochsten gerecommandeert
Steenhouwer Jan Prang is een oude bekende van de familie Van Reede. In 1676 kwam hij al van Bremen naar Amerongen om allemaal hardstenen elementen (vloerstenen, trappen, de lijst om het huis, onderdelen voor de schoorstenen) ter plekke passend te maken. Kennelijk is er nu voor gekozen om Jan Prang in Bremen te laten werken en dan de afgewerkte stenen naar Amerongen te sturen. In dit brieffragment lijkt het of Meester Prang de standbeelden ook gemaakt heeft. Het is zeker niet onmogelijk, maar eerder maakte hij elementen voor het huis, het zou ook kunnen dat hij alleen zorg draagt voor de verzending. De dekstenen, klapmutsen en de ballen passen wel bij het beeldhouwwerk dat hij eerder voor Kasteel Amerongen geleverd heeft.
De onderkant van één van de dekstenen, foto: Annemiek Barnouw, 2026. Momenteel worden de brug en de muur voor het kasteel gerestaureerd, daarom zijn de dekstenen van de muur gehaald. Op de onderkant zie je de aanwijzing die waarschijnlijk door Jan Prang in Bremen in de steen gekerfd is. Zo was in Amerongen duidelijk welke steen waar moest liggen.
Augustus: oplopende kosten
Als de beelden onderweg zijn, wordt het een paar maanden stil rondom de beelden, ballen en klapmutsen. Godard Adriaan blijkt vragen te stellen over de oplopende kosten. Op 9 augustus krijgt hij een brief van Fopma waarin hij uitlegt dat de prijzen fluctueren. Omdat hij zelf geen voorraad steen meer had, moest hij nieuwe kopen. Daarnaast worden de ballen en klapmutsen van een harder, en dus duurder, steensoort gemaakt. Maar Fopma is bereid er een mooi prijsje van te maken als Godard Adriaan hem aanbeveelt als opvolger van zijn overleden oom. Een brutaal mens heeft de halve wereld toch? Zeker gezien het bijzondere Post scriptum van de brief. Het lijkt er namelijk op dat er in de tussentijd niet zoveel voortgang is geboekt met de ballen en klapmutsen. Meester Prang is een reislustig heerschap en pas teruggekomen uit Osnabruck. Hij zal nu pas weer verder gaan met de ballen en klapmutsen.
Weer verstrijken er een paar maanden en de ballen en klapmutsen zijn nog altijd niet op weg naar Amerongen. Er is meer vertraging opgetreden. Op 12 oktober leest Godard Adriaan in een nieuwe brief van Jochem Fopma dat hij voornemens was de ballen en klapmutsen een maand eerder al naar Amerongen te laten verschepen. Meester Prangh was echter weer naar Osnabrück, waar 4 van zijn knechten ziek zijn geworden, dus dat gooide roet in het eten. Aan Jochem Fopma ligt het absoluut niet. Hij heeft veel ander werk weggehaald bij Meester Prangh, dus de ballen en klapmutsen moeten nu met 4 dagen echt wel klaar zijn.
dat ick niet getwijffelt had, oft de bewuste bollen en klapmutsen souden ten minsten voor 1/m naer Amsterdam sijn gescheept, maer Mr Prangh sijn Voijage naer Osnabrugh alwaer vier van sijn knechts sieck sijn heeft mijn voornemen belett, ‘kheb echter sedert sijne t’huijscomst alle devoir gedaen, om hem onaengesien veel ander noodig werck, daedelijck tot voltrecking van dit begonne langduijrige werck te brengen en is daermeede soo verre geavanceert dat de laeste der Bollen neffens de laeste der klapmutsen binnen 4 dagen konnen vaerdig sijn, als wanneer ick niet manqueeren sal om die, belieft het Godt, met eerste goe occasie volgens ordre te versenden
27 september 1680, Jochem Fopma aan Godard Adriaan
De Steenhouwer, anoniem, fragment uit een pagina met zes ambachten uit Meijers Prenten, uitgegeven door De Ruyter & Meijer, Amsterdam, 1878. Collectie Rijksmuseum.
December: van boot naar appelwagen
De ballen en klapmutsen worden in oktober door Jochem Fopma vanuit Bremen verzonden naar Adriaan Temminck in Amsterdam. Hem kennen we ook uit de brieven van Margaretha. Op 24 december krijgt Godard Adriaan een brief van Temminck. Hij heeft de lading ontvangen, maar er is een probleem. Er varen geen schepen op de Rijn dus hij kan de ballen en klapmutsen niet verder per boot naar Amerongen versturen. Gelukkig heeft hij een oplossing. Hij verstuurt de lading naar ‘oom Synapius’ in Amersfoort. Dit is wellicht een oom van Temminck, die in dezelfde kringen verkeerde als Godard Adriaan. In Amersfoort moeten de ballen en klapmutsen vervolgens op appelwagens geladen worden. Die komen uit de Betuwe en passeren door Amerongen.
De Breemer steen bestaende in 2 groote ronde bollen 4 vierkante klapmutsen en 1 waeter off geutsteen hebbe ick int begin vant vriesent weer hier ontfangen, en alsoo door het leegewaeter gans geen scheepen op den rijn conde vaeren, soo hebbe alles op Amersfoort gelaeden en aen oom Senapius geadresseert met ordre om alles op de appelwaegens (die daer uijt de Betuw coomen en door Amerongen passeeren) te laeden, geleijck oock Haer HoogEdele mijn schrijft dat ditto steen daer wel gecoomen
(Van deze brief is nog geen scan beschikbaar)
Wagen met keien getrokken door paarden, Alexander-Gabriel Decamps, 1830-1831. Uit: Schetsen door diverse kunstenaars. Collectie: Rijksmuseum.
Aankomst in Amerongen
Op 27 december ontvangt Godard Adriaan dan het verlossende woord van Margaretha. De ballen en klapmutsen zijn aangekomen in Amerongen. Reden voor blijdschap zou je denken, maar dat blijkt niet uit de brief van Margaretha. Het lijkt er op dat het plan met de appelwagens is mislukt. Ze schrijft dat ze de lading zelf met wagens uit Amersfoort heeft laten halen. Alles is onbeschadigd aangekomen, op één klapmuts na. Die mist een stukje. Verder hoopt ze vooral dat al het steen uit Bremen nu is aangekomen, want het is allemaal al duur genoeg. Hoe de reis van de beelden Fortitudo en Prudentia verliep, is niet duidelijk. Zij werden per slot van rekening al in april 1680 verstuurd vanuit Bremen. Hoe dan ook, in december zijn alle pronkstukken, minus een klein stukje klapmuts, in Amerongen. En daar zijn ze nog steeds te bewonderen.
tot Amsterdam is de 4 groote klapmutse en de twee groot hartsteene bolle van breeme aengekoome, die teminck omt lage water niet voort heeft konne krijgen is genootsaeckt geweest die tscheep op Amersfoort te sende die ick met wagens van daer heb laeten haele en sijn deselfve onbeschadicht hier gebrocht wtgesondert datter vant Eene klapmuts en kleijn stuckge af is, hoope wij nu het laeste steen van breeme hier hebbe, die reeckenine loopen hooch, so doens die aen alle kanten,
14 december 1680, Margaretha aan Godard Adriaan
Kasteel Amerongen vanuit het oosten, foto: Annemiek Barnouw, 2020. Aan weerszijden van de centrale trap de beelden, rechts daarvan op de pilaren de ballen. Onder de beelden en de ballen liggen de klapmutsen en de dekstenen sluiten de muur af.
Margaretha is maar druk met dat hele bouwproject. Eerst het huis zelf en nu alle bijgebouwen. Godard Adriaan mag in zijn handjes knijpen dat hij zo’n hardwerkende, praktische en zuinige vrouw thuis heeft zitten! Toch?
Eind 1673, begin 1674 schrijft hij aan iedereen die het maar horen wil dat hij Johan Maurits van Nassau-Siegen als architect aangesteld heeft. Dat moeten we niet te letterlijk nemen, maar hij is duidelijk in zijn nopjes met deze verbinding met “Vorst Maurits”. In 1677 schrijft Godard Adriaan hem over de voortgang van de bouw.
Jan de Baen, Portret van Johan Maurits (1604-1679), graaf van Nassau-Siegen, 1668-1670. Collectie Mauritshuis.
Doorluchtige Vorst
Godard Adriaan heeft een brief van Johan Maurits gekregen en hij is duidelijk als een kind zo blij, want ondanks dat ze een tijd geen contact gehad hebben valt hij nog in de gunst bij de doorluchtige vorst. Hij wil dan ook graag preuves (bewijzen) geven, hij wil dus eigenlijk een soort verantwoording afleggen.
Doorluchtige Hoochgeboren Vorst.
U Vorstelijke Genades hoochgeeerde missivie van de ix deses is mij voor twee dagen eerst alhier gewerden, waaruijt ick met sondelinge aangenaamheijt verneme desselfs goede dispositie1Dispositie: gezondheid, ende dat hij mij sijne gunste ende genade noch belieft te continueren, na dat ick het ongeluck hebbe gehadt van deselve in anderhalf jaar niet te sien, of dat mij occasie is aan de hant gekomen, van uVorstelijke Genade van mijn gehoorsamen dienst preuves te geven:
In de volgende alinea geeft hij alle eer voor het bouwen aan zijn vrouw, maar dat doet hij wel op bijzondere wijze. Want hij begint met de zwakheid van het vrouwelijk geslacht, een geslacht dat zelden iets goed of considerabels in de wereld verricht heeft. Nou ja, zijn vrouw dus, die heeft bij zijn afwezigheid een huis gebouwd! En dan schrijft hij niet dat ze dat goed gedaan heeft, maar dat hij daar niet mee kan instemmen!
De Vrouw van Amerongen, die de swackheijt van hare sexe is onder worpen ende welke sexe selden ijets goets of considerabels in de werelt verrichte heeft bij mijn absentie in Duijtslant ondernomen een huijs tot Amerongen te bouwen, daar van
ick haar geen approbatie2Approbatie: goedkeuring can geven voor ende aleer het selve bij UVorstelijke Genade is opgenomen [ende of wel sijn]
Maar dat is nog niet alles! De Prins van Oranje is tien dagen geleden met een klein gevolg langs geweest om het nieuwe huis te bekijken. En hij prees de wijze waarop het huis opgebouwd was en de rol die Margaretha daarin gespeeld heeft. Daardoor loopt Margaretha volgens haar man nu een voet hoger…
[Genade is opgenomen;] en of wel sijn Hoocheijt die mij voor tien dagen d’eer heeft gedaan neffens den grave van Osserij3Niet bekend ende andere Heeren hetselve te komen sien. de ordonantie4Ordonnantie: wijze waarop iets is geregeld daarvan mitsgaders5Mitsgaders: daar bovenop, bovendien de Conduite vande Vrouw van Amerongen daaromtrent gehouden seer prees ende waarop Sij nu een voet te hoger treet, [soo heb ick]
Stadhouder Willem III te paard naar links, anoniem, 1688 – 1698. Collectie Rijksmuseum.
Stallen
Godard Adriaan zegt dat hij niet zal bevestigen wat de Prins gezegd heeft, uit angst dat Margaretha bij zijn volgende afwezigheid stallen of andere dienstgebouwen rond het bassecour (het voorplein) zal zetten. Dat zal hem “de beurs plat en het hoofd berooid” maken.
[voet te hoger treet,] soo heb ick evenwel mijn adveu6Uit het Frans: De term wordt onder andere gebruikt voor de getuigenis die men aflegt over wat een ander heeft gezegd of gedaan. daarop niet willen geven, uijt vreese datse soo hooch moedigh soude werden, ende bij dier gelijcke mijne absentie wel wederom met het bouwen van stallen ende servitien7Van het Frans “service” of servitie; in deze context dienstgebouwen. op de bassecourt noch ijets aanvangen, dat mij de beurs plat en het hooft beroijt soude maken;
Uitnodiging
Hierna heeft Godard Adriaan eigenlijk nog één verzoek aan Johan Maurits. Hij nodigt hem uit om zijn huis te komen bekijken en misschien zou hij dan een “holla” in willen stellen. Een holla (denk hola!) is een aansporing of aanmaning om ergens mee op te houden of zich te matigen. Denkt hij nou dat Margaretha wel naar Johan Maurits zal luisteren? Nou ja, als hij er dan toch is heeft hij misschien nog wel (goedkope) tips voor die gebouwen rond het bassecour… Bovendien zou Godard Adriaan het ook wel leuk vinden om samen naar Soestdijk te gaan, want daar moet nog best wat gebeuren.
Godard Adriaan wil zó graag dat Johan Maurits komt, dat mocht hij besluiten te komen, hij niet in Amerongen op hem zal wachten, maar dat hij dat op de weg zal doen. En dat is best een belofte in een tijd dat je niet even kon appen dat je er bijna was.
daarom ik van harten wenste dat wij het geluck mochten hebben uVorstelijke Genade aldaar eens te sien
op dat hij daar een holla8Hola: Als aansporing, aanmaning om op te houden, zich (wat) te matigen in wilde stellen ende reformeren int gebouw ende ordonneren tgeene noch aan de bassecourt resteert, dat van groot= gemack ende geringe kosten mochte wesen, waar na ick seer verlange te meer, op dat ick alsdan de eer mochte hebben van met UVorstelijke Genade oock eens naar Soestdijck tegaan alwaar t’een ende t’ander subject mijns oordeel noch al vrij wat te doen staat; ende soo haast ick sal konnen vernemen dat u Fürstlichte Genade dispositie9Dispositie: gezondheid sal toelaten een keer na dese quartieren te doen, sal ick mij niet alleen tot Amerongen laten vinden maar deselve opde wech komen opwachten.
Amphitheater te Kleef, naar het Zuiden gezien, Jan van Call, 1675 – 1685. Collectie Rijksmuseum. De door Johan Maurits aangelegde tuin in Kleef. Johan Maurits was wat de betreft de bouw een groot voorbeeld voor Godard Adriaan.
William & Mary
Godard Adriaan eindigt zijn brief het feit dat zoon Van Ginkel Willem III begeleid heeft naar Hellevoetsluis en dat hij daar wacht op de terugkeer van de prins. Godard Adriaan hoopt dat het bezoek van de Prins aan Engeland wat goeds voor de Christenheid en voor de vrede mag betekenen. Het gaat hier om het huwelijk tussen Stadhouder Willem III en de Engelse prinses Mary Stuart op 4 november 1677. We zullen Mary ook tegen gaan komen in de brieven van Margaretha. Meestal noemt ze haar “mevrouw de prinses”.
Sijn Hoocheijt is eergister avont van hier over Helvoetsluijs naar Engelant vertrocken met een tamelicke goede wint, ende heeft den Heer van Ginkel d’eer dat hij
hem onder sijne Suite nevens andere mede opwacht. Godt geve dat uijt dese reijse wat goets ten besten van de Christenheijt mach proflueren10Proflueren: zijn oorsprong hebben ende daar door de diergewenste vrede eenmaal bekomen werden; [in wiens]
Voor de volledigheid voeg ik ook de afsluiting van de brief toe. Het is interessant om te lezen met hoeveel zwier en omhaal zo’n afsluiting geschreven wordt. Bovendien wordt in de afsluiting pas duidelijk dat het prachtige handschrift waarschijnlijk van zijn secretaris is, want het handschrift van de ondertekening is nogal anders. Een hoeraatje voor de secretaris!
[eenmaal bekomen werden,] in wiens H. protectie ick uVorstelijk Genade bevele ende mij inde continuatie van sijn hoge gunste ende blijve
Doorluchtige Hoochgeboren Vorst;
Uwe Vorstelijke Genade Ootmoedigen Dienaar
Godert Baron van Reede …. Tot Amerongen
Hage den 19. October 1677.
Duiding
Voor ons 21ste-eeuwers is het lastig Godard Adriaans mening over Margaretha’s bouwactiviteiten te duiden. Was dit gebruikelijke mannen onder elkaar praat? Of was dit misschien toen ook al brallerig? We weten dat Godard Adriaan van een praktische grap hield en dat Godard Adriaan en Margaretha van een goed glas wijn hielden. Zouden ze de brief misschien samen geschreven hebben bij een glas wijn? Het zou wel de leukste verklaring zijn.
1
Dispositie: gezondheid
2
Approbatie: goedkeuring
3
Niet bekend
4
Ordonnantie: wijze waarop iets is geregeld
5
Mitsgaders: daar bovenop, bovendien
6
Uit het Frans: De term wordt onder andere gebruikt voor de getuigenis die men aflegt over wat een ander heeft gezegd of gedaan.
7
Van het Frans “service” of servitie; in deze context dienstgebouwen.
8
Hola: Als aansporing, aanmaning om op te houden, zich (wat) te matigen
Ik ben geen goede schrijver: ik ben een slordige ADHD-er en als ik typ probeer ik mijn gedachten bij te houden. Mijn snelle typen klinkt volgens mijn kantoorcollega als de rammelende flesjes bij een apotheek. Er zitten dus altijd vertypingen en domme dt-fouten in mijn teksten. Dat betekent niet dat ik geen taalpurist ben. Ik vind dat je in principe gewoon je best moet doen om fatsoenlijk Nederlands te gebruiken. Ik gruw van SMS-taal en “maar je begrijpt het toch” is voor mij geen argument. Mijn kinderen kunnen zich dan ook gelukkig prijzen dat ik bewust kinderloos ben.
Mijn typsnelheid volgens kantoorcollega
het voert hier wonderlijcke tael
Totdat Margaretha Turnor in mijn leven kwam. Ze kwam ongemerkt: haar verhalen nestelden zich in mijn hoofd, toen in mijn hart en daarna hunkerde ik naar meer. Dus dook ik in haar echte brieven. Nu kan ik me niet meer voorstellen dat ik destijds haar handschrift kon lezen en haar taal niet begreep. Als je meer 17de-eeuwse handschriften kent, is Margaretha’s lettertype eigenlijk behoorlijk modern. Haar taalgebruik is welbeschouwd ook heel goed te volgen. Als je het tenminste hardop aan jezelf voorleest, want ze schrijft nogal fonetisch.
het sal wel goede woorde geefve, damen niet mee te mart kan gaen
Inmiddels reageer ik vrij fel op mensen die op basis van Margaretha’s brieven zuur menen te moeten vertellen dat Margaretha niet veel opleiding had, omdat haar spelling toch echt beneden de maat is. Wij, 21ste-eeuwers denken te zwart-wit: je schrijft een woord goed of je schrijft het fout. In de 17de eeuw was er nog geen standaardspelling en Margaretha neemt de ruimte die ze daardoor krijgt volledig in. Ze schroomt er niet voor om één naam in één brief op drie verschillende manieren te spellen, ze bedenkt (waarschijnlijk) zelf gezegdes en maalt niet om interpunctie. En dat je in het heetst van het schrijven van een brief “daar men” afkort tot “damen”: sorry hoor, maar je begrijpt het toch?
We zijn hier, op dit blog, inmiddels drie archiefnummers (van de zeven) verder. Ik lees zelf vooruit, controleer de transcripties, zoek personen en gebeurtenissen uit en zoek woorden op in de historische woordenboeken van het Instituut voor de Nederlandse Taal. Bijna alle woorden vind ik overigens daarin terug en Margaretha heeft een enorme woordenschat! Wat doet deze innige relatie met Margaretha’s taalgebruik met mij?
Heel eerlijk? Veel! Ik kan inmiddels zelf ook behoorlijk op z’n Margaretha’s typen. De transcripties staan ook in een worddocument en met ctrl+f kan ik haar spelling zo nabootsen dat ik meestal wel vind wat ik zoek. Het werkt alleen wel door… Inmiddels ziet eigenlijk bijna alles wat ik typ er logisch uit en moet ik soms een woord op drie manieren spellen om te weten wat de juiste, 21ste-eeuwse spelwijze is. Gelukkig is er bij echte twijfel gewoon nog steeds Het Groene Boekje. Ik denk wel dat ik voor de échte 21ste-eeuwers teegen woordich meer foute pleech.
Een partiekuliere pasie
Maar wat vind ik dan nu van 21ste-eeuwers die fonetisch schrijven? Je zou zeggen dat ik misschien milder geworden ben en dat ik tevreden ben als ik begrijp wat er bedoeld wordt. Nou. Nee. Ik ben meestal ook degene die ziet dat het verschil tussen d, dt of t een heel andere betekenis aan een zin kan geven. Dus ik blijf voorstander van goed taalonderwijs en zorgvuldige spelling. Zonder een goede basis in je eigen taal is het ook lastig andere talen te leren. En datzelfde geld1door een meelezende redacteur ben ik, terecht, gewezen op deze domme dt-fout, ik heb hem laten staan om de eerste alinea te bevestigen voor een tijdreis in je eigen taal. Ik merk bij historische brieven dat mijn Frans niet goed genoeg is om een brief uit de 18de eeuw te lezen, terwijl ik een moderne (gedrukte) Franse tekst wel redelijk kan lezen.
Uiteraard is taal levend en zijn grenzen er om geslecht te worden. Mijn Frans is niet goed genoeg om oude brieven te lezen, mijn Duits was op de middelbare school écht berucht slecht. En toch probeer ik Duits te praten. Ik bak er weinig van, mijn naamvallen vliegen alle kanten op en als ik er niet uit kom, bedenk ik gewoon zelf een woord. Dus compassie voor slecht taalgebruik is er wel: we hebben nu eenmaal allemaal onze grenzen en het is zonde als die je beperken in het maken van een connectie met je medemens. Want dat is toch waarom we allemaal iets met taal doen.
Dit blog is geschreven in het kader van de Week van het Nederlands, met als thema Op reis in taal.
nabrander
De kopjes “op z’n Margaretha’s” komen uit de volgende brieven
het voert hier wonderlijcke tael komt uit de brief van 10 juli 1684 (is nog niet over geblogd). Er is een bestand getekend in de Frans-Spaanse Oorlog en Margaretha verbaasd zich erover hoe er over de totstandkoming van dat verdrag gepraat wordt. Ze verwacht zware tijden.
het sal wel goede woorde geefve, damen niet mee te mart kan gaen komt uit de brief van 6 oktober 1680, hier schrijven we volgend jaar over. Margaretha hoopt dat Godard Adriaan zelf een keer met Willem III over de betaling voor zijn werk kan praten. Ze verwacht alleen dat dat wel goede woorden zal geven, waarmee je niet naar de markt kunt. Kortom: ze verwacht beloftes, maar geen geld. Dit spreekwoord heb ik op deze manier niet gevonden. Wel “Schone woorden vullen geen zak” en als synoniem daarvoor “Lullen is geen vis”. Dat laatste zou Margaretha natuurlijk noooooit zeggen, maar het past wel heel goed in de 21ste eeuw.
daer de foute bij gepleecht sijn komt uit de brief van 1/11 mei 1680. Blijf vooral dit blog volgen, want het komend jaar krijgt Margaretha een conflict met de dominee en de kerkenraad. Daar worden zoveel fouten bij gepleegd, dat zelfs zoon Van Ginkel moet komen bemiddelen.
Een partiekuliere pasie komt uit dezelfde brief. Margaretha verzekert haar man ervan dat het niet haar persoonlijke vendetta tegen de dominee is.
ick sien de kompasie komt uit de brief van 1 april / 22 maart 1684. Margaretha heeft een acksident (wond) aan haar been, Godard Adriaan heeft eerder gesuggereerd dat het door een puist komt, maar Margaretha haalt alle chirurgijns uit de regio erbij om te bewijzen dat het veel erger is. Brieven later ziet ze in de brief van Godard Adriaan dat hij compassie met haar heeft wat betreft haar acksident.
1
door een meelezende redacteur ben ik, terecht, gewezen op deze domme dt-fout, ik heb hem laten staan om de eerste alinea te bevestigen
In de periode dat Margaretha en haar man in Amerongen steen voor steen hun kasteel weer opbouwden, was aan de andere kant van de wereld een achterneef van Godard Adriaan bezig met de opbouw van een misschien wel nog indrukwekkendere nalatenschap. Maar dan wel in een hele andere tak van sport: de botanie.
Nati Schambu (Syzygium malaccense, Djamboe bol) uit de Hortus Indicus Malabaricus (Vol. 2), naar Pietro Foglia, 1678-1703. Collectie Minnealpolis Insitute of Art.
Hendrik Adriaan van Reede (1636-1691)
Hendrik Adriaan van Reede tot Drakestein was de jongste van de vele kinderen van Godard Adriaans achterneef Ernst van Reede tot Drakestein. Hij was een broer van Carel van Reede van Drakestein, opperschenker van de keurvorst, die overleed toen Godard Adriaan in Berlijn was. Vóór zijn vijfde verjaardag waren allebei zijn ouders al overleden, en als tiener ging hij naar zee. Hij verdiende zijn sporen bij de VOC, toen die in de jaren zestig stukje bij beetje Ceylon (Sri Lanka) en de westkust van India veroverde op de Portugezen. In 1669 werd hij commandeur van Malabar, dat grotendeels samenvalt met de huidige Indiase deelstaat Kerala. Geen gemakkelijke klus, want enerzijds moest hij voor de compagnie zorgen voor zo snel mogelijk veel winst, maar anderzijds probeerde hij ook lokale vorsten te vriend te houden. Ondertussen was de onderlinge rivaliteit tussen de regionale VOC-dienaren groot. Gelukkig had hij ook een hobby.
Portret van Hendrik Adriaan van Reede Tot Drakestein, Pieter van Gunst, 1689. Collectie Rijksmuseum
Lokale kennis
Hendrik Adriaan had grote belangstelling voor de enorme diversiteit aan inheemse plantengroei die hij overal om zich heen zag. Bij zijn residentie in Cochin liet hij een grote botanische tuin met allerlei planten uit de omgeving aanleggen. Om zowel zijn verzameling als zijn kennis uit te breiden organiseerde hij op regelmatige basis plantenexpedities door zijn eigen streek en aangrenzende gebieden. Daarbij had hij hulp van lokale geneesheren, die over de kennis van vele generaties beschikten, en van een Italiaans pater.
Gezicht op Cochin aan de kust van Malabar in India, Johannes Vinckboons (toegeschreven aan), 1662-1663. Collectie Rijksmuseum.
Dat was niet alléén uit pure wetenschappelijke interesse of liefhebberij. Ook voor de VOC lagen hier kansen. Terplekke gebruik maken van medicinale planten is tenslotte een stuk efficiënter, dan dure medicijnen uit Europa laten komen. Die zijn immers feitelijk uit de zelfde ingrediënten gemaakt, maar zijn dan jaren oud door de reis via Arabische handelsroutes de andere kant op. En wie weet zat er winst in exploitatie van nog onbekende toepassingen van onbekende planten.
Uiteindelijk zou Hendrik Adriaan alle verzamelde informatie op schrift laten stellen en mét afbeeldingen in een grote 12-delige planten-encyclopedie in Nederland publiceren genaamd Hortus Indicus Malabaricus.
Drie talen
Zover was het nog niet toen Hendrik Adriaan in 1676 de slangenkuil van elkaar zwartmakende en frauderende VOC-dienaren ontvluchtte en naar Batavia vertrok. Het manuscript voor het eerste deel was wel al per schip onderweg naar Nederland, en in Batavia werkte hij samen met anderen aan de volgende delen. Toen hij in 1678 Amsterdam binnen voer, was het eerste deel net verschenen.
Bij de afbeeldingen stonden de namen van de planten in drie talen: Latijn, Bramaans en Malayalam, de taal die aan de westkust van India gesproken werd. Als extraatje stond de Malayalamse naam ook nog eens in het Arabisch genoteerd. Als waarborg van echtheid en het wetenschappelijke gehalte schreven de vier belangrijkste meewerkende arts-plantkundigen, Itty Achudan, Appu Bhatt, Ranga Bhatt en Vinayaka Pandit, eigen voorwoorden in het Bramaans en Malayalam1J. Woodward, Hortus Malabaricus: A Botanical and Linguistic Treasure – Magdalen College. De eerste twee delen droeg Hendrik Adriaan op aan hoge VOC-bestuurders, maar de derde aan de eigen koning van Cochin.
Ontwerp voor het titelblad van ‘Hortus Indicus Malabaricus’, deel III, van H.A. van Rheede tot Draakesteyn, Gerard de Lairesse, 1673-1678. Collectie Rijksmuseum.
Heer van Mijdrecht
Gedurende zijn verblijf in Nederland verwierf Hendrik Adriaan de heerlijkheid Mijdrecht en kreeg daardoor het recht om zitting te nemen in de Staten van Utrecht. Zou hij zijn Amerongse achterneef vaak ontmoet hebben? We weten het niet, maar het vijfde deel van de Hortus Malabaricus, dat verscheen in 1685, is opgedragen aan Godard Adriaan. Andere delen zijn ook opgedragen aan (aangetrouwde) familieleden, waaronder… neef Welland.
Meer uit te wisselen had Hendrik Adriaan met Joan Huydecoper, de kleurrijke eigenaar van huis Goudestein in Maarssen. Deze stads- en VOC-bestuurder was mede-oprichter van de Hortus Botanicus in Amsterdam, die in 1682 opende. Het contact met Hendrik Adriaan zou de Amsterdamse Hortus in later jaren veel nieuwe planten opleveren.
Botanicus, Cornelis Ploos van Amstel naar Gerbrand van den Eeckhout, 1779. Collectie Rijkmuseum.
De laatste reis
Hendrik Adriaan vertrok in 1685 weer voor de VOC richting India. Hij moest orde op zaken gaan stellen in vestigingen waar meer voor eigen gewin werd gehandeld dan voor de compagnie. Een hoofdpijndossier, waarbij hij tenslotte in 1691 door ziekte werd geveld en het loodje legde. Aan boord van zijn schip overleed hij, overigens in hetzelfde jaar als Godard Adriaan. Zijn geadopteerde dochter Francine regelde een vorstelijke begrafenis in Surratte, waar zijn schip naar op weg was geweest.
Begrafenis van Hendrik Adriaan van Rheede tot Drakestein, 1692, Jan Luyken, 1692-1693. Collectie Rijksmuseum.
Nalatenschap
De afwikkeling van de erfenis had voor Francine nog een vervelend staartje. Terug in Nederland wilde ze, zoals haar vader in zijn testament had vastgelegd, een legaat van 2000 gulden overmaken aan de kleinkinderen van diens overleden zus Agnes. Helaas… Wie kruiste haar pad als voogd voor de kleinkinderen, en eiste voor hen de vollédige erfenis (ca. 50.000 gulden plus Mijdrecht) op? Juist…, neef Welland. Het eindigde ermee dat de kleinkinderen door het Hof van Utrecht in 1697 het huis te Mijdrecht toegewezen kregen, mét bijbehorende titel, en Francine haar vaders geld. Met haar man Anthony Karel van Panhuysen kocht ze in 1699 Huis te Vliet in Lopikerkapel, waar ze tot haar dood in 1731 zou wonen2Heniger, J. Hendrik Adriaan Van Reede Tot Drakenstein (1636-1691) And Hortus Malabaricus (Rotterdam 1986), p. 87-90.
De meest duurzame en waardevolle erfenis is natuurlijk de Hortus Malabaricus gebleken. Linaeus gebruikte het als basis voor de naamgeving van Zuid-Aziatische planten in zijn classificatiesysteem en tot ver in de negentiende eeuw bleef het een referentiewerk voor botanici. In 2009 leidde de Engelse vertaling in zuid India tot de herontdekking en herwaardering van de lokale plantenkennis die de oorspronkelijke bron is geweest3R. Shetty, Hortus Malabaricus: How the garden of Malabar travelled the world | Garland Magazine. Op Kasteel Amerongen is helaas geen exemplaar van het boek aanwezig.
Zonder klei geen baksteen en zonder baksteen is in een land met vrijwel geen natuursteen een kasteel niet te bouwen. Alleen al voor het kasteel hadden Godard Adriaan en Margaretha ongeveer 1 miljoen stenen nodig. Daar zouden de bijgebouwen en de kades van de grachten nog bij komen. Al met al zal Margaretha nog een aantal jaren aan het bouwen zijn. Als we zo verder gaan met de brieven van 1679, dan komt de steenoven nog steeds terug in haar brieven.
Steenfabrieken
Op zich ligt Amerongen in een goed gebied voor baksteen, want rivierklei is uitermate geschikt om bakstenen van te maken. We kennen allemaal het beeld van de rivieren die traag door oneindig laagland gaan, met in hun uiterwaarden de steenfabrieken. Alleen komen die steenfabrieken pas in de 19e eeuw. Godard Adriaan en Margaretha hadden hier dus helemaal niets aan.
In de 17e eeuw waren er her en der wel steenovens, maar die hadden vaak een semi-permanent karakter. Er zijn drie varianten van baksteenbakken te bedenken. De steenoven is het meest permanent, de veldoven wordt gebouwd op een plek waar tijdelijk veel stenen nodig zijn, meestal is het een ommuurde ruimte die als oven gebruikt wordt. Veldbrand is een manier van bakstenen bakken waarbij geen oven gebouwd wordt, maar de bakstenen die gebakken worden zelf onderdeel zijn van de oven.
Met de aantallen bakstenen die voor het kasteel nodig waren, was het economisch zinvol om het bakken van stenen zelf te regelen. Margaretha heeft het zelf altijd over de steenoven, maar hoogst waarschijnlijk ging het over een veldoven of misschien veldbrand. Alleen archeologisch onderzoek kan aantonen wat voor structuur gebouwd was om stenen te bakken.
We weten wel waar de steenovens geweest zijn, want het geheugen van een dorp zit vaak nog in de plaatsnamen. Vlak naast het kasteel zijn twee weilandjes die nog steeds Steenoven 1 en steenoven 2 heten. Steenoven 1 en 2 liggen net buiten de dijk die (nog steeds) om het kasteelterrein ligt. Het is dus niet verwonderlijk dat de steenovens regelmatig last van hoog water hebben.
De eerste stap bij het maken van bakstenen is het aanvoeren en werkbaar maken van de klei. Als de klei soepel is, worden met behulp van een houten mal de stenen gevormd. Zo krijgen ze allemaal dezelfde maat. Vers gevormde stenen worden te drogen gelegd. Bij een veldoven en veldbrand gebeurt dit allemaal buiten, vandaar Margaretha’s klachten als het te veel regent. Dan moeten ze ervoor zorgen dat de drogende stenen niet nat worden.
Als de stenen gedroogd zijn, worden ze opgestapeld in de oven (veldoven) of als oven. In de praktijk moet je je voorstellen dat de stenen al dan niet binnen een stenen omheining worden opgestapeld in lange rijen met zowel horizontaal als verticaal veel lucht tussen de stenen. Deze holtes worden gevuld met turf. Nog steeds met lucht ertussen, want dat is nodig voor een goede verbranding van de turf.
Bij veldbrand worden de buitenste stenen dichtgesmeerd met leem, zodat een gesloten oven ontstaat en waar dan boven ruimte vrij gehouden wordt voor de trek en aan de voorkant zijn de tussenruimten onderin met daarin het turf open, zodat het turf aangestoken kan worden
Gezicht op de steenfabriek te Remmerden (gemeente Rhenen), met op de voorgrond de Utrechtsestraatweg en de trambaan uit Amerongen, 1908. Collectie Het Utrechts Archief. Rechts voor mogelijk rieten bescherming van de drogende stenen.
Bakken
Als de oven vol of klaar is en de weersverwachting is goed, dan wordt het turf tussen de stenen aangestoken. Een veldoven of veldbrand brandt meestal één à twee weken. Omdat een veldbrand geen muur om de oven heeft, is daar de kwaliteit van de stenen minder uniform dan bij een steenoven of veldoven. De binnenste stenen worden immers langer en heter gebakken dan de bakstenen aan de rand.
Hieronder een historische film over een Duits dorp dat ten tijde van de film (1963) nog jaarlijks gezamenlijk een veldbrand uitvoert. Voor de echte liefhebber…
Brieven waarin Margaretha over de steenoven schrijft
Brand, daar konden ze in Amerongen over meepraten, gezien de ellende van 1673. In de zeventiende eeuw was dat een nog groter drama dan nu. Toch bracht diezelfde zeventiende eeuw ook een grote verbetering op dit gebied: een nieuw type brandspuit.
Burgers met ladders en brandemmers in de weer bij een brand in Amsterdam in 1652. Fragment uit: De brand in het Oude Stadhuis van Amsterdam, Jan de Baen, 1652. Collectie Rijksmuseum.
Brandemmers en een houten pijp
Leren brandemmer. Foto: Nettie Stoppelenburg.
Ieder brandgevaarlijk bedrijf was verplicht om één of meerdere leren brandemmers te hebben. De brandblussers vormden een rij vanaf het water en gaven de volle emmers door tot ze bij de brand op het vuur werden geleegd. Dan werd zo’n lege emmer teruggegooid en weer opnieuw gevuld en doorgegeven. Vanwege dat teruggooien was de emmer van leer.
In de eerste helft van de zeventiende eeuw maakte hoepelsmid Hans Hautsch een brandspuit met twee cilinders om het water op te pompen naar een reservoir en dan het water omhoog te spuiten. Die brandspuit had een houten pijp om de waterstraal te richten. De waterstraal kwam zo’n twintig meter ver.
Dwarsdoorsnede van een brandend huis met spuitgasten, Jan van der Heyden, ca. 1690. Collectie Stadsarchief Amsterdam. Links de oude manier van spuiten, rechts met de leren brandslangen die Jan van der Heyden uitgevonden had.
Jan van der Heyden
Jan van der Heyden kwam als jongen naar Amsterdam en maakte daar carrière als schilder van stadsgezichten. Maar naast zijn werk als schilder was hij ook op technisch gebied actief. Hij ontwierp in 1669 straatverlichting voor Amsterdam en dat had navolging tot in Berlijn. In 1672 maakte hij een nieuw ontwerp voor een brandspuit. Hij publiceerde daarover in 1677 met het boek ‘Bericht wegens de nieuw geïnventeerde en geoctroyeerde slangbrandspuiten uitgevonden door Jan en Nicolaes van der Heyden’.
Uit de titel van het boek blijkt al wat de grote vernieuwing is: leren brandslangen. Het water werd direct opgepompt vanuit de gracht en met een tweede pomp ging het water dan in de richting van de brand. De leren slang gaf de blussers meer flexibiliteit en ze konden ook op veilige afstand van het vuur blijven.
Brandspuit naar het ontwerp van Jan van der Heyden. Foto: Nettie Stoppelenburg.
Jan van der Heyden deed al snel goede zaken. In 1682 kwam er een compleet nieuwe brandweerorganisatie in Amsterdam. Alle zestig wijken kregen een eigen brandspuit en de mannen die aangewezen waren om de spuiten te bedienen, moesten minstens één keer per jaar oefenen. Zo’n brandspuit koste een paar honderd gulden per stuk.
Tsaar Peter de Grote wilde Jan van der Heyden overhalen om mee te gaan naar Rusland, maar de uitvinder weigerde. Hij verkocht hem wel een aantal brandspuiten. Voor schoenmakers was de brandspuit ook een interessante bron van inkomsten: zij repareerden indien nodig de leren brandslangen. Pas in 1780 kwam iemand op het idee om de leren slangen te vervangen door geweven hennepslangen.
Leren brandslang, foto: Nettie Stoppelenburg.
Eeuwige roem
Niet elke stad en elk dorp kocht direct zo’n dure brandspuit. Maar uiteindelijk ging iedereen toch overstag. Er zijn zoveel Jan van der Heyden-brandspuiten gebouwd, dat er ook nog veel van bewaard zijn. De naam van Jan van der Heyden leeft ook voort in diverse straatnamen, van Amsterdam tot Tilburg. In 2012 is er zelfs een speciaal ‘Jan van der Heyden-jaar’ gevierd vanwege zijn driehonderdste sterfdag.
Dat was het dan. Godard Adriaan is weer thuis en Margaretha hoeft dus geen brieven meer te schrijven. Ik ben blij dat Margaretha eindelijk haar man weer in haar armen kan sluiten.
Heer en dame kussend en een vrouw van achteren, Gesina ter Borch, 1654. Collectie Rijksmuseum.
Volgende missie
Er zijn weer brieven als Godard Adriaan op zijn volgende missie gaat. De laatste brief was van 16 juni 1677 en zijn volgende brief is van 11 november 1679. Dit betekent niet dat wij (ook) twee jaar wachten tot we verder gaan: wij pakken gewoon in november de draad weer op. In de perioden tussen de brieven proberen we jullie op de hoogte te houden van wat er zoal gebeurt in die twee jaar. Voor zover we dat weten natuurlijk, want als Godard Adriaan thuis is, hoeven er geen brieven meer geschreven te worden over de bouw. Maar over de oorlog, de situatie in de Republiek en de lotgevallen van familieleden kunnen we wel meer vertellen. Zijn er vragen of specifieke wensen voor verhaaltjes in deze periode? Laat het hieronder even weten!
We weten dat Margaretha’s belangrijkste doel was om in 1677 het huis wind en waterdicht te krijgen. Er werd gewerkt aan het dak en aan de schoorstenen en er werden glas en vensters besteld. De grote vraag is natuurlijk of ze het plafond in de grote zaal gaan jipsen of schilderen. Als we het alleen van de brieven zouden moeten hebben, zouden we dat nooit weten. Gelukkig staat het huis er nog en de grote zaal is in de basis nog steeds zoals hij tijdens de bouw bedoeld was. Dus komen kijken is de eenvoudigste oplossing om daar achter te komen.
Als we met de brieven van twee jaar later verder gaan, zijn de Van Reedetjes natuurlijk behoorlijk opgeschoten met de bouw. Dan wordt er hard gewerkt aan de bijgebouwen, vooral de stallen met de beide paviljoens. Daarnaast valt er natuurlijk in het huis zelf ook nog van alles te verfraaien. Verder zijn er verhalen over de kleinkinderen, over ossen, over de landbouw en over bezoek van de prins. Dus ook de volgende serie brieven heeft weer genoeg om naar uit te kijken!
Het is een beetje stil hier. Het is niet zo dat wij (de schrijvers van het blog) het bijltje erbij neer gegooid hebben, maar er zijn gewoon even geen brieven. De laatste brief die we hebben is van 23 december 1676. De volgende is pas weer van 23 februari 1677. Waarom weten we eigenlijk niet.
We hebben nog gecheckt of Godard Adriaan misschien rond de jaarwisseling in de Republiek geweest is, maar nee, hij bleef op zijn post. Er zijn in de laatste dagen van 1676 en in de eerste maanden van 1677 ook geen dingen gebeurd die zo controversieel zijn dat er niet geschreven werd of dat Godard Adriaan haar brieven heeft vernietigd. Ook in de brieven is er geen aanknopingspunt, er wordt niet geschreven over slecht lopende post of missende brieven.
Zijn er verder wel brieven?
Van Ginkel schreef zijn vader een stuk minder regelmatig dan zijn moeder, maar ook voor hem geldt hetzelfde gat. Zijn laatste brief is van 19 december 1676 en de volgende is van 26 februari 1677. Ook van secretaris Godard van den Doorslagh zijn in deze periode geen brieven bewaard gebleven. Zijn laatste brief is van 16/6 december 1676. Bij hem duurt het alleen tot begin april voor we weer een volgende brief hebben.
Speculaties
We kunnen natuurlijk speculeren. Het was winter, misschien bevroor de inkt in hun pennen. Maar dan lopen we eigenlijk op de zaken vooruit. We kunnen de oorzaak ook bij de ontvanger zoeken. Ik ben zelf bijvoorbeeld iemand die best nog wel eens een kop koffie omstoot over belangrijke papieren, die toevallig op tafel liggen. Daar heb ik ook echt alle begrip voor. Ik heb ook ooit een kat gehad die op blauwe enveloppen plaste. Kon niemand wat aan doen. Maar het is eigenlijk ook helemaal niet erg om dingen niet te weten. We gunnen Godard Adriaan en Margaretha ook gewoon wat privacy. Bovendien zijn wij allemaal best druk met werk(-zaamheden).
Tips!
Aangezien er in die twee maanden verder ook weinig gebeurde wat opzienbarend was, kan het maar zo zijn dat we stil zijn tot 23 februari. Als één van onze lezers een idee heeft voor een onderwerp, laat het vooral weten! Beloven kunnen we niets, maar niet geschoten is altijd mis!
Fragment uit Trijn Antijddorst, Geb: Koffijlief. / Hoofdvrouw van het koffijzusters gezelschap. / Hans Altyddorst. / Hoofdman van het bierdrinkers gezelschap Monogrammist B (prentmaker), 1836 – 1849. Collectie Rijksmuseum.
In 1676 vertrekt Godard Adriaan als extraordinair gecommitteerde naar Bremen. De basis van het nieuwe huis in Amerongen staat, maar er moet nog veel gebeuren, dus dat laat hij over aan zijn vrouw en zijn secretaris Godard van den Doorslagh. Het zal vrij snel duidelijk worden waar hard aan gewerkt wordt en wat allemaal nog moet gebeuren.
Bureaucratie
In 1672 en 1673 had Margaretha er bijna een dagtaak aan de betaling voor haar mans werk los te krijgen. In 1676 zien we dat ze die taken voor een deel heeft afgestoten en dat Van Heteren dat werk doet. Uiteraard blijft Margaretha wel verantwoordelijk voor het verantwoorden van de uitgaven. Dat zal haar ook in 1676 weer de nodige hoofdbrekens kosten, nu alleen niet omdat er geen geld te krijgen is, maar omdat het bouwen van een huis nou eenmaal veel geld kost.
Over bouwen in het algemeen. Uit: Georgica curiosa : das ist: Umständlicher Bericht … von dem adelichen Land- und Feldleben, Wolf Helmhard von Hohberg, 1682. Collectie Heinrich Heine Universität Düsseldorf
De kleinkinderen
De brieven beginnen met de geboorte van een volgend kleinkind. Als Margaretha naar Amerongen gaat, neemt ze alle kinderen behalve de oudste, Margaretha (Tietge) en de pas geboren Agnes mee, die blijven achter bij hun moeder in Den Haag. De groeten van de kleinkinderen gaan dus onveranderlijk mee in de brieven, alleen nu niet omdat Ursula Philippota en Margaretha noodgedwongen op elkaars lip zitten.
Kinderkamer met drie vrouwen en kinderen, Gesina ter Borch, ca. 1660 – ca. 1661. Collectie Rijksmuseum.
Voor wie niet alle kinderen paraat heeft en niet direct weet hoe oud ze zijn als de brieven Margaretha weer van start gaan (op 25 augustus 1676):
Margaretha (Tietge), geboren 15-07-1667, negen jaar oud
Frederik Christiaan (Fritsge), geboren 20-10-1667, zeven jaar oud
Anna Ursula (Antge), geboren 19-09-1669, zes jaar oud
Reiniera (Niera), geboren 08-06-1672, vier jaar oud
Salomé Jacoba (Jacoba), geboren 22-05-1673, drie jaar oud
Godard Adriaan (Godertge), gedoopt 11-10-1674, één jaar oud
Agnes (Angenis), geboren 24-08-1676, één dag oud
En voor de volledigheid: op de dag dat Agnes wordt geboren, is Ursula Philippota jarig, ze wordt 33. Er zijn geen aanwijzingen dat in het gezin Van Reede verjaardagen gevierd werden, Margaretha feliciteert alleen zo nu en dan haar man.
Oorlogsnieuws
De Republiek is in 1676 nog steeds in oorlog met Frankrijk. Eén van de ‘zeehelden’ van 1673, luitenant-admiraal-generaal Michiel de Ruyter, was in april 1676 gesneuveld. Een ander, Cornelis Tromp, heeft met toestemming van de Staten-Generaal het bevel gekregen over de Deense vloot. De Republiek steunt de Denen in hun strijd tegen de Zweden, die op hun beurt weer gesteund worden door de Fransen. In juni 1676 wordt de Zweedse vloot verpletterend verslagen. Begin juli wil Willem III een eind maken aan de Franse bezetting van Maastricht. Na een beleg van bijna twee maanden, is hij genoodzaakt de aftocht te blazen: het Franse ontzettingsleger komt er aan. Zoon Godard van Ginkel bevindt zich op dat moment in Maastricht.
Gezicht op een legerkampement, Barend Klotz (toegeschreven aan), 1674. Collectie Rijksmuseum.
Memoriael-bouck
In een boek heeft Godard Adriaan de stand van zijn bezittingen opgeschreven. Het begint met alles wat ze geërfd hebben, dan alles wat er aan schulden open stond en daarna wat ze aangekocht hebben. Daarna is er uitgebreid beschreven wat ze allemaal verbeterd hebben aan het oude huis. Na het verhaal van de brand en de dank voor het hout van de Keurvorst, gaat het memoriaalboek verder met alle landaankopen die tijdens hun huwelijk gedaan zijn. Er ligt dus een duidelijk overzicht van wat er bij het landgoed hoort dat Margaretha te beheren heeft als Godard Adriaan er niet is.
Meloratien en Aenkoop
van goederen gedurende onsen Ehestant gedaen____:
Voor eerst stellen wij alhier voor Timmeragie
Metselen, planten, verleggen van de Hoven, vermaken van ’t Voorburg, graven van Graften, Wallen en Vijvers, poten van Boomgaerden, Sedert het Jaer 1645 tot Junio 1672 ten minsten een som van vijff en sestigh duisent gulden
De kaft van het memoriaalboek, 1676. Huisarchief Kasteel Amerongen, Het Utrechts Archief.