Mijn heer en lieste hartge

Categorie: Briefloze periode Pagina 1 van 4

De brieven van 1667

We zijn dit blog begonnen tijdens het herdenkingsjaar van het Rampjaar, dus bij de uitzending van Godard Adriaan in 1671. In het archief zitten alleen ook nog een paar brieven van 1667. Die pakken we nu op, voor Godard Adriaan op zijn volgende missie van 1676 gaat.

Op het plafond een grote gouden band met daarin een wolkenlucht met vier blazende gezichtjes. In het midden van het plafond houden twee griffioenen een familiewapen vast met daar bovenop een kroon. Het familiewapen aan de linkerkant is wit met twee zwartwitte zigzagbanen, de rechter helft is in vieren gedeeld, waarbij links boven en rechts onder van boven geel met drie eendjes en van onder rood met drie zilveren golvende banden. Rechts boven en links onder zijn rood met twee gekruiste zwaarden. In het hart van het familiewapen een klein rood wapenschildje, met een schuine zilveren balk en links boven en rechtsonder drie fleurs de lis. Om het wapen zit een band waaraan een klein wit olifantje hangt met edelstenen op zijn zij. Boven het wapen een band met de spreuk Quid Reddam Domino. Aan de buitenkant is grisaille geschilderd met acanthusbladeren waar omhelzende figuren iuit komen en hoorns van overvloed met bloemen, fruit en groenten.
De plafondschildering in de hal van Kasteel Amerongen, Willem van Nijmegen, 1685. Op de band rondom de schildering staat ‘Godard Adriaan Baron van Reede Vry Heer van Amerongen, Ginkel, Elst & Ridder vande Coninckl Deense Ordre vande Oliphant & En Margaretha Turner Baronesse en VryVrouwe van Amerongen’. De orde van de olifant hangt onder het familiewapen.

Denemarken

In 1667 is Godard Adriaan op zijn derde missie naar Denemarken. Zijn eerste missie was in 1656/1657. Deze missie was bijzonder succesvol, want in 1660 krijgt Godard Adriaan van Christiaan V de Orde van de Olifant. Zijn tweede missie was in 1665 en van april tot november 1667 zit hij weer in Denemarken. Godard Adriaan ligt kennelijk goed bij de Deense koning, want in 1671 wordt hij verheven tot baron. Deze adellijke titel komt hem zeer van pas. In De Republiek werd niemand in de adel verheven, omdat er geen koning was die dat kon doen. Aan veel Europese hoven had je wel een adellijke titel nodig om binnen te komen.

Een bruine kist op een onderstel. De kist is opengeklapt en de klep blijft door twee schakelkettinkjes bijna horizontaal hangen. In de kist zitten allerlei formaten laatjes. De laatjes zijn lichtrood en om de knop van elk lade staat een lichtgele wieber. De spijltjes tussen de laden zijn ook geel.
Reissecretaire van Godard Adriaan van Reede, ca. 1650. Collectie Kasteel Amerongen.

Brieven

In het archief bevinden zich alleen brieven van 18 juni tot 7 augustus 1667. Dus echt midden in de periode dat Godard Adriaan weg was. Het is een beetje een mysterie waarom deze brieven bewaard zijn gebleven. Het zijn wel de enige brieven die we hebben die van voor het Rampjaar zijn. Margaretha zal haar man op al zijn eerdere missies ook geschreven hebben, maar die brieven zijn er niet meer. Zou ze die bij de vlucht voor Lodewijk XIV in Amerongen hebben laten liggen? Dan hebben al die oude brieven de brand in het kasteel waarschijnlijk niet overleefd. En zaten deze twaalf brieven uit 1667 dan misschien per ongeluk nog in de reissecretaire van Godard Adriaan? Dat hij hem niet helemaal goed leeg geruimd had na zijn laatste missie?

Ten voeten uit portret van een trotse man met een harnas aan. Hij heeft zijn rechter hand in zijn zij, zijn linker hand leunt op zijn helm met rode en witte veren die naast hem op een tafel ligt. Hij heeft lang pluizig haar, een hoog voorhoofd en een snor.
Godard Adriaan van Reede (1622-1691), Jurriaen Ovens, 1663. Collectie Kasteel Amerongen
Margaretha Turnor (1613-1700), Jurriaen Ovens, 1661. Collectie Kasteel Amerongen

Godard Adriaan en Margaretha

In 1667 gaat het Godard Adriaan en Margaretha voor de wind. Godard Adriaan was in 1642 Heer van Amerongen geworden en in 1643 trouwde hij met Margaretha. Sinds die tijd hebben ze hun best gedaan om hun bezit uit te breiden door de aankoop van landerijen en huizen, maar ook windrecht en het recht om tol te heffen. Bovendien hebben ze flink geïnvesteerd in het oude kasteel. Ze gaan er vanuit dat ze tussen 1645 en 1672 zeker 65.000 gulden uitgegeven hebben aan het huis. In 1686 schrijven ze een memoriaalboek, waarin alle verandering aan de goederen van de Heerlijkheid Amerongen opgenomen worden.

Ook Godard Adriaans carrière gaat voor de wind: is hij niet in het buitenland, dan heeft hij wel opdrachten in het land. En in de Utrechtse politiek wordt serieus rekening gehouden met zijn mening.

Een schilderij met houten lijst gedecoreerd met acanthusbladeren. De zittende jonge vrouw is frontaal afgebeeld. De onderste helft van haar onderbenen en voeten zijn niet afgebeeld. Zij zit voor een roodkleurig gordijn dat rechts een klein stukje open is en een doorkijkje geeft naar een heuvellandschap met een paar boompjes en in de blauwe lucht een paar wolkjes. De vrouw heeft donker krullend haar dat haar gezicht omlijst. Aan haar rechteroor heeft ze een oorbel met drie parels boven elkaar. Haar gezicht is schuin naar ons toegekeerd waardoor de andere oorbel niet te zien is. Ze maakt een knappe indruk. Ze kijkt ons aan met een glimp van een glimlach. Haar rechterarm leunt op een tafeltje. In haar rechterhand houdt ze een parelketting vast tussen haar vingers, de andere kant valt in een hoopje parels in de palm van haar linkerhand die in haar schoot ligt. Ze draagt een weelderige, goudkleurige japon afgezet met een wit randje. De pofmouwen zijn van boven goudkleurig, van onderen wit. met een diep decolleté. Haar schouders en borsten zijn grotendeels ontbloot. Over haar rechterarm hangt een klein stukje van een paars doek. Het grootste gedeelte van het doek ligt over haar schoot uitgespreid en valt omlaag.
Ursula Philippota van Raesfelt, toegeschreven aan Gerard Hoet, 1664-1666. Collectie: Kasteel Amerongen.

Godard en Philippota

Zoon Godard, die Van Ginkel genoemd wordt, is in 1666 getrouwd met Philippota. De bruiloft, of eigenlijk vooral de onderhandeling over de huwelijkse voorwaarden, had wat voeten in de aarde. Philippota is niet onbemiddeld, want ze is erfdochter van Kasteel Middachten in De Steeg in Gelderland. Haar vader is al overleden toen ze acht was, maar haar moeder en haar oom doen hun best om een goede partner te vinden. Hoewel de zakelijke en politieke belangen voor dit huwelijk erg belangrijk waren, wilden de wederzijdse ouders dat de jongelingen het met elkaar zouden kunnen vinden. Dus al vanaf 1661, Godard was zeventien, Philippota achttien, wordt er regelmatig heen en weer gereisd tussen Amerongen en Middachten. In de huwelijkse voorwaarden wordt onder andere vastgelegd dat Philippota alle inkomsten van Middachten en andere goederen zal inbrengen en Godard Adriaan en Margaretha staan 1/3 van hun inkomsten af aan de kinderen.

De huwelijkse voorwaarden werden op 31 juli 1666 op Middachten getekend en op 26 augustus 1666 werd het huwelijk gesloten in het kerkje van Ellecom. Juni 1667, hoeveel maanden is dat na Augustus 1666?

Een zogenaamd ten voeten uit schilderij met een goudkleurige lijst. Geleund tegen een tafel met een roodzijden kleed, staat een jongeman, levensgroot afgebeeld. Op de tafel ligt een helm met roze rode veren. De jonge man staat met zijn rechterbeen iets naar voren zodat en kijkt de toeschouwer aan. Hij heeft een jong vriendelijk gezicht en lang haar tot iets over zijn schouders. Hij draagt zijn haar met een middenscheiding. Bovenop zijn hoofd is zijn haar glad, aan de zijkant krullend. Hij is gekleed in een zwart harnas met om zijn middel een dunne ceintuur waaraan aan zijn linkerkant een sabel hangt. Onder het harnas komt een klein stukje van zijn wambuis. Hij draagt bruine laarzen. Bij zijn hals over zijn over zijn harnas draagt hij een een kunstig geplooide, witte halsdoek. Achter de jongeman is linksboven een stukje landschap en lucht afgebeeld.
Godard van Reede van Ginkel (1644-1703), Jurriaen Ovens, 1661. Collectie: Kasteel Amerongen. Foto: Peter Cox.

Van Ginkel

Het was gebruikelijk om mannen bij hun ‘goed’ aan te spreken. Zo was vader Godard Adriaan in de omgangstaal ‘Amerongen’. Voor de zoon werd vaak een tweede titel gebruikt. Officieel was Godard Adriaan Heer van Amerongen, Ginkel en Elst. Dus zoon Godard werd Van Ginkel. Na het huwelijk wordt Van Ginkel vrij snel (namens zijn vrouw) beleend met Middachten. Aangezien haar moeder, Margaretha van Leefdaal, nog leeft, wordt die door Margaretha nog ‘Vrouwe van Middachten’ genoemd en wordt Philippota ‘Vrouwe van Elst’.

Op onze vromigheid…

Lees hier de hele verklaring van Schut, Rietveld en Fick over de staat van het Kasteel na het rampjaar

Op 1 juni 1675 leggen Hendrik Schut, Cornelis Rietvelt en ene Jan Fick een verklaring af voor het gerechtsbestuur van Amerongen over een bezoek dat ze een jaar eerder aan Amerongen gedaan hebben.

Ze verklaren dat ze door de heer van Amerongen uitgenodigd zijn om de staat van het kasteel te bekijken en advies te geven over de herbouw. Schut doet dat als meestertimmerman, Rietveld als meestermetselaar en Fick als ‘ordinaris werkbaas’ en hij blijkt vooral kennis over slopen te hebben.

Fragment over het verzoek van Godard Adriaan

[waerheijt waerachtigh te zijn,] dat wel gemelte heere ons
voor ontrent een jaer geleden van Amsterdam heeft
ontboden, om met ons te spreecken over het
herbouwen van sijn hooch Ed. afgebrande huijs
tot Amerongen met begeerte dat wij souden
adviseren naer onse beste kennis, wat gedeelten van de
mueren soude konnen blijven staen, ende weder
geapproprieert werden tot ’t geene men daer
vorders weder op soude willen timmeren.

Gezicht op de ruïne van een stenen huis in de omgeving van Utrecht.
“Dit op dandersijde getekent van Herman Saftleven is buiten Catrijnapoort ao. 1674”. Collectie: Het Utrechts Archief.

Twintig gulden

De heren verklaren dat ze in Amerongen geweest zijn en dat ze daar een aantal dagen gebleven zijn om de schade op te nemen en een advies te geven. Hun oordeel is niet mals: wat er nog staat is slechts 20 gulden waard, 0mgerekend naar 2021 is dat ongeveer € 230. Alle muren zijn door de grote hitte gebarsten, gaan wijken of omgevallen en al het hout, lood en alle leien waren door de hitte onbruikbaar geworden.

Fragment met het oordeel over de staat van het afgebrande huis

Ende naedat wij de geheele gelegentheijt
hadden besichtigt ende met den anderen
vier a vijf dagen hadden overleijdt wat daer in
te doen stonde, hebben wij sijne hooched geseijt
ende aengewesen, dat het merendeel van de mueren
swaer sijnde vierdhalve a vier voet tot in de gront
toe, door den vehementen brant waren geborsten,
sommigen een voet en anderen een halve voet
van malkanderen, ende buijtenwaerts uijtgeweecken
de gevels voor over in de gracht gestort tot aen de
twede verdiepinge, nadien alle de balcken, cosijnen,
ribben, en wat vorders van houtwerck, loot
en leijen daer in is geweest, tenemael was
verbrant, sulck dat het overschot van dien
geen twintich guldens weerdig was. [Ende]

Ingekleurde tekening van de ruïne van een kasteel. Het kasteel staat in de gracht en daar vaart een bootje met één persoon erin. Rechts boven in de lucht staat 'ter Aa'
Gezicht uit het noordoosten op de ruïne van het kasteel Aastein, ook wel Huis ter Aa genoemd, bij Ter Aa, tekeningetje van Dirc Engel uit ca. 1690. Collectie Het Utrechts Archief

Afbreken

Hun conclusie is simpel: het is het voordeligst om alles (ook alle bijgebouwen) af te breken. Ze raden ook aan om ook de bakstenen van de bijgebouwen schoon te laten maken, dat bij de bakstenen van het grote huis dan kennelijk al gedaan is. Er is ze ook gevraagd hoe groot de schade is en hoeveel het kost weer op te bouwen. Voorzichtig schatten ze dat dat ongeveer fl 100.000.- (ruim een miljoen euro in 2021) zal kosten. Hoewel ze het op hun vromigheid verklaren, geven ze ook aan dat het oordeel van betere architecten, timmerlieden en metselaars mogelijk beter is.

Het advies van de Schut, Rietveld en Fick

sulx1Sulcs: zo, sulcs dat: zodat het oirbaerlijxst2Oorbaarlijk: nuttig, voordelig is geweest, deselve om
verre te stooten, ende de steen te laten schoon
maken, gelijck albereedts, als mede vant groote
huijs is geschiet. Ende verder gevraecht
sijnde hoe groot wij de schade van’t selve huijs en
voorburgh wel souden estimeren, soo konnen
wij tselve soo pertinent niet doen, maer verklaren
op onse vroomigheijt, dat onses oordeels diergelijcke
soo alst voor desen heeft gestaen, voor geen
hondert dusent guldens soude konnen gemaeckt
werden, vermits alle de materialen per asch3Een (asch-)pleit was een soort binnenvaartschip aen ’t
huijs moeten gebracht werden, doch ons oordeel submitterende4Submitteren: onderwerpen aen dat van beter architecten, timmerluijden, ende andere metselaers, hun
desDes: daarom, derhalve verstaende. [Des t’ oirconde dese bij ons]

Een rechterhand tot aan de elleboog in een mouw. In zijn hand een ganzenpen. Alleen aan de bovenkant is de veer nog te herkennen. Bij de punt van de pen staat in krulletters Frysius
Rechterhand met ganzenpen, Simon Frisius, naar Jan van de Velde (I), 1605. Collectie Rijksmuseum.

Handtekening

Tot slot ondertekenen de drie heren de verklaring en schrijft secretaris Van den Doorslagh dat hij erbij was.

De ondertekening van de verklaring

[des verstaende.] Des t’ oirconde dese bij ons
onderteeckent tot Amerongen opden 1 junij 1600
vijft entseventich.
Henderick Geurtz Schut
Cornelis Riedtvelt
Dit merck stelde Jan Fick voorschreven
Zij present G. van den Doorslag.

Acte van Garantie

De vraag is natuurlijk waarom de mannen pas een jaar nadat ze de ruïne bekeken hebben een verklaring afleggen. Waarschijnlijk is dit een eis geweest van Staten Generaal. Zij hadden in 1672 al een Acte van Garantie gegeven, dat als het kasteel van de familie zou afbranden door het werk van Godard Adriaan, hij daar een vergoeding voor zou krijgen. Daarvoor moesten ze weten wat de schade was direct na het Rampjaar.

Schut en Rietveld

In de periode 1674/vroeg 1675 is er hard gewerkt aan de voorbereidingen voor de herbouw. Eén van de belangrijke onderdelen is het samenstellen van een goed team. Een team dat de technische zaken van het bouwen kent, dat kan plannen, dat gevoel heeft voor wat er nodig is en een team dat kan samenwerken.

Schut en Rietvelt

Als Godard Adriaan in september 1676 vertrekt is dat team inmiddels in samengesteld en op elkaar ingespeeld. Twee belangrijke leden van het team zijn Schut en Rietvelt. Beide heren komen uit Amsterdam en het is niet helemaal duidelijk hoe de Van Reedes aan ze gekomen zijn. Hendrik Schut is kistenmaker en timmerman en Cornelis Rietvelt metselaar, maar je kunt hun taak meer zien als een soort aannemer.

Hendrik Schut

Schut woonde vlak bij de Nieuwe Herengracht, Margaretha zal hem niet als buurman hebben leren kennen, maar wellicht heeft hij wat aanpassingswerk voor haar gedaan toen ze daar zat. Het is ook heel goed mogelijk dat hij in het netwerk van de Amsterdamse bankier van de familie, Adriaan Temminck, zat. Als Godard Adriaan in het buitenland zit, is het Schut die tekeningen maakt ter verduidelijking. Bijvoorbeeld als het gaat over hoe de tegels op de vloer gelegd moeten worden. Later ambieert Schut nog de functie van ‘fabrieksmeester van Amsterdam’, een soort hoofd van Openbare Werken. Die functie wordt echter geschrapt. In 1692 zal Schut werken aan een (interne) verbouwing van het Goudse stadhuis. Daar werd hij de architect van het werk genoemd.

Cornelis Rietvelt

Over Rietvelt weten we ook erg weinig, eigenlijk nog minder dan over Schut. Feit is dat ze in de brieven bijna altijd aangeduid worden als het duo ‘Schut en Rietvelt’, daarom noem ik ze hier ook beide. Dan wennen we daar vast een beetje aan.

Een hoog gebouw met een trap van weerszijden naar de ingang. Verder een dak met veel torentjes.
Gezicht op het stadhuis van Gouda, Roelant Roghman, 1646. Collectie: Rijksmuseum.

De gewonde luitenant-admiraal-generaal

Michiel de Ruyter was dé grote man van de Derde Engelse Zeeoorlog. Op 19 februari 1674 was er met de Vrede van Westminster een einde gekomen aan de oorlog tegen de Engelsen. De vrede met de Fransen zou hij niet meer meemaken…

Portret van Michiel Adriaensz de Ruyter. Kniestuk staand voor een open gordijn en balustrade, waarachter rechts een zeegezicht met De Ruyter's vlaggeschip de Zeven Provinciën. De geportretteerde leunt met zijn rechterarm op een globe, met in de rechterhand een commandostaf. Hij draagt de Franse orde van St. Michiel. Op de tafel voor de globe een kaart van de kust van Zeeland en Vlaanderen met in het midden het eiland Walcheren, waar De Ruyter geboren is. Het portret heeft een vergulde en gesneden lijst met krijgsattributen en het wapen van De Ruyter.
Michiel de Ruyter als luitenant-admiraal, Ferdinand Bol, 1667. Collectie Rijksmuseum.

Spanjaarden en Sicilianen

Het vredesverdrag met Engeland betekende niet dat De Ruyter op zijn lauweren kon gaan rusten. In de zomer van 1675 werd de beroemde admiraal de Middellandse Zee op gestuurd om de Spaanse koning te assisteren in zijn strijd tegen de door Frankrijk gesteunde Siciliaanse opstandelingen. Om dit conflict te begrijpen, is enige achtergrondkennis nodig. Bij de verdeling van de Habsburgse bezittingen in 1556 was Sicilië aan Filips II van Spanje toegevallen. De Spaanse belastingen drukten zwaar op de Sicilianen. De eilandbewoners waren al eerder in opstand gekomen tegen het Spaanse gezag, maar in 1675 was het anders. Ze werden nu namelijk gesteund door Frankrijk. Spanje, bondgenoot van de Republiek, had om steun gevraagd.

De laatste zeeslag

Op 22 april 1676 sneuvelde Michiel de Ruyter tijdens de Slag bij Agosta of de Slag bij de Etna. De luitenant-admiraal-generaal had het commando over 17 Staatse en 10 Spaanse linieschepen en fregatten met daarop 1450 stukken geschut. Zijn vloot was daarmee zwakker dan de Franse vloot, die 29 oorlogsbodems telde en beter bewapend was. Er gingen geen schepen verloren. Wel vielen er veel doden en gewonden, vooral aan de zijde van de Republiek. Eén van de gewonden was De Ruyter. Uit respect voor de beroemde admiraal trok de Franse admiraal Abraham Duquesne zijn vloot terug.

Brandewijn en rust

De Ruyter werd die 22e van april 1676 getroffen door een kanonskogel. Hij had een open wond fractuur aan zijn rechteronderbeen en zijn linkervoet was weggeslagen. Dat de wond hem uiteindelijk zeven dagen later fataal zou worden, wist hij toen nog niet. De vlootarts en de scheepschirurgijns probeerden de wond schoon te spoelen met brandewijn en schreven rust voor. Het mocht allemaal niet baten. Hoewel het er aanvankelijk naar omstandigheden best goed uit zag, begon de wond op een gegeven moment te infecteren. Op 29 april 1676 overleed de admiraal aan zijn verwondingen. Het lijk werd gebalsemd en naar de Republiek getransporteerd. Op 18 maart 1677 werd het lijk van De Ruyter bijgezet in de Nieuwe Kerk te Amsterdam.

De begrafenisstoet van Michiel Adriaansz. de Ruyter op 18 maart 1677. De begrafenisstoet gaande over de Dam langs het stadhuis naar de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Linksonder een kleinere afbeelding van het afvuren van eresalvo's.
Begrafenisstoet van Michiel de Ruyter, 1677, Johannes Jacobsz van den Aveele, naar Romeyn de Hooghe, 1677. Collectie Rijksmuseum.

Margaretha over Michiel

Margaretha noemt Michiel de Ruyter in verschillende brieven. Een duidelijke mening over de admiraal uit Vlissingen klinkt er niet in door. Hoewel zijn dood Margaretha waarschijnlijk niet persoonlijk heeft geraakt, moet het haar wel iets gedaan hebben. De Ruyter heeft immers een belangrijke rol gespeeld in verscheidene zeeslagen. Het sneuvelen van ‘De Held van Chatham’ was voor velen in de Republiek een hard gelag, waarschijnlijk ook voor Margaretha. Het was immers nog steeds oorlog; mensen zoals De Ruyter waren hard nodig. Of, zoals Petrus Francius in zijn Lykgezang ter uitvaart des grooten Zeeheldts Michiel Adriaansz. de Ruiter dichtte, ‘Dit ongeval ontbrak nog aan de ellende van Holland’.

Hout!

Er blijven brieven van Michiel Mattheus Smidts binnen komen. Hij houdt zich niet bezig met het ontwerp van het huis, maar hij is de praktische schakel tussen Godard Adriaan en de keurvorsten van Brandenburg en van Saksen. Voor zijn rol aan het hof van de keurvorst van Brandenburg was hij in veel gevallen ook verantwoordelijk voor de logistiek rondom de levering van bouwmaterialen. Dat is ook de rol die hij nu op zich neemt.

Hij schrijft dat hij er voor zal zorgen dat er bomen geleverd worden die groot genoeg zijn, Godard Adriaan moet maar aangeven wat hij nodig denkt te hebben. Hij zal ook voor het vervoer naar de Republiek zorgen. Dit betekent dat de boomstammen via de Elbe naar Hamburg vervoerd zullen worden, en dat ze van daar verder gaan over de Wadden en de Zuiderzee naar Amsterdam.

Een brede rivier met op de achtergrond de grote kerk van Dordrecht. Links voor twee mannen op een vlot van gigantische boomstammen. Rechts een roeibootje en voor het vlot twee zeilbootjes.
Vlotter voor Dordrecht, Albert Cuyp, 17de eeuw. Collectie Städelmuseum Frankfurt am Main.

Vlotterij

Het vervoer van boomstammen gebeurde eigenlijk altijd over water. Bomen werden samengebonden tot vlotten en die vlotten werden dan stroomafwaarts meegenomen. Vaak had één bemand vlot ook meerdere onbemande vlotten bij zich. De vlotterij is door Unesco benoemd tot immaterieel cultureel erfgoed. In Hamburg werden de stammen dan overgeladen op een schip en van via de Waddenzee en de Zuiderzee naar Amsterdam vervoerd. Daar worden de balken vervolgens tot planken gezaagd.

Op de achtergrond een stad met diverse kerktorens. Op de voorgrond water met verschillende schepen.
Hamburg vanaf de Elbe gezien, Elias Galli, 1680. Collectie SHMH Museum für Hamburgische Geschichte. Rechts voor ook een vlot met boomstammen.

Zagerij

Het zagen van een boom tot planken (of balken) kon wel dertig dagen duren. In 1592 combineert Cornelis Corneliszoon een krukas met een windmolen, waardoor hij van de draaiende beweging een horizontale of verticale beweging kan maken. De verticale beweging wordt gebruikt voor een raam met verschillende zaagbladen. De horizontale beweging wordt gebruikt om stammen met een slede door door dat raam te transporteren. Zo ging het zagen van planken opeens veel sneller. En zo is de houtzaagmolen geboren.

Een boomstam ligt op een bok. Op de boomstam staat een man en er staat een man op de grond. Ze houden elk een kant vast van een zaag met drie zaagbladen.
Twee mannen aan het zagen, Frans, 17e eeuw. Collectie Städelmuseum, Frankfurt am Main

Houtzaagmolens

Met de snelle groei van Amsterdam in de 17de eeuw, kwam er ook veel industrie naar de stad. De beroepen die gevaarlijk waren bijvoorbeeld vanwege brandgevaar (pottenbakkers, loodgieterijen, visrokers), stinkende bedrijven (leerlooierijen, azijnmakers, vetsmelterijen) en gevaarlijke stoffen (buskruitmolens, blekerijen, zoutketen). Kregen elk hun eigen plek en werden van woonwijken gescheiden of echt buiten de stad geplaatst. Daarna had de industrie die door windmolens aangedreven werd, ruimte nodig die in de stad niet beschikbaar was. In de jaren dertig van de 17de eeuw wordt buiten de stad de Zaagmolensloot aangelegd (ongeveer waar nu de Albert Cuyp is, ter hoogte van het Sarphatipark). In de jaren zeventig wordt waar nu het Museumplein is (van het Rijksmuseum tot het Stedelijk Museum) de Mennonietensloot aangelegd, waar ook verschillende molens komen.

Kaart van twee sloten evenwijdig aan elkaar met op regelmatige afstand molens ingetekend met daarbij een onleesbaar handschrift. Rechts Staan drie kolommen, in de eerste kolom het soort molen (korenmolen of zaagmolen), in de tweede kolom de naam van de eigenaar en in de derde kolom de naam van de molen.
Kaart van de Mennonietensloot, gegraven in 1669, waarop acht molens ingetekend staan. Het molentype, de naam van de molen en de namen van de eigenaren zijn vermeld, 1668/1669. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Jan Visser

In haar brieven moet Margaretha een paar keer de molenaar van de zaagmolen betalen en ze noemt dan de naam Jan Visser. Rechts boven in de hoek van de kaart van de Mennonietensloot worden molenaars met hun molen genoemd. De naam Jan Visser komt twee keer voor: bij De Jonge Visscher en bij de Veerzaagmolen. De Veerzaagmolen was een kleinere molen die ook in de buurt van de Mennonietensloot stond. Omdat de andere molens aan de Mennonietensloot wat betreft de wind die ze vingen last hadden van de Veerzaagmolen, is deze in 1686 afgebroken en vervangen door De Jonge Visscher. Het hout voor Kasteel Amerongen is dus hoogstwaarschijnlijk op het Museumplein ter hoogte van het Stedelijk Museum gezaagd.

Een sloot, met op de voorgrond eendjes. Aan de rechterkant van de sloot staan drie molens op rij. Bij de eerste molen zien we duidelijk ook het woonhuis en de schuurtjes. Na de eerste molen gaat er een hoog bruggetje over de sloot. Achter de molens staan woonhuizen. Op de linker oever van de sloot staat een knotwilg.
Molens “de Oranjeboom”, “de Zwaan”, en “de Jonge Visscher”, Cornelis Pronk, 1741. Collectie Amsterdams Archief.

Naar Amerongen!

Vanaf begin 1674 maakt de familie aanstalten om terug te keren naar Amerongen. Ze moeten dan wel een plaats hebben om te verblijven, want van hun kasteel is weinig over. Kennelijk is er al geïnformeerd, want Jan Quint schrijft dat het huis van Joost Cornelis zou kunnen helpen. Hij stelt echter voor het huis van de Drost te huren, want die ziet hij voorlopig nog niet terug komen.

We weten niet waar de familie uiteindelijk onderdak gevonden heeft. Ook tijdens de bouw is niet duidelijk waar ze verblijven. Wat we nu het Drostehuis noemen in Amerongen is pas in 1675 gebouwd. Dus ook ‘het huis van de Drost’ biedt niet veel info.

Een plattegrond in vogelvlucht met rechtsboven de kerk en een paar huizen. Boven de kerk staat Amerongen. Uit het dorp komt een weg en vanuit die weg kom je bij een huis met een gracht er omheen, Kasteel Amerongen. Tussen het kasteel en de weg zie je duidelijk twee delen: een deel met gras en een deel met bomen. Rechts onder het dorp staat een groep bomen met daarin verscholen een huis (Lievendaal).
Het dorp Amerongen met het oude Kasteel Amerongen links en rechts tussen de bomen Kasteel Lievendaal. Fragment uit een kaart van enige percelen land gelegen in de Allemanswaard onder Amerongen en Elst, 1597 van J.R. van den Berch, 1597. Collectie Archief Domkapittel Het Utrechts Archief.

Huurkasteel

Tot in de vorige eeuw gaat in de familie het verhaal dat Margaretha het kasteeltje Lievendaal gehuurd heeft. Het lastige is dat we niet precies weten hoe dat er op dat moment uit zag. In 1646/1647 tekende Roelant Roghman veel kastelen en toen was Lievendaal een ruïne. Zoals Roghman het getekend heeft was het zelfs niet deels bewoonbaar. Lievendaal is op dat moment in bezit van Dirck van Eck van Panthaleon en het wordt pas in 1688 door Godard Adriaan en Margaretha gekocht.

Tekening van een ruïne in een "gracht" (meer een plas water). Het huis heeft geen dak meer en alleen de buitenmuren lijken nog overeind te staan. Op de achtergrond bomen en links staat een soort boerderij.
Kasteel Lievendaal bij Amerongen, Roelant Roghman, van na 1647 tot voor 1692. Collectie Teylersmuseum

Toch is het idee om een kasteel te huren niet vreemd. Het was niet ongebruikelijk dat een kasteel (tijdelijk) door de eigenaars verhuurd werd. Begin 17e eeuw was bijvoorbeeld Kasteel Amerongen verhuurd aan de familie De Coninck die een nieuwe onderkomen aan de LangbroekerweteringOpent PDF aan het bouwen waren. Zelf woonde de familie toen op Molensteyn, ook aan de Langbroekerwetering.

In 1674 waren in de directe omgeving van Amerongen meerdere kastelen, kasteeltjes en versterkte huizen te vinden. Naast Lievendaal vond je in en rond Amerongen bijvoorbeeld Zuylestein, Bergestein, Wayestein, Royestein en Natewisch. Natewisch bestaat nog steeds en je kan het vanaf de dijk van Amerongen naar Wijk bij Duurstede zien liggen.

Eigen huizen

Naast huur had de familie zelf natuurlijk ook allerhande onroerend goed in en rond het dorp. Dat werd normaal gesproken verpacht, maar na het Rampjaar was alles anders. We weten dat tijdens het Rampjaar het dorp leeg gelopen was. Wie kwamen er terug en wie niet? Wie had er überhaupt nog geld om een huis te huren of een boerderij te pachten?

Een aanwijzing dat ze mogelijk in één van hun eigen woningen getrokken zijn, staat in een brief van 14 februari 1680. Ze kan de bouwerij van Joost van Ommeren, waar ze gewoond hebben, niet verhuren.

Brieffragment waarin Margaretha aangeeft in de bouwerij gewoond te hebben

[=eren,] de bouwerij oft huijs van joost van omeren
daer wij gewoont hebbe te kan ick noch niet verhu
=eren [ock de bolle niet daer so weijnich voor ge=]

Een bouwerij is een boerderij of alles wat men nodig heeft om boerenbedrijf te voeren. Op 3 maart 1673 schreef Margaretha al aan haar man dat de Fransen het huis van Joost van Ommeren hadden laten staan. Dus wellicht zijn ze daar voorlopig in getrokken. Overigens schrijft ze dan ook dat ze het huis van de drost ook gered hebben.

Mejuffrouw A.W.J. Mulder

Een belangrijke bron voor dit blog en sowieso voor Kasteel Amerongen is het boek dat Mejuffrouw Mulder schreef over Kasteel Amerongen. Het werd in 1949 uitgegeven en de Vrienden van Kasteel Amerongen hebben in 2015 een herziene tweede druk gerealiseerd. Mejuffrouw Mulder heeft in de Tweede Wereldoorlog toegang gehad tot het huisarchief en veel met de toenmalige bewoners van het kasteel gesproken. Zij is ook degene die de de mondelinge overlevering gekoppeld heeft aan het fragment in de brief van Margaretha.

Krantenfoto van vier mensen voor een kast met borden. Links een oudere heer met een vlinderstrikje, daarnaast een jonge vrouw met kort donker haar in een zwart jurkje, dan een man in pak met een bril op en helemaal rechts een gezette dame met opgestoken haar en een bril op. In haar hand heeft ze een papier.
Mejuffrouw A.W.J. Mulder helemaal rechts op de foto. Foto naar aanleiding van de Juliana van Stolberg herdenking in het Oranje Nassau museum, waar zij conservatrice was. Bron: Het Vaderland 11 september 1956

Eén vijand minder

Op 19 februari 1674 werd de Tweede Vrede van Westminster gesloten. Eindelijk was de vrede waar Margaretha zo naar had verlangt daar. Althans…

Grof geschut

De in augustus 1673 gevormde Quadruple Alliantie maakte van de Hollandse Oorlog een Europese oorlog. De Republiek bracht nu grof geschut mee naar de onderhandelingstafel. Wilde de Zonnekoning praten over vrede? Prima, maar dan kregen de nieuwe bondgenoten van de Republiek óók een stoel aangeboden. De Franse onderhandelaars konden hier niet mee akkoord gaan, en in de herfst van 1673 leek het er zelfs even op dat de Keulse Vredeshandel in zijn geheel zou worden afgebroken.

Met het Franse voorstel om een deel van de generaliteitslandenDe gebieden die wel bij de Republiek hoorden, maar geen stem hadden in de Staten Generaal en bestuurd werden door de Raad van State. Dit waren voornamelijk katholieke gebieden, vooral (rondom) het huidige Noord-Brabant en Limburg. af te staan óf Spanje te overtuigen een aantal plaatsen aan Frankrijk af te staan, gingen de geallieerden niet akkoord. Vervolgens lieten de Fransen niets meer van zich horen. Toch gingen de onderhandelingen door. Niet met Frankrijk en niet in Keulen, maar met Engeland in Londen.

Meij 16 1673 arriveeren de Sweedse Mediateuren tot Aaken de bestemde Handelplaats alwaar den 18 dito haar Ho Moge Gevolmachtigde Solemneel worden ingehaalt. Fragment uit De vrede van Westminster, 1674, Romeyn de Hooghe, 1674. Collectie Rijksmuseum

Junij 6, 1673 deden de Franse ministors tot keulen haar publijke intreden en vervolgens de sweedse Engelse en Nederlandse Gesanten om in het Comvent der Carmeliten de Tractaten aan te vangen. Fragment uit De vrede van Westminster, 1674, Romeyn de Hooghe, 1674. Collectie Rijksmuseum

De Kuelse Handelinge zijnde sonder gevolg depecheren haar Ho Mog. d ordres aan den Marq. del Fresno Spaans afgesant tot Londen om van een seperate Vrede te handelen. Fragment uit De vrede van Westminster, 1674, Romeyn de Hooghe, 1674. Collectie Rijksmuseum

De weg naar vrede

De overwinningen op zee in de zomer van 1673 en de veroveringen van Naarden en Bonn, had de Republiek bepaald geen windeieren gelegd. Een invasie op de Hollandse kust was er in het tweede oorlogsjaar wederom niet gekomen, en de Fransen moesten de Republiek noodgedwongen ontruimen. Het wapengekletter had de weg naar vrede vrijgemaakt.

Geen geld meer voor Karel

Karel II werkte met Lodewijk XIV samen om het katholicisme en absolutisme in Engeland te herstellen. Deze opvatting had zich in de hoofden van veel Engelsen genesteld. Dat de broer van de koning, de hertog van York, in september met een katholieke vrouw was getrouwd en de bruidsschat door de Zonnekoning was betaald, hielp bepaald niet mee. Daarnaast zagen de Engelsen een oorlog tegen Spanje — die er ongetwijfeld zou komen nu bondgenoot Frankrijk de oorlog aan Spanje had verklaard — niet zitten. Het Engelse parlement weigerde nog langer geld beschikbaar te stellen voor de oorlog tegen de Republiek. De Spaanse ambassadeur in Engeland, markies Del Fresno, bemiddelde tussen de partijen en op 19 februari 1674 werd de vrede beklonken.

De Marques del Fresno als Gevolgmagtigde van desen staat sluijt met de Engelse Heeren Commissarisen den 19 Febr 1674 den Vrede tusschen Engelandt en de Vereenigde Provincien. Fragment uit De vrede van Westminster, 1674, Romeyn de Hooghe, 1674. Collectie Rijksmuseum

De koning verklaart in sijn Parlament dat volgens der selver advijs den Vrede met de Heeren Staten Generael geslooten heeft. Fragment uit De vrede van Westminster, 1674, Romeyn de Hooghe, 1674. Collectie Rijksmuseum

De Vreede wort aan de Hr Staten en Sijn Hooght gebootschapt beswoorden geratificeert en gepubliceert. Fragment uit De vrede van Westminster, 1674, Romeyn de Hooghe, 1674. Collectie Rijksmuseum

Niet veel later, respectievelijk op 22 mei en 11 april, verlieten ook Münster en Keulen de Franse partij. En Frankrijk? De oorlog verplaatste zich na de ontruiming van de Republiek naar de Zuidelijke Nederlanden. Het duurde nog vier jaar voordat de Vrede van Nijmegen een einde maakte aan de Hollandse Oorlog.

In het midden een gracht met daarop een ponton met een draak die vuur spuwt. Op de gracht een paar bootjes. Op de kade staan stellages met pektonnen te branden. Daarboven in een lauwerkrans de Vrede, de Hollandse Leeuw en twee provinciemaagden. Links en rechts de Overwinning en de Faam met medaillons met portretten van de belangrijkste personen.
Fragment uit Vreugdevuren te Den Haag bij de Vrede van Westminster, 1674, Isaac Sorious, 1674. Collectie Rijksmuseum

De bouwmeester: Michiel Mattheus Smits

In de tijd dat Godard Adriaan in Berlijn aan het hof zat, heeft hij waarschijnlijk een tijdje in huis gewoond bij Michiel Mattheus Smits, hofarchitect van de Keurvorst. Smits kwam oorspronkelijk uit Breda en werkte al sinds 1652 in Berlijn. Als Godard Adriaans neef Carel van Reede van Drakestein, opperschenker van de keurvorst, in Berlijn overlijdt, werken Michiel en Godard Adriaan nauw samen om de nalatenschap te regelen.

Portret van een man die ons zijdelings aankijkt. Hij draagt een jas met knoopjes en een strik op zijn schouder. Hij heeft een kanten sjaaltje om. Hij heeft lang haar met een slag en een brede maar dunne snor. Onder het portret staat Michael Mathias Smidts Serenissimi Electoris Brandenburgici Frerici Guilelmi Magni Architectus.
Michael Matthias Smidts (1626 – 1692) door Jacques Vaillant, 1685. Collectie: Stadtmuseum Berlin © Repro: Michael Setzpfandt Berlin

De brand

Als het kasteel op 21 februari 1673 in brand gestoken wordt, zit Godard Adriaan in Minden. Hij schrijft Smits op 23 maart 1673, hij gaat er dan vanuit dat Smits al wel gehoord heeft van de brandstichting in Amerongen. Hij schrijft dan ook dat hij hoopt dat de Keurvorst hem kan helpen met hout, want daar zal hij tijdens de bouw flink wat van nodig hebben.

In mei 1673 reist Smits naar de Republiek en mogelijk heeft Godard Adriaan hem verzocht een kijkje te nemen. Het is niet duidelijk of hij in Amerongen geweest is. Wel geeft Godard Adriaan hem een introductiebrief mee voor de heer van Zuylen, die in Utrecht gebleven is. Smits gaat zeker bij Margaretha langs in Den Haag. Helaas is Margaretha zeer summier over de inhoud van hun gesprek. Ook later tijdens de bouw zal Michiel Mattheus Smits nog een paar keer langs komen. In haar brieven aan Godard Adriaan noemt Margaretha Smits ‘de bouwmeester’.

Tekening van een hoge kruiskerk met een kleine toren in het midden. In de hoeken van het kruis zijn lagere gebouwtjes geplaatst. Rondom de kerk lopen veel mensen en op het terrein staat een losse klokkenstoel met drie klokken.
Die Dorothea Kirche in der Neustadt bei Berlin, Johan Stridbeck, 1690. Collectie: Staatsbibliothek zu Berlin. Afbeelding uit zijn schetsboek ‘Die Stadt Berlin im Jahre 1690’. Smits heeft de kerk ontworpen, woonde er vlakbij en werd uiteindelijk begraven.

De herbouw

Het is de vraag of Smits zich daadwerkelijk met de architectuur van het nieuwe huis bemoeid heeft. Tijdens de brand zat Godard Adriaan al niet meer in Berlijn en daarna is hij in Den Haag. Het kan natuurlijk de Smits bij zijn bezoeken aan de Republiek langs geweest is en onder het genot van een glas wijn meegedacht heeft, maar zeker weten doen we dat niet.

Smits heeft wel een belangrijke rol gespeeld bij het hout dat Godard Adriaan van de Keurvorst kreeg. Niet alleen hield hij de vinger aan de pols bij de Keurvorst, maar hij regelde ook het vervoer naar de Republiek.

Plattegrond in vogelvlucht van Berlijn. Duidelijk is de bastionstructuur van de stad en de Spree die de stad in tweeën deelt. Links op de voorgrond een nieuw bastion: Dorotheenstadt.
Residentia Electoralis Brandenburgica : Quam arte optica Curate delineavit, calamo Iussuq. Clementissimo aeri incidit et Sereniss. ac Potentiss. Princ. ac Dno. Dno. Friderico III. Cum gratia et privilegio Sereniss. Principis Elect. Brandenb. Johann B. Schultz, 1688. Collectie: Staatsbibliothek Berlin. Op het bastion links op de voorgrond helemaal links staat de Dorotheenstädtische Kirche. Hier woonde Smits tegenover. (Het is zeker de moeite waard om op de link te klikken en de kaart goed te bekijken!)

Meer informatie over de activiteiten over Michiel Mattheus Smits in Berlijn in ‘Michiel Matthijsz Smids (Rotterdam 1626-Berlijn 1692). Keurvorstelijk bouwmeester in Brandenburg’ van Gabri van Tussenbroek in Bulletin KNOB 103 (2004).

Meer informatie over Michiel Mattheus Smits en Breda in ‘Michiel Mattheus Smits, een Bredase bouwmeester in dienst van de keurvorst van Brandenburg (1626-1692)’ door A.J.M. van Dun in Jaarboek De Oranjeboom 63 (2010).

Gijzelaars nog vast

Ondertussen in de vestingstad Rees….hebben de twintig Utrechtse gijzelaars geen prettige jaarwisseling gehad. Begin januari 1674 zitten ze daar nog steeds nadat ze door de Fransen eind november waren meegenomen. Onder hen is Adriaen van Rossem, een neefAdriaan van Rossem, zoon van Sara van Reede van Nederhorst van Godard Adriaan. De eerste weken hebben ze ondanks alle ongemakken eigenlijk weinig te klagen gehad. Ze hebben zowaar af en toe onder begeleiding het fort mogen verlaten om het stadje Rees zelf aan de overkant van de Rijn te bezoeken. Maar tegen kerst wordt de Franse intendant Louis Robert ongeduldig.

Kaart waarin in het midden horizontaal een rivier loopt: Rhenus Flv. De Rhyn. Op de rivier varen vier zeilbootjes. Boven de rivier ligt een grote vesting met niet alleen wallen en gracht, maar nog uitgebreidere vesting werken. Aan de andere kant van de rivier ligt eeen kleinere vesting.
Plattegrond van de versterkingen van Rees, 1651. Collectie Scheepvaartmuseum Amsterdam S.1034(15) kaart 123. De gijzelaars zitten in de vesting aan de zuidkant van de rivier.

De duimschroeven gaan aan

Robert is geïrriteerd omdat na een maand het totale bedrag dat Utrecht moet betalen nog steeds niet binnen is en de gijzelaars beginnen te klagen. Tijd om de duimschroeven aan te draaien: geen uitstapjes meer, een toontje lager zingen, en verdere beperkingen zullen volgen als er binnen acht dagen niet wordt betaald. Geschrokken schrijven de gevangenen kort achter elkaar twee brandbrieven naar Utrecht. Dat heeft effect: het tijdelijke provinciebestuur doet met steun van de Staten Generaal meteen een extra dringende oproep tot betaling bij de burgers.

Tekst op plakkaat: 
Notificatie, aanmaninge ende waerschouwinge
Alsomen bericht werd dat de Ostagiers, die by de Fransche van hier gevanckelijck zijn wegh gevoert, seer hard worden gedreycht vanden Intendant, in-gevalle ' restant vande beloofde Taux en Branschattinghe niet promptelijck worde voldaan, ende men seer beducht is dat door die strickte detentie eenige van dien (zijnde van swacke dispositie, of hoogen ouderdom,) tot sieckte ende meerder swaricheydt sullen vervallen, indien niet spoedichlijck sulcx werde voor-gecomen door op-brenginge van penningen, of verpandinghe van Ju-
Plakkaat van de Staten van Utrecht Collectie Het Utrechts Archief (“Ostagiers” zijn gijzelaars)

Bovendien worden beide brieven gepubliceerd, met een extra aanbeveling door provinciesecretaris Quint.

De tekst is te lang om hier helemaal weer te geven. Links de brief van secretaris Quint, rechts de brief van de gijzelaars, ondertekend door J. Lodestein.
Brief van de gijzelaars van 23 december/2 januari met bijbehorende aanbeveling door secretaris Quint gepubliceerd 29 december/8 januari. Collectie Het Utrechts Archief (klik op link voor grotere, beter leesbare versie)

Zilverwerk

Voor gegoede burgers die zeggen geen contant geld te hebben, kan het bestuur het niet leuker maken, maar wel makkelijker: eigenaren kunnen alle soorten bewerkt zilver (en andere kostbaarheden) in onderpand geven tegen een rente van 6 procent. Het zilver zal goed worden bewaard.

De ronde, gewelfde schaal rust op een standring en heeft een brede rand, opgebouwd uit acht gezwenkte knerren met weke, knekel-achtige omlijstingen. Iedere kner is gedreven met een grote bloem. Vanaf middenonder zijn kloksgewijs weergegeven driemaal een tuinanemoon, een trompetnarcis, een tulp, tweemaal een tuinanemoon en een lelie. In het middenveld is een scène weergegeven van twee in een landschap zittende jongetjes die samen uit een schaaltje drinken.
Zilveren plooischotel met gedreven bloemen, toegeschreven aan Nicolaas Hoyer , 1661. Collectie Rijksmuseum
Tekst over de oproep voor het losgeld
Fragment uit de begeleidende oproep van secretaris Quint bij een brief van de gijzelaars 16/26 december 1673. Collectie Het Utrechts Archief

(…) tot lossinge vanals losgeld voor die hare Broederen/ of anders aenstonts te willen over leveren aen hem ‘t gemaecktebewerkte Silver/ om daer op na de weerdijetaxatie van dien te leenen penningen ten fine voorsz met het hier voor genoemde doel(…)

Ende sal dan Silver-werck getrouwelijck worden bewaert ende versegelt op seker plaetse totte aflossinge toe: de welcke op het alder-yverste zal worden beharticht.

Dag des Oordeels

Een beetje psychologische druk wordt daarbij niet geschuwd. In de oproep staan bijbel-citaten om de burgers tot vrijgevigheid aan te zetten. Wie een gevangene bezoekt of bevrijdt, helpt daarmee eigenlijk God zelf. Als je op de dag des oordeels nog rijkdommen in huis hebt die je blijkbaar niet hebt ingezet om je broeders te helpen, zal dat zeker niet in je voordeel werken.

Tekst met de verwijzing naar Christus

Een ygelijck neme dit doch ter harten / Opdat niet in den dag des Oordeels dat Silverwerck tegen ons getuyge /
Ende d’HeereChristus segge ick ben in gevanckenisse geweest en gy heb my niet besocht / Dit gelieven de Schouten hare Buurten op ‘t ernste aen te dragenDe schouten wordt verzocht dit in hun wijken zo ernstig mogelijk aan te bevelen

Een man brengt een gevangene eten. De gevangene zit op een steen in een donkere ruimte en is met een ketting vastgemaakt. De bezoeker komt met een lantaarn en strekt zijn hand uit om de gevangene te begroeten.
De gevangenen bezoeken, Gerrit de Broen (I) (mogelijk), naar Jan Luyken, in of na 1695 – ca. 1740 Collectie Rijksmuseum

Verlost

Deze tactiek helpt, al zal ook de beloofde 6 procent rente (die later nog jaren via een hoofdelijke belastingomslag moet worden afbetaald) een rol hebben gespeeld. Op 2 februari is er een bedrag van 330.436 gulden bijeengebracht. Een konvooi met 200 paarden en ruiters brengt het naar Arnhem. Een dag later kan een opgeluchte Utrechtse delegatie haar stadsgenoten in de armen sluiten.

Bezorgde moeder

DatumPlaats
Geschreven3 januari 1661Amerongen
Geadresseerde:
Constantijn Huygens
Ontvangen13 januari 1661
Lees hier de originele brief

De brief die Margaretha Turnor op 3 januari 1661 schrijft, is haar vroegst bekende brief. Ze schrijft hem niet aan haar man, maar aan Constantijn Huygens, heer van Zuilichem.

De Spaanse missie

Waarom schrijft Margaretha aan Constantijn Huygens? Daarvoor moeten we terug naar oktober 1660. Op dat moment vertrok namelijk de eerste officiële Staatse missie sinds de Vrede van Münster in 1648 naar Spanje. Het doel van de missie is om koning Filips IV geluk te wensen met het huwelijk van zijn dochter Maria Theresia met de Franse koning Lodewijk XIV. Het huwelijk is een bezegeling van de in 1659 tussen Spanje en Frankrijk gesloten Vrede van de Pyreneeën. Met het overbrengen van die gelukswensen wil de Republiek uiteraard een hoger doel bereiken, namelijk het hernieuwen van een aantal eerder gemaakte afspraken op het gebied van staatszaken.

Een elegant gezelschap staat in een kerk voor het altaar. In het midden een bisschop die de infante Maria Theresia van Oostenrijk, gekleed in een hermelijnen mantel met fleur de lis en Lodewijk XIV, gekleed in een mantel met het Maltezer kruis, trouwt. Voor hun een tafel met twee stoelen die ook bekleed zijn met fleur de lis.
Edmé Jeaurat (naar Charles le Brun), Het huwelijk van Maria Theresia, dochter van Filips IV van Spanje in 1660, 1731. Collectie Scottish National Gallery Of Modern Art (Modern Two) (Print Room)

In het gevolg van Godard Adriaan

Eén van de drie ambassadeurs die op 3 december 1660 in Madrid gearriveerd is, is Godard Adriaan van Reede. Hij wordt niet alleen vergezeld door zijn 16-jarige zoon, Godard van Ginkel, maar ook door Lodewijk Huygens, de zoon van Constantijn. Voor beide zonen geldt de missie als onderdeel van hun opvoeding. De inmiddels 29-jarige Lodewijk spreekt Spaans en kan dus af en toe optreden als vertaler, maar heeft verder geen officiële taak en wordt ook niet betaald. Maar ach, vader Huygens was allang blij dat zijn derde zoon mee kon op deze gezantschapsreis. Misschien hoefde hij dan niet langer in de schaduwen van zijn succesvolle oudere broers, Constantijn jr. en Christiaan, te staan.

Portret ten voeten uit van een jonge man in een harnas en hoge leren laarzen. Hij heeft langkrullend haar en draagt om zijn nek een sjaaltje.
Godard van Reede van Ginkel, Jurjen Ovens, 1661. Collectie Kasteel Amerongen.

Afscheid nemen bestaat niet

Lodewijk Huygens had veel vrije tijd en hield al sinds het begin van de reis een dagboek bij. Het dagboek is bewaard gebleven. Daardoor weten we onder meer dat Margaretha haar gezin in oktober 1660 tot aan het vertrek van het gezantschap vanuit Hellevloetsluis heeft vergezeld. Onderweg van Den Haag naar Hellevoetsluis speelde het gezelschap, onder wie Lodewijk, een kaartspelletje. Het afscheid viel zowel de vertrekkenden als de achterblijvers zwaar, aldus Lodewijk: er vloeiden veel tranen. Maar Lodewijk beschrijft een saillant detail. Probeerde Godard van Ginkel zich groot te houden tegenover zijn reisgenoten? Volgens Lodewijk huilde Godard namelijk tranen met tuiten wanneer hij in de richting van zijn moeder keek, maar lachte hij smalijk wanneer hij zich omdraaide naar zijn reisgezelschap.

Alvorens verder te gaan kan ik me niet bedwingen om hier hier nog een nogal zeldzaam en vermakelijk voorval in herinnering te brengen dat plaatsvond bij het vertrek van mevrouw Van Amerongen. Het was namelijk zodat als mijnheer Van Ginckel haar zoon, een edelman met een nogal vrolijk karakter, naar de ene kant keek om afscheid van zijn moeder te nemen, dan zag hij haar samen met haar nichtje staan huilen. Ik had zo even al verteld dat ze dat deden Keek hij naar de andere kant, dan zag hij zijn metgezellen van wie dat soort afscheid misschien niet zo hoefde. Op hetzelfde moment dat hij van de ene naar de ander kant keek, deed hij dan hen en dan ons na. Draaide hij zich nar de zijde van zijn moeder, dan huilde hij namelijk tranen met tuiten en op hetzelfde ogenblik dat hij zich naar ons keerde, begon hij minstens zo smakelijk lachen. Hij deed dat iedere keer als hij zich van de een naar de ander wendde zonder dat hij zichzelf daarbij in de hand had.

Maurits Ebben (red.), Lodewijk Huygens’ Spaans journaal. Reis naar het hof van de koning van Spanje, 1660-1661 (Zutphen, 2005).
Families zwaaien naar de vertrekkende schepen, op de voorgrond het verwelkomen van de teruggekeerde familieleden en geliefden. Bedrukt op achterzijde met tekst in het Nederlands.
Afscheid en terugkeer op de kust, Willem Basse, 1632 – 1634. Collectie Rijksmuseum

De thuisblijvers

Margaretha Turnor en Constantijn Huygens delen hetzelfde lot: ze zijn thuisblijvers en moeten hun zonen missen. Uit haar brief van 3 januari 1661 blijkt dat Margaretha reageert op een eerdere brief van Huygens. Blijkbaar heeft de heer van Zuilichem haar al eerder een brief geschreven, misschien onderhielden ze al langer een briefwisseling en is alleen deze brief bewaard gebleven. Hoe het ook zij, de thuisblijvers hebben elkaar opgezocht en vertrouwen hun zorgen aan het papier en aan elkaar toe.

Omdat Margaretha herhaalt wat ze in een ontvangen brief van Constantijn gelezen heeft, weten we ongeveer wat er in die brief gestaan moet hebben. Er stond waarschijnlijk iets in over het verloop van de reis, want Margaretha is er zeer content mee te horen dat de reis niet over ‘de bergen en kwade wegen’ was gegaan. Constantijn had zijn lotgenoot met zijn woorden gerustgesteld.

Brieffragment over Margaretha's zorgen.

uEd schrijfvens is mij seer wel behandich
waer voor uEd hoochlijck bedancke te
meer doordien die mij heel wel te pas
quam, als de kontreije in spange diede
heere Ambassadeurs moeste passeere
niet kenende was ick seer bekomert
en aprehendeerde de reijs overde berge
en quade weege van die seer, waer
van uEd mij het kontrarije door deselfs
schrijfve beliefde te segge, heeft mij een
=nige gerustheijt gegeefve, [sedert heb]

Bekwaam en modest

Margaretha deelt ook een aantal complimenten uit. Ze schrijft haar lotgenoot dat Godard Adriaan in een brief heef laten weten ‘zeer gelukkig’ te zijn met het gezelschap van Lodewijk Huygens; de zoon van Constantijn is zeer ‘bekwaam en modest’.

Zou Margaretha hopen dat haar lotgenoot in een volgende brief complimenten aan Godard Adriaan uitdeelt? We zullen het helaas misschien wel nooit weten, want er zijn – zover bekend – geen andere brieven van Margaretha aan Constantijn Huygens bewaard gebleven.

Brieffragment over de compliment van Godard Adriaan over Lodewijk Huygens

[schrijfve heeft besocht,] vint sich
doort geselschap van men heer uEd
soon geluckich want kan mij niet genoech
scrhrijfve van sijn Ed bequ
=aem en modest leefven[, seijt ock]

Een schilderij met zes cartouches. In het midden een oudere man, Constantijn Huygens. Hij heeft een spits gezicht met een snor en een klein baardje. Hij heeft donker halflang haar met veel volume. Hij is in het zwart gekleed met een kantenkraag. Zijn linker hand houdt hij voor de borst, waardoor je het kanten manchet ziet. Om zijn middelvinger draagt hij een ring. Midden boven een portret van een jong meisje, Constantijns dochter Suzanna, in een wit jurkje en een wit kapje op. Op het jurkje zitten roze strikjes en op het kapje een roos. De andere vier cartouches zijn voor de vier zoons. Links boven Constantijn jr., rechts boven Christiaan, links onder Lodewijk, rechts onder Philips. Afgezien van Philips dragen de jongens donkerbruin met een witte kraag. Philips draagt een groen fluwelen cape en een baret met een witte veer. Tussen de cartouches zijn in bruin putti en vruchten geschilderd. Op een schild onderaan het schilderij staat ECCE / HÆREDITAS / DOMINI. / Anno. 1640
Adriaen Hanneman Portret van Constantijn Huygens (1596-1687) en zijn vijf kinderen, 1640, Adriaen Hanneman. Collectie Mauritshuis.

Pagina 1 van 4

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén