De brieven van Margaretha Turnor

Categorie: Briefloze periode Pagina 1 van 5

Willem en Mary

In de tijd dat Godard Adriaan thuis was, is er nog een grote gebeurtenis geweest: Stadhouder Willem III is getrouwd. Godard Adriaan schreef nog over het vertrek van de prins aan Johan Maurits van Nassau Siegen.

Oranje en Stuart

Stadhouder Willem III was de zoon van de Engelse prinses Mary en daardoor een kleinzoon van koning Charles I van Engeland. Koning Charles II van Engeland was dus zijn oom. De betrekkingen tussen het huis van Oranje en het Britse koningshuis waren wat wisselend van aard. In de jaren dat Cromwell aan de macht was en Charles II als balling rond zwierf door Europa, was de latere koning regelmatig aan het hof in Den Haag. Maar in 1672 trok hij als bondgenoot van de Franse koning Louis XIV tegen de Republiek ten strijde. Die strijd liep voor de Engelse koning niet zo goed af en zijn parlement maakte hem wel duidelijk dat het handiger was om de Republiek als bondgenoot te hebben.

Portret ten voeten uit van koning-stadhouder Willem III (1650-1702). Willem III staat centraal op het schilderij in een donker harnas met zijn lichaam naar links gedraaid en met zijn hoofd naar rechts. Hij heeft donker, golvend haar tot over zijn schouders. In zijn rechter hand heeft hij een commandostaf. Zijn linkerhand staan in zijn zij. Aan zijn linker heup hangt een zwaard. Op een rotspartij rechts van Willem III staat de helm van zijn harnas. Links achter Willem III een doorkijkje naar een veldslag met paarden. Het schilderij bevindt zich in een geornamenteerde, vergulde houten lijst met ornamenten.
Portret van stadhouder Willem III (1650-1702), naar Caspar Netscher, ca. 1675-1680. Collectie Kasteel Amerongen.

De juiste troonopvolger

Religie speelde daarbij een grote rol. De broer van de koning, James, was katholiek geworden en dat maakte hem bepaald niet populair bij de bevolking. Zijn dochters, Mary en Anne, waren opgevoed als leden van de Anglicaanse kerk. Aangezien Charles geen wettige nakomelingen had, waren Mary en Anne potentiële troonopvolgers. Koning Charles wilde Mary graag uithuwelijken aan de Franse dauphin maar het parlement was tegen. Stadhouder Willem III was in hun ogen een betere kandidaat.

Portret van een gezin met twee jonge kinderen. Links een vrouw in een bruine jurk. Naast haar staat een klein meisje in een donkere jurk, de vrouw heeft haar linker hand op haar rug en houdt met haar rechterhand de linkerhand van het meisje vast. Links een iets groeter meisje in een blauwe jurk met in haar handen een bloemen krans. Rechts een man met lange krullen in rood-wit-blauwe kleren. In zijn linkerhand houdt hij een maarschalksstaf en met zijn rechterhand wijst hij naar de tekst op een zuil onder een globe: "Duke and dutches of York with princes Marey and Ann". Op de voorgrond een zwartwitte hond, op de achtergrond een heuvellandschap met een kasteel.
De hertog en hertogin van York met hun twee dochters, Peter Lely en Benedetto Gennari, 1668-1685. Collectie: Royal Collection Trust.

Het huwelijk

In 1677 was Mary 15 jaar oud, Willem was 27. Mary had haar neef waarschijnlijk al wel eens langs zien komen: pokdalig, geen schoonheid en bepaald geen feestbeest. Voor een 15-jarig meisje niet de prins op het witte paard maar Mary had niets te kiezen. Het huwelijk vond plaats op 4 november 1677, ’s morgens om 9 uur, in St James palace in London. De reis naar de Republiek had de nodige vertraging vanwege het slechte weer. En toen de overtocht dan uiteindelijk lukte, was de Maas bevroren en moest het bruidspaar landen in Ter Heijde en in de vrieskou gaan lopen naar paleis Honselaarsdijk. Een moeizaam begin, maar op 14 december vond de feestelijke intocht in Den Haag plaats.

Het huwelijk van prins Willem III met Maria II Stuart te Whitehall in Londen, 14 november 1677. Voltrekking van de ceremonie door de bisschop van Londen. Links Karel II koning van Engeland met koningin, rechts Jacobus II, de hertog van York met hertogin. Bovenaan in medaillons portretten van de ouders van de prins: Willem II en Maria Henrietta Stuart. Links afgezanten en ambassadeurs van de Republiek.
Huwelijk van prins Willem III met Maria Stuart, Carel Allard (uitgever), 1677. Collectie Rijksmuseum.

Mary in de Republiek

Ondanks het moeizame begin van de relatie werd Mary al snel verliefd op haar echtgenoot. Ze was vrolijk en vriendelijk van karakter en dat viel in de Republiek ook zeer in de smaak. Eén van de buitenverblijven van Willem III, Hof te Dieren, lag in de naaste omgeving van kasteel Middachten, waar Philippota veel verbleef. Als de prins een jachtpartij organiseerde op het Hof te Dieren, was Van Ginkel van de partij en dan voegde Philippota zich bij de dames die prinses Mary gezelschap hielden. Mary en Philippota gingen vriendschappelijk met elkaar om. Maar of ze nu hartsvriendinnen waren? Philippota was katholiek en in die zin een vreemde eend in de bijt bij de protestantse hofhouding. Daarnaast, Philippota kreeg zonder problemen kind na kind terwijl Mary tot haar grote verdriet kinderloos bleef.

Een uitgebreid buiten. Links een gebouw van zeven ramen breed, rechts in een rechte hoek erop twee puntdaken met klokgevels. Daar tussen een klein torentje.
Het Hof te Dieren (in 1795 afgebrand) jachtslot van Stadhouder Willem II en Stadhouder Willem III, anoniem, 1770-1795. Collectie Gelders Archief.

Mevrouw de prinses

In de brieven van Margaretha zal Mary “Mevrouw de prinses” genoemd worden. In de vroegere brieven is die titel voorbehouden aan Amalia van Solms, maar die is in 1675 overleden.

Jonge vrouw zit naar links gedraaid. Ze draagt een rode jurk met een breed décolleté. Om haar nek een parelketting. Haar haar is opgestoken maar bovenop haar hoofd heeft ze bruine krullen. Achter haar staat een vaas met rozen.
Queen Mary II, Sir Peter Lely, 1677. Collectie: National Portrait Gallery.

Beelden, ballen en klapmutsen

Voor de herbouw van Kasteel Amerongen was een hoop materiaal nodig. In de brieven van Margaretha aan haar man lezen we over kalk, hout, steen en turf. Er moest per slot van rekening weer een functioneel kasteel gebouwd worden. Maar het oog wil ook wat. Op 11 april 1680 ontvangt Godard Adriaan een brief van ene Jochem Fopma uit Bremen, een handelaar in bewerkte steen. Hierin wordt gesproken over ‘beelden en ballen’, en over bijbehorende ‘klapmutsen’. Dat zijn sierstukken om een muur mee af te dekken. Over welke beelden en ballen Jochem Fopma het heeft, wordt uit de betreffende brief niet duidelijk, maar het kan bijna niet anders dan om de beelden Fortitudo en Prudentia gaan die samen met twee grote stenen ballen bij de trap naar de bovenbrug staan. Het had nog flink wat voeten in aarde om de pronkstukken van Bremen naar Amerongen te krijgen. Aan de hand van het briefarchief van Kasteel Amerongen hebben we deze interessante reis eens in kaart gebracht.

Jochem Fopma aan Godard Adriaan over beelden, ballen en dekstenen

[17 courant uijt Berlin hem toegesonden,] begeerende
dat ick dit aen UE mocht beantwoorden, alsmeede
bij eerste goe occasie d’affsendingh de twee vaerdige
Beelden & bewerckte decksteen voor sijn Ex.ie den
H.re van Amerongen te bevorderen
twelck hebbe aengenoomen nae vermoogen te doen, ondertusschen sijn hier meede gearriveert de twee geordineerde stucken steens totte twee Ballen;
die souden, indien sijn HoochEd. beliefde, nu
vervaerdight (terwijl doch gheen scheepen tot noch
toe parat sijn) konnen meede gesonden worden,
als oock de vier klapmutsen die totte Beelden en
Ballen vereijscht worden, ende van streckstucken
moeten sijn [waerop Mr Prangh resolutie wacht,]

25 maart 1680, Jochem Fopma aan Godard Adriaan van Reede
Foto van het bordes van Kasteel Amerongen vanaf de zijkant. Op de voorgrond rozen die over de muur groeien, daarachter een bal op een pilaar. Achter de bal een standbeeld van een vrouw met een pilaar in haar hand. Achter haar nog een onduidelijk standbeeld.
Rozen, bal en Fortitudo bij Kasteel Amerongen, foto: Annemiek Barnouw, 2020.

April: de beelden zijn verstuurd per boot

Op 29 april ontvangt Godard Adriaan een brief van dezelfde Jochem Fopma uit Bremen. Hij schrijft dat hij na 7 april de gelegenheid had om de beelden alvast per boot te versturen. Ondanks dat hij daartoe nog geen opdracht had ontvangen en de ballen en klapmutsen nog niet klaar zijn, heeft hij dat gezien de waterstand in de Vaart maar gedaan. De beelden heeft hij op een ‘boecken bael’ vastgebonden en met stromatten beschermd. De kosten worden helaas wel wat hoger, want Meester Prang moest zelf met nog iemand de rivier af komen om te helpen.

Jochem Fopma aan Godard Adriaan over ballen beelden en dekstenen

Ick heb dan de twee vaerdige beelden jeder op een boecken
bael wel vast gebonden en met stromatten bewaert,
neffens de decksteen, 4 klapmutsen op de muijr en de geordineerde vloersteen, t’saemen in’t schip van Obbo
Jelles van Worckom gelaeden en aen S.r A.T. Jacobs1Temminck
geconsigneert, waervan ick dito S.r aenstaende Woensdag
per post oock advijs sal geeven; de beelden sijn tot
Vegesack neffens ‘t ander goet wel en onbeschadigt
‘t scheep gekomen, maer de kosten komen wat hooch
want Mr Prangh met noch een persoon selffs daerom
naer beneeden geweest sijn2de rivier af gekomen; en ick heb den schipper, die
een nieuw Schmack voert3smakschip, het goet ten hoochsten gerecommandeert

22 april 1680, Jochem Fopma aan Godard Adriaan
Tekening van een baai met op de voorgrond een weggetje en een landtong met koeien erop. Rechts een haven met allemaal zeilschepen en aan de linkerkant nog een stukje land met een molen. Midden in de baai varen zeilschepen en één stoomschip
Vegesack bij Bremen, Anton Radl, inkttekening gemaakt voor ‘Ansichten der Freien Hansestadt Bremen’ door Adam Storck, 1822. Collectie Staats- und Universitätsbibliothek Bremen.

Jan Prang

Steenhouwer Jan Prang is een oude bekende van de familie Van Reede. In 1676 kwam hij al van Bremen naar Amerongen om allemaal hardstenen elementen (vloerstenen, trappen, de lijst om het huis, onderdelen voor de schoorstenen) ter plekke passend te maken. Kennelijk is er nu voor gekozen om Jan Prang in Bremen te laten werken en dan de afgewerkte stenen naar Amerongen te sturen. In dit brieffragment lijkt het of Meester Prang de standbeelden ook gemaakt heeft. Het is zeker niet onmogelijk, maar eerder maakte hij elementen voor het huis, het zou ook kunnen dat hij alleen zorg draagt voor de verzending. De dekstenen, klapmutsen en de ballen passen wel bij het beeldhouwwerk dat hij eerder voor Kasteel Amerongen geleverd heeft.

Een grof uitgehouwen steen met daarin heel duidelijk VII gekerfd.
De onderkant van één van de dekstenen, foto: Annemiek Barnouw, 2026. Momenteel worden de brug en de muur voor het kasteel gerestaureerd, daarom zijn de dekstenen van de muur gehaald. Op de onderkant zie je de aanwijzing die waarschijnlijk door Jan Prang in Bremen in de steen gekerfd is. Zo was in Amerongen duidelijk welke steen waar moest liggen.

Augustus: oplopende kosten

Als de beelden onderweg zijn, wordt het een paar maanden stil rondom de beelden, ballen en klapmutsen. Godard Adriaan blijkt vragen te stellen over de oplopende kosten. Op 9 augustus krijgt hij een brief van Fopma waarin hij uitlegt dat de prijzen fluctueren. Omdat hij zelf geen voorraad steen meer had, moest hij nieuwe kopen. Daarnaast worden de ballen en klapmutsen van een harder, en dus duurder, steensoort gemaakt. Maar Fopma is bereid er een mooi prijsje van te maken als Godard Adriaan hem aanbeveelt als opvolger van zijn overleden oom. Een brutaal mens heeft de halve wereld toch? Zeker gezien het bijzondere Post scriptum van de brief. Het lijkt er namelijk op dat er in de tussentijd niet zoveel voortgang is geboekt met de ballen en klapmutsen. Meester Prang is een reislustig heerschap en pas teruggekomen uit Osnabruck. Hij zal nu pas weer verder gaan met de ballen en klapmutsen.

Een steenhouwer aan het werk op straat. Naast hem op de grond ligt een grote winkelhaak. Op de achtergrond de Porta Romana te Florence.
De steenhouwer, Carlo Lasinio, 1769-1838. Collectie: Rijksmuseum.

Oktober: meer vertraging

Weer verstrijken er een paar maanden en de ballen en klapmutsen zijn nog altijd niet op weg naar Amerongen. Er is meer vertraging opgetreden. Op 12 oktober leest Godard Adriaan in een nieuwe brief van Jochem Fopma dat hij voornemens was de ballen en klapmutsen een maand eerder al naar Amerongen te laten verschepen. Meester Prangh was echter weer naar Osnabrück, waar 4 van zijn knechten ziek zijn geworden, dus dat gooide roet in het eten. Aan Jochem Fopma ligt het absoluut niet. Hij heeft veel ander werk weggehaald bij Meester Prangh, dus de ballen en klapmutsen moeten nu met 4 dagen echt wel klaar zijn.

Jochem Fopma aan Godard Adriaan

dat ick niet getwijffelt had, oft de bewuste bollen
en klapmutsen souden ten minsten voor 1/m naer Amsterdam
sijn gescheept, maer Mr Prangh sijn Voijage naer Osnabrugh
alwaer vier van sijn knechts sieck sijn heeft mijn voornemen
belett, ‘kheb echter sedert sijne t’huijscomst alle devoir
gedaen, om hem onaengesien veel ander noodig werck, daedelijck
tot voltrecking van dit begonne langduijrige werck te brengen
en is daermeede soo verre geavanceert dat de laeste der Bollen
neffens de laeste der klapmutsen binnen 4 dagen
konnen
vaerdig sijn, als wanneer ick niet manqueeren sal om die,
belieft het Godt, met eerste goe occasie volgens ordre te
versenden

27 september 1680, Jochem Fopma aan Godard Adriaan
Ingekleurde prent van drie mannen in een steenhouwers werkplaats. Één van de mannen tekent iets uit op een blok steen, de tweede zit op het blok steen waar hij naast zich iets uit hakt. Een derde man staat achter een groot blok staan peinzend toe te kijken. Op de voorgrond een scheef gezakte kruiwagen. Onder de prent staat 'Hoe nuttig, kindren! is de man, Die zulk een steen bewerken kan."
De Steenhouwer, anoniem, fragment uit een pagina met zes ambachten uit Meijers Prenten, uitgegeven door De Ruyter & Meijer, Amsterdam, 1878. Collectie Rijksmuseum.

December: van boot naar appelwagen

De ballen en klapmutsen worden in oktober door Jochem Fopma vanuit Bremen verzonden naar Adriaan Temminck in Amsterdam. Hem kennen we ook uit de brieven van Margaretha. Op 24 december krijgt Godard Adriaan een brief van Temminck. Hij heeft de lading ontvangen, maar er is een probleem. Er varen geen schepen op de Rijn dus hij kan de ballen en klapmutsen niet verder per boot naar Amerongen versturen. Gelukkig heeft hij een oplossing. Hij verstuurt de lading naar ‘oom Synapius’ in Amersfoort. Dit is wellicht een oom van Temminck, die in dezelfde kringen verkeerde als Godard Adriaan. In Amersfoort moeten de ballen en klapmutsen vervolgens op appelwagens geladen worden. Die komen uit de Betuwe en passeren door Amerongen.

De Breemer steen bestaende in 2 groote ronde bollen 4 vierkante klapmutsen en 1 waeter off geutsteen hebbe ick int begin vant vriesent weer hier ontfangen, en alsoo door het leegewaeter gans geen scheepen op den rijn conde vaeren, soo hebbe alles op Amersfoort gelaeden en aen oom Senapius geadresseert met ordre om alles op de appelwaegens (die daer uijt de Betuw coomen en door Amerongen passeeren) te laeden, geleijck oock Haer HoogEdele mijn schrijft dat ditto steen daer wel gecoomen

(Van deze brief is nog geen scan beschikbaar)

Pagina met drie schetsen. Linksboven twee gezadelde paarden voor een raam, rechtsboven een groep mannen die iets voortslepen dat aan touwen zit, midden onder een boeren wagen met daarop stenen, voortgetrokken door vier paarden. Ernaast loopt een man met een zweep. Rechts onder de letters DC. Boven de tekening staat 'Croquis par divers artistes'. Onder de prent staat Decamps.
Wagen met keien getrokken door paarden, Alexander-Gabriel Decamps, 1830-1831. Uit: Schetsen door diverse kunstenaars. Collectie: Rijksmuseum.

Aankomst in Amerongen

Op 27 december ontvangt Godard Adriaan dan het verlossende woord van Margaretha. De ballen en klapmutsen zijn aangekomen in Amerongen. Reden voor blijdschap zou je denken, maar dat blijkt niet uit de brief van Margaretha. Het lijkt er op dat het plan met de appelwagens is mislukt. Ze schrijft dat ze de lading zelf met wagens uit Amersfoort heeft laten halen. Alles is onbeschadigd aangekomen, op één klapmuts na. Die mist een stukje. Verder hoopt ze vooral dat al het steen uit Bremen nu is aangekomen, want het is allemaal al duur genoeg. Hoe de reis van de beelden Fortitudo en Prudentia verliep, is niet duidelijk. Zij werden per slot van rekening al in april 1680 verstuurd vanuit Bremen. Hoe dan ook, in december zijn alle pronkstukken, minus een klein stukje klapmuts, in Amerongen. En daar zijn ze nog steeds te bewonderen.

Brieffragment hardstenen bollen

tot Amsterdam is de 4 groote klapmutse
en de twee groot hartsteene bolle van breeme
aengekoome, die teminck omt lage water
niet voort heeft konne krijgen is genootsaeckt
geweest die tscheep op Amersfoort te sende die
ick met wagens van daer heb laeten haele
en sijn deselfve onbeschadicht hier gebrocht
wtgesondert datter vant Eene klapmuts
en kleijn stuckge af is, hoope wij nu het laeste
steen van breeme hier hebbe, die reeckenine
loopen hooch, so doens die aen alle kanten,

14 december 1680, Margaretha aan Godard Adriaan
Foto van Kasteel Amerongen. Een hoog, bakstenen vierkanten huis met twee schoorstenen. Voor het huis een trap naar een bordes. Aan weerszijden van de trap twee standbeelden. Daarnaast twee ruimtes en dan twee pilaren met daarop ronde ballen. De pilaren gaan over in een muur, waarover struiken groeien. Voor de pilaren twee kanonnen en helemaal op de voorgrond een gouden zonnenwijzer.
Kasteel Amerongen vanuit het oosten, foto: Annemiek Barnouw, 2020. Aan weerszijden van de centrale trap de beelden, rechts daarvan op de pilaren de ballen. Onder de beelden en de ballen liggen de klapmutsen en de dekstenen sluiten de muur af.

  • 1
    Temminck
  • 2
    de rivier af gekomen
  • 3
    smakschip

Godard Adriaan over Margaretha

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Godard Adriaan van Reede 19 oktober 1677 Den Haag
Ontvangen Johan Maurits van Nassau-Siegen 21 oktober 1677
Lees hier de originele brief
De brief is te vinden in de scans 191, 193, 195

Margaretha is maar druk met dat hele bouwproject. Eerst het huis zelf en nu alle bijgebouwen. Godard Adriaan mag in zijn handjes knijpen dat hij zo’n hardwerkende, praktische en zuinige vrouw thuis heeft zitten! Toch?

Eind 1673, begin 1674 schrijft hij aan iedereen die het maar horen wil dat hij Johan Maurits van Nassau-Siegen als architect aangesteld heeft. Dat moeten we niet te letterlijk nemen, maar hij is duidelijk in zijn nopjes met deze verbinding met “Vorst Maurits”. In 1677 schrijft Godard Adriaan hem over de voortgang van de bouw.

Portret tot de knieën van een kalende man met grijzig haar tot in zijn nek. Hij heeft een flinke snor een kneveltje. Hij leunt met zijn rechterarm op een pilaar en in zijn hand houdt hij een brief. Links heeft hij een handschoen aan en hij heeft zijn hand in zijn zij. Onder een zwarte overjas draagt hij een harnas met daaroverheen een blauwe sjerp en een Johanniter(?) kruis. Op de achtergrond een symmetrische tuin met vijvers een half rondlopende galerij en aan het eind van de lange zichtlijn een huis.
Jan de Baen, Portret van Johan Maurits (1604-1679), graaf van Nassau-Siegen, 1668-1670. Collectie Mauritshuis.

Doorluchtige Vorst

Godard Adriaan heeft een brief van Johan Maurits gekregen en hij is duidelijk als een kind zo blij, want ondanks dat ze een tijd geen contact gehad hebben valt hij nog in de gunst bij de doorluchtige vorst. Hij wil dan ook graag preuves (bewijzen) geven, hij wil dus eigenlijk een soort verantwoording afleggen.

Aanhef van brief van Godard Adriaan aan Johan Maurits

Doorluchtige Hoochgeboren Vorst.

U Vorstelijke Genades hoochgeeerde missivie
van de ix deses is mij voor twee
dagen eerst alhier gewerden, waaruijt
ick met sondelinge aangenaamheijt
verneme desselfs goede dispositie1Dispositie: gezondheid, ende
dat hij mij sijne gunste ende genade noch
belieft te continueren, na dat ick het
ongeluck hebbe gehadt van deselve in
anderhalf jaar niet te sien, of dat mij
occasie is aan de hant gekomen, van
uVorstelijke Genade van mijn gehoorsamen
dienst preuves te geven:

Ten voeten uit portret van een trotse man met een harnas aan. Hij heeft zijn rechter hand in zijn zij, zijn linker hand leunt op zijn helm met rode en witte veren die naast hem op een tafel ligt. Hij heeft lang pluizig haar, een hoog voorhoofd en een snor.
Godard Adriaan van Reede (1622-1691), Jurriaen Ovens, 1659. Collectie Kasteel Amerongen. Foto: Peter Cox
Dame met een heel hoog voorhoofd en een flinke bos krullend haar tot op de schouder. Ze draagt een zwart fluwelen lijfje en overrok. Een witte bedenking op de wijde hals en witte manchetten. Onder de overrok een glimmende rok met goud en zilver en motiefjes.
Margaretha Turnor (1613-1700), Jurriaen Ovens, 1661. Collectie Kasteel Amerongen. Foto: Peter Cox

De swackheit van hare sexe

In de volgende alinea geeft hij alle eer voor het bouwen aan zijn vrouw, maar dat doet hij wel op bijzondere wijze. Want hij begint met de zwakheid van het vrouwelijk geslacht, een geslacht dat zelden iets goed of considerabels in de wereld verricht heeft. Nou ja, zijn vrouw dus, die heeft bij zijn afwezigheid een huis gebouwd! En dan schrijft hij niet dat ze dat goed gedaan heeft, maar dat hij daar niet mee kan instemmen!

Eerste brieffragment over Margaretha
Tweede brieffragment over Margaretha

De Vrouw van Amerongen, die de
swackheijt van hare sexe is onder
worpen ende welke sexe selden ijets
goets of considerabels in de werelt
verrichte heeft bij mijn absentie in
Duijtslant ondernomen een huijs
tot Amerongen te bouwen, daar van

ick haar geen approbatie2Approbatie: goedkeuring can geven
voor ende aleer het selve bij UVorstelijke
Genade is opgenomen [ende of wel sijn]

Een cartoon van een pronte dame met een corset en een rok met allemaal ruches. Ze heeft één hand aan haar wang en de andere hand houdt ze open hangend voor haar borst. Ze heeft geen voeten.
Det Svage Køn (het zwakke geslacht), Valdemar Møller, 1933. Collectie: Det Kgl. Bibliotek (Kopenhagen)

Complimenten van de prins

Maar dat is nog niet alles! De Prins van Oranje is tien dagen geleden met een klein gevolg langs geweest om het nieuwe huis te bekijken. En hij prees de wijze waarop het huis opgebouwd was en de rol die Margaretha daarin gespeeld heeft. Daardoor loopt Margaretha volgens haar man nu een voet hoger…

Brieffragment compliment van de prins

[Genade is opgenomen;] en of wel sijn
Hoocheijt die mij voor tien dagen
d’eer heeft gedaan neffens den grave
van Osserij3Niet bekend ende andere Heeren hetselve
te komen sien. de ordonantie4Ordonnantie: wijze waarop iets is geregeld daarvan
mitsgaders5Mitsgaders: daar bovenop, bovendien de Conduite vande Vrouw
van Amerongen daaromtrent gehouden
seer prees ende waarop Sij nu een
voet te hoger treet, [soo heb ick]

Op een koffiebruin paard dat zijn knieën hoog optrekt zit een lange slanke man fier rechtop. Hij heeft lange krullen, droevige ogen en een grote neus. Hij draagt een zwarte hoed met witte veren. Een bewerkte jas en lange zwarte laarzen.
Stadhouder Willem III te paard naar links, anoniem, 1688 – 1698. Collectie Rijksmuseum.

Stallen

Godard Adriaan zegt dat hij niet zal bevestigen wat de Prins gezegd heeft, uit angst dat Margaretha bij zijn volgende afwezigheid stallen of andere dienstgebouwen rond het bassecour (het voorplein) zal zetten. Dat zal hem “de beurs plat en het hoofd berooid” maken.

Brieffragment bouw stallen

[voet te hoger treet,] soo heb ick
evenwel mijn adveu6Uit het Frans: De term wordt onder andere gebruikt voor de getuigenis die men aflegt over wat een ander heeft gezegd of gedaan. daarop niet willen
geven, uijt vreese datse soo hooch
moedigh soude werden, ende bij dier
gelijcke mijne absentie wel wederom
met het bouwen van stallen ende
servitien7Van het Frans “service” of servitie; in deze context dienstgebouwen. op de bassecourt noch ijets
aanvangen, dat mij de beurs plat
en het hooft beroijt soude maken;

Uitnodiging

Hierna heeft Godard Adriaan eigenlijk nog één verzoek aan Johan Maurits. Hij nodigt hem uit om zijn huis te komen bekijken en misschien zou hij dan een “holla” in willen stellen. Een holla (denk hola!) is een aansporing of aanmaning om ergens mee op te houden of zich te matigen. Denkt hij nou dat Margaretha wel naar Johan Maurits zal luisteren? Nou ja, als hij er dan toch is heeft hij misschien nog wel (goedkope) tips voor die gebouwen rond het bassecour…
Bovendien zou Godard Adriaan het ook wel leuk vinden om samen naar Soestdijk te gaan, want daar moet nog best wat gebeuren.

Godard Adriaan wil zó graag dat Johan Maurits komt, dat mocht hij besluiten te komen, hij niet in Amerongen op hem zal wachten, maar dat hij dat op de weg zal doen. En dat is best een belofte in een tijd dat je niet even kon appen dat je er bijna was.

daarom ik van harten wenste dat
wij het geluck mochten hebben
uVorstelijke Genade aldaar eens te sien

op dat hij daar een holla8Hola: Als aansporing, aanmaning om op te houden, zich (wat) te matigen in wilde
stellen ende reformeren int gebouw
ende ordonneren tgeene noch aan de
bassecourt resteert, dat van groot=
gemack ende geringe kosten mochte
wesen, waar na ick seer verlange
te meer, op dat ick alsdan de eer
mochte hebben van met UVorstelijke Genade
oock eens naar Soestdijck tegaan
alwaar t’een ende t’ander subject
mijns oordeel noch al vrij wat te
doen staat; ende soo haast ick sal
konnen vernemen dat u Fürstlichte Genade
dispositie9Dispositie: gezondheid sal toelaten een keer na
dese quartieren te doen, sal ick
mij niet alleen tot Amerongen
laten vinden maar deselve opde
wech komen opwachten.

Aquarel van een tuin tegen een heuvel op. Op de voorgrond een weg langs een muur, op de weg een koets en een groep deftig geklede mensen die door een hek in een muur naar de tuin lopen. Links staat een hoge pilaar met daarop het beeld van een ridder. Op de voorgrond zijn drie ronde vijvers, elke volgende steeds een niveau hoger. In de eerste zit een fontein, in de tweede een kleiner standbeeld en in de derde een groot standbeeld. Boven de derde vijver een halfrond, wit bouwwerk, met een gang met pilaren. Daarboven een weiland in het bos waar herten lopen. De tuin wordt links en recht omzoomd door grote bomen.
Amphitheater te Kleef, naar het Zuiden gezien, Jan van Call, 1675 – 1685. Collectie Rijksmuseum. De door Johan Maurits aangelegde tuin in Kleef. Johan Maurits was wat de betreft de bouw een groot voorbeeld voor Godard Adriaan.

William & Mary

Godard Adriaan eindigt zijn brief het feit dat zoon Van Ginkel Willem III begeleid heeft naar Hellevoetsluis en dat hij daar wacht op de terugkeer van de prins.
Godard Adriaan hoopt dat het bezoek van de Prins aan Engeland wat goeds voor de Christenheid en voor de vrede mag betekenen. Het gaat hier om het huwelijk tussen Stadhouder Willem III en de Engelse prinses Mary Stuart op 4 november 1677. We zullen Mary ook tegen gaan komen in de brieven van Margaretha. Meestal noemt ze haar “mevrouw de prinses”.

Sijn Hoocheijt is eergister avont
van hier over Helvoetsluijs naar
Engelant vertrocken met een
tamelicke goede wint, ende heeft den
Heer van Ginkel d’eer dat hij

hem onder sijne Suite nevens andere
mede opwacht. Godt geve dat uijt
dese reijse wat goets ten besten
van de Christenheijt mach proflueren10Proflueren: zijn oorsprong hebben
ende daar door de diergewenste vrede
eenmaal bekomen werden; [in wiens]

Dubbelportret van Willem III en Mary II. Onder een gekroond baldakijn met twee engeltjes twee cartouches met links Willem III naar rechts gekeerd en rechts Mary e. De cartouches zijn gekroond en tussen de kronen staat een monogram van W en M. Pnder de catrouches het wapen van Groot Brittanië, vastgehouden door twee engeltjes.
Willem III en Mary II, Robert White, ca. 1689. Collectie Royal Collection Trust.

Afsluiting

Voor de volledigheid voeg ik ook de afsluiting van de brief toe. Het is interessant om te lezen met hoeveel zwier en omhaal zo’n afsluiting geschreven wordt. Bovendien wordt in de afsluiting pas duidelijk dat het prachtige handschrift waarschijnlijk van zijn secretaris is, want het handschrift van de ondertekening is nogal anders. Een hoeraatje voor de secretaris!

[eenmaal bekomen werden,] in wiens
H. protectie ick uVorstelijk Genade bevele
ende mij inde continuatie van sijn hoge
gunste ende blijve

Doorluchtige Hoochgeboren Vorst;

Uwe Vorstelijke Genade
Ootmoedigen Dienaar

Godert Baron van Reede
…. Tot Amerongen

Hage den 19. October
1677.

Duiding

Voor ons 21ste-eeuwers is het lastig Godard Adriaans mening over Margaretha’s bouwactiviteiten te duiden. Was dit gebruikelijke mannen onder elkaar praat? Of was dit misschien toen ook al brallerig? We weten dat Godard Adriaan van een praktische grap hield en dat Godard Adriaan en Margaretha van een goed glas wijn hielden. Zouden ze de brief misschien samen geschreven hebben bij een glas wijn? Het zou wel de leukste verklaring zijn.

  • 1
    Dispositie: gezondheid
  • 2
    Approbatie: goedkeuring
  • 3
    Niet bekend
  • 4
    Ordonnantie: wijze waarop iets is geregeld
  • 5
    Mitsgaders: daar bovenop, bovendien
  • 6
    Uit het Frans: De term wordt onder andere gebruikt voor de getuigenis die men aflegt over wat een ander heeft gezegd of gedaan.
  • 7
    Van het Frans “service” of servitie; in deze context dienstgebouwen.
  • 8
    Hola: Als aansporing, aanmaning om op te houden, zich (wat) te matigen
  • 9
    Dispositie: gezondheid
  • 10
    Proflueren: zijn oorsprong hebben

Margaretha en de taalpurist

Ik ben geen goede schrijver: ik ben een slordige ADHD-er en als ik typ probeer ik mijn gedachten bij te houden. Mijn snelle typen klinkt volgens mijn kantoorcollega als de rammelende flesjes bij een apotheek. Er zitten dus altijd vertypingen en domme dt-fouten in mijn teksten. Dat betekent niet dat ik geen taalpurist ben. Ik vind dat je in principe gewoon je best moet doen om fatsoenlijk Nederlands te gebruiken. Ik gruw van SMS-taal en “maar je begrijpt het toch” is voor mij geen argument. Mijn kinderen kunnen zich dan ook gelukkig prijzen dat ik bewust kinderloos ben.

Mijn typsnelheid volgens kantoorcollega

het voert hier wonderlijcke tael

Totdat Margaretha Turnor in mijn leven kwam. Ze kwam ongemerkt: haar verhalen nestelden zich in mijn hoofd, toen in mijn hart en daarna hunkerde ik naar meer. Dus dook ik in haar echte brieven. Nu kan ik me niet meer voorstellen dat ik destijds haar handschrift kon lezen en haar taal niet begreep. Als je meer 17de-eeuwse handschriften kent, is Margaretha’s lettertype eigenlijk behoorlijk modern. Haar taalgebruik is welbeschouwd ook heel goed te volgen. Als je het tenminste hardop aan jezelf voorleest, want ze schrijft nogal fonetisch.

het sal wel goede woorde geefve, damen niet mee te mart kan gaen

Inmiddels reageer ik vrij fel op mensen die op basis van Margaretha’s brieven zuur menen te moeten vertellen dat Margaretha niet veel opleiding had, omdat haar spelling toch echt beneden de maat is. Wij, 21ste-eeuwers denken te zwart-wit: je schrijft een woord goed of je schrijft het fout. In de 17de eeuw was er nog geen standaardspelling en Margaretha neemt de ruimte die ze daardoor krijgt volledig in. Ze schroomt er niet voor om één naam in één brief op drie verschillende manieren te spellen, ze bedenkt (waarschijnlijk) zelf gezegdes en maalt niet om interpunctie. En dat je in het heetst van het schrijven van een brief “daar men” afkort tot “damen”: sorry hoor, maar je begrijpt het toch?

Bruine tekening van een meisje dat voorover gebogen zit over een blad. In haar rechterhand een pen of potlood.
Jenneken tekenend of schrijvend, Harmen ter Borch, 1653. Collectie: Fondation Custodia, collectie Frits Lugt (eigen foto).

daer de foute bij gepleecht sijn 

We zijn hier, op dit blog, inmiddels drie archiefnummers (van de zeven) verder. Ik lees zelf vooruit, controleer de transcripties, zoek personen en gebeurtenissen uit en zoek woorden op in de historische woordenboeken van het Instituut voor de Nederlandse Taal. Bijna alle woorden vind ik overigens daarin terug en Margaretha heeft een enorme woordenschat! Wat doet deze innige relatie met Margaretha’s taalgebruik met mij?

Heel eerlijk? Veel! Ik kan inmiddels zelf ook behoorlijk op z’n Margaretha’s typen. De transcripties staan ook in een worddocument en met ctrl+f kan ik haar spelling zo nabootsen dat ik meestal wel vind wat ik zoek. Het werkt alleen wel door… Inmiddels ziet eigenlijk bijna alles wat ik typ er logisch uit en moet ik soms een woord op drie manieren spellen om te weten wat de juiste, 21ste-eeuwse spelwijze is. Gelukkig is er bij echte twijfel gewoon nog steeds Het Groene Boekje. Ik denk wel dat ik voor de échte 21ste-eeuwers teegen woordich meer foute pleech.

Een partiekuliere pasie 

Maar wat vind ik dan nu van 21ste-eeuwers die fonetisch schrijven? Je zou zeggen dat ik misschien milder geworden ben en dat ik tevreden ben als ik begrijp wat er bedoeld wordt. Nou. Nee. Ik ben meestal ook degene die ziet dat het verschil tussen d, dt of t een heel andere betekenis aan een zin kan geven. Dus ik blijf voorstander van goed taalonderwijs en zorgvuldige spelling. Zonder een goede basis in je eigen taal is het ook lastig andere talen te leren. En datzelfde geld1door een meelezende redacteur ben ik, terecht, gewezen op deze domme dt-fout, ik heb hem laten staan om de eerste alinea te bevestigen voor een tijdreis in je eigen taal. Ik merk bij historische brieven dat mijn Frans niet goed genoeg is om een brief uit de 18de eeuw te lezen, terwijl ik een moderne (gedrukte) Franse tekst wel redelijk kan lezen.

Op dit beroemde schilderij verbeeldt Bruegel het bijbelverhaal over de overmoed van de mens, die een toren tot in de hemel wilde bouwen. God strafte daarvoor met de Babylonische spraakverwarring wat samenwerking onmogelijk maakte. Het immense bouwwerk reikt tot in de wolken. Talloze mensen bevinden op en rond het gebouw. Breugel liet zich voor zijn toren uit de oudheid inspireren door de Romeinse arena, het Colosseum.
Toren van Babel, Pieter Brughel (I), ca. 1568. Collectie: Boijmans van Beuningen.

ick sien de kompasie 

Uiteraard is taal levend en zijn grenzen er om geslecht te worden. Mijn Frans is niet goed genoeg om oude brieven te lezen, mijn Duits was op de middelbare school écht berucht slecht. En toch probeer ik Duits te praten. Ik bak er weinig van, mijn naamvallen vliegen alle kanten op en als ik er niet uit kom, bedenk ik gewoon zelf een woord. Dus compassie voor slecht taalgebruik is er wel: we hebben nu eenmaal allemaal onze grenzen en het is zonde als die je beperken in het maken van een connectie met je medemens. Want dat is toch waarom we allemaal iets met taal doen.

Banner van de Week van het Nederlands met ondertitel Op reis in taal van 4 tot 12 oktober. Tegen een roze achtergrond staan twee vrouwen in reiskleding met een rolkoffer.

Dit blog is geschreven in het kader van de Week van het Nederlands, met als thema Op reis in taal.

nabrander

De kopjes “op z’n Margaretha’s” komen uit de volgende brieven

het voert hier wonderlijcke tael komt uit de brief van 10 juli 1684 (is nog niet over geblogd). Er is een bestand getekend in de Frans-Spaanse Oorlog en Margaretha verbaasd zich erover hoe er over de totstandkoming van dat verdrag gepraat wordt. Ze verwacht zware tijden.

het sal wel goede woorde geefve, damen niet mee te mart kan gaen komt uit de brief van 6 oktober 1680, hier schrijven we volgend jaar over. Margaretha hoopt dat Godard Adriaan zelf een keer met Willem III over de betaling voor zijn werk kan praten. Ze verwacht alleen dat dat wel goede woorden zal geven, waarmee je niet naar de markt kunt. Kortom: ze verwacht beloftes, maar geen geld. Dit spreekwoord heb ik op deze manier niet gevonden. Wel “Schone woorden vullen geen zak” en als synoniem daarvoor “Lullen is geen vis”. Dat laatste zou Margaretha natuurlijk noooooit zeggen, maar het past wel heel goed in de 21ste eeuw.

Een vismarkt in een stad. In het midden een stalletje waar vis uitgestald ligt en waarachter een vrouw vis schoonmaakt. Links andere stallen. Voor de stal een waterpomp en een bezem. Op de voorgrond een kruiwagen.
Vismarkt, Cornelis Dusart, 1683. Collectie Rijksmuseum.

daer de foute bij gepleecht sijn komt uit de brief van 1/11 mei 1680. Blijf vooral dit blog volgen, want het komend jaar krijgt Margaretha een conflict met de dominee en de kerkenraad. Daar worden zoveel fouten bij gepleegd, dat zelfs zoon Van Ginkel moet komen bemiddelen.

Een partiekuliere pasie komt uit dezelfde brief. Margaretha verzekert haar man ervan dat het niet haar persoonlijke vendetta tegen de dominee is.

ick sien de kompasie komt uit de brief van 1 april / 22 maart 1684. Margaretha heeft een acksident (wond) aan haar been, Godard Adriaan heeft eerder gesuggereerd dat het door een puist komt, maar Margaretha haalt alle chirurgijns uit de regio erbij om te bewijzen dat het veel erger is. Brieven later ziet ze in de brief van Godard Adriaan dat hij compassie met haar heeft wat betreft haar acksident.

  • 1
    door een meelezende redacteur ben ik, terecht, gewezen op deze domme dt-fout, ik heb hem laten staan om de eerste alinea te bevestigen

Hortus Malabaricus

In de periode dat Margaretha en haar man in Amerongen steen voor steen hun kasteel weer opbouwden, was aan de andere kant van de wereld een achterneef van Godard Adriaan bezig met de opbouw van een misschien wel nog indrukwekkendere nalatenschap. Maar dan wel in een hele andere tak van sport: de botanie.

Een tak met grote bladeren en kleine rode vuchten.
Nati Schambu (Syzygium malaccense, Djamboe bol) uit de Hortus Indicus Malabaricus (Vol. 2), naar Pietro Foglia, 1678-1703. Collectie Minnealpolis Insitute of Art.

Hendrik Adriaan van Reede (1636-1691)

Hendrik Adriaan van Reede tot Drakestein was de jongste van de vele kinderen van Godard Adriaans achterneef Ernst van Reede tot Drakestein. Hij was een broer van Carel van Reede van Drakestein, opperschenker van de keurvorst, die overleed toen Godard Adriaan in Berlijn was. Vóór zijn vijfde verjaardag waren allebei zijn ouders al overleden, en als tiener ging hij naar zee. Hij verdiende zijn sporen bij de VOC, toen die in de jaren zestig stukje bij beetje Ceylon (Sri Lanka) en de westkust van India veroverde op de Portugezen. In 1669 werd hij commandeur van Malabar, dat grotendeels samenvalt met de huidige Indiase deelstaat Kerala. Geen gemakkelijke klus, want enerzijds moest hij voor de compagnie zorgen voor zo snel mogelijk veel winst, maar anderzijds probeerde hij ook lokale vorsten te vriend te houden. Ondertussen was de onderlinge rivaliteit tussen de regionale VOC-dienaren groot. Gelukkig had hij ook een hobby.

Voor een gordijn met op een achtergrond een wijds uitzicht staat een man met een grote krullenpruik. Hij draagt een harnas met een jabot en een degen aan een riem om zijn middel. In zijn rechterhand heeft hij een maarschalkstaf en daarmee rust hij op een tafeltje. Onder het portret de zestienkwartieren van zijn voorouders.
Portret van Hendrik Adriaan van Reede Tot Drakestein, Pieter van Gunst, 1689. Collectie Rijksmuseum

Lokale kennis

Hendrik Adriaan had grote belangstelling voor de enorme diversiteit aan inheemse plantengroei die hij overal om zich heen zag. Bij zijn residentie in Cochin liet hij een grote botanische tuin met allerlei planten uit de omgeving aanleggen. Om zowel zijn verzameling als zijn kennis uit te breiden organiseerde hij op regelmatige basis plantenexpedities door zijn eigen streek en aangrenzende gebieden. Daarbij had hij hulp van lokale geneesheren, die over de kennis van vele generaties beschikten, en van een Italiaans pater.

Gezicht op de stad Cochin, aan de kust van Malabar. Gezien van de zee, rechts een Hollandse koopvaarder, op de voorgrond enkele roeiboten. Bovenaan de plaatsnaam Couchyn.
Gezicht op Cochin aan de kust van Malabar in India, Johannes Vinckboons (toegeschreven aan), 1662-1663. Collectie Rijksmuseum.

Dat was niet alléén uit pure wetenschappelijke interesse of liefhebberij. Ook voor de VOC lagen hier kansen. Terplekke gebruik maken van medicinale planten is tenslotte een stuk efficiënter, dan dure medicijnen uit Europa laten komen. Die zijn immers feitelijk uit de zelfde ingrediënten gemaakt, maar zijn dan jaren oud door de reis via Arabische handelsroutes de andere kant op. En wie weet zat er winst in exploitatie van nog onbekende toepassingen van onbekende planten.

Uiteindelijk zou Hendrik Adriaan alle verzamelde informatie op schrift laten stellen en mét afbeeldingen in een grote 12-delige planten-encyclopedie in Nederland publiceren genaamd Hortus Indicus Malabaricus.

Drie talen

Zover was het nog niet toen Hendrik Adriaan in 1676 de slangenkuil van elkaar zwartmakende en frauderende VOC-dienaren ontvluchtte en naar Batavia vertrok. Het manuscript voor het eerste deel was wel al per schip onderweg naar Nederland, en in Batavia werkte hij samen met anderen aan de volgende delen. Toen hij in 1678 Amsterdam binnen voer, was het eerste deel net verschenen.

Tekening van een tak met doornige zijtakken met blad en daaraan bloemen en bessen. Rechts in de bovenhoek de namen in latijns schrift en aziatische handschriften.
Mail-anschi (Lawsonia inermis, henna), Joannes Commelin, 1678. In: Hendrik van Reede van Drakestein, Hortus Indicus Malabricus Vol. 1, 1678. Rechts boven de naam van de plant in het Latijn, Malayalam, Arabisch en Sanskriet.

Bij de afbeeldingen stonden de namen van de planten in drie talen: Latijn, Bramaans en Malayalam, de taal die aan de westkust van India gesproken werd. Als extraatje stond de Malayalamse naam ook nog eens in het Arabisch genoteerd. Als waarborg van echtheid en het wetenschappelijke gehalte schreven de vier belangrijkste meewerkende arts-plantkundigen, Itty Achudan, Appu Bhatt, Ranga Bhatt en Vinayaka Pandit, eigen voorwoorden in het Bramaans en Malayalam1J. Woodward, Hortus Malabaricus: A Botanical and Linguistic Treasure – Magdalen College. De eerste twee delen droeg Hendrik Adriaan op aan hoge VOC-bestuurders, maar de derde aan de eigen koning van Cochin.

Op een troon zit een vrouw (ceres?) met een hark in haar hand. Rechts van haar presenteren Afrikaanse jonge mannen verschillende planten.
Ontwerp voor het titelblad van ‘Hortus Indicus Malabaricus’, deel III, van H.A. van Rheede tot Draakesteyn, Gerard de Lairesse, 1673-1678. Collectie Rijksmuseum.

Heer van Mijdrecht

Gedurende zijn verblijf in Nederland verwierf Hendrik Adriaan de heerlijkheid Mijdrecht en kreeg daardoor het recht om zitting te nemen in de Staten van Utrecht. Zou hij zijn Amerongse achterneef vaak ontmoet hebben? We weten het niet, maar het vijfde deel van de Hortus Malabaricus, dat verscheen in 1685, is opgedragen aan Godard Adriaan. Andere delen zijn ook opgedragen aan (aangetrouwde) familieleden, waaronder… neef Welland.

Meer uit te wisselen had Hendrik Adriaan met Joan Huydecoper, de kleurrijke eigenaar van huis Goudestein in Maarssen. Deze stads- en VOC-bestuurder was mede-oprichter van de Hortus Botanicus in Amsterdam, die in 1682 opende. Het contact met Hendrik Adriaan zou de Amsterdamse Hortus in later jaren veel nieuwe planten opleveren.

Enkele mannen bestuderen planten aan een tafel. De oude zittende man schrijft in een boek. Rechts draagt een man een mand met planten. Door de ramen zicht op een tuin en een landhuis.
Botanicus, Cornelis Ploos van Amstel naar Gerbrand van den Eeckhout, 1779. Collectie Rijkmuseum.

De laatste reis

Hendrik Adriaan vertrok in 1685 weer voor de VOC richting India. Hij moest orde op zaken gaan stellen in vestigingen waar meer voor eigen gewin werd gehandeld dan voor de compagnie. Een hoofdpijndossier, waarbij hij tenslotte in 1691 door ziekte werd geveld en het loodje legde. Aan boord van zijn schip overleed hij, overigens in hetzelfde jaar als Godard Adriaan. Zijn geadopteerde dochter Francine regelde een vorstelijke begrafenis in Surratte, waar zijn schip naar op weg was geweest.

De begrafenis van Hendrik Adriaan Baron van Rheede tot Drakestein te Surat ijn India, januari 1692. Begrafenisstoet buiten de stad met een lijkwagen getrokken door vier ossen. Erboven staat: Lyk-Statie van de Heer Hendrik Adriaan van Rheede, Heer van Meydrecht, etc. Gestorven den 15 December 1691 en ter Aarde bestelt op Suratte in Januari 1692
Begrafenis van Hendrik Adriaan van Rheede tot Drakestein, 1692, Jan Luyken, 1692-1693. Collectie Rijksmuseum.

Nalatenschap

De afwikkeling van de erfenis had voor Francine nog een vervelend staartje. Terug in Nederland wilde ze, zoals haar vader in zijn testament had vastgelegd, een legaat van 2000 gulden overmaken aan de kleinkinderen van diens overleden zus Agnes. Helaas… Wie kruiste haar pad als voogd voor de kleinkinderen, en eiste voor hen de vollédige erfenis (ca. 50.000 gulden plus Mijdrecht) op? Juist…, neef Welland. Het eindigde ermee dat de kleinkinderen door het Hof van Utrecht in 1697 het huis te Mijdrecht toegewezen kregen, mét bijbehorende titel, en Francine haar vaders geld. Met haar man Anthony Karel van Panhuysen kocht ze in 1699 Huis te Vliet in Lopikerkapel, waar ze tot haar dood in 1731 zou wonen2Heniger, J. Hendrik Adriaan Van Reede Tot Drakenstein (1636-1691) And Hortus Malabaricus (Rotterdam 1986), p. 87-90.

De meest duurzame en waardevolle erfenis is natuurlijk de Hortus Malabaricus gebleken. Linaeus gebruikte het als basis voor de naamgeving van Zuid-Aziatische planten in zijn classificatiesysteem en tot ver in de negentiende eeuw bleef het een referentiewerk voor botanici. In 2009 leidde de Engelse vertaling in zuid India tot de herontdekking en herwaardering van de lokale plantenkennis die de oorspronkelijke bron is geweest3R. Shetty, Hortus Malabaricus: How the garden of Malabar travelled the world | Garland Magazine. Op Kasteel Amerongen is helaas geen exemplaar van het boek aanwezig.

Ingekleurde gravure van een tak met daaraan een grote witte kelkbloem en twee kleinere, groene, stekelige vruchten. In de rechterbovenhoek de naam in vier handschriften.
Hummatu (Datura Metel) uit de Hortus Indicus Malabaricus (Vol. 2), naar Pietro Foglia, 1678-1703. Collectie Minnealpolis Insitute of Art.

De steenoven

Zonder klei geen baksteen en zonder baksteen is in een land met vrijwel geen natuursteen een kasteel niet te bouwen. Alleen al voor het kasteel hadden Godard Adriaan en Margaretha ongeveer 1 miljoen stenen nodig. Daar zouden de bijgebouwen en de kades van de grachten nog bij komen. Al met al zal Margaretha nog een aantal jaren aan het bouwen zijn. Als we zo verder gaan met de brieven van 1679, dan komt de steenoven nog steeds terug in haar brieven.

Steenfabrieken

Op zich ligt Amerongen in een goed gebied voor baksteen, want rivierklei is uitermate geschikt om bakstenen van te maken. We kennen allemaal het beeld van de rivieren die traag door oneindig laagland gaan, met in hun uiterwaarden de steenfabrieken. Alleen komen die steenfabrieken pas in de 19e eeuw. Godard Adriaan en Margaretha hadden hier dus helemaal niets aan.

Kaart van de Nederrijn tussen Wijk bij Duurstede en Rhenen met vooral aan de Gelderse oever steenfabrieken.
Oostellijk deel van de kaart Nederrijn en Lek tussen 1800 en 1900, Blijdestijn, 2017, pagina 311. Uitgave gefinancierd door de Provincie Utrecht.

Steenovens, veldovens en veldbrand

In de 17e eeuw waren er her en der wel steenovens, maar die hadden vaak een semi-permanent karakter. Er zijn drie varianten van baksteenbakken te bedenken. De steenoven is het meest permanent, de veldoven wordt gebouwd op een plek waar tijdelijk veel stenen nodig zijn, meestal is het een ommuurde ruimte die als oven gebruikt wordt. Veldbrand is een manier van bakstenen bakken waarbij geen oven gebouwd wordt, maar de bakstenen die gebakken worden zelf onderdeel zijn van de oven.

Met de aantallen bakstenen die voor het kasteel nodig waren, was het economisch zinvol om het bakken van stenen zelf te regelen. Margaretha heeft het zelf altijd over de steenoven, maar hoogst waarschijnlijk ging het over een veldoven of misschien veldbrand. Alleen archeologisch onderzoek kan aantonen wat voor structuur gebouwd was om stenen te bakken.

Rechts voor een stapel bakstenen waar rook uit komt. Voor de stapel staat een steiger met mannen erop en bovenop staan mannen. Iemand gooit bakstenen omhoog naar de mannen op ge steiger. Rechts bouwen mannen een hoog scherm, waarschijnlijk tegen regen en wind. Schuin achter de roken stapel stenen staat een zelfde stapel stenen, alleen is daar een hoek uit, in de hoek staat een man die stenen gooit naar een man op een wagen. Op de achtergrond stapels droge stenen onder afdakjes die wachten om gebakken te worden.
Het bakken van bakstenen in de openlucht, E. Bure, 1879. In: Louis Figuier (1879). Les merveilles de l’industrie; ou, Description des principales industries modernes.

Toponiemen

We weten wel waar de steenovens geweest zijn, want het geheugen van een dorp zit vaak nog in de plaatsnamen. Vlak naast het kasteel zijn twee weilandjes die nog steeds Steenoven 1 en steenoven 2 heten. Steenoven 1 en 2 liggen net buiten de dijk die (nog steeds) om het kasteelterrein ligt. Het is dus niet verwonderlijk dat de steenovens regelmatig last van hoog water hebben.

Een kaartje van het dorp Amerongen met het kasteel. In alle velden zijn namen geschreven. Links naast Kasteel Amerongen ligt een weg en aan de overkant ligt het veld 1e en 2e Steenoven.
Fragment uit: Veldnamenkaart van Amerongen waarop aangegeven de tabaksschuren en de namen van de weilanden en bospercelen, 1970 naar origineel uit 1696. Collectie: Flehite, Oudheidkundige Vereniging Amersfoort, archief Eemland.

Stenen vormen

De eerste stap bij het maken van bakstenen is het aanvoeren en werkbaar maken van de klei. Als de klei soepel is, worden met behulp van een houten mal de stenen gevormd. Zo krijgen ze allemaal dezelfde maat. Vers gevormde stenen worden te drogen gelegd. Bij een veldoven en veldbrand gebeurt dit allemaal buiten, vandaar Margaretha’s klachten als het te veel regent. Dan moeten ze ervoor zorgen dat de drogende stenen niet nat worden.

Op de voorgrond een tafel met daarnaast een kruiwagen met daarin een spade gestoken. Achter de tafel staat een man die met een roller over een rechtshoekige vorm gaat. Links voor licht allerhande gereedschap (emmers, bezems, planken) en er loopt een jongen met een baksteen in de handen naar achtern. Achter de tafel is een vel dat vol ligt met bakstenen die te drogen gelegd worden. Rechts scheppen mensen klei in een kruiwagen. Links worden de gedroogde bakstenen opgestapeld.
Het vormen van bakstenen, E. Bure, 1879. In: Louis Figuier (1879). Les merveilles de l’industrie; ou, Description des principales industries modernes.

Ongebakken stenen in of als oven

Als de stenen gedroogd zijn, worden ze opgestapeld in de oven (veldoven) of als oven. In de praktijk moet je je voorstellen dat de stenen al dan niet binnen een stenen omheining worden opgestapeld in lange rijen met zowel horizontaal als verticaal veel lucht tussen de stenen. Deze holtes worden gevuld met turf. Nog steeds met lucht ertussen, want dat is nodig voor een goede verbranding van de turf.

Bij veldbrand worden de buitenste stenen dichtgesmeerd met leem, zodat een gesloten oven ontstaat en waar dan boven ruimte vrij gehouden wordt voor de trek en aan de voorkant zijn de tussenruimten onderin met daarin het turf open, zodat het turf aangestoken kan worden

Links de weg en direct daarnaast het spoor van de tram. Rechts liggen bossen riet ergens op. Naast de weg staat een elektriciteitspaal. Verderop de steenfabriek. De fabriek heeft geen schoorsteen.
Gezicht op de steenfabriek te Remmerden (gemeente Rhenen), met op de voorgrond de Utrechtsestraatweg en de trambaan uit Amerongen, 1908. Collectie Het Utrechts Archief. Rechts voor mogelijk rieten bescherming van de drogende stenen.

Bakken

Als de oven vol of klaar is en de weersverwachting is goed, dan wordt het turf tussen de stenen aangestoken. Een veldoven of veldbrand brandt meestal één à twee weken. Omdat een veldbrand geen muur om de oven heeft, is daar de kwaliteit van de stenen minder uniform dan bij een steenoven of veldoven. De binnenste stenen worden immers langer en heter gebakken dan de bakstenen aan de rand.

Hieronder een historische film over een Duits dorp dat ten tijde van de film (1963) nog jaarlijks gezamenlijk een veldbrand uitvoert. Voor de echte liefhebber…

Brieven waarin Margaretha over de steenoven schrijft

[mctagmap show_posts=”yes” responsive=”yes” width=”150px” columns=”4″ post_tags=”steenoven” post_type=”brieven”]

Een nieuwe brandspuit in 1677

Brand, daar konden ze in Amerongen over meepraten, gezien de ellende van 1673. In de zeventiende eeuw was dat een nog groter drama dan nu. Toch bracht diezelfde zeventiende eeuw ook een grote verbetering op dit gebied: een nieuw type brandspuit.

Gravure van een huis waar allemaal ladders tegenaan staan, de rechterkant is ingestort en slaan de vlammen uit. Op de voorgrond zijn allemaal mensen met emmers in de weer, emmers liggen ook overal op straat. Met de ladders worden mensen uit het huis gered.
Burgers met ladders en brandemmers in de weer bij een brand in Amsterdam in 1652. Fragment uit: De brand in het Oude Stadhuis van Amsterdam, Jan de Baen, 1652. Collectie Rijksmuseum.

Brandemmers en een houten pijp

Foto van een bruine leren emmer met daaraan een touw als handvat.
Leren brandemmer. Foto: Nettie Stoppelenburg.

Ieder brandgevaarlijk bedrijf was verplicht om één of meerdere leren brandemmers te hebben. De brandblussers vormden een rij vanaf het water en gaven de volle emmers door tot ze bij de brand op het vuur werden geleegd. Dan werd zo’n lege emmer teruggegooid en weer opnieuw gevuld en doorgegeven. Vanwege dat teruggooien was de emmer van leer.

In de eerste helft van de zeventiende eeuw maakte hoepelsmid Hans Hautsch een brandspuit met twee cilinders om het water op te pompen naar een reservoir en dan het water omhoog te spuiten. Die brandspuit had een houten pijp om de waterstraal te richten. De waterstraal kwam zo’n twintig meter ver.

In het midden van de tekening de doorsnede van een brandend huis. Links staat een man te spuiten vanaf een platform en van daar kan hij alle plekken in het huis bereiken. Rechts hebben de mannen lieren slangen en die brengen ze in het huis, met een ladder naar het raam en op het dak.
Dwarsdoorsnede van een brandend huis met spuitgasten, Jan van der Heyden, ca. 1690. Collectie Stadsarchief Amsterdam. Links de oude manier van spuiten, rechts met de leren brandslangen die Jan van der Heyden uitgevonden had.

Jan van der Heyden

Jan van der Heyden kwam als jongen naar Amsterdam en maakte daar carrière als schilder van stadsgezichten. Maar naast zijn werk als schilder was hij ook op technisch gebied actief. Hij ontwierp in 1669 straatverlichting voor Amsterdam en dat had navolging tot in Berlijn. In 1672 maakte hij een nieuw ontwerp voor een brandspuit. Hij publiceerde daarover in 1677 met het boek ‘Bericht wegens de nieuw geïnventeerde en geoctroyeerde slangbrandspuiten uitgevonden door Jan en Nicolaes van der Heyden’.

Op de kade van de gracht staat een vierkant apparaat met aan twee kanten een handvat. Een slang loopt naar de gracht en een slang loopt naar een vergelijkbaar apparaat erachter. Rechts staat op een hoger deel van de kaden een stellage op vier poten met een zuiger. Ook hiervandaan loopt een slang de gracht in en een slang naar een pomp op de hoger gelegen straat.
Waterpompen op de kade van een gracht. Jan van der Heyden, ca. 1690. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Uit de titel van het boek blijkt al wat de grote vernieuwing is: leren brandslangen. Het water werd direct opgepompt vanuit de gracht en met een tweede pomp ging het water dan in de richting van de brand. De leren slang gaf de blussers meer flexibiliteit en ze konden ook op veilige afstand van het vuur blijven.

Links staan drie mannen bij een pomp, één staat te pompen. Een lange slang loopt over een plein en op het dak aan de andere kant staan twee mannen te blussen.
Spuitgasten met een brandspuit blussen een brand op een plein, Jan van der Heyden, ca. 1690. Collectie: Stadsarchief Amsterdam.

Big business

Groen apparaat op wielen waar een zwarte slang op ligt. Aan deze kan zit een handvat en aan de andere kant. Aan het apparaat hangt een linnen emmertje.
Brandspuit naar het ontwerp van Jan van der Heyden. Foto: Nettie Stoppelenburg.

Jan van der Heyden deed al snel goede zaken. In 1682 kwam er een compleet nieuwe brandweerorganisatie in Amsterdam. Alle zestig wijken kregen een eigen brandspuit en de mannen die aangewezen waren om de spuiten te bedienen, moesten minstens één keer per jaar oefenen. Zo’n brandspuit koste een paar honderd gulden per stuk.

Tsaar Peter de Grote wilde Jan van der Heyden overhalen om mee te gaan naar Rusland, maar de uitvinder weigerde. Hij verkocht hem wel een aantal brandspuiten. Voor schoenmakers was de brandspuit ook een interessante bron van inkomsten: zij repareerden indien nodig de leren brandslangen. Pas in 1780 kwam iemand op het idee om de leren slangen te vervangen door geweven hennepslangen.

Een opgerolde leren brandslang rond een blauwe paal. De stukken leer zitten met grote metalen popnagels aan elkaar. Aan het eind van de slang een koperen stuk om de slang aan te sluiten op een andere brandslang.
Leren brandslang, foto: Nettie Stoppelenburg.

Eeuwige roem

Niet elke stad en elk dorp kocht direct zo’n dure brandspuit. Maar uiteindelijk ging iedereen toch overstag. Er zijn zoveel Jan van der Heyden-brandspuiten gebouwd, dat er ook nog veel van bewaard zijn. De naam van Jan van der Heyden leeft ook voort in diverse straatnamen, van Amsterdam tot Tilburg. In 2012 is er zelfs een speciaal ‘Jan van der Heyden-jaar’ gevierd vanwege zijn driehonderdste sterfdag.

In theorie zou je zeggen dat de brandspuit voor Godard Adriaan en Margaretha net te laat kwam. Maar al was hij er geweest, de Fransen hadden waarschijnlijk voorkomen dat hij gebruikt kon worden.

Een portret van een man met een grote zwarte hoed en een witte kraag in een rond cartouche. Onder het cartouche een verwijzing naar zijn werk als uitvinder van de slangbrandspuit en opzichter over brandblusmiddelen, schutsluizen en stadswateren.
Jan van der Heyden (1637-1712), Marcus. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Thuis

Dat was het dan. Godard Adriaan is weer thuis en Margaretha hoeft dus geen brieven meer te schrijven. Ik ben blij dat Margaretha eindelijk haar man weer in haar armen kan sluiten.

Links een vrouw met een blauwe rok en een zwart jak en een man in een bruin pak met rode laarzen. De man heeft zijn arm om de schouder van de vrouw en ze kussen elkaar, Rechts een vrouw in het zwart van de achterkant. In haar linker hand heeft ze een blauwe veer.
Heer en dame kussend en een vrouw van achteren, Gesina ter Borch, 1654. Collectie Rijksmuseum.

Volgende missie

Er zijn weer brieven als Godard Adriaan op zijn volgende missie gaat. De laatste brief was van 16 juni 1677 en zijn volgende brief is van 11 november 1679. Dit betekent niet dat wij (ook) twee jaar wachten tot we verder gaan: wij pakken gewoon in november de draad weer op. In de perioden tussen de brieven proberen we jullie op de hoogte te houden van wat er zoal gebeurt in die twee jaar. Voor zover we dat weten natuurlijk, want als Godard Adriaan thuis is, hoeven er geen brieven meer geschreven te worden over de bouw. Maar over de oorlog, de situatie in de Republiek en de lotgevallen van familieleden kunnen we wel meer vertellen. Zijn er vragen of specifieke wensen voor verhaaltjes in deze periode? Laat het hieronder even weten!

In een kamer met een zwartwit geblokte tegelvloer zitten een man en een vrouw aan een ronde tafel met een blauw kleed te kaarten. Achter de vrouw staat de dienstmeid die haar een glas wijn inschenkt. Een jonge man leunt op de stoel van de man en kijkt mee in zijn kaarten. Achter de tafel hangt aan het plafond een groen paviljoen. Een soort loshangende hemel boven een bed. Aan de muur op de achtergrond hangen drie geweren, een schilderij met schepen, een plattegrond en een spiegel. Ook hangt er een bak met een kraantje boven een soort wasbekken op een poot. Tegen de muur staan twee stoelen, een deur staat open. Op de voorgrond snuffelt een hondje met een rode strik op de grond.
Kaartspelers in een interieur, Gesina ter Borch, ca. 1660. Collectie Rijksmuseum.

De bouwactiviteiten

We weten dat Margaretha’s belangrijkste doel was om in 1677 het huis wind en waterdicht te krijgen. Er werd gewerkt aan het dak en aan de schoorstenen en er werden glas en vensters besteld. De grote vraag is natuurlijk of ze het plafond in de grote zaal gaan jipsen of schilderen. Als we het alleen van de brieven zouden moeten hebben, zouden we dat nooit weten. Gelukkig staat het huis er nog en de grote zaal is in de basis nog steeds zoals hij tijdens de bouw bedoeld was. Dus komen kijken is de eenvoudigste oplossing om daar achter te komen.

Voor een huis met hoge ramen en luiken stopt een koets. Een man laat een vrouw uit de koets. Voor de koets staat een chique vrouw met een zwarte huik, een rode rok en witte kraag met een waaier in haar hand te wachten. Achter haar speelt een meisje met een hond. Op de trap naar de deur staat een oude man in het zwart. Hij heeft zijn hoed in de hand. Achter de koets buigen twee mannen naar elkaar. Op de voorgrond een paar kalkoenen en een haan.
Aankomst bij een landhuis, Gesina ter Borch, ca. 1661. Collectie Rijksmuseum.

Verder bouwen

Als we met de brieven van twee jaar later verder gaan, zijn de Van Reedetjes natuurlijk behoorlijk opgeschoten met de bouw. Dan wordt er hard gewerkt aan de bijgebouwen, vooral de stallen met de beide paviljoens. Daarnaast valt er natuurlijk in het huis zelf ook nog van alles te verfraaien. Verder zijn er verhalen over de kleinkinderen, over ossen, over de landbouw en over bezoek van de prins. Dus ook de volgende serie brieven heeft weer genoeg om naar uit te kijken!

Aan de linkerkant zien we nog net een stukje van de gevel van een groot huis met ramen met heraldische wapens. In het gras staat een lange tafel met allemaal mensen erom heen. Op tafel staat eten en de mensen vermaken zich met elkaar, er wordt geflirt, getoast en gekletst. Een kleine jongen loopt rond om de glazen bij te vullen.
Vrolijk gezelschap in de buitenlucht, Gesina ter Borch, 1658. Collectie: Rijksmuseum.

Gat

Het is een beetje stil hier. Het is niet zo dat wij (de schrijvers van het blog) het bijltje erbij neer gegooid hebben, maar er zijn gewoon even geen brieven. De laatste brief die we hebben is van 23 december 1676. De volgende is pas weer van 23 februari 1677. Waarom weten we eigenlijk niet.

Tekening van een man in een rood hemd met een groene broek die een bijl boven zijn hoofd houdt. Voor hem zit een wildzwijn op zijn kont met zijn voor poten voor zich uit.
Man die een wildzwijn slaat met een bijl, onbekende boekschilder, ca. 1230. Collectie: Staatliche Museen zu Berlin, Kupferstichkabinett. Foto: Jörg P. Anders.

Wat is er gebeurd?

We hebben nog gecheckt of Godard Adriaan misschien rond de jaarwisseling in de Republiek geweest is, maar nee, hij bleef op zijn post. Er zijn in de laatste dagen van 1676 en in de eerste maanden van 1677 ook geen dingen gebeurd die zo controversieel zijn dat er niet geschreven werd of dat Godard Adriaan haar brieven heeft vernietigd. Ook in de brieven is er geen aanknopingspunt, er wordt niet geschreven over slecht lopende post of missende brieven.

Zijn er verder wel brieven?

Van Ginkel schreef zijn vader een stuk minder regelmatig dan zijn moeder, maar ook voor hem geldt hetzelfde gat. Zijn laatste brief is van 19 december 1676 en de volgende is van 26 februari 1677. Ook van secretaris Godard van den Doorslagh zijn in deze periode geen brieven bewaard gebleven. Zijn laatste brief is van 16/6 december 1676. Bij hem duurt het alleen tot begin april voor we weer een volgende brief hebben.

Speculaties

We kunnen natuurlijk speculeren. Het was winter, misschien bevroor de inkt in hun pennen. Maar dan lopen we eigenlijk op de zaken vooruit. We kunnen de oorzaak ook bij de ontvanger zoeken. Ik ben zelf bijvoorbeeld iemand die best nog wel eens een kop koffie omstoot over belangrijke papieren, die toevallig op tafel liggen. Daar heb ik ook echt alle begrip voor. Ik heb ook ooit een kat gehad die op blauwe enveloppen plaste. Kon niemand wat aan doen. Maar het is eigenlijk ook helemaal niet erg om dingen niet te weten. We gunnen Godard Adriaan en Margaretha ook gewoon wat privacy. Bovendien zijn wij allemaal best druk met werk(-zaamheden).

Tips!

Aangezien er in die twee maanden verder ook weinig gebeurde wat opzienbarend was, kan het maar zo zijn dat we stil zijn tot 23 februari. Als één van onze lezers een idee heeft voor een onderwerp, laat het vooral weten! Beloven kunnen we niets, maar niet geschoten is altijd mis!

Stevige vrouw met grote jurk zit op een stoel aan een tafeltje. In haar linker hand heeft ze een schoteltje met daarop een kopje. In haar rechter hand een lepetltje. Op de tafel staat een koffiekan met een kraantje en een potje. Een kat geeft een kopje aan haar rok. Boven de prent staat: Trijn Altijddorst. Geb: Koffijlief. Hoofdvrouw van het Koffijzusters gezelschap.
Fragment uit Trijn Antijddorst, Geb: Koffijlief. / Hoofdvrouw van het koffijzusters gezelschap. / Hans Altyddorst. / Hoofdman van het bierdrinkers gezelschap
Monogrammist B (prentmaker), 1836 – 1849. Collectie Rijksmuseum.

De brieven van 1676

In 1676 vertrekt Godard Adriaan als extraordinair gecommitteerde naar Bremen. De basis van het nieuwe huis in Amerongen staat, maar er moet nog veel gebeuren, dus dat laat hij over aan zijn vrouw en zijn secretaris Godard van den Doorslagh. Het zal vrij snel duidelijk worden waar hard aan gewerkt wordt en wat allemaal nog moet gebeuren.

Bureaucratie

In 1672 en 1673 had Margaretha er bijna een dagtaak aan de betaling voor haar mans werk los te krijgen. In 1676 zien we dat ze die taken voor een deel heeft afgestoten en dat Van Heteren dat werk doet. Uiteraard blijft Margaretha wel verantwoordelijk voor het verantwoorden van de uitgaven. Dat zal haar ook in 1676 weer de nodige hoofdbrekens kosten, nu alleen niet omdat er geen geld te krijgen is, maar omdat het bouwen van een huis nou eenmaal veel geld kost.

Op een veld zijn mannen aan het bouwen. Voor proberen ligt een boomstam op twee bokken en zijn mannen met bijlen bezig. Rechts roert een man onder een afdak in een grote bak (mortel?) daarachter wordt een muur gebouwd met drie mannen op een steiger en helemaal achter timmert een ban het gebint van een dak in elkaar.
Over bouwen in het algemeen. Uit: Georgica curiosa : das ist: Umständlicher Bericht … von dem adelichen Land- und Feldleben, Wolf Helmhard von Hohberg, 1682. Collectie Heinrich Heine Universität Düsseldorf

De kleinkinderen

De brieven beginnen met de geboorte van een volgend kleinkind. Als Margaretha naar Amerongen gaat, neemt ze alle kinderen behalve de oudste, Margaretha (Tietge) en de pas geboren Agnes mee, die blijven achter bij hun moeder in Den Haag. De groeten van de kleinkinderen gaan dus onveranderlijk mee in de brieven, alleen nu niet omdat Ursula Philippota en Margaretha noodgedwongen op elkaars lip zitten.

Kinderkamer met drie vrouwen, waarschijnlijk moeders en geen kindermeiden. De vrouw links leert een kind lopen. De vrouw in het midden zit op een stoel en geeft haar kind de borst. De rechter vrouw heeft een kind op de arm. Twee van de kinderen dragen een valhoedje, een gevoerd hoofddeksel dat hen moest beschermen als ze vielen. Op de achtergrond staat een wieg, één kind speelt met een wagentje aan een touw, een ander heeft een stokpaard.
Kinderkamer met drie vrouwen en kinderen, Gesina ter Borch, ca. 1660 – ca. 1661. Collectie Rijksmuseum.

Voor wie niet alle kinderen paraat heeft en niet direct weet hoe oud ze zijn als de brieven Margaretha weer van start gaan (op 25 augustus 1676):

  • Margaretha (Tietge), geboren 15-07-1667, negen jaar oud
  • Frederik Christiaan (Fritsge), geboren 20-10-1667, zeven jaar oud
  • Anna Ursula (Antge), geboren 19-09-1669, zes jaar oud
  • Reiniera (Niera), geboren 08-06-1672, vier jaar oud
  • Salomé Jacoba (Jacoba), geboren 22-05-1673, drie jaar oud
  • Godard Adriaan (Godertge), gedoopt 11-10-1674, één jaar oud
  • Agnes (Angenis), geboren 24-08-1676, één dag oud

En voor de volledigheid: op de dag dat Agnes wordt geboren, is Ursula Philippota jarig, ze wordt 33. Er zijn geen aanwijzingen dat in het gezin Van Reede verjaardagen gevierd werden, Margaretha feliciteert alleen zo nu en dan haar man.

Oorlogsnieuws

De Republiek is in 1676 nog steeds in oorlog met Frankrijk. Eén van de ‘zeehelden’ van 1673, luitenant-admiraal-generaal Michiel de Ruyter, was in april 1676 gesneuveld. Een ander, Cornelis Tromp, heeft met toestemming van de Staten-Generaal het bevel gekregen over de Deense vloot. De Republiek steunt de Denen in hun strijd tegen de Zweden, die op hun beurt weer gesteund worden door de Fransen. In juni 1676 wordt de Zweedse vloot verpletterend verslagen. Begin juli wil Willem III een eind maken aan de Franse bezetting van Maastricht. Na een beleg van bijna twee maanden, is hij genoodzaakt de aftocht te blazen: het Franse ontzettingsleger komt er aan. Zoon Godard van Ginkel bevindt zich op dat moment in Maastricht.

Op een stuk land staan een paar tenten. Er omheen staan wagens en paarden. Tussen de tenten staan mannen.
Gezicht op een legerkampement, Barend Klotz (toegeschreven aan), 1674. Collectie Rijksmuseum.

Memoriael-bouck

In een boek heeft Godard Adriaan de stand van zijn bezittingen opgeschreven. Het begint met alles wat ze geërfd hebben, dan alles wat er aan schulden open stond en daarna wat ze aangekocht hebben. Daarna is er uitgebreid beschreven wat ze allemaal verbeterd hebben aan het oude huis. Na het verhaal van de brand en de dank voor het hout van de Keurvorst, gaat het memoriaalboek verder met alle landaankopen die tijdens hun huwelijk gedaan zijn. Er ligt dus een duidelijk overzicht van wat er bij het landgoed hoort dat Margaretha te beheren heeft als Godard Adriaan er niet is.

Eerste fragment uit het memoriaalboek
Tweede fragment uit het memoriaalboek

Meloratien en Aenkoop

van goederen gedurende onsen
Ehestant gedaen____:

Voor eerst stellen wij alhier voor Timmeragie

Metselen, planten, verleggen van de Hoven,
vermaken van ’t Voorburg, graven van
Graften, Wallen en Vijvers, poten van
Boomgaerden, Sedert het Jaer 1645
tot Junio 1672 ten minsten een som
van vijff en sestigh duisent gulden

Een bruin leren boek met koperen sluitingen. Het boek is versierd met een goudkleurige rand met flora. In het midden staat: Memoriaal-bouck van de Goederen specterende aan de Huyse en de hoge Heerlicheyd van Amerongen. MDCLXXVI
De kaft van het memoriaalboek, 1676. Huisarchief Kasteel Amerongen, Het Utrechts Archief.

Pagina 1 van 5

Recente reacties

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema door Anders Norén