De brieven van Margaretha Turnor

Categorie: Herbouw Pagina 1 van 7

Wie heeft geld?

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 15 juli 1680 Den Haag
Ontvangen Godard Adriaan van Reede
Lees hier de originele brief
Deze brief is flink gehusseld tijdens het scannen. Het zijn twee vellen met elk vier kantjes en een memorie en ook nog en ps op een apart blaadje. Hier de bijbehoren scannummers: 1e vel kant 1 – 73; 1e vel kant 2 – 74, 77; 1e vel kant 3 – 80; 1e vel kant 4 – 81; 2e vel kant 1 – 78; 2e vel kant 2 – 79; 2e vel kant 3 - 79; 2e vel kant 4 - 80; Memorie voor – 74 gedeeltelijk, 77; Memorie achter - 78; Ps voor – 74 overdwars, 75; Ps achter - 76

Margaretha doet weer eens haar stinkende best om geld te krijgen, maar veel succes heeft ze niet. Maar voor het over die echt belangrijke zaken gaat, moet ze eerst wat rechtzetten. Eerst het allerbelangrijkste: het gaat goed met Godard Adriaan. Kennelijk heeft Beusichem Godard Adriaan geschreven dat Margaretha 350 gulden per morgen betaald zou hebben voor het land van het Domkapittel. Dat klopt natuurlijk niet, dat zou wel heel erg duur zijn. Zo doet Margaretha geen zaken. Het stuk land is ongeveer 3,5 morgen, dus daar wil ze in totaal 350 gulden voor geven, dus 100 gulden de morgen. Dat is een goede koop, Smissaert en Van Beek zijn er mee bezig, het wachten is op goedkeuring door het Domkapittel.

Brieffragment kosten land

haech den 15 ijuli
1680

Mijn heer en lieste hartge

wt uhEd vande 3 deeser sien ick deselfve met
al het sijne noch wel waert daer de heer voor
gedanckt moet sijn, beusekom moet abuijs
hebbe dat hij uhEd heeft geschreefve ickt lant
vant kapittel vande dom voor 350f de merge
sou gekocht hebbe dat waer veel te dier ick
most so niet te mart gaen, tis ontrent 3½
merge groot daer soude wij 350f saeme
voor geefven dat sou honde gul de merge weese
het is tuschen ons geseijt heel goet koop dans
staet noch raport door den heere van beeck
en smitser aent kapittel daer van te doen
en haer Aproobasie te verwachte het welcke
geloof vandaech gedaen sal worden, [so lan]

Archiefkast van eikenhout. Twee doorgaande hoekstijlen en een middenstijl dragen aan ijzeren kruishengsels vier opgeklampte deuren. De meest linker deur staat op een kier, de twee rechterdeuren staan wijd open, waardoor je de lades ziet. De door de kruising der klampen verkregen vierkanten zijn binnen ingekerfde cirkels Gotisch gebiljoend. Ieder paar deuren heeft twee ijzeren sloten met grendels. Een tap met een gat is aan de ene hoekstijl bevestigd en een draaibare beugel aan de andere. Binnenin veertig van de oorspronkelijke laden met Gotische majuskels.
Archiefkast van het Domkapittel, 1500-1550. Collectie Rijksmuseum.

Er is geen geld in Utrecht

Margaretha is in Den Haag om de betalingen voor Godard Adriaan te regelen. Ze was eerst in Utrecht en heeft daar iedereen die er toe doet gesproken, iedereen was erg beleefd en bij haar langs gekomen. Alleen burgemeester Gruijter had zij bij hem thuis bezocht. Die was wel duidelijk: er is geen geld. Er is zelfs zo weinig geld dat Utrecht al een half jaar achter is met het betalen van de predikanten. En die hebben allemaal kinderen thuis zitten en die hebben geen brood om te eten. Ook de soldaten die bij Maastricht liggen lopen weg omdat ze geen soldij krijgen.

Brieffragment geld Utrecht

[kost niet helpe] sij seijde altemael datter

geen gelt inde provinsie was ija dat sij niet
wiste hoe sij haer preedikante die nu ander half
ijaer ten achteren waeren daer onder sijn
die met huijsen vol kindere sitte en geen
broot hebbe om te Eeten, soude betaellen,
de seeckreetaris luchtenburch seijde die selfe
merge Een brief van Maestricht van Een
kapteijn die hij noemde gekreechge te hebbe
die klaechde dat meer als de helft van
sijn kompangi was verloope en so hij geen
gelt vande provinsi van wttrecht kreech niet
Een man langer kost houde, [de heere seijde]

Een prekende dominee op kansel. De contouren van de koffievlek heeft Brandes licht aangestipt. Opschrift, rechtsonder, handgeschreven in potlood: ‘Een koffij vlak bij het storten over dit papier’
Koffievlek uitgewerkt tot prekende dominee op kansel, Jan Brandes, 1770 – 1790. Collectie Rijksmuseum.

Geld uit Overijssel?

Van Ginkel heeft Willem III gesproken en die wist inderdaad dat Utrecht geen geld heeft. Maar hij dacht dat Overijssel nog moest betalen, dus daar gaat hij zeggen dat zij moeten betalen. Margaretha heeft er een hard hoofd in. Ambassadeurs worden of door de provincie ingehuurd, of door de Staten Generaal. Voor een missie in opdracht van de Staten Generaal moeten alle provincies bijdragen. Dus zo moet Margaretha maar zien dat ze Godard Adriaans kostje bij elkaar scharrelt.

Brieffragment geld Overijssel

[verwachten is,] de heer van ginckel heeft
sijn hoocheijt hier ock over gesproocke als ock
de heer van schraefve moer , die ock teegens
haer alle beijde seijde wel te weeten dat
wttrecht geen gelt kost geefve, maer dat
over ijsel noch schuldich was dat hij wilde
schrijfve dat die ons soude betaelle,

Tekening van een door huizen omsloten plein. Links eerst een hoog huis met een versierde trapgevel, dan een breed gebouw met een bordes en een balkon. Op de achtergrond een relatief lage poort, rechts staan bomen. Op het plein lopen mensen en staan mensen te praten. Voor het hoge huis links (het landshuis) staat iemand op wacht. Midden op het plein loopt een meisje met een juk met twee emmers eraan.
Gezicht op het Grote Kerkhof in Deventer, Jan de Beijer, 1744. Collectie Rijksmuseum. Gezicht vanuit het noordoosten op het Grote Kerkhof te Deventer met links het Landshuis (zetel van de Gedeputeerde Staten van Overijssel) en het stadhuis en op de achtergrond de Duinpoort.

Holland heeft wel geld. Echt waar!

Ze is in Den Haag en de raadspensionaris Gaspard Fagel heeft beloofd bij haar langs te komen. Ook daar heeft ze een hard hoofd in: ze verwacht dat hij het zal vergeten. Willem III had bovendien gezegd dat Holland al meer betaald heeft dan nodig is. Dat kan wel zijn, maar Margaretha zou hem heel goed kunnen uitleggen van welk geld Holland Godard Adriaan kan betalen. Holland heeft namelijk geld apart gezet voor een ambassadeur in Frankrijk, maar ze hebben helemaal geen ambassadeur in Frankrijk. Dus dat geld kan prima naar Godard Adriaan. Nou is het maar de vraag of er iemand naar haar uitleg wil luisteren, en als ze al luisteren, dan voeren ze haar idee waarschijnlijk toch niet uit. Ze zal het de raadspensionaris toch even voorstellen.

sijn hoocheijt seijt ock dat hollant overbetaelt heeft
oversulcks niet betaelle kan, maer alst haer
beliefde sou ick haer wel aenwijse waer wt
sij mij soude konne betaelle tis waer sij hebbe
opt ijaer 8i, tachtentich duijsent gul betaelt ,
maer se hebbe 20000£ ses ijaeren aen Een
getroefe ijaerlijcks getrocken tot betaellin
van haere ordinaerisse Ambassadeur
in vranckrijck die sij daer niet hebbe gehad
so datse daer van 40000f over hebbe daer
uhEd noch wel wt kost betaelt worden
maer vrees sijt niet doen en sulle, so ick den
heere r p kom te spreecke salt hem segge, [so]

Links geeft een dame in een wit met zwarte jurk een heer in het bruin een hand. Rechts staat een heer in het zwart met zijn rug naar hun toe. Tussen de pratende dame en heer en de heer alleen hangt een elegant getekende krul.
Stel in gesprek terwijl een tweede heer zich afwendt, Gesina ter Borch, ca. 1654 – ca. 1658. Collectie Rijksmuseum.

Een memorie

Als er geen geld komt, weet Margaretha echt niet hoe ze alle eindjes aan elkaar moet knopen. Godard Adriaan moet natuurlijk geld hebben, maar ze moet ook het werkvolk en de materialen betalen. Ze pruttelt ook nog wat na over hoeveel tijd (en dus geld!) het de metselaars om de dubbele bogen van de stal te metselen.

Het leuke van deze brief is dat Godard Adriaan hier het bijgesloten memorie bewaard heeft. Deze heeft hij niet opgeslagen in zijn archief, maar hier krijgen we toch een kijkje in Margaretha’s financiële administratie.

Memorie

Memoorije vant geene hier
voor Eerst nootsaecklijck
moet betaelt worden
aen loot ontrent de ________________ 700f
den panne ontrent de ______________ 400f
aen spijckers ontrent de ____________ 300f
noch aen turf voorde steen
oven ontrent de __________________600f

___________________
2000 f

nu moeten het arbeijts
volck die alle seer om gelt
roepe ock wat hebbe,
ent gekochte lant ter
som van 350 f betaelt
worden

Hoera voor de kerk!

Na de reformatie vielen alle goederen van de (katholieke) kerk toe aan de Staten van Utrecht. De Utrechtse kapittels die we zo nu en dan tegen komen in de brieven bleven dus bestaan. Alleen waren ze geen religieuze instelling meer, maar meer een beheersorganisatie. Binnen de kapittelorganisaties waren baantjes te verdelen voor adel en regenten en je kon rechten kopen op bijvoorbeeld prebendes voor ongehuwde dochters of een deel van de inkomsten van het onroerend goed van zo’n kapittel.

Het is is Johan Pesters gelukt om op deze manier een prove voor de Van Reedes te krijgen ter waarde van 7500 gulden. Het moet nog wel geheim blijven, maar Margaretha heeft al de helft naar Temminck gestuurd zodat Godard Adriaan het kan gebruiken. Margaretha dankt de grote God dat hij juist nu toch weer wat geld toe weet te zenden.

Als er nou alsnog geld van het land komt, dan wil Margaretha dat graag gebruiken om een aantal leningen af te betalen. Maar eerst maar eens zorgen dat ze daadwerkelijk wat krijgen.

Brieffragment Grote God

[voorseijde som van 7500f ons voldaen,] so
goet is dien grooten godt nu wij weer
bij dees wan betaeline vant lant, int
de grootste ongeleegentheijt om gelt
waeren sent hij ons weer dit so onver=
wacht toe, als wij hoop hadde om
gelt vant lant te krijgen soude ick
onder korexsi met dit gelt kapijtaele
aflegge maer so lange dit so staet
weet niet dat wijt konne misse, [Eve=]

Beschrijving Afbeelding van rolwerkcartouches met de wapenschilden van de vijf kapittels van Utrecht, opgehangen aan linten: linksboven de Dom, rechtsboven Oudmunster, in het midden St. Pieter, linksonder St. Jan en rechtsonder St. Marie.
Wapenschilden van de vijf Kapittels van Utrecht, ca. 1660. Collectie Het Utrechts Archief.

Caleche en hout

Inmiddels komt de post met een brief van Godard Adriaan. Hij lijkt zich minder zorgen te maken om hun financiële situatie en ook Margaretha lijkt die volledig vergeten te zijn. Ze is blij dat Godard Adriaan een caleche voor haar zal verzorgen. Margaretha heeft nog niet gehoord dat het Pruisische hout in Amsterdam aangekomen is.

Brieffragment caleche en pruisisch hout

[wort] so aenstonts ontfange ick uhEd aengenaeme
vande 10 deeser bedancke deselfve dat hij mij van
Een kales sal versorchge, ick hoor noch vande
pruijse deelle niet geloof niet dat die tot Amster
dam sijn aen gekoomen, [so aenstonts schrijft]

Voor een gebouw (stallen met koetshuis?) komt een hele stoet koetsen, wagens, ruiters en mensen met jachthonden aan. In een aantal van de karren liggen reeën in een andere een wild zwijn. In een open koets zitten twee voorname heren.
Jachtstoet op Het Loo – 2e helft 17e eeuw. Willem III en een hoge gast zitten in een calèche met opgezette kap, Romeijn de Hooghe, ca. 1700. Collectie Gelders Archief.

Nog meer of minder geld

Kennelijk zit er ook een brief van Johan Pesters bij de post. Godard Adriaan kan pas vrijdag beschikken over de 3750 gulden waar Margaretha eerder over schreef. Ze verzucht dat je pas op geld kan rekenen als je het daadwerkelijk in je handen hebt: “ick sech in waerheijt men kan op
geen gelt ter werlt staet maecke als dat men in handen heeft”.

Deze opmerking over geld maakt weer een hele overweging los waar het binnengekomen geld wel en niet aan uitgegeven moet of kan worden. Kennelijk is er ook geld van Van Heteren geleend om secretaris Isaäc de Blanche te kunnen betalen. Die moet natuurlijk zijn geld als eerste terug hebben. Dan is het tijd om een eind aan de brief voor haar liefste breien. Weer een atypische afsluiting. Wat brengt Margaretha’s hoofd op hol?

Eerste brieffragment meer of minder geld
Tweede brieffragment meer of minder geld

[heeft daer is niet aen te koomen,] uhEd sal
mij van dit gelt voor Eerst wat beliefve tot
de timeraesge te laete gebruijcke of weet
geen wtkomst so wij vant lant betaelt
worden sou van opijnie sijn dat ick van
heetere de twee duijsent gul die wij wee
=gens den heer blansche den 4 ijuni laest
leeden hebbe ge ontfange weerom sou geefve

om niet te diep indien goede man sijn schult
te vervalle, ick verseeckere uhEd mocht ick
Eens bij deselfve sijn sou ock wel wat te segge
hebbe dat de pen niet derf vertrouwe,
nu mijn lieste ick blijf

Mijn heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijff
M Turnor

Of toch niet

Kennelijk hoeft de post in de stad niet op haar te wachten, want ze heeft nog tijd voor een naschrift en een ps op een apart briefje. Het bedrag dat Overijssel nog moet betalen aan de Staten Generaal voor onkosten is hoger dan de onkosten van Godard Adriaan, dat zou dus moeten lukken. Godard Adriaan krijgt de groeten van Margriet uit Den Haag (?) en het blijft maar regenen.

De volgende dag volgt de ps op het aparte briefje. Er is een brief van Temminck binnengekomen en het Pruisische hout is in Amsterdam. Hij meldt ook dat hij lang geen brief van Godard Adriaan gehad heeft. Dat vind Margaretha vreemd, want in zijn laatste brief schrijft Godard Adriaan nog dat hij geld via een wissel heeft “getrokken”.

Naschrift

ps
so aenstonts sijnde den 16ijuli ontfange
Een brief van teminck die schrijft de
40 pruijse deelle tot Amsterdam wel
sijn aengekoome, en dat hij in lange
van uhEd geen briefve heeft gehadt
dat mij verwondert om dat uhEd in
sijn voorgaende mij schrijft Een wissel
getrocke te hebbe

Landschap met links een rivier met daarop wat bootjes en twee vlotten met hout. Op de rechteroever een stadje (zonder muur) met één hele hoge kerktoren (Cunerakerk) en een molen. Op de voorgrond weilanden en rechts een weg in het bos.
Gezicht op Rhenen uit het oosten, P.W. van de Weijer naar J. Goossen, 1867. Collectie Het Utrechts Archief. Op de rivier een voorbeeld van vlotterij: het vervoeren van houten stammen door er vlotten van te maken.

Kusjes van Godertge en zijn zusjes

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 6 juli 1680 Amerongen
Ontvangen Godard Adriaan van Reede 14 juli 1680
Lees hier de originele brief

Margaretha wil graag meegaan met de tijd, maar die kalenders, het is allemaal niet zo eenvoudig en ze moet goed bij de les blijven! Ze dateert haar brief zowel 6 juli (Gregoriaanse kalender, al in gebruik in Holland en in Pruissen) als 26 juni (Juliaanse kalender, nog in gebruik in Utrecht) en kennelijk doet Godard Adriaan dat ook, want ze noemt bij zijn laatste brief 26 en 16 juni. Voor een moderne lezer wat verwarrend, maar ach, het is haar vergeven, de geldzorgen maken het leven voor Margaretha niet gemakkelijk.

Aanhef brief

[rec.a 14e. Julij]
Ameronge den
6 ijuli en 26 ijuni
1680

Mijn heer en lieste hartge

Oude vrouw gekleed in een mantel, zittend aan een tafel in een interieur, telt munten die voor haar liggen. In haar linkerhand houdt zij een buidel.
Geldtellende oude vrouw in een interieur, Willem Pieter Hoevenaar, 1818-1863. Collectie Rijksmuseum.

Traktatie voor het hof van Brandenburg

Geldzorgen of niet, Margaretha is tevreden over de ontvangst die Godard Adriaan heeft gehouden voor het prinselijk hof van Brandenburg.

Dat gaat dan in ieder geval om prins Frederik III van Hohenzollern en zijn echtgenote, prinses Elisabeth Henriëtte van Hessen-Kassel. Frederik, die later bekend zou worden als Frederik I van Pruisen, was de zoon van Louise Henriëtte van Nassau die weer de dochter was van prins Frederik Hendrik en Amalia van Solms.

Brieffragment ontvangst prins en prinses

wt uhEd aengenaeme vande 26/16 ijuni sien ick dat uhE
Eenige heere Ambasadeurs Eerst ende prinse en pris
prinsese van brandenburch heeft getrackteert
dat heel goet is, de Eer en reespeckt vande staet
en van uhEd Persoon moet bewaert sijn,

In een ruimte volgehangen met schilderijen en een kast met daarop borden en vazen staat een grote gedekte tafel. Er wordt eten geserveerd en gasten zitten om de tafel. Op de voorgrond een stel waarvan de heer het hoofd buigt naar een andere heer, beiden hebben hun hoed in de hand. Helemaal op de voorgrond een hondje.
Tijdens een diner worden nieuwe gasten verwelkomd, Jan Luyken, 1711. Collectie Rijksmuseum.

Geldzorgen

Tja, dat geld. In haar vorige brief schreef Margaretha al dat ze blij was dat Godard Adriaan naar raadspensionaris Fagel had geschreven, maar het heeft nog niets opgeleverd. Van Heeteren heeft haar zelfs gemeld dat er in Holland geen geld te krijgen is, zelfs niet de 2310 gulden waar ze nog recht op hebben. Komende dinsdag komen de Staten van Holland weer bij elkaar en hopelijk levert dat wat op. Margaretha zou er het liefst zelf naar toe willen gaan! Ongetwijfeld had ze de heren Staten de wind van voren gegeven, als het haar gelukt was de vergaderzaal binnen te komen. Maar ze kan zo moeilijk weg van Amerongen.

Brieffragment geld en de raadspensionaris

mij verlanckt seer wat antwoort uhEd vande heer
raet pensionaris fagel sal bekoome opt suijsget
vandeselfs betaeline, van heetere schrijft mij
dat alsnoch geen Apreehensie is in hollant
gelt te krijge ijae selfs de resteerende 2310 f
niet, toekoomende dijnsdach sulle men heere
van hollant weer bij Een koomen men sou sien
t daer voor te brenge en sien wat men dan kan
krijge, ick sou wel naer den haech gaen maer
kan seer qualijck van hier [ock ontsien ick]

Een schilderij van een man gezeten voor een halfopen roodachtig gordijn met aan de rechterkant een doorkijkje op een interieur waarin een zuil en balustrades van een balkon te zien en suggesties van personen die achter de balustrade staan. De man heeft aan de zijkant dun haar tot op zijn schouders. Bovenop zijn hoofd is hij kaal met alleen middenvoor een plukje dun haar.Hij heeft een vol gezicht met een onderkin. Hij kijkt ons met een glimlach met gesloten mond aan. Hij is gekleed in een donker kostuum met een wit befje rond zijn nek. Zijn linkerhand houdt hij met de vingers gespreid tegen zijn borst. Zijn rechterhand ligt op een tafeltje en houdt iets vast dat op een klein, lichtgekleurd doekje lijkt. Verder liggen erop tafel twee stukjes papier waarvan een met geschreven tekst en twee platte zilveren gedecoreerde doosjes.De man kijkt
Caspar Fagel (1634-88). Raadpensionaris van Holland sedert 1672, met op de achtergrond de vergaderzaal van de Staten van Holland op het Binnenhof te Den Haag, Johannes Vollevens (I) (kopie naar), 1672 – 1700. Collectie Rijksmuseum.

Dakpannen, turf en hooi

Ondertussen is Margaretha al aan het rekenen waar het geld aan besteed moet worden, het lijkt er veel op dat ze er slapeloze nachten van heeft. Godard Adriaan heeft voor zijn huishouden zeker 500 gulden in de maand nodig. Ze heeft zelf geld nodig voor het lood, de dakpannen en het werkvolk, en ze moet Krijn van Kampen nog betalen voor twee scheepsladingen turf voor de steenoven. Godard Adriaan moet het haar vooral niet kwalijk nemen dat ze haar zorgen zo openlijk uit! Er is hard gewerkt, er is ook gehooid, maar het gaat allemaal niet snel. Die mooie dubbele bogen boven de ramen van de stal en het koetshuis, het is prachtig, maar het kost veel tijd. Niettemin, er zijn er al acht gemaakt! Hopelijk kunnen ze maandag beginnen met het leggen van de balken. Er komen nog vier of misschien wel zes timmerlieden uit Amsterdam, ze hebben dan zeker twaalf zo niet zestien timmerlieden tegelijk aan het werk en o jee! Dat kost ook weer geld.

Brieffragment uitgaven

[honder gul,] ben nu seer bekomert waer ick niet
alleen gelt sal haelle om weer voor uhEd onder
teminck te legge maer ock om hier t loot
de panne en voort het werck volck te be
taelle ock moet krijn van kampe om noch
twee samoreuse turf tot de steenoven
wt moete, bidt niet qualijck te neeme ick
dit so opentlijck schrijf, [wij hebbe deese weeck]

Aan de oever van een rivier liggen een aantal zeilschepen, de meesten met gestreken zeilen. Aan de kant van het water ligt er één met het zeil half gehesen. Het schip is volgeladen met turf. Er zijn mensen (mannen én vrouw) hard bezig met de lading. Aan de oever staan twee mannen, de ene wijst naar het schip.
Met turf beladen boten aan de oever van een rivier, Jan van de Velde, 1623-1641. Collectie Herzog August Bibliothek / Herzog Anton Ulrich Museum.

Nabrander

Margaretha heeft haar brief nog niet afgesloten of ze bedenkt dat er nog een nieuwtje is. De maarschalk van Abcoude is overleden. De heer van Zuilen, dat is dan Hendrik Jacob van Tuyll van Serooskerken, heeft het ambt verkregen voor zijn zoon. Reinoud Gerard van Tuyll van Serooskerken is op dat moment drie jaar oud. Kennelijk hoefde die maarschalk niet echt daadkrachtig op te treden. En o ja, niet te vergeten, nog kusjes van Godertge en zijn zusjes!

Brieffragment Maarschalk van Abcoude en groetjes

Mijn heer en lieste hartge

uhEd getrouwe wijff
M Turnor
de Maerschalck
van Abkoude is overleeden
de heer van suijlen heeft
sijn amt voor sijn soon gekreege datter
Een offen en deffensiefve aliansi
tuschen Engelant en spange is gesloote
sal uhEd hebbe verstaen
godertge met al sijn susters kusse groote pappa
ootmoedich de hande met preesentasi van haeren
dienst

Een buste portret van Portret van Godard Adriaan van Reede van Herreveld. Hij staat naar rechts gekeerd en kijkt naar rechts. Hij staat voor een donkere achtergrond. Godard draagt een kuras met een jabot en een donkere pruik met krullen. Het schilderij is verwerkt in de lambrisering van de eetkamer: een withouten lambrisering rondom het ovale schilderij is met goudkleurige ranken van planten een lijst nagemaakt. Boven het portret het Van Reede wapen.
Portret van Godard Adriaan van Reede van Herreveld. Godfried Kneller, 1691. Collectie Kasteel Amerongen. Godertge op volwassen leeftijd.

Traagheid en haast

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 29 juni 1680 Amerongen
Ontvangen Godard Adriaan van Reede 7 juli 1680
Lees hier de originele brief

Sommige zaken gaan zo langzaam dat Margaretha er gek van wordt en anderen hebben zoveel haast, dat ze het niet bij kan benen. De eerste traagheid is in ieder geval opgelost: de missende brief van 12 juni is terecht en die van 19 juni is inmiddels ook binnen.

Brieffragment verdwaalde brief

[rec. a 7. Julij]
Ameronge den 29/19
ijuni 1680

Mijn heer en lieste hartge
uhEd vermiste brief vande 12 deeser die al tot keulen
is geweest heb ick neffens die vande 19 deeser, deese
weeck ontfange, [tis heel goet uhEd over sijn betaeline]

Gravure van een varken met daarop met een man met een fles aan zijn mand. Er druipt vocht uit zijn mond. Hij heeft een zak achter hem en daar zit een posthoorn aan. Op zijn muts een soort vogel. Achter hem twee jongens, waarvan de ene de staart van het varken vasthoudt. Ze hebben stokken met iets eraan waar ze mee willen slaan. Het varken heeft brieven in zijn bek.
Een postiljon (postvervoerder) op een varken. Fragment uit een spotprent, anoniem, 1720. Collectie: Rijksmuseum.

Werkgever

Godard Adriaan heeft raadspensionaris Fagel geschreven over de betaling van zijn werk. Margaretha is er blij om, want het is weer eens een zootje. Godard Adriaan is op pad voor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, maar in de praktijk zijn dat zeven provincies die allemaal hun eigen ding doen. De missie is opgezet door de Staten Generaal, maar die heeft zelf geen geld, ze zijn afhankelijk van de bijdragen van de provincies. Een deel is formeel geregeld, maar er blijft altijd gedonder over de onkostenvergoedingen.

Brieffragment raadspensionaris over betaling

[weeck ontfange,] tis heel goet uhEd over sijn betaeline
aende heere raet pensionaeris heeft geschreefve want
kan noch met de resteerende 2310f niet te rechte
koomen, [van heetere schrijft dat hollant weijgert]

Een schilderij van een man gezeten voor een halfopen roodachtig gordijn met aan de rechterkant een doorkijkje op een interieur waarin een zuil en balustrades van een balkon te zien en suggesties van personen die achter de balustrade staan. De man heeft aan de zijkant dun haar tot op zijn schouders. Bovenop zijn hoofd is hij kaal met alleen middenvoor een plukje dun haar.Hij heeft een vol gezicht met een onderkin. Hij kijkt ons met een glimlach met gesloten mond aan. Hij is gekleed in een donker kostuum met een wit befje rond zijn nek. Zijn linkerhand houdt hij met de vingers gespreid tegen zijn borst. Zijn rechterhand ligt op een tafeltje en houdt iets vast dat op een klein, lichtgekleurd doekje lijkt. Verder liggen erop tafel twee stukjes papier waarvan een met geschreven tekst en twee platte zilveren gedecoreerde doosjes.De man kijkt
Caspar Fagel (1634-88). Raadpensionaris van Holland sedert 1672, met op de achtergrond de vergaderzaal van de Staten van Holland op het Binnenhof te Den Haag, Johannes Vollevens (I) (kopie naar), 1672 – 1700. Collectie Rijksmuseum.

Onkostenvergoedingen

Nu is het zo dat er volgens de raadspensionaris de resterende 2310 gulden niet betaald kan worden, want dat zijn onkosten en die moeten door de provincies betaald worden. Holland wil niet betalen, want die hebben hun bijdragen al gedaan en dat klopt. In Utrecht hadden ze een omweg gekozen om te betalen. Uit Den Haag komt het bericht dat Groningen en Overijssel hun bijdrage voor de onkosten nog niet betaald hebben. En laat Margaretha daar nou net geen connecties hebben die radertjes in beweging kunnen zetten!

Brieffragment onkostenvergoeding

[koomen,] van heetere schrijft dat hollant weijgert
te betaelle seggen dat sij ock inde post van de=
froijemente1Defroijementen: onkostenvergoedingen hebbe voldaen het welcke hem bij
de komijs2Commies: (rekenplichtig) ambtenaar vande finansi komans3Onbekend wort gekonfir
=meert so dat dit niet alleen hapert maer
sien niet hoet in toekoomende voort sal gaen
laest inde haech sijnde heb ick verstaen dat de proo
vinsie van overijsel en greunine op dit loopende
ijaer niet niet op haer post van defroijemente
hebbe betaelt of ock noch niet hebbe te laste,
maer sulle wijt daer moete gaen soecke daer
wij mijns weetens niet Een mens hebbe hebbe die
ons daer in te rechte sulle helpe, [dat sal ons seer]

Vervolgens bedenkt Margaretha samen met Van Heteren allemaal manieren om toch een betaling te forceren. Heel creatief, maar onnavolgbaar.

Links titelcartouche met daaromheen een aantal figuren en producten die symbool staan voor de welvaart van de Republiek. Rechts legenda en schaalstok: Mille pas geometriques, Lieües communes de France, en nog drie andere. Gradenverdeling langs de randen.
Kaart van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, Gerard Valck, 1690. Collectie Rijksmuseum.

Dubbele bogen

Schut is langs geweest en de bouw aan de stallen en bijbehorende paviljoens gaat gestaag door. Gestaag, maar wel langzaam. Heel… erg… langzaam. Iemand, uit de brief wordt niet duidelijk wie, heeft bedacht dat de ramen en deuren van de stallen en het koetshuis met dubbele bogen gemetseld moeten worden en dat kost gewoon heel erg veel tijd. Margaretha denkt dat het nog zeker tien of twaalf dagen duurt voor ze zo hoog zijn dat ze de balken voor de zolder kunnen gaan leggen.

Brieffragment dubbele bogen

[met den Eerste sal verwachte,] Meester Schut die
deese weeck hier is geweest is gistere weer naer
Amsterdam vertrocken, het metsel werck gaet
seer lamsaem voort ijae so dat schrick het tesien
het welcke komt door die dubbelde boochge die
sij booven de vensters en deure vande stal en
koetshuijs moete maecke daer sij deese heelle
weecke over drij vande dubbelde boochge die en twee
boven de vensters dat maer ordinarise booge sijn
boven de vensters int voorste pavelijoen
gewerckt hebbe, so datse naer mijn gissine
noch wel 10 a 12 dage werck hebbe Eersij
door gaens de hoochte sulle hebbe om de balcke
op te legge, daer toe hebbe wij al deese weeck seer
quaet weer gehadt dat al wat verhindert
heeft, [sij hebbe nu perfeckt overleijt wat loot]

Een bakstenen gebouw met een historische kandelaar en eerst een deur met daarboven een boograam en daarachter nog een paar boogramen. Tegen de gevel groeit en paarsbloeiende blauwe regen.
Stal met blauwe regen, Annemiek Barnouw, 2016. Je kunt je voorstellen dat het metselen van boog boven boog boven boog een klusje was waar de metselaars hun tanden op stuk konden bijten.

Wegvliegend geld

Doordat Schut er was hebben ze nog eens goed kunnen overleggen hoeveel lood er nou eigenlijk precies nodig is. De secretaris had 200 gulden gebudgetteerd, maar er zal zeker 700 gulden aan lood nodig zijn. En daar vliegt weer 400 gulden weg (kennelijk had Margaretha als ervaren bouwvrouwe al 100 gulden hoger ingezet dan de optimistische schatting van de secretaris). En het is niet alleen het lood. Zo zijn er zoveel dingen. Maarja, ze zijn nu eenmaal bezig, dus moeten ze door. Maar uit het diepst van haar hart hoopt Margaretha dat het nu bijna klaar zal zijn.

Tweede brieffragment duur lood

[heeft,] sij hebbe nu perfeckt overleijt wat loot
der moet weesse, den seeckreetaris hadt gemeen
datter ontrent de 200f aen loot sou moete sijn
maer nu bevint sich datter wel bij de 700f
aen loot sal moeten sijn want der noch over
de 7000 pont sal moete sijn, en dat moet
kontant gelt weesen, so dat ons dit al weer
400f buijten onse gissine gaet so gaet het al
in meer dingen, tis niet moogelijck dat men
so Effen op alles sijn staet in dit werck kan
maecken, wij sijn hier nu in en moetender
doer, hoope het nu haest ten Eijnde

sal koomen, [voorleeden dijnsdach is hier in pasant wt en int huijs]

Een volwassen vrouw. Ze zit aan een tafel en telt geld uit een beurs.
Vrouw die geld telt, Jan Chalon, 1793. Collectie Rijksmuseum

Voorbij vliegend bezoek

Margaretha heeft ook bezoek gehad. ‘Meneer de Kolenbel’ was zo haastig dat hij geeneens een glas wijn wilde. Justus David de Coulombel was domheer in Utrecht en Raad voor de Keurvorst van Brandenburg. De dag erna kwamen Eberhard Danckelman en zijn vrouw. Danckelman had in Utrecht gestudeerd en was de leraar geweest van de oudste zoon van de keurvorst. Hij zal in de komende jaren de Universiteit van Halle (1694) en de Berlijnse Academie voor Kunsten (1696) oprichten. Maar daar is Margaretha natuurlijk helemaal niet mee bezig. Zij wil de relaties van Godard Adriaan gewoon zo goed mogelijk fêteren.

Brieffragment bezoek

[sal koomen,] voorleeden dijnsdach is hier in pasant wt en int huijs
geweest Monseu de kolenbel maer was so haestich dat geen tijt
gaf hem Een glas wijn te geefve, den anderen dach sijnde
woonsdach quam den heer en vrou danckel man recht op den
Middach so de spijs op tafel wiert gedrage, sij liete vrage
of sij mij geen ongeleegentheijt soude doen naer den Eeten het huijs
te koomensien, daer op ickversocht sij bij mij wilde koomen
Eeten gelijck sijdeeden, ick gaf haer het best dat ick
kost dat tot mijn leetweesen niet veel was, sij scheene heel wel
te vreede te sijn, saegen het huijs maer wilde niet blijfven
hoeseer ickse badt wilde dien avont noch met de nacht
schuijt naer Amsterdam, so dat ick niet kost doen
het geene wel wenste, [ick heb ock inde korante gesien de]

Voor een huis met hoge ramen en luiken stopt een koets. Een man laat een vrouw uit de koets. Voor de koets staat een chique vrouw met een zwarte huik, een rode rok en witte kraag met een waaier in haar hand te wachten. Achter haar speelt een meisje met een hond. Op de trap naar de deur staat een oude man in het zwart. Hij heeft zijn hoed in de hand. Achter de koets buigen twee mannen naar elkaar. Op de voorgrond een paar kalkoenen en een haan.
Aankomst bij een landhuis, Gesina ter Borch, ca. 1661. Collectie Rijksmuseum.

Hertogdom Maagdenburg

De Keurvorst van Brandenburg heeft Maagdenburg tot hertogdom verheven. Bij de vrede van Osnabrück in 1648 was besloten dat het aartsbisdom Maagdenburg na het overlijden van de laatste administrator (gekozen bisschop), August von Sachsen-Weißenfels, zou toevallen aan Brandenburg en een hertogdom zou worden. Maagdenburg werd dus geseculariseerd. Margaretha is hier zeer tevreden mee en hoopt dat Godard Adriaan dat doorgeeft aan de Keurvorst.

Brieffragment Hertogdom Maagdenburg

[het geene wel wenste,] ick heb ock inde korante gesien de
sucksesie die den heere keurvorst aent hartoochdom
Maechdenberch heeft gedaen, ick ben inmijn pertikulier
daer in verheucht , tis Een seer groot Erfnis, wij sijn ock
veroblijgeert voorde gunst die sijn keurvorstlijcke doorluchtichheij
aen uhEd belieft te toonnen, [ick had gemeent het gras of]

Op een sokkel staat een dakvormige rijkelijk versierde kist. Op de bovenkant van het deksel bevindt zich een kruisbeeld, met daaronder een korte Duitse biografie van de hertog. De kist staat op meerdere plastisch vormgegeven leeuwen, die ringen (handgrepen) in hun bek dragen. Aan het hoofdeinde van de kist liggen de hertogskroon en de bisschopsmuts. De kist staat onder een zwart baldakijn.
Opbaring van het lijk van Hertog August von Sachsen-Weißenfels, 1680. Collectie Museum Weißenfels – Schloss Neu-Augustusburg.

Hooi

Margaretha sluit haar brief af met een praktisch puntje. Ze had het hooi op de bovenste “bolle” (uiterwaarde) graag verkocht, maar dat is niet gelukt. Nu moet ze dus zelf gaan hooien, maar ze moet nog zien hoe ze dat voor elkaar krijgt met dit weer.

Brieffragment hooien

aen uhEd belieft te toonnen, ick had gemeent het gras of
hoeij van boovenste bol te verkoope maer heb niet gekost moet het
selfver hoeijen en heb sulcken quade weer daer op dat ick nie
weet hoet tot hoeij sal krijgen sullen ons best doen ent voort
godt almachtich beveelle, die uhEd in sijn heijlige bescherminge
wilneemen, blijfvende
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff
M Turnor

In een heuvellandschap staat een man met een zeis, een vrouw tilt het hooi op. Achter de man met de zeis zit een man met zijn zeis onder de arm uit een kan te drinken. Op de achtergrond staan hooibergen en mensen hooi te verzamelen.
Wandtapijt dat juli voorstelt, Mortlake Tapijtfabriek, 1660-1669. Collectie Victoria & Albert Museum.

Calèche

Margaretha heeft haar papier helemaal volgeschreven, maar er komt toch nog een prangende nabrander. Die schrijft ze maar op een los papiertje. Het koetsje (calèche) uit Berlijn slijt zo dat ze er eigenlijk niet meer mee de weg op kan. En dat terwijl ze hem maar één keer sinds Godard Adriaans vertrek gebruikt heeft! Kennelijk is de slijtage al voor zijn vertrek ontstaan, want Margaretha wil eigenlijk wel een nieuwe. En als het kan, dan met een iets grotere deur. Nu moet ze er zijwaarts in en dan is het nog ingewikkeld om er in of uit te komen. Margaretha heeft geluk dat ze niet in de voertuigen van de moderne rijken hoeft te stappen: met al die rokken in een Porsche of Ferrari stappen is helemaal een ellende. De moderne drempels zijn daarentegen een fluitje van een cent vergeleken bij de slechte wegen waarover Margaretha moest in haar calèche.

Briefje Berlijnse caleche

ons berlijns kalesge hoewel ickt selfve maer Eens
sint uhEd vertreck heb gebruijckt, gaet seer af en
so dat ment selfve niet sonder vrees van op de wech
te breecke kan gebruijcken, so uhEd weer so Een belieft
te hebbe sou daer sijnde Een weer konne versorchgen
in welcken geval ick wenste de portiere om wt
en in te gaen Een weijnich wijder mochte sijn
ick moet hier vanter sijden wt en in gaen en
dan heb ickt noch quaet genoech om in of
wt te koomen

Vanaf het water zien we een hoge brug waarop een koetsje rijdt. Een vrouw hangt haar was over de reling. Links op het water ligt een praam, we zien nog net de bovenkant van de gevels van de huizen aan de linker kant. Onder de brug door zien we de gracht met de werfkelders , daarachter een volgende brug en een poort.
De Weerdpoort van binnen, Cornelis Pronk, 1748. Collectie British Museum. De koets op de brug lijkt op een calèche.
  • 1
    Defroijementen: onkostenvergoedingen
  • 2
    Commies: (rekenplichtig) ambtenaar
  • 3
    Onbekend

Een verdwaalde brief

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 22 juni 1680 Amerongen
Ontvangen Godard Adriaan van Reede 30 juni 1680
Lees hier de originele brief

Er is wat verwarring over de brieven van Godard Adriaan. De jonge Godert van Beusichem, zoon van secretaris Nicolaas van Beusichem, heeft Margaretha laten weten dat hij een brief van Godard Adriaan aan haar heeft doorgestuurd. Maar deze heeft ze nooit ontvangen. Navraag bij de post mocht helaas niet baten. Margaretha heeft niet kunnen achterhalen ‘waer die heen is gedwaelt’, dus ze vervolgt de update die ze Godard Adriaan in haar vorige brief gaf over de herbouw. Ze hebben in Amerongen 3 à 4 dagen redelijk goed weer gehad, dus er is lekker doorgewerkt.

[reca. 30e. Junij.]
Ameronge den 22/12
ijuni 1680

Mijn heer en lieste hartge
den jongen beusekom schrijft mij voorleeden
dijnsdach met de post geschreefve te hebbe en
Een meesiefve van uhEd gesonde te hebbe de welck
ick niet heb ontfange, heb aende poste daer
naer doen verneeme dan niemant weet
daer van, waer die heen is gedwaelt kan
ick niet weeten, so dat uhEd laeste vande
5 deeser is, die ick heeden achdage heb
beantwoort, seedert hebbe wij hier drij a
4 dage taemelijck goet weer gehadt inde
welke niet in ons werck so op de steen=
=oven als aent metselen en timeren nie
is versuijmt, [en hoope de metselaers die]

Een man rijdt op een paard door een landschap. Achter het zadel ligt een grote, gevulde zak waaraan een posthoorn hangt. Op de achtergrond een boom, een boerderijtje en twee pratende mannen. In de verte een stad.
Postbode te paard, Jan Luyken, 1711. Collectie Rijksmuseum.

Middelmanekens

Er wordt hard gewerkt bij de steenoven en de metselaars en timmerlieden schieten al aardig op. De muren vorderen gestaag. Als de werklieden zo door kunnen gaan, kan men de balken en kap gaan plaatsen. Meester Schut heeft hiervoor 3 extra knechten gestuurd, omdat de timmerlieden in Amerongen niet goed weten hoe dit moet. Margaretha schrijft in dit deel van de brief over ‘middelmanekens’ van de vensters. Zou ze hiermee de verticale scheidingen van hout of steen in kruiskozijnen bedoelen die gangbaar waren in de 17de eeuw? Tegenwoordig hebben we het over de middenstijlen. Volgens Margaretha kunnen ze in ieder geval niet van hardsteen gemaakt worden, omdat daar niet genoeg voorraad van is. Maar de secretaris heeft een oplossing. In plaats van hardsteen, kunnen ze metselstenen gebruiken en deze vervolgens met kalk bestrijken. Dan lijkt het net hardsteen.

Eerste brieffragment middelmakens
Tweede brieffragment middelmakens

hier sijn van Amsterdam noch 3 timer=
=mans knechts gekoome die schut heeft ge
sonde om de kap te helpe rechte, daer de
timerlie hier weijnich raet toe wiste,
nu sal ick Een steen houde van wttrecht moete
laete koome om de hartsteen stucke tot
de Eene schoorsteen en de middel maneken
vande vensters gereet te maecken, daerse
niet lange werck aen sulle hebbe, want
so de seeckreetaris seijt is hier so veel hart
=steen niet tot al de middelmanekens
maer moete Een deel van metselsteen

gemaeckt en met seegerberger kalck gestreeck
worde dat dan ock als hartsteen sal
staen, [dat spronse inde haech doot is]

Tekening van het stalgebouw van Kasteel Amerongen. Een breed gebouw van één verdieping met een zadeldak met drie koekoeken. Aan weerszijden een vierkant gebouw met twee verdiepingen en een puntdak met bovenop het dak een schoorsteen, de paviljoens. Ieder paviljoen heeft boven twee ramen en beneden een deur met een trapje en een raam. In elk dak zit een koekoek. Het stalgebouw in het midden is symmetrisch: in het midden drie ramen, dan een smalle deur, een raam, een brede deur en nog een raam. Boven het middelste raam zit een koekoek en boven elke brede deur zit er één. Midden op het zadeldak zit een torentje met een klok.
Stallen met torentje, anoniem, rond 1927. Huisarchief Kasteel Amerongen, Het Utrechts Archief. Tekening is gemaakt toen de klok op het stalgebouw gezet is. De rest is nog zoals het in de 17e eeuw gebouwd is. De ‘middelmanekens’ zijn niet van natuursteen of baksteen, maar van hout.

Update uit Den Haag

Margaretha onderbreekt het verslag van de bouwwerkzaamheden even voor wat gezondheidsupdates uit Den Haag. Johan Spronssen, tweede griffier van de Staten-Generaal, is namelijk dood. Zijn ambt is daarmee opgeheven en dat betekent dat griffier Hendrik Fagel het werk alleen moet doen. Ook met Gijsbert van den Hoolck, Gedeputeerde ter Staten-Generaal uit Utrecht, gaat het helemaal niet goed. Hij heeft een soort beroerte gehad en er is weinig hoop dat hij weer helemaal opknapt. Dat blijkt te kloppen want in september 1680 zal hij overlijden.

Brieffragment update uit Den Haag

[staen,] dat spronse inde haech doot is
en sijn griffiers Amt gemortifiseert is
heb ick met de laeste post vergeeten te
schrijfve, nu is fagel alleen grieffier
vander hoollijck lach ock inde haech heel
kranck had Een speesi van Een beroerte
door al sijn d leeden, doch was Een
weijnich beeter maer niet veel hoop tot
op te koomen, [ick hoor noch niet of den]

Zeventien leden van de Staten-Generaal vergaderen aan een rechthoekige tafel. Een griffier noteert de besluiten in een boek. Aan de muur een wandtapijt met een jachtscène en de portretten van Frederik Hendrik en zijn vrouw Amalia van Solms. Links een schilderij van een ridder. Onderaan twee keer twee regels tekst in het Frans. De prent maakt deel uit van een boek over het bezoek van Maria de Medici aan de Nederlanden om de bemiddeling te verzoeken tussen haar en haar zoon Lodewijk XIII.
Vergadering van de Staten-Generaal, anoniem, 1639. Collectie: Rijksmuseum

Het Encker

In een P.S. op een los briefje komt Margaretha nog even terug op het stuk land op het Encker dat Joan Carel Smissaert voor hen wil kopen. Ze heeft Godard Adriaan hier op 17 juni ook over geschreven, maar ze weet dus niet wat hij hiervan vindt. Morgen zal Smissaert samen met de heer Van Beeck van het Domkapittel bij haar langskomen om de koop te bespreken. Cornelis Verweij heeft haar gezegd dat het een goede koop zou zijn als ze het stuk land voor 400 of 500 gulden kunnen krijgen. Daar moet ze dan maar op vertrouwen.

p s merge sal den k dom heer van beeck met
den heere smitse hier bij mij komen om
weegens het lant opt Encker daer ick
heeden acht dage van heb geschreefve
te spreecken sal sien of wij de koop
Eens konne werde, korneelis verweij
meent als wijt voor 4 a 5 hondert gulde
koste krijge dat het wel sou sijn

PS op los briefje
Foto van een open schuifraam met daarvoor twee bureau lampen. Door het raam heb je een wijds uitzicht over de landerijen erachter met bossages en een watertje.
Foto vanuit een (huidig) kantoor op de tweede verdieping naar het westen toe, foto Annemiek Barnouw, 2020. Het weiland bij de bossages is Het Encker.

Beelden, ballen en klapmutsen

Voor de herbouw van Kasteel Amerongen was een hoop materiaal nodig. In de brieven van Margaretha aan haar man lezen we over kalk, hout, steen en turf. Er moest per slot van rekening weer een functioneel kasteel gebouwd worden. Maar het oog wil ook wat. Op 11 april 1680 ontvangt Godard Adriaan een brief van ene Jochem Fopma uit Bremen, een handelaar in bewerkte steen. Hierin wordt gesproken over ‘beelden en ballen’, en over bijbehorende ‘klapmutsen’. Dat zijn sierstukken om een muur mee af te dekken. Over welke beelden en ballen Jochem Fopma het heeft, wordt uit de betreffende brief niet duidelijk, maar het kan bijna niet anders dan om de beelden Fortitudo en Prudentia gaan die samen met twee grote stenen ballen bij de trap naar de bovenbrug staan. Het had nog flink wat voeten in aarde om de pronkstukken van Bremen naar Amerongen te krijgen. Aan de hand van het briefarchief van Kasteel Amerongen hebben we deze interessante reis eens in kaart gebracht.

Jochem Fopma aan Godard Adriaan over beelden, ballen en dekstenen

[17 courant uijt Berlin hem toegesonden,] begeerende
dat ick dit aen UE mocht beantwoorden, alsmeede
bij eerste goe occasie d’affsendingh de twee vaerdige
Beelden & bewerckte decksteen voor sijn Ex.ie den
H.re van Amerongen te bevorderen
twelck hebbe aengenoomen nae vermoogen te doen, ondertusschen sijn hier meede gearriveert de twee geordineerde stucken steens totte twee Ballen;
die souden, indien sijn HoochEd. beliefde, nu
vervaerdight (terwijl doch gheen scheepen tot noch
toe parat sijn) konnen meede gesonden worden,
als oock de vier klapmutsen die totte Beelden en
Ballen vereijscht worden, ende van streckstucken
moeten sijn [waerop Mr Prangh resolutie wacht,]

25 maart 1680, Jochem Fopma aan Godard Adriaan van Reede
Foto van het bordes van Kasteel Amerongen vanaf de zijkant. Op de voorgrond rozen die over de muur groeien, daarachter een bal op een pilaar. Achter de bal een standbeeld van een vrouw met een pilaar in haar hand. Achter haar nog een onduidelijk standbeeld.
Rozen, bal en Fortitudo bij Kasteel Amerongen, foto: Annemiek Barnouw, 2020.

April: de beelden zijn verstuurd per boot

Op 29 april ontvangt Godard Adriaan een brief van dezelfde Jochem Fopma uit Bremen. Hij schrijft dat hij na 7 april de gelegenheid had om de beelden alvast per boot te versturen. Ondanks dat hij daartoe nog geen opdracht had ontvangen en de ballen en klapmutsen nog niet klaar zijn, heeft hij dat gezien de waterstand in de Vaart maar gedaan. De beelden heeft hij op een ‘boecken bael’ vastgebonden en met stromatten beschermd. De kosten worden helaas wel wat hoger, want Meester Prang moest zelf met nog iemand de rivier af komen om te helpen.

Jochem Fopma aan Godard Adriaan over ballen beelden en dekstenen

Ick heb dan de twee vaerdige beelden jeder op een boecken
bael wel vast gebonden en met stromatten bewaert,
neffens de decksteen, 4 klapmutsen op de muijr en de geordineerde vloersteen, t’saemen in’t schip van Obbo
Jelles van Worckom gelaeden en aen S.r A.T. Jacobs1Temminck
geconsigneert, waervan ick dito S.r aenstaende Woensdag
per post oock advijs sal geeven; de beelden sijn tot
Vegesack neffens ‘t ander goet wel en onbeschadigt
‘t scheep gekomen, maer de kosten komen wat hooch
want Mr Prangh met noch een persoon selffs daerom
naer beneeden geweest sijn2de rivier af gekomen; en ick heb den schipper, die
een nieuw Schmack voert3smakschip, het goet ten hoochsten gerecommandeert

22 april 1680, Jochem Fopma aan Godard Adriaan
Tekening van een baai met op de voorgrond een weggetje en een landtong met koeien erop. Rechts een haven met allemaal zeilschepen en aan de linkerkant nog een stukje land met een molen. Midden in de baai varen zeilschepen en één stoomschip
Vegesack bij Bremen, Anton Radl, inkttekening gemaakt voor ‘Ansichten der Freien Hansestadt Bremen’ door Adam Storck, 1822. Collectie Staats- und Universitätsbibliothek Bremen.

Jan Prang

Steenhouwer Jan Prang is een oude bekende van de familie Van Reede. In 1676 kwam hij al van Bremen naar Amerongen om allemaal hardstenen elementen (vloerstenen, trappen, de lijst om het huis, onderdelen voor de schoorstenen) ter plekke passend te maken. Kennelijk is er nu voor gekozen om Jan Prang in Bremen te laten werken en dan de afgewerkte stenen naar Amerongen te sturen. In dit brieffragment lijkt het of Meester Prang de standbeelden ook gemaakt heeft. Het is zeker niet onmogelijk, maar eerder maakte hij elementen voor het huis, het zou ook kunnen dat hij alleen zorg draagt voor de verzending. De dekstenen, klapmutsen en de ballen passen wel bij het beeldhouwwerk dat hij eerder voor Kasteel Amerongen geleverd heeft.

Een grof uitgehouwen steen met daarin heel duidelijk VII gekerfd.
De onderkant van één van de dekstenen, foto: Annemiek Barnouw, 2026. Momenteel worden de brug en de muur voor het kasteel gerestaureerd, daarom zijn de dekstenen van de muur gehaald. Op de onderkant zie je de aanwijzing die waarschijnlijk door Jan Prang in Bremen in de steen gekerfd is. Zo was in Amerongen duidelijk welke steen waar moest liggen.

Augustus: oplopende kosten

Als de beelden onderweg zijn, wordt het een paar maanden stil rondom de beelden, ballen en klapmutsen. Godard Adriaan blijkt vragen te stellen over de oplopende kosten. Op 9 augustus krijgt hij een brief van Fopma waarin hij uitlegt dat de prijzen fluctueren. Omdat hij zelf geen voorraad steen meer had, moest hij nieuwe kopen. Daarnaast worden de ballen en klapmutsen van een harder, en dus duurder, steensoort gemaakt. Maar Fopma is bereid er een mooi prijsje van te maken als Godard Adriaan hem aanbeveelt als opvolger van zijn overleden oom. Een brutaal mens heeft de halve wereld toch? Zeker gezien het bijzondere Post scriptum van de brief. Het lijkt er namelijk op dat er in de tussentijd niet zoveel voortgang is geboekt met de ballen en klapmutsen. Meester Prang is een reislustig heerschap en pas teruggekomen uit Osnabruck. Hij zal nu pas weer verder gaan met de ballen en klapmutsen.

Een steenhouwer aan het werk op straat. Naast hem op de grond ligt een grote winkelhaak. Op de achtergrond de Porta Romana te Florence.
De steenhouwer, Carlo Lasinio, 1769-1838. Collectie: Rijksmuseum.

Oktober: meer vertraging

Weer verstrijken er een paar maanden en de ballen en klapmutsen zijn nog altijd niet op weg naar Amerongen. Er is meer vertraging opgetreden. Op 12 oktober leest Godard Adriaan in een nieuwe brief van Jochem Fopma dat hij voornemens was de ballen en klapmutsen een maand eerder al naar Amerongen te laten verschepen. Meester Prangh was echter weer naar Osnabrück, waar 4 van zijn knechten ziek zijn geworden, dus dat gooide roet in het eten. Aan Jochem Fopma ligt het absoluut niet. Hij heeft veel ander werk weggehaald bij Meester Prangh, dus de ballen en klapmutsen moeten nu met 4 dagen echt wel klaar zijn.

Jochem Fopma aan Godard Adriaan

dat ick niet getwijffelt had, oft de bewuste bollen
en klapmutsen souden ten minsten voor 1/m naer Amsterdam
sijn gescheept, maer Mr Prangh sijn Voijage naer Osnabrugh
alwaer vier van sijn knechts sieck sijn heeft mijn voornemen
belett, ‘kheb echter sedert sijne t’huijscomst alle devoir
gedaen, om hem onaengesien veel ander noodig werck, daedelijck
tot voltrecking van dit begonne langduijrige werck te brengen
en is daermeede soo verre geavanceert dat de laeste der Bollen
neffens de laeste der klapmutsen binnen 4 dagen
konnen
vaerdig sijn, als wanneer ick niet manqueeren sal om die,
belieft het Godt, met eerste goe occasie volgens ordre te
versenden

27 september 1680, Jochem Fopma aan Godard Adriaan
Ingekleurde prent van drie mannen in een steenhouwers werkplaats. Één van de mannen tekent iets uit op een blok steen, de tweede zit op het blok steen waar hij naast zich iets uit hakt. Een derde man staat achter een groot blok staan peinzend toe te kijken. Op de voorgrond een scheef gezakte kruiwagen. Onder de prent staat 'Hoe nuttig, kindren! is de man, Die zulk een steen bewerken kan."
De Steenhouwer, anoniem, fragment uit een pagina met zes ambachten uit Meijers Prenten, uitgegeven door De Ruyter & Meijer, Amsterdam, 1878. Collectie Rijksmuseum.

December: van boot naar appelwagen

De ballen en klapmutsen worden in oktober door Jochem Fopma vanuit Bremen verzonden naar Adriaan Temminck in Amsterdam. Hem kennen we ook uit de brieven van Margaretha. Op 24 december krijgt Godard Adriaan een brief van Temminck. Hij heeft de lading ontvangen, maar er is een probleem. Er varen geen schepen op de Rijn dus hij kan de ballen en klapmutsen niet verder per boot naar Amerongen versturen. Gelukkig heeft hij een oplossing. Hij verstuurt de lading naar ‘oom Synapius’ in Amersfoort. Dit is wellicht een oom van Temminck, die in dezelfde kringen verkeerde als Godard Adriaan. In Amersfoort moeten de ballen en klapmutsen vervolgens op appelwagens geladen worden. Die komen uit de Betuwe en passeren door Amerongen.

De Breemer steen bestaende in 2 groote ronde bollen 4 vierkante klapmutsen en 1 waeter off geutsteen hebbe ick int begin vant vriesent weer hier ontfangen, en alsoo door het leegewaeter gans geen scheepen op den rijn conde vaeren, soo hebbe alles op Amersfoort gelaeden en aen oom Senapius geadresseert met ordre om alles op de appelwaegens (die daer uijt de Betuw coomen en door Amerongen passeeren) te laeden, geleijck oock Haer HoogEdele mijn schrijft dat ditto steen daer wel gecoomen

(Van deze brief is nog geen scan beschikbaar)

Pagina met drie schetsen. Linksboven twee gezadelde paarden voor een raam, rechtsboven een groep mannen die iets voortslepen dat aan touwen zit, midden onder een boeren wagen met daarop stenen, voortgetrokken door vier paarden. Ernaast loopt een man met een zweep. Rechts onder de letters DC. Boven de tekening staat 'Croquis par divers artistes'. Onder de prent staat Decamps.
Wagen met keien getrokken door paarden, Alexander-Gabriel Decamps, 1830-1831. Uit: Schetsen door diverse kunstenaars. Collectie: Rijksmuseum.

Aankomst in Amerongen

Op 27 december ontvangt Godard Adriaan dan het verlossende woord van Margaretha. De ballen en klapmutsen zijn aangekomen in Amerongen. Reden voor blijdschap zou je denken, maar dat blijkt niet uit de brief van Margaretha. Het lijkt er op dat het plan met de appelwagens is mislukt. Ze schrijft dat ze de lading zelf met wagens uit Amersfoort heeft laten halen. Alles is onbeschadigd aangekomen, op één klapmuts na. Die mist een stukje. Verder hoopt ze vooral dat al het steen uit Bremen nu is aangekomen, want het is allemaal al duur genoeg. Hoe de reis van de beelden Fortitudo en Prudentia verliep, is niet duidelijk. Zij werden per slot van rekening al in april 1680 verstuurd vanuit Bremen. Hoe dan ook, in december zijn alle pronkstukken, minus een klein stukje klapmuts, in Amerongen. En daar zijn ze nog steeds te bewonderen.

Brieffragment hardstenen bollen

tot Amsterdam is de 4 groote klapmutse
en de twee groot hartsteene bolle van breeme
aengekoome, die teminck omt lage water
niet voort heeft konne krijgen is genootsaeckt
geweest die tscheep op Amersfoort te sende die
ick met wagens van daer heb laeten haele
en sijn deselfve onbeschadicht hier gebrocht
wtgesondert datter vant Eene klapmuts
en kleijn stuckge af is, hoope wij nu het laeste
steen van breeme hier hebbe, die reeckenine
loopen hooch, so doens die aen alle kanten,

14 december 1680, Margaretha aan Godard Adriaan
Foto van Kasteel Amerongen. Een hoog, bakstenen vierkanten huis met twee schoorstenen. Voor het huis een trap naar een bordes. Aan weerszijden van de trap twee standbeelden. Daarnaast twee ruimtes en dan twee pilaren met daarop ronde ballen. De pilaren gaan over in een muur, waarover struiken groeien. Voor de pilaren twee kanonnen en helemaal op de voorgrond een gouden zonnenwijzer.
Kasteel Amerongen vanuit het oosten, foto: Annemiek Barnouw, 2020. Aan weerszijden van de centrale trap de beelden, rechts daarvan op de pilaren de ballen. Onder de beelden en de ballen liggen de klapmutsen en de dekstenen sluiten de muur af.

  • 1
    Temminck
  • 2
    de rivier af gekomen
  • 3
    smakschip

Mooi weer

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 11 mei 1680 Amerongen
Ontvangen Godard Adriaan van Reede 19 mei 1680
Lees hier de originele brief

Het is twee en een halve week geleden dat Margaretha aan Godard Adriaan schreef en ze realiseert zich dat in haar laatste brieven ‘swaericheijt’ de boventoon voerde. Maar ja, wat moet je als het water maar niet wil zakken met stagnerende bouwwerkzaamheden tot gevolg. En dan zullen we het maar niet over de geldzorgen hebben. Gelukkig kan Margaretha nu positiever nieuws brengen: het is de hele week al prachtig weer! Dat betekent dat het werk bij de steenoven, het metselwerk én het graafwerk flink gevorderd zijn.

Brieffragment beter nieuws

rec.a 19e Maij
Amerongen den
11/1 meij 1680

Mijn heer en lieste hartge

uhEd aengenaeme vande Eerste deeser heb ick ter rechter
tijt ontfange, het is mij leet ick in mijne voorgaende ija
tot mijne laeste in kluijs niet ande heb konne schrij
als van swaericheijt en dat men hier met geen
werck voort en kost, nu sal ick segge dat wij dees
heelle weeck seer schoon weer hebbe gehadt inde
welcke ons werck so wel op de steen oven alst
metsel werck ende graefvers heel wel hebbe ge=
vordert, [moogen wij sulcken weer wat houden]

Op een veld zijn mannen aan het bouwen. Voor proberen ligt een boomstam op twee bokken en zijn mannen met bijlen bezig. Rechts roert een man onder een afdak in een grote bak (mortel?) daarachter wordt een muur gebouwd met drie mannen op een steiger en helemaal achter timmert een ban het gebint van een dak in elkaar.
Over bouwen in het algemeen. Uit: Georgica curiosa : das ist: Umständlicher Bericht … von dem adelichen Land- und Feldleben, Wolf Helmhard von Hohberg, 1682. Collectie Heinrich Heine Universität Düsseldorf

Het water zakt

Vanwege het mooie weer, is het water gelukkig ook aan het zakken. Zoveel zelfs dat ze de sluis vandaag open heeft laten zetten. Hierdoor zijn de binnen weiden al weer bijna droog. De uiterwaarden drogen ook op, maar daar heeft men nog niet zo veel aan. Het gras is zwart van het slib en stinkt zo erg dat mensen hun vee er niet op kunnen laten grazen. Dat brengt nieuwe zorgen met zich mee, want het droogvoer is op.

Brieffragment zakkend water

[kort maecke,] het water dat hier op al de wtter
waerde heeft gestaen, is heel aent valle en so dat
van daech de sluijse heb doen open sette waer
door de binne weije die voort meerendeel vant
wel waeter onder stonde, bij naest weer drooch
sijn, de buijte waerde sijnt water wel quijt
maert gras is so swart en vol slib en stinckt
so seer datter geen mense haer beeste op derfve
brenge, daerse seer over lamenteere want sijn
wt gevoert en weete geen wech met de beeste,

Aan de rand van een dorp staan enkele wagens stil bij een herberg, even verderop staat een groep mensen langs de kant van de weg. Op de voorgrond een kudde koeien bij een plas onder bomen.
Dorpsgezicht, Salomon van Ruysdael, 1663. Collectie Rijksmuseum.

Van water naar geld

Natuurlijk moeten Margaretha en Godard Adriaan het ook in deze brief even over geld hebben. Margaretha verwacht dat ontvanger De Leeuw uit Utrecht binnenkort 4000 gulden zal betalen. Als zij dat geld heeft ontvangen, kan ze weer een flinke som geld, nog eens 1000 gulden, betalen aan hun bankier, de heer Temminck in Amsterdam.

Brieffragment geld

ick heb den ontfange, de leuw tot wttrecht adver=
=tensie doen geefve vane ordinansi van 4000f die
op sijn kantoor sal koome te betaelle, die penin
=ge ontfange hebbende sal ick weer Een goede
some gelt aende heer teminck tot Amsterdam
sende die ons bij de duijsent gulde heeft ver
schooten,en t ick sal maecke hij weer duijsent gul
tot betaeline van uhEd te treckene wissels in
hande hout, bedancke deselfve seer voorde goede
sorchge die hij belieft te drage, [dat de twee]

Zilveren penning. Voorzijde: pas opgerichte beursgebouw met daarboven vliegende Mercurius. Keerzijde: gekroond wapen van Amsterdam met twee leeuwen.
De makelaars te Amsterdam, anoniem, 1612. Collectie Rijksmuseum.

Van geld naar stenen

Margaretha hopt van onderwerp naar onderwerp. Ze heeft een hoop te bespreken. Na het geld zijn uiteraard de stenen aan de beurt. Eerder schreef ze dat de twee bestelde beelden en een lading hardsteen onderweg zijn vanuit Amsterdam naar Amerongen. Nu heeft ze gehoord dat er ook een lading van 600 stenen voor de heer van Renswoude bij zit. Wat moet ze hier in vredesnaam mee? Ze zal zelf aan hem schrijven waar ze de 600 stenen naartoe moet sturen en hoe. Gelukkig voor haar blijkt dat niet nodig. Aan het eind van de brief vermeldt ze dat de vloerstenen naar Den Haag moeten.

Brieffragment stenen in Amsterdam

[sorchge die hij belieft te drage,] dat de twee
beelde en verdere hartsteen tot Amsterdam is
aengekoome en voort op wech is om hier te
brenge heb ick uhEd met de laeste post geschree
ock 600 vroersteene die ick hoore voorde heer van
rhijnswou1Johan van Reede van Renswoude te sijn, hoe ick die voort sal krijge of
waerse moete sijn weete niet sal daer over aende
heer van rhijnswoude schrijfve, [hoope ock dat]

Gezicht op een dorp aan een rivier, waarop een boot wordt ingeladen met manden en zakken; een dorp tussen Woerden en Alphen aan de Rijn, voorstellende de maand september. Bovenaan het bij deze maand behorende sterrenbeeld: weegschaal.
September, Jan van de Velde II, 1618. Collectie Rijksmuseum.

De kerkenraad

De brief is natuurlijk niet compleet zonder een update over de soap met de kerkenraad. Margaretha besteedt er maar liefst anderhalve pagina aan. Zoon Godard is nu nog in Den Haag, maar had haar beloofd bij terugkomst naar de zaak te kijken. Ook zou hij er met een theoloog uit Leiden over praten. Maar er is sprake van een kink in de kabel. Zijne Hoogheid Willem III vertrekt komende week naar Soestdijk en de Veluwe. Daar moet Godard van Ginkel bij zijn. Daarnaast staat de kerkenraad op punt van veranderen en het geschil moet natuurlijk afgewikkeld worden met de huidige kerkenraad. Margaretha wil het geschil graag opgelost hebben, maar is nog steeds heel zeker van haar gelijk. Zoals ze afgelopen winter al een aantal keer tegen hun zoon heeft gezegd, is ze bereid de predikant vanuit de grond van haar hart te vergeven.

Brieffragment Kerkenraad en Van Ginkel

den heer van ginckel is noch inde haech, heeft
mij belooft op sijnhEd weer komste al hier het
werck van preedikant bij de en kerckenraet
bij de hant te neeme en sien wat daer in
te doen staet, ock dat hij met teoligante2Theologant: Godgeleerde, theoloog
so tot leijden als Elders daer over sou
spreecke om te sien hoe wa daer met de beste
forme en manier af sulle koome, maer
vermidts ick hoor sijn hoocheijt inde aenstaende
weeck naer soesdijck en voort naerde veelu
gaet en gelijck uhEd weet de heer van ginckel
dan moet present sijn en op passe, [weet]

Brieffragment Margaretha en de dominee

[sien hoement maeckt,] ondertusche bid ick
en mij te geloofve en te vertrouwe dat so
veel mij aengaet ick geensins soeck de kleijni
=heijt vande preedickant of gedenck aent geen hij
mij heeft gedaen dat sal ick seer gaerne aen
Een sijde stelle en hem wt gront van mijn
hart vergeefve, en niet liefver sien als dat
al dit werck in minne mocht bij geleijt worde
welcke aende heer van ginckel deese winter

verscheijde maelle heb geseijt, de advijse die ick
vande advokaete en rechtgeleerde heb genoome
is niet wt Een partiekuliere pasie die ick
teegens den preedikant of kerckenraet heb
maer op uhEd begeerte en ock het segge van
deen en dande die meende sulcke prosiduere
bij den heer niet hoorde geleede te worden

Links een rij knotwilgen tegen de dijk, daarnaast weilanden die voor een deel onder water staan. Links aan de horizon de kerktoren, in het midden, tussen de bomen, kasteel Amerongen.
Gezicht op de Bovenpolder te Amerongen, uit het westen, met op de achtergrond de toren van de Andrieskerk en het Kasteel Amerongen. Fotograaf: onbekend. Collectie: Het Utrechts Archief.

Laatste mededelingen

Na de afsluiting van haar brief, volgen er toch nog een paar mededelingen die dicht op elkaar zijn neergepend. Eerst wat lieve berichten van de kleinkinderen. Godertje wil graag dat Margaretha zijn nederige dienst aan opa overbrengt en hij wil weten hoe het met Godard Adriaans gezondheid is. Ook Annetje en Reiniertje komen hun nederigheid tonen. Tot slot komt Margaretha terug op de 4000 gulden die ze eerder in de brief noemde. De Leeuw laat weten dat hij ze niet eerder kan betalen dan over een maand. Daar zijn ze mooi klaar mee.

Afsluiting brief

de heer van rheijnsou daer so een brief van
ontfange begeert sijn vloersteen inde haech
salse sijnhEd daer sien te bestelle, en
blijfve

Mijn heer en lieste hartge

godertge komt en
begeert ick sijn
oot moedige dienst
sal preesenteere aen groote papa en vrage
hoet met groote papa gesontheijt is, en versoecke
dat den heer blansche en jeneken niemant
toch goede sorchge voor groote papa sulle
drage dat hij wel gedient mach worde
Antge en reijniertge preesenteer van gelijcke
haere oot moedigen dienst, den ontfange
de leuw laet mij weete niet Eer de bekende 4000f
te konne betaelle als inde tijt van Een
maent

Tekening van een jongen met een lange jas, knielange broek en laarzen aan. Hij heeft zijn hoef in zijn rechterhand en onder zijn linkerhand een houten schooltas. Links onder nog twee schetsen van beide handen.
Jongen met schooltas, Adriaen van Ostade, 1666. Collectie Rijksmuseum.

  • 1
    Johan van Reede van Renswoude
  • 2
    Theologant: Godgeleerde, theoloog

Resthout en kwaliteitshout

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 14 februari 1680 Amerongen
Ontvangen Godard Adriaan van Reede 26 februari 1680
Lees hier de originele brief

Margaretha valt maar weer eens gelijk met de deur in huis: ze is blij met de ingeleide procuratie (machtiging) want nu kan secretaris Van den Doorslag bij de leenkamer in Arnhem het aangekochte land overschrijven. Dit is interessant, want een machtiging zijn we nog niet eerder tegen gekomen. Bovendien gaat deze machtiging naar de secretaris en niet naar Margaretha. Eigenlijk zie je dat Margaretha volledig handelingsbekwaam wordt geacht: ze regelt de financiën van haar man als hij op missie is, ze beheert het budget voor de herbouw van het huis en ze koopt en verpacht land. Maar voor dit laatste stukje, de officiële overschrijving, is er toch een machtiging nodig. Of Margaretha niet zelf kan of wil weten we niet. Ook niet of zij zonder machtiging naar de leenkamer had gekund, maar kennelijk kan zij de secretaris niet machtigen.

Brieffragment over ingeleide procuratie

[reca. 26.februarij]
Ameronge den 14/4
febrij 1680

Mijn heer en lieste hartge
beijde uhEd aengenaeme vande 21/31 pasato en 4 febrijwa heb ick deese
weeck met de ingeleijde proockuraesie ontfange,
daer de seeckreetaris meede naer Aernhem sal gaen ,

Op de voorgrond een uitgesleten karrenpad. Het graanveld rechts ligt boven de weg. Helemaal rechts een boom. Links op de achtergrond de kerken en torens van Arnhem.
Gezicht op Arnhem, Aelbert Cuyp, 1630 – voor 1651. Collectie Rijksmuseum.

Pachters

Margaretha gaat vervolgens in op het aangekochte land (van Cornelis Verweij), maar ze vertelt ook hoe het staat met de verpachting van de verschillende stukken land. De verpachtingen verlopen moeizaam: ze kan geen mensen vinden die het voor het bedrag waarvoor ze grond en boerderijen eigenlijk zou willen verpachten. Het zijn zware tijden.

Brieffragment over pacht

[Eijgen is,] de lange waert is alsnoch aen ons soot
blijft sulle wij die moeten hoeijen, konent voor
Een ijaer besoecken, men kant niet geloofve hoet
hier met de landerijen gaet daer sijn so weijnich
schaeren dat ick vrees genootsaeckt te sulle sij
noch beeste ge moete koope omt sant te bescha
=eren, de bouwerij oft huijs van joost van omeren
daer wij gewoont hebbe te kan ick noch niet verhu
=eren ock de bolle niet daer so weijnich voor ge=
boode wort dat ick gereesolveert ben noch al
Een ijaer te talmen en sien wat daer van kan
maecke, [nu ick mijn reecknin op heb gemaeckt]

Tekening van een boerderij, links het woondeel met een pannendak, rechts het schuurdeel met een strodak. Het geheel lijkt nogal vervallen. Voor bij een perkje met plantjes zit een vrouw die een geit of een bok aait.
Boerderij, Jacob Constantijn Martens van Sevenhoven, 1810-1860. Collectie Centraal Museum.

Dagje Amsterdam

Hoewel het nog erg vuil weer is, zal er binnenkort weer hard gewerkt worden, dus Margaretha zou het fijn vinden als Godard Adriaan even naar de voorstellen kan kijken. Uiteindelijke heeft Margaretha de uitnodiging om naar Amsterdam te gaan toch aangenomen, alleen heeft ze er natuurlijk weer een nuttig bezoek van gemaakt. Ze is bij Temminck en bij Schut geweest en met de laatste heeft ze het vooral over hout gehad. Hij had nog geen opdracht gehad om hout te kopen voor onder het leien dak, dat heeft Margaretha hem dus nog maar even gegeven.

Eerste brieffragment over Amsterdam
Tweede brieffragment over Amsterdam

ick heb uhEd met de laeste post geschreefve dat
de heer en vrouwe van bransenburch en ginckel
hier sijnde seer begeerde ick met haer Een keer nae
Amsterdam soude doen het welcke wel gemeent
hadt te Exskuseere maer kost het niet afweese
ben met daer Eenen dach geweest, alwaer
teminck en schut heb gesproocke van al onse
affaerees, den laeste seijde tot dien tijt geen
last te hebbe om Eenich hout te koopen ijae
selfs niet tot de deelle die ondert leijdack
moete sijn, en nootsaecklijck droochge deelle
moeten weesen

heb hem nu apseluijte last gegeefve die te koope

Gezicht van de Amstelbomen op de Blauwbrug. Links de kop van de westelijke stadswal met twee bakens, daarachter huizen aan de Binnen-Amstel. Achter de brug van links naar rechts drie gevels aan de Zwanenburgwal, het Diaconieweeshuis en een rij woonhuizen tussen de Amstel en de Zwanenburgerstraat.
De Amstel bij de Blauwbrug, Jan van Kessel, 1664. Collectie: Stadsarchief Amsterdam. Het vijfde huis van rechts voor het open erf werd gebouwd door Hendrik Schut en door hem bewoond.

Resthout

Daarnaast hebben ze overlegd wat te doen met de 24 blokken hout die nog bij de zaagmolen liggen. Margaretha denkt dat ze er te weinig geld voor krijgt, dus ze kunnen ze altijd nog gebruiken onder het pannendak of anders voor de boeren huizen die ze nog in het dorp moeten timmeren.

Brieffragment over resthout


[heb hem nu apseluijte last gegeefve die te koope]
en overleijt wat men verders met de 24 blocke
hout die daer noch aende saech moolle legge sal
doen, verstaen dat die niet meer als 9 a 10
f, het stuck konne gelde dat mijns oordeels
veel te weijnich is, heb hem geseijt die noch te
houde, en voor Eerst daer wt te saechge de
latte die ondert panne dack van noode sule
sijn, het overijge sal ons so die niet bequaem
sijn tot deelle tot de solderin vande stal, wel
tot boere huijse die wij noch int dorp sulle
metter tijt moete timere wel te pas koome
, sulle, [dat den heere keurvorst uhEd so veel]

Een grote groene molen tegen een stedelijke achtergrond. Voor de molen liggen allemaal planken, balken en stammen.
De paltrokmolen “de Kieviet” aan de Zaagmolensloot (later Gerard Doustraat), F.W. Zürcher, ca. 1875-1883. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Kwaliteitshout

Margaretha is zeer content met de hoeveelheid hout die van de Keurvorst van Brandenburg komt. Ze hoopt alleen wel dat het kwaliteitshout is: gaaf en zonder knoesten. Schut waarschuwt ook dat ze recht gezaagd moeten worden, want als er bij het kantrechten (het recht zagen of hakken van de bolle kanten van de stam) niet opgelet wordt, verlies je veel hout! Ze is al bezig met de vloer van het salet (de grote zaal): er zijn meer planken nodig dan de breedte van de zaal, want de planken zullen nog krimpen.

Brieffragment over kwaliteitshout

[, sulle,] dat den heere keurvorst uhEd so veel
pruijse deelle heeft verEert sal ons heel wel
koomen hoope die gaef en sonder knoeste sulle
sijn, schut seijt ock dat imers en voor al wel
dient gelet te worde dat de pruijse deelle
recht gesaecht worde want dat die anders te
veel int kant rechte vande selfve verliese
daer sulle ock al Eenige meer als tot het
belegge van breete vant salet moete sijn
voort krimpe vande deelle, [ick wilde niet]

Een sloot, met op de voorgrond eendjes. Aan de rechterkant van de sloot staan drie molens op rij. Bij de eerste molen zien we duidelijk ook het woonhuis en de schuurtjes. Na de eerste molen gaat er een hoog bruggetje over de sloot. Achter de molens staan woonhuizen. Op de linker oever van de sloot staat een knotwilg.
Molens “de Oranjeboom”, “de Zwaan”, en “de Jonge Visscher”, Cornelis Pronk, 1741. Collectie Amsterdams Archief. Het hout voor Amerongen werd bij “de Jonge Visscher” gezaagd.

Paardenmarkt

Al met al was het dus een heel erg zinvol bezoek aan Amsterdam. Zoon en schoondochter en de Brantsenburgjes zijn inmiddels weer weg, maar Van Ginkel komt komende week nog weer langs om naar de Utrechtse paardenmarkt te gaan.

Laatste regel brieffragment over Amsterdam en paardenmarkt

[voort krimpe vande deelle,] ick wilde niet
of waer tot Amsterdam geweest dat ick
met schut gesproocke heb is de reijs wel waert
de heer en vrou van bransenburch sijn Eergis
=teren vertrocke, de heer en vrou van ginckel
vandaech, doch d heer van ginckel komt
int laest vande toekoomende weeck weer om

op de wttrechtse paerde mart te gaen, [ick had]

Op een groot plein is een paardenmarkt bezig. Op de voorgrond staat een bruinwit paard dat kijkt naar een kleine jongen. Een man met een donkerbruin paard aan de hand kijkt naar de jongen. Tussen de paarden zijn veel mensen te zien.
Paardenmarkt op het Vredenburg te Utrecht, Klaas van Vliet, ca. 1880. Collectie Centraal Museum.

Godard Adriaan’s naam is genoemd

Margaretha had gehoopt dat Godard Adriaan in de zomer thuis zou komen, maar in de diplomatieke stoelendans is zijn naam weer eens genoemd. Het schijnt dat Everard van Weede van Dijkeveld naar Spanje gaat en Godard Adriaan zou naar Denemarken gaan. Cornelis van Aerssen van Sommelsdijk zou dan naar Frankrijk gaan. Het schijnt dat Van Beuningen zich daar hard voor gemaakt heeft, onder invloed van drie dames die samen lijken te spannnen. Volgens Margaretha wordt daar erg om gelachen. Cornelis van Aerssen schijnt in de Ridderschap van Holland te willen, Margaretha denkt niet dat hem dat zal lukken.

Brieffragment over diplomatieke stoelendans

[op de wttrechtse paerde mart te gaen,] ick had
gehoopt uhEd teegens de soomer weer hier sou
=de geweest sijn, maer hoore dat men inde haech
spreeckt van Een Ambassaede naer spange
en naer deenmercke te sende de Eerste wort
gesproocke vande heer van dijckvelt te sende
en, de ander van uhEd voort naer deenmercke
,den heer van someldijck seijt me dat naer
vranckrijck voor ordinaris Ambassadeur
gaet dat van beuninge soude bestelt hebbe
gedreefve sijnde door sijentge feerens1Onbekend , en
besteecke door de vrou van potshoeck2Onbekend ende vrou
van langeraeck3Anna Juliana Ferens die geduerich bij Een sijn,
hier wort als uhEd kan dencke seer om gelachge

Portret van Cornelis van Aerssen (1637-88), heer van Sommelsdijk. Sedert 1683 gouverneur van Suriname. Heupstuk, staande in wapenrusting naar links. Links een gepluimde helm. Commandostaf in de rechterhand, de linkerhand in de zij. Linksboven het familiewapen op een zuil.
Cornelis van Aerssen (1637-88), heer van Sommelsdijk, Anoniem, ca. 1680. Collectie Rijksmuseum.

Jicht

De keurvorst van Brandenburg blijkt aan jicht te lijden en uiteraard leeft Margaretha met hem mee. Oh, en van Michiel Matthias Smidts hoort Margaretha ook niets, die zit waarschijnlijk nog in Breda. Waarom ze deze brief afscheid neemt van de hoogedelgeboren heer en niet van ‘Mijn heer’ zullen we waarschijnlijk nooit weten.

Brieffragment over Keurvorst en Michiel M Smidts

dat de liede seer swaer sal valle, het
doet mij van harte leet men heer de keurvorst
weer aent poodegra leijt de heer almachtich
wil sijn keurforstlijcke pijne verlichte, inwiens
heijlige bescherminge uhEd beveelle, blijfve

hoochEdelgeboore heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijff
M Turnor

van boumeester
hoor ick niet geloof
hij noch te breeda is

Op een vooruit springend lichtbruin paard met zwarte manen en zwarte staart zit een man in harnas. Hij kijkt ons strak aan en heeft in zijn linkerhand de teugels en in zijn rechterhand een maarschalkstaf. Op de achtergrond vindt een veldslag plaats. Links boven twee engeltjes die een wapen met een staf en een kroon erboven en een (zijn?) helm vasthouden.
Frederik Willem I van Brandenburg, toegeschreven aan R. van Langenfeld. Collectie Kasteel Amerongen
  • 1
    Onbekend
  • 2
    Onbekend
  • 3
    Anna Juliana Ferens

Het werk gaat voor!

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 10 februari 1680 Amerongen
Ontvangen Godard Adriaan van Reede 19 februari 1680
Lees hier de originele brief

Margaretha is nog steeds niet zeker van de postbezorging. Voor het geval er een brief van Godard Adriaan nog niet is gearriveerd, meldt ze even voor de zekerheid: de laatste brief die ze van hem heeft is nog steeds die van 24 januari. En ze hoopt dat alles in orde is.

Onverwachte gasten

Bij haar thuiskomst in Amerongen vond ze haar schoondochter met twee gasten, Vincent Adolph van Baer, heer van Brandsenburg, en zijn vrouw, Hendrina Schimmelpenninck van der Oye. Nu was Vincents eerste vrouw, Anna van den Boetzelaar, een nicht van Godard Adriaan. Het drietal was van plan om de volgende dag via Soestdijk een uitstapje naar Amsterdam te maken en ze willen graag dat Margaretha mee gaat. Maar Margaretha heeft haar eigen plannen, ze gaat niet mee. Op de terugreis zijn ze weer welkom.

Brieffragment uitstapje naar Amsterdam

[selfve en alt sijn wel is,] voorleedene dijnsdach
hier met de heer van ginckel koomende vondt
ick hier de heer en vrou van bransenburch met
de vrou van ginckel die noch hier sijn en merge
over soesdijck naer Amsterdam voor Eenen
dach wille gaen hadde gaerne dat ick meede
ginck, dan meene niet nee te gaen salse hier weer
in wachte, [en laete toekomende maendach Een]

Voor een huis met hoge ramen en luiken stopt een koets. Een man laat een vrouw uit de koets. Voor de koets staat een chique vrouw met een zwarte huik, een rode rok en witte kraag met een waaier in haar hand te wachten. Achter haar speelt een meisje met een hond. Op de trap naar de deur staat een oude man in het zwart. Hij heeft zijn hoed in de hand. Achter de koets buigen twee mannen naar elkaar. Op de voorgrond een paar kalkoenen en een haan.
Aankomst bij een landhuis, Gesina ter Borch, ca. 1661. Collectie Rijksmuseum.

Wagens, zand en modder

Komende maandag wil Margaretha verder met het werk. Ze wil extra wagens laten komen om zand te rijden. Ze wil grond afgraven bij de ‘voorste brug’, zoals Godard Adriaan heeft besloten, en die grond moet afgevoerd worden. De aarde uit de boomgaard is ook nog niet weg vanwege het weer, de wegen waren een modderpoel en daar kom je met paard en wagen niet door. Maar nu worden de dagen weer langer en Margaretha wil haar tijd goed gebruiken!

Brieffragment kwaliteit van de weg door het weer

[vandoen sal hebbe,] de aerde wt het boogaert
=ge hebbe noch niet konne laete afrijde doort
nat en vuijl weer de wech is te diep daer
kan onmoogelijck geen kar door, tis hier
alledaech seer vuijl en nat weer hebbe
weijnich vorst of naulijcks geen gehadt,

In een heuvelachtig landschap is een ingespannen paard tot zijn borst weggezakt in het water. Achter de wagen staan twee mannen te duwen, een derde man probeert het paard van de zijkant omhoog te duwen, een vierde man heeft het paard bij de leidsels en een vijfde man staat klaar om met een stok te slaan. Een tweede paard staat los naast de scene met het ingespannen paard en kijkt de andere kant op.
Landschap met een in het water vastgelopen wagen die door een groep mannen op de kant gehesen wordt, Jean Théodore Joseph Linnig, 1825-1891. Collectie Rijksmuseum.

Baantjesjacht

Ondertussen wordt er met smart gewacht op brieven van Godard Adriaan. Carel Valckenaer, de heer van Dukenburg, heeft hem al twee brieven geschreven over de kwestie van het ambt van rekenmeester, Margaretha heeft dat al eerder aan Godard Adriaan geschreven. Everard Becker was gisteren op bezoek en vertelde dat procureur-generaal Abraham van Wesel op sterven ligt en dat sommige mensen de prins al hebben gevraagd om dat ambt. Becker heeft daar zelf ook al over aan Godard Adriaan geschreven. En o ja, nog een laatste nieuwtje uit Utrecht. Daar was grote paniek door het nieuws over een uitspraak van de Franse koning, er waren zelfs mensen op de vlucht geslagen.

Brieffragment stervende Van Wezel

[doen,] den avokaet becker die gistere
met rentmeester vande domeijne hier was
seijde dat de prockereur generael weesel seer
verswackte en geen hoop van leefven hadt
datter ock waere die sijn hoocheijt om dat
Amt al aenspreecke, hij meent vande nomina
esi verseeckert te sijn, [heeft uhEd met de]

Vanitasvoorstelling: allegorie op de vergankelijkheid van het menselijk leven. Een rijk man zit in een vertrek, omgeven door zijn bezittingen, in gepeins verzonken. Zijn rechtervoet steunt op een doodskist. Schuin achter hem loert de Dood in de gedaante van een skelet, met gevleugelde zandloper in de hand, door een venster naar binnen. Op de grond een doodshoofd. Aan de muur een klok. In twee cartouches bijbelteksten die betrekking hebben op de komst van de dood en de betrekkelijkheid van al het aardse. Onder voorstelling bijbelcitaten die verwijzen naar de dood. Boven de voorstelling een citaat uit Lukas 12:20 dat verwijst naar de parabel van de rijke man, waarin wordt gewaarschuwd tegen het najagen van aardse rijkdom. Prent is gedrukt van twee blokken op twee bladen papier, aan elkaar bevestigd.
De rijke man en de dood, monogramist A.I., 16e eeuw. Collectie Rijksmuseum.

Kindervreugde

In haar vorige brief schreef Margaretha al dat ze de nieuwjaarsgeschenken voor de kleinkinderen had ontvangen, ze zaten ingesloten in de brief van 24 januari. Maar ja, toen was ze in Utrecht, dus ze kon nog niet vertellen hoe de kleinkinderen hadden gereageerd. Dat kan ze nu wel: er is duidelijk een gejuich opgegaan onder de jeugd! Ze belooft dat Fritsje en Anna zelf een bedankbriefje zullen schrijven. Blijft toch even de vraag wat de kleinkinderen met het geld zullen doen. Nieuw speelgoed kopen? Bij de snoepwinkel langs?

Afsluiting en PS kleinkinderen

[schrick wat over,] hoope dat godt ons voor
swaericheijt sal bewaere, in wiens bescher
minge uhEd beveelle blijfve

Mijn heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijff

hier is wtermaete
vreuchde met de nieuweijaere
onder onse jonckheijt geweest
met de naeste post sal frits
en Anna groote papa bedancke

Kinderkamer met drie vrouwen, waarschijnlijk moeders en geen kindermeiden. De vrouw links leert een kind lopen. De vrouw in het midden zit op een stoel en geeft haar kind de borst. De rechter vrouw heeft een kind op de arm. Twee van de kinderen dragen een valhoedje, een gevoerd hoofddeksel dat hen moest beschermen als ze vielen. Op de achtergrond staat een wieg, één kind speelt met een wagentje aan een touw, een ander heeft een stokpaard.
Kinderkamer met drie vrouwen en kinderen, Gesina ter Borch, ca. 1660 – ca. 1661. Collectie Rijksmuseum.

Eigen foxsel

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 11 november 1679 Amerongen
Ontvangen Godard Adriaan van Reede 24 november 1679 Bielefeld
Lees hier de originele brief

Godard Adriaan is weer vertrokken. Bij zijn tussenstop in Middachten heeft hij Margaretha al geschreven, maar nu is hij écht weg. Margaretha begint met een korte reactie op zijn brief: de brief van Temminck in de bijlage maakt duidelijk waarom hij niet reageerde op de eerdere brief van Godard Adriaan en Margaretha verwacht secretaris Doorslagh morgen met het geld uit Utrecht. Kennelijk hoeft Margaretha er niet aan te wennen dat haar man er niet is, het is gelijk ‘business as usual’.

Brieffragment van de opening van de brief.

[rec. a Bilefelt. den. 24. 9ber]
Ameronge
den 11 Novem 1679

Mijn heer en lieste hartge

uhEd aengenaeme van Middachte op deselfs
vertreck geschreefve heb ick ontfange, wt dees
neefens gaende sal uhEd sien doorsaeck waer=
=om teminck uhEd schrijfvens niet Eer heeft
beantwoort, het gelt verwachte ick deesen
avont met de seeckreetaris deurslach die
naer wttrecht is, [ijan prang die de hartstee]

Door de poort zien we huis Middachten met daarvoor chique geklede dames en heren.
’t Huis Middagten van vooren door de voorpoort te zien, Hendrik Spilman, naar Jan de Beijer, 1745 – 1792 (fragment van twee afbeeldingen van Middachten). Collectie Rijksmuseum.

De steenhouwer

Ook al zijn we twee jaar verder dan de laatste brief: de steenhouwers en metselaars zijn nog steeds bezig. Jan Prang lijkt nog steeds dekstenen voor de schoorsteen te hakken, alleen zijn ze nu voor de schoorstenen van een de paviljoens. Daarnaast heeft hij de goten van de brug gedaan en hij heeft de kommen om de pijpen van de fonteinen neergelegd. Het enige dat hij nog moet maken, is de deksteen voor de schoorsteen van het tweede paviljoen, maar dat gaat hem niet lukken. Het weer is zo slecht dat hij terug wil naar Bremen. Waarschijnlijk voor het echt winter wordt, want dan wordt reizen zwaar. Er was in de zeventiende eeuw nog maar hier en daar een enkel stukje weg geplaveid. Met regen werd het dus een modderboel en als het dan ging vriezen dan was de weg een keihard kraterlandschap.

Brieffragment over de steenhouwer

[naer wttrecht is,] ijan prang die de hartstee
tot de Eene pavelijoen tot de schoorsteen ge
daen en gereet heeft, alsmeede de goote
op de bruch gehouwe, de kome omde pijpe vande
vonteijne heeft hij loos geleijt, so dat aen sijn
werck niet meer resteert alst hartseen tot
de tweede pavelijoen op die schoorsteen, die
hij ongedaen moet laete derfvende doort
harde weer niet langerhier blijfve, is van
meenin merge te vertrecke ick sal hem be=
taelle en dan laete met sijn volck gaen

Een wit gestucte muur met een nis. Boven de nis lopen elektriciteitsdraden horizontaal, de muur aan de onderkant is betegeld met witjes. Onder in de nis een stenen bak. Op de stenen bak staat een vaas met bloemen.
De kom die om de pijp van de fontein zit in het onderhuis van het kasteel. Bovenop de kom ligt perspex waarop de bloemen staan, eigen foto.

De metselaars

Ook de metselaars zitten niet stil. Zij zijn met de pilaren bij de brug bezig, de nissen daarin vullen ze met kalk uit Segeberg (Duitsland). De kalk die daar vandaan komt, is eigenlijk geen kalk, maar gips en daardoor heel fijn om te verwerken. Margaretha hoopt dat ze vanavond de vloer van de stallen af kunnen maken, die bestaat uit klinkers die op hun kant liggen.

Eerste brieffragment over de metselaars
Tweede brieffragment over de metselaars

de metselaers hebbe de pijlaers vane bruch
opt Eerste voorburch voort op gemetselt

en de hartsteene daer op geleijt en de nisse
met seegerberger kalck geplaestert, hoop
sij van avont de vloer inde stal met klin=
=ckert op haer kant sulle geleijt en gedaen
krijgen, [ick heb vandaech twee osse het Een]

Foto van een breed gebouw van één verdieping met zadeldak met aan weerszijden twee paviljoens van twee verdiepingen met puntdak. Voor het gebouw is een terras waar de parasols open staan en mensen in het zonnetje zitten. Op de achtergrond de Utrechtse Heuvelrug in herfstkleuren.
De stallen met aan weerszijden de paviljoens, eigen foto.

Het paterstuk

Ondertussen zit Margaretha ook niet stil. Ze heeft twee ossen geslacht: één van de ossen die uit Denemarken was gekomen en één die ze zelf gefokt had (eigen foxsel). Die os die ze zelf gefokt heeft is de beste die ze ooit gehad heeft. Ze zal het paterstuk voor Godard Adriaan bewaren.

Het paterstuk was een vierkant stuk vlees met een deel van de ruggengraat en de ribben. Het heette het lekkerste stuk vlees van het rund te zijn. Dit stuk werd bewaard voor de pater of de mater van het klooster, vandaar het paterstuk.

Om paterstukken te bewaren werden ze gerookt. Eerst werden ze gepekeld. Pekelen gebeurde met een combinatie van twee delen zout en één deel suiker. Voor het paterstuk werd vaak bruine suiker gebruikt. Hierna werden ze in de rook gehangen. Door dit proces kon je het paterstuk een paar jaar goed houden. Als Margaretha dit paterstuk voor Godard Adriaan wilde bewaren, had ze dat ook wel nodig. Gelukkig weet ze dat nog niet.

Brieffragment over de slacht van de ossen

[krijgen,] ick heb vandaech twee osse het Een
van ons Eijgen foxsel sijnde Een 3 ijaerijge os
en Een deense die ickt voorleede somer heb
gekocht geslacht, ons leefven hebbe wij geen
beest so doorwasse en vet gekocht noch
geslacht als dien drije ijaerijge en ons
Eijgen foxsel is, de an is ock heel goet
maer heeft niet bij de voorseijde, wenste
uhEd die had moogen helpen nuttigen
sal de paterstucke voor selfve bewaeren

In een hoge ruimte zitten links een paar kleine hoge ramen. Recht hangt een open getrokken geslacht rund of os aan een balk. Je ziet nog een deel van zijn ingewanden zitten en duidelijk zijn ruggengraat een ribben. Er druipt aan de onderkant nog wat bloed op de tegelvloer. Aan de muur erachter hangen de kop en staart boven een grote houten tobbe. Op de voorgrond vermaakt een hond zich met een stuk vlees. Op de achtergrond staat een vrouw met een kind aan haar schort boven een tobbe te werken, een man kijkt toe met een pijp in de mond. Een oudere jongen blaast de blaas op en een kleiner kind probeert hem af te pakken.
Het geslachte rund, Abraham van den Hecken, 1635-1655. Collectie Rijksmuseum.

Bidden voor geluk

Tijd om er een eind aan te breien. Ze hoopt dat Godard Adriaan inmiddels bij de bisschop van Münster1Ferdinand von Fürstenberg is en ze bidt voor zijn (Godard Adriaan’s) geluk. Geen groeten van de kleinkinderen deze keer.

Eerste brieffragment met de afsluiting
Tweede brieffragment met de afsluiting

[geseijt heeft, nu den tijt salt leeren,] ick

verlange te hooren dat uhEd bij den heere
bischop van Munster gearijveert is
in middels god bidde voor deselfs geluck
en voorspoet blijfve
Mijn heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijff
M Turnor

Gravure van de stad Münster, op de voorgrond staan mensen, nonnen, bepakte ezels en schapenhoeders. Je ziet duidelijk de verdedigingswerken, de stadsmuur en alle torens binnen de stad.
Panorama van Münster, Pieter Nolpe, naar Johannes van Alphen, 1648 – 1653. Collectie Rijksmuseum.
  • 1
    Ferdinand von Fürstenberg

De steenoven

Zonder klei geen baksteen en zonder baksteen is in een land met vrijwel geen natuursteen een kasteel niet te bouwen. Alleen al voor het kasteel hadden Godard Adriaan en Margaretha ongeveer 1 miljoen stenen nodig. Daar zouden de bijgebouwen en de kades van de grachten nog bij komen. Al met al zal Margaretha nog een aantal jaren aan het bouwen zijn. Als we zo verder gaan met de brieven van 1679, dan komt de steenoven nog steeds terug in haar brieven.

Steenfabrieken

Op zich ligt Amerongen in een goed gebied voor baksteen, want rivierklei is uitermate geschikt om bakstenen van te maken. We kennen allemaal het beeld van de rivieren die traag door oneindig laagland gaan, met in hun uiterwaarden de steenfabrieken. Alleen komen die steenfabrieken pas in de 19e eeuw. Godard Adriaan en Margaretha hadden hier dus helemaal niets aan.

Kaart van de Nederrijn tussen Wijk bij Duurstede en Rhenen met vooral aan de Gelderse oever steenfabrieken.
Oostellijk deel van de kaart Nederrijn en Lek tussen 1800 en 1900, Blijdestijn, 2017, pagina 311. Uitgave gefinancierd door de Provincie Utrecht.

Steenovens, veldovens en veldbrand

In de 17e eeuw waren er her en der wel steenovens, maar die hadden vaak een semi-permanent karakter. Er zijn drie varianten van baksteenbakken te bedenken. De steenoven is het meest permanent, de veldoven wordt gebouwd op een plek waar tijdelijk veel stenen nodig zijn, meestal is het een ommuurde ruimte die als oven gebruikt wordt. Veldbrand is een manier van bakstenen bakken waarbij geen oven gebouwd wordt, maar de bakstenen die gebakken worden zelf onderdeel zijn van de oven.

Met de aantallen bakstenen die voor het kasteel nodig waren, was het economisch zinvol om het bakken van stenen zelf te regelen. Margaretha heeft het zelf altijd over de steenoven, maar hoogst waarschijnlijk ging het over een veldoven of misschien veldbrand. Alleen archeologisch onderzoek kan aantonen wat voor structuur gebouwd was om stenen te bakken.

Rechts voor een stapel bakstenen waar rook uit komt. Voor de stapel staat een steiger met mannen erop en bovenop staan mannen. Iemand gooit bakstenen omhoog naar de mannen op ge steiger. Rechts bouwen mannen een hoog scherm, waarschijnlijk tegen regen en wind. Schuin achter de roken stapel stenen staat een zelfde stapel stenen, alleen is daar een hoek uit, in de hoek staat een man die stenen gooit naar een man op een wagen. Op de achtergrond stapels droge stenen onder afdakjes die wachten om gebakken te worden.
Het bakken van bakstenen in de openlucht, E. Bure, 1879. In: Louis Figuier (1879). Les merveilles de l’industrie; ou, Description des principales industries modernes.

Toponiemen

We weten wel waar de steenovens geweest zijn, want het geheugen van een dorp zit vaak nog in de plaatsnamen. Vlak naast het kasteel zijn twee weilandjes die nog steeds Steenoven 1 en steenoven 2 heten. Steenoven 1 en 2 liggen net buiten de dijk die (nog steeds) om het kasteelterrein ligt. Het is dus niet verwonderlijk dat de steenovens regelmatig last van hoog water hebben.

Een kaartje van het dorp Amerongen met het kasteel. In alle velden zijn namen geschreven. Links naast Kasteel Amerongen ligt een weg en aan de overkant ligt het veld 1e en 2e Steenoven.
Fragment uit: Veldnamenkaart van Amerongen waarop aangegeven de tabaksschuren en de namen van de weilanden en bospercelen, 1970 naar origineel uit 1696. Collectie: Flehite, Oudheidkundige Vereniging Amersfoort, archief Eemland.

Stenen vormen

De eerste stap bij het maken van bakstenen is het aanvoeren en werkbaar maken van de klei. Als de klei soepel is, worden met behulp van een houten mal de stenen gevormd. Zo krijgen ze allemaal dezelfde maat. Vers gevormde stenen worden te drogen gelegd. Bij een veldoven en veldbrand gebeurt dit allemaal buiten, vandaar Margaretha’s klachten als het te veel regent. Dan moeten ze ervoor zorgen dat de drogende stenen niet nat worden.

Op de voorgrond een tafel met daarnaast een kruiwagen met daarin een spade gestoken. Achter de tafel staat een man die met een roller over een rechtshoekige vorm gaat. Links voor licht allerhande gereedschap (emmers, bezems, planken) en er loopt een jongen met een baksteen in de handen naar achtern. Achter de tafel is een vel dat vol ligt met bakstenen die te drogen gelegd worden. Rechts scheppen mensen klei in een kruiwagen. Links worden de gedroogde bakstenen opgestapeld.
Het vormen van bakstenen, E. Bure, 1879. In: Louis Figuier (1879). Les merveilles de l’industrie; ou, Description des principales industries modernes.

Ongebakken stenen in of als oven

Als de stenen gedroogd zijn, worden ze opgestapeld in de oven (veldoven) of als oven. In de praktijk moet je je voorstellen dat de stenen al dan niet binnen een stenen omheining worden opgestapeld in lange rijen met zowel horizontaal als verticaal veel lucht tussen de stenen. Deze holtes worden gevuld met turf. Nog steeds met lucht ertussen, want dat is nodig voor een goede verbranding van de turf.

Bij veldbrand worden de buitenste stenen dichtgesmeerd met leem, zodat een gesloten oven ontstaat en waar dan boven ruimte vrij gehouden wordt voor de trek en aan de voorkant zijn de tussenruimten onderin met daarin het turf open, zodat het turf aangestoken kan worden

Links de weg en direct daarnaast het spoor van de tram. Rechts liggen bossen riet ergens op. Naast de weg staat een elektriciteitspaal. Verderop de steenfabriek. De fabriek heeft geen schoorsteen.
Gezicht op de steenfabriek te Remmerden (gemeente Rhenen), met op de voorgrond de Utrechtsestraatweg en de trambaan uit Amerongen, 1908. Collectie Het Utrechts Archief. Rechts voor mogelijk rieten bescherming van de drogende stenen.

Bakken

Als de oven vol of klaar is en de weersverwachting is goed, dan wordt het turf tussen de stenen aangestoken. Een veldoven of veldbrand brandt meestal één à twee weken. Omdat een veldbrand geen muur om de oven heeft, is daar de kwaliteit van de stenen minder uniform dan bij een steenoven of veldoven. De binnenste stenen worden immers langer en heter gebakken dan de bakstenen aan de rand.

Hieronder een historische film over een Duits dorp dat ten tijde van de film (1963) nog jaarlijks gezamenlijk een veldbrand uitvoert. Voor de echte liefhebber…

Brieven waarin Margaretha over de steenoven schrijft

[mctagmap show_posts=”yes” responsive=”yes” width=”150px” columns=”4″ post_tags=”steenoven” post_type=”brieven”]

Pagina 1 van 7

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema door Anders Norén