Deze brief zit in een ander archiefnummer (HUA1001.2826) dan de andere brieven van Margaretha.
Het blijft aanmodderen met brieven die later of helemaal niet aankomen. Margaretha verzekert Godard Adriaan er nog maar eens van dat ze echt met de laatste post geschreven heeft. Er ligt namelijk 4000 gulden bij Temminck in Amsterdam waar Godard Adriaan helemaal zelf over kan beschikken. Dat is toch goed nieuws?
[reca. 29e. 7ber]
Ameronge den 21/11 septemb 1680
Mijn heer en lieste hartge
uhEd aengenaeme vander 11 deeser heb ick ter rechter tijt ontfange het doet mij leet uhEd so veel bekomeringe ontrent het gelt heeft ick heb geen kopije van mijn briefve gehoude, maer bidt verseeckert te sijn ge lijcke met de laeste post heb geschreefve so leijt teege woordich tot uhEd behoef onder teminck tot Amsterdam de som van vierduijsent gul die uhEd int geheelle of ten deellle naer deselfs wel gevalle sal beliefve en kan trecke, [ick]
De beker van het najaar is met weemoed gevuld, Willem Arondéus, 1930. Collectie Rijksmuseum.
Een roddel uit Utrecht
Margaretha hoopt nog steeds op geld van de staat, maar toen ze laatst in Utrecht was, hoorde ze een roddel die weinig hoopvol stemt. In Utrecht wordt geklaagd dat men de predikanten niet kan betalen. Dat is gek, want dat moet mogelijk zijn uit de rente van een kapitaal van maar liefst 40.000 gulden. Wat blijkt; de rentmeester, die zijn baantje aan Willem III te danken heeft, vindt dat hij dat geld naar eigen inzicht mag besteden. Met als gevolg dat de predikanten iedere keer kunnen fluiten naar hun geld. Margaretha weet niet wat er waar is van het verhaal, maarja het wordt gezegd…
[soecke te houden,] datse tot wttrecht klagen haer preedikante niet te konne betaellen so ick laest tot wttrecht sijnde berich ben, ist niet [e]
vreemt want de peninge die tot betaeline vande preedikante sijn geordineert, worden de rent =the van Een kapitael van 40000f daer de proosdij die den rentmeester vande domeijne van sijn hoocheijt gekreechgen heeft meede be =swaert is, en hij sustineert die sonde Eenige laste onbeswaert te trecke, wt betaelt worde als dierlgelijcke laste wt het preedikante haer gelt betaelt worde moeten sij te kort schieten , wat vant Een Ent ander waer is weet ick niet altijd het wort so geseijt, [de heer van ginckel]
Gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester, Jan Luyken, 1712. Collectie Rijksmuseum.
Truijfels
Na het vertrek van Godard van Ginkel, is er al weer het nodige gebeurd op bouwplaats Amerongen. Er zijn nog 4 metselaars aan het werk in het laatste paviljoen. Margaretha noemt ze, net zoals hier, ‘truijfel’; oud-Nederlands voor ‘troffel’, het gereedschap van de metselaar. Margaretha hoopt dat ze aan het eind van volgende week aan de gewelven van de kelders kunnen beginnen. Ook de timmerlieden zijn bezig aan het laatste paviljoen en de leidekkers zijn aan het werk op het dak van het eerste paviljoen.
[stont,] seeder sijnde 4 metselaers wel verstae nde truijfels en 4 operlie aent wthaelle vande schoorstene int lasest of tweede pavelijoen Effen wt het dack gekoome, hoope deslfve int laest vande toekoomende weeck teenemael ge opgehaelt en gedaen te hebbe, sullende sij dan aent wilfve vande kelders gaen,
de vier timerlie die wij n ock maer int werck hebbe, hebbe nu ock het laeste pa= velijoen toe geplanckt daers de dack vens ters in setten, de leijdeckers sijn aent decke vant leijdack opt voorste oft Eerste pavelijoen
Een rokende metselaar met zijn makkers in een herberg, David Teniers (II), ca. 1675. Collectie Rijksmuseum
Naar huis?
In brieven vol met berichten over geld en bouwwerkzaamheden, zou je het bijna over het hoofd zien. Maar in anderhalve regel krijgen we ineens een klein inkijkje in het huwelijk van Godard Adriaan en Margaretha. Waar in de vorige brief nog sprake was van een verlengde missie in Berlijn, heeft Godard Adriaan nu verzocht naar huis te mogen gaan. En dat is iets waar Margaretha ook naar verlangt. Zouden ze elkaar oprecht missen? Of is Margaretha er wel klaar mee om alles alleen te moeten regelen in Amerongen? We zullen er niet achter komen, want de brief gaat meteen weer door met praktische zaken. Tot duidelijk is of Godard Adriaan naar huis mag, wacht Margaretha nog maar even met de beloofde provisie.
, uhEd schrijft te wille versoecke om thuijs te koome waer naer verlange, en als dat kost sijn sou ick de begeerde provijsie niet sende warom noch een post of twee voor die te sende sal afwachten, ondertuschen blijfve
In de PS zet Margaretha nog snel wat zaken onder elkaar. Het is in Amerongen gelukkig mooi weer gebleven, wat goed nieuws is voor de steenoven. Ze brengt haar groeten over. En tot slot presenteren alle lieve kinderen, zélfs het dragonder Godertge, hier ongeveer 6 jaar oud, aan opa hun ootmoedige dienst. Als dat geen reden is om graag naar huis te willen komen.
de doot vande Advokaet vermeer sal beusekom uhEd hebbe geschreefve wij hebbe nu Eenige dagen herwaerts seer schoon weer opt afstoocke van onse steen oven gehadt, dat heel wel komt met uhEd preemissie versoeck mij groetenis aende heer blansche en jeneken, al onse liefve kindere tot den draechonde inkluijs preesenteere haere ootmoedige dienst a vhEd
Het blijft onrustig met brieven die laat of helemaal niet aankomen. Uit zijn brief van de 28ste maakt Margaretha op dat Godard Adriaan haar vorige brief weer niet gekregen heeft. Ze snapt werkelijk niet waar de brieven blijven en maakt nog maar eens duidelijk dat ze nog nooit in gebreke is gebleven hem over iets te schrijven. Wat geld betreft, is er geen update, behalve de hoop dat er wat voortgang komt nu Van Heeteren weer in Den Haag is.
[rec. 15en 7ber.]
Ameronge den 9 septem 1680 en 28 Augusti
Mijn heer en lieste hartge wt uhEd aengenaeme vande 28 pasato sien ick met verwonderin dat de mijne niet is overgekoome ick heb noijt post gemanckeert te schrijfve, kan niet dencke waer de brijefve blijfve, hoope die noch te rechte sal koomen, nu van heetere inde haech is verwachte ick te hoore wat voort ganck de petiesie supletoor heeft daerse noch tot wttrecht niet van en weeten, sonder het selfve ick geen raet sien om Eenich gelt voor uhEd te bekoomen, [in ons werck alhier hebbe de]
Dan nog maar een update over de bouw. Die vordert gestaag. De metselaars zijn bezig met de schoorstenen. Daarna kunnen de leidekkers, gelukkig met Gods hulp, het dak op om de leistenen te leggen. Ook de timmerlieden en steenhouwer zijn nog druk met hun onderdelen van het paviljoen. Dinsdag hoopt Margaretha de steenoven op te kunnen stoken. De laatste week hebben ze in Amerongen buitengewoon mooi weer gehad. Ze hoopt dat hen nog twee weken gegund is om de steenoven zijn werk goed te kunnen laten doen.
[te bekoomen,] in ons werck alhier hebbe de metselaers de schoorsteen int voorste pavelijoen teenemael wt gehaelt en volmaeckt so dat de leijdeckers toekoomende maendach met godts hulpe daer het leijdack op sulle begine te legge, de timerlie sijn noch aent sette vande kap opt achterste pavelijoen daer niet veel aen mankeert, de metse= laers sulle nu aent wt haelle vande schoor steene int laeste of achterste pavelijoen gaen, de steen houder werckt noch aende lijst op de schoorsteen, vant voorseijde pavelijoen, toekoomende
dijnsdach hoope wij aent onderstoocke van onsen steen oven te gaen, wij hebbe nu deese gansche weeck wt neement schoon weer met groote hette gehadt mochten wijt noch so 14 dage int affstoocke vande oven houden waer wel te wenschen maer vrees voor neen het wort te laet int ijaer en al wat godt belieft, [men begint hier van veel siecken te]
Landschap met waterput en steenoven. Johann Andreas Benjamin Nothnagel, 1739 – 1804. Collectie Rijksmuseum.
Verlies van mensen
Margaretha schrijft dat het later in het jaar wordt en dat er veel zieken zijn. Wat volgt is een opsomming van zieken en overledenen. De oude Gijsbertje van Oort heeft 4 dagen dood gelegen, maar zij was al bijna 100 jaar oud. Wat Margaretha een groter verlies vindt, is dat de zoon van Magere Arie, die op Waijensteijn woont, is overleden. Hij laat een vrouw en 4 kinderen achter en was een harde werker. Dan volgt er iets opmerkelijks. Margaretha schrijft dat het met ‘onse stome’ ook niet goed gaat. Ze laat hem nog zoveel mogelijk doen, maar hij komt niet voor de middag uit zijn kamer. Hadden Godard Adriaan en Margaretha een dove/doofstomme knecht?
[belieft,] men begint hier van veel siecken te hoore, weet niet of ick uhEd heb geschreefe dat de oude gijsbertge van oort doot is die maer drij a 4 dagen heeft geleegen sij was dicht bij de hondert ijaer out, ock is den soon vande mageren Arije tijs Arijse die op waijesteijn woont doot daer is meer verlies aen hij laet Een vrou met 4 kinderen naer, en was Een naerstich1Naarstig: vlijtig man, maeij aende kaeij die op onse groote boogaert woont leijt ock heel Elendich aent water, onse stome gaet ock seer qualijck komt niet voor smiddaechs wt sijn kamer ick laet hem so veel goets doen als ick kan, [sijn hoocheijt is weer naer den]
Portret van een overleden meisje, waarschijnlijk Catharina van Valkenburg, Johannes Thopas, 1682. Collectie Mauritshuis.
Verlies van een hond
Margaretha ratelt in haar brieven alle informatie af waarvan ze vindt dat Godard Adriaan het moet weten. Je hoort haar soms bijna een lijstje afgaan in haar hoofd; geld, bouw, politiek, zieken en overledenen. Zou dat ervoor zorgen dat het bericht dat Margaretha zelf het meest na aan het hart ligt, pas wordt geschreven in een PS? Na de mededeling dat de heer Brakel uit de Raad van Staten ook is overleden, weet Margaretha namelijk niets meer te schrijven. Of toch wel. In de PS schrijft ze dat hun grote hond Webbe dood is. Tijdens de jacht is hij in een gat gesprongen en heeft hij zijn nek gebroken. Hij was op slag dood. De twaalfjarige Fritsje heeft er vreselijk om gehuild en ook Margaretha is verdrietig om het verlies van de hond.
[wt te sijn,] den heere brackel2Onbekend, heer van Brakel is Karel Pieck, maar die is nog maar 18. Zijn vader is in 1675 overleden… De enige die ooit in de Raad van State zat die in 1680 overleed is Dirk Gerritsz Meerman uit Delft, maar hij was al in 1672 uit de Raad van State. Bovendien geen link met Brakel gevonden die inde raet van staten was is ock overleeden, nu weet ick niet meer te schrijfve, blijff
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
ick moet uhEd ock segge dat onsen groote hont webbe op de jacht sijnde in Een holle wech springende sijn neck heeft gebroocke en hartsteecken doot is gebleefve, daer fritsge om heeft gekreeten dat hij niet te stille was mij ijamert ock het beest
Ursula Christina Reiniera (1719-1747), Godard Adriaan (1716-1736) en Frederik Willem (1717-1747) van Reede, 1749, J. Fournier. Foto: Elsevier Stockmans. Collectie Kasteel Amerongen. De kinderen van Frederik Christiaan van Reede (Fritsje) met hun jachthond.
Onbekend, heer van Brakel is Karel Pieck, maar die is nog maar 18. Zijn vader is in 1675 overleden… De enige die ooit in de Raad van State zat die in 1680 overleed is Dirk Gerritsz Meerman uit Delft, maar hij was al in 1672 uit de Raad van State. Bovendien geen link met Brakel gevonden ↩︎
Al lang niets op dit blog gelezen? Dat klopt! Ook Godard Adriaan heeft te lang naar zijn zin geen informatie meer gekregen, want heeft blijkbaar een mopperbrief gestuurd. Maar dát is niet terecht, vindt Margaretha in deze brief van 3 augustus. In haar vorige brief heeft hij kunnen lezen dat ze al weer terug is van haar (in haar ogen) nuttige reisje naar Den Haag. En acht dagen geleden heeft ze hem toch echt een overzicht gestuurd van de belangrijkste inkomsten en uitgaven voor de herbouw en van de aankoop van een stukje land.
[rec. 11. Augusti 1680] Ameronge den 3 Augusti en 24 ijuli 1680
Mijn heer en lieste hartge uhEd meesiefve vande 24 ijuli heb ick ontfange, wt mijne voorgaende sal deselfve hebbe gesien mijn weederkomste wt den haech al hier. Meende wel te doen met die keer naer den haech, ick heb heeden acht dagen uhEd Een korte meemoorije gesonde vant gelt dat ick seedert sijn vertreck tot verval van onse timeraesge en aenkoop van lant en diergelijcke heb ontfange en weer wt gegeegve[, waer wt deselfve sal sien dat ick bij on=]
Zomer: Landweg met jager en koets, Gesina ter Borch, ca. 1655. Collectie Rijksmuseum.
Nogmaals de berekening
Daarin had Godard Adriaan kunnen lezen dat ze 900 gulden meer heeft uitgegeven dan ze binnen heeft gekregen uit pacht en normale inkomsten. Maar de totale uitgaven bedragen zeker geen 12.000 gulden, zoals haar man blijkbaar denkt! Zelfs niet wanneer je de ongeveer 2000 gulden meerekent die Temminck in Amsterdam aan kalk en aan meester Schut aan hout heeft uitgegeven. Volgens haar ligt het totaal voor de herbouw inclusief stenenbakkerij dit jaar tot nu toe eerder rond de 9000 gulden. Maar, toegegeven, er liggen nog wat onbetaalde rekeningen. Een eindje verderop in de brief schrijft ze dat het prima is dat Godard Adriaan om de volgende ordinantie van 4000 gulden gaat vragen, maar dat ze daar voorlopig geen geld voor kunnen verwachten.
[gegeefve,] waer wt deselfve sal sien dat ick bij of on= trent de 900f meer heb wtgegeefve als ontfange dat wt het inkoome van ons pachte en ordinaerisse ontfan is betaelt, ock dat het geheelle wtgeef op veel naer geen 12000f bedraecht gelijck uhEd schrijft, ijae selfs niet met het geen teminck tot Amsterdam so voor inkoop van kalck als aende meester schut voor inkoop van hout heeft betaelt dat ontrent de 2000f naer mijn gissine sal sijn doch heb noch daer van geen reecknin van die 2000 is noch booven hoet het geene ick uhEd heb toegesonden so dat naer mijn gissine dit ijaer tot die tijt so aende timerae =ge als steenoven ontrent de 9000f is betaelt doch ben alweer vrij wat schuldich dat betaelt moet werden, [ick weet niet beeter of schrijf op al]
Gezicht vanuit het Klein Kapittelhuis op het Munsterkerkhof (nu Domplein) te Utrecht, Jan de Beijer, 1745 (fotoreproductie). Collectie Het Utrechts Archief. Rechts voor de secretarie van het Domkapittel.
Nogmaals het land
Ze weet niet beter dan dat ze elke vraag van Godard Adriaan nauwkeurig beantwoordt. Heeft hij niet gewoon een beetje te veel aan zijn hoofd waardoor hij steeds vergeet wat ze schrijft? Het aangekochte stuk land van het kapittel van de Dom is dus ’t Encker, herhaalt ze nog maar eens een keer. Dat ligt achter De Doodslag en dat was precies wat Godard Adriaan hebben wilde. Het aankoopbedrag is 400 gulden en het koopcontract zal bij de volgende kapittelvergadering worden opgemaakt. Volgens haar hebben ze er een koopje aan.
[afbeelding: Gezicht vanuit het Klein Kapittelhuis op het Munsterkerkhof te Utrecht uit het zuidoosten, met onder andere de drie schipkapellen van de Domkerk met daarvoor de secretarie van het Domkapittel en daarachter de Domtoren. Collectie Het Utrechts Archief
[moet werden,] ick weet niet beeter of schrijf op al
uhEd briefve pertinente1pertinent: nauwkeurig, duidelijk, juist antwoort gelijck ock opt subsjeckt2subject: onderwerp vande koop vant lant heb gedaen, maer geloof uhEd door sijn meenichvuldige3vele affaereeszaken dickmael4dikwijls, vaak vergeet wat ick schrijf, het lant dan dat ick vant kapittel vande dom gekocht heb ist lant opt Encker achter den doot slach5Doodslag gelijck uhEd begeert heeft, de koop is voor 400f de koop =seel sal geschreefve worde op deerste vergaederin vant kapittel, tis seecker dat mij daer koop aen hebbe, [wt overijsel heeft de heer van ginckel]
Fragment uit Kaarten van de landerijen te Amerongen binnen de Kaa, met registers van de landerijen van het huis Amerongen en die van particulieren, 1696. Huisarchief Kasteel Amerongen, Het Utrechts Archief. De strook langs de weg heet Den Doodslag.
Nogmaals Overijssel
Ondertussen is ook zoon Godard ingeschakeld om te kijken of hij niet misschien iets van de uitblijvende bijdrage van de provincie Overijssel los kan peuteren via mensen die hij daar kent. Hij heeft echter nog geen antwoord. Margaretha mokt dat het met die vrienden is zoals met veel anderen: Als ze iets van jou willen, weten ze je te vinden, maar als jij hen een keer nodig hebt, dan is er niemand thuis.
[aen hebbe,] wt overijsel heeft de heer van ginckel die met sijn vrou weer nae Middachte is noch geen antwoort bekoome tis met die vriende als met meer die als uhEd vandoen hebbe wel soecke en konne vinde maer alsmense weer van doen hebbt isser niemant thuijs, [dat uhEd]
Overijsselse florijn van 28 stuiver, Provincie Overijssel, 1685. Collectie Rijksmuseum.
En nu door
De timmerlieden hebben de kap van de stallen al klaar. Komende week gaan ze de latten vast slaan waar de dakpannen op komen te hangen. Uit Amsterdam verwacht Margaretha het lood te krijgen voor de goten en andere voorzieningen. Ondertussen zijn de metselaars al aan het laatste paviljoen aan de kant van het bleekveld bezig, maar het zal nog wel tot het einde van de week duren voordat ze de muren zo hoog hebben dat de balken voor de vloeren van de eerste verdieping gelegd kunnen worden.
de kap hebbe de timerli nu op de stal en sulle inde aenstaende weeck daer de latten op slaen omde panne op te hangen het loot tot de gooten en ande verwacht ick van Amsterdam, de metselaers sijn al aent leste pavelijoen naert blijckvelt toe het welcke noch int laest vande toekoomende weeck sal sijn Eersij de hoochte hebbe, om de balcke vande bove kamers te legge, [dat de heer suijlis]
Vlucht naar Egypte en Jozef als timmerman, wagenmaker en kuiper, anoniem, 1600-1625. Collectie Rijksmuseum.
De kas van de Staten-Generaal
Tot slot nog even een sneer naar de Staten-Generaal: Godard Adriaan heeft vast wel gehoord dat Willem van Nassau Zuylestein naar de koning van Frankrijk is gestuurd om hem te feliciteren met zijn overwinningen, en dat Cornelis Moeringh uit Gouda naar Denemarken is uitgezonden? Dáár konden de Hollanders blijkbaar wel geld voor vinden! Het gaat er wonderlijk aan toe, hier in de provincie en daarbuiten. Moge God ons allen bij staan, wiens heilige bescherming ze ook haar man toewenst.
[bove kamers te legge,] dat de heer van suijlis =steijn6Willem-Hendrik van Nassau-Zuylestein weegens den staet om de koninck van
vranckrijck te kompleemonteere7complimenteren over sijn gekonkes =teerde8geconquesteerde: veroverde lande sa en moerin9Cornelis Moeringhin van tergou naer deenmercke is, sal uhEd hebbe gehoort daer hebbe de hollande wel gelt toegevonde soot schijnt, t gaet hier in en buijten de provinsie seer wonderlijck toe de heer almachtich wil ons alle bij staen in wiens heijlige bewaerine uhEd beveelle blijfve
Willem van Nassau-Zuylestein, Roelof Koets II. Collectie Groninger Museum.NB Bij het Groninger Museum staat Godard Adriaan van Reede van Herreveld, de schoonzoon van Willem van Nassau-Zuylestein als geportretteerde genoteerd. Achter op het schilderij staat Willem van Nassau-Zuylestein.
En nogmaals het stukje land
De echte afsluiting zit in een ps-je met wat gedetailleerde uitleg over de wijze van exploitatie van het stukje land op ‘T Encker. Het van het Domkapittel gekochte perceel wordt gepacht door Gerrit de Kruijff, zoon van de overleden pachter Jan de Kruijff, en is nu in gebruik bij Jan Quint en Cornelis Verweij.
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor p s het gekochte lant vant kapittel vande dom is gerit de kruijf soon vande overleedene ijan de kruijf pachter van en nu ijan quint en korneelis verweij bruijckers van
Deze brief is flink gehusseld tijdens het scannen. Het zijn twee vellen met elk vier kantjes en een memorie en ook nog en ps op een apart blaadje. Hier de bijbehoren scannummers: 1e vel kant 1 – 73; 1e vel kant 2 – 74, 77; 1e vel kant 3 – 80; 1e vel kant 4 – 81; 2e vel kant 1 – 78; 2e vel kant 2 – 79; 2e vel kant 3 - 79; 2e vel kant 4 - 80; Memorie voor – 74 gedeeltelijk, 77; Memorie achter - 78; Ps voor – 74 overdwars, 75; Ps achter - 76
Margaretha doet weer eens haar stinkende best om geld te krijgen, maar veel succes heeft ze niet. Maar voor het over die echt belangrijke zaken gaat, moet ze eerst wat rechtzetten. Eerst het allerbelangrijkste: het gaat goed met Godard Adriaan. Kennelijk heeft Beusichem Godard Adriaan geschreven dat Margaretha 350 gulden per morgen betaald zou hebben voor het land van het Domkapittel. Dat klopt natuurlijk niet, dat zou wel heel erg duur zijn. Zo doet Margaretha geen zaken. Het stuk land is ongeveer 3,5 morgen, dus daar wil ze in totaal 350 gulden voor geven, dus 100 gulden de morgen. Dat is een goede koop, Smissaert en Van Beek zijn er mee bezig, het wachten is op goedkeuring door het Domkapittel.
haech den 15 ijuli 1680
Mijn heer en lieste hartge
wt uhEd vande 3 deeser sien ick deselfve met al het sijne noch wel waert daer de heer voor gedanckt moet sijn, beusekom moet abuijs hebbe dat hij uhEd heeft geschreefve ickt lant vant kapittel vande dom voor 350f de merge sou gekocht hebbe dat waer veel te dier ick most so niet te mart gaen, tis ontrent 3½ merge groot daer soude wij 350f saeme voor geefven dat sou honde gul de merge weese het is tuschen ons geseijt heel goet koop dans staet noch raport door den heere van beeck en smitser aent kapittel daer van te doen en haer Aproobasie te verwachte het welcke geloof vandaech gedaen sal worden, [so lan]
Margaretha is in Den Haag om de betalingen voor Godard Adriaan te regelen. Ze was eerst in Utrecht en heeft daar iedereen die er toe doet gesproken, iedereen was erg beleefd en bij haar langs gekomen. Alleen burgemeester Gruijter had zij bij hem thuis bezocht. Die was wel duidelijk: er is geen geld. Er is zelfs zo weinig geld dat Utrecht al een half jaar achter is met het betalen van de predikanten. En die hebben allemaal kinderen thuis zitten en die hebben geen brood om te eten. Ook de soldaten die bij Maastricht liggen lopen weg omdat ze geen soldij krijgen.
[kost niet helpe] sij seijde altemael datter
geen gelt inde provinsie was ija dat sij niet wiste hoe sij haer preedikante die nu ander half ijaer ten achteren waeren daer onder sijn die met huijsen vol kindere sitte en geen broot hebbe om te Eeten, soude betaellen, de seeckreetaris luchtenburch seijde die selfe merge Een brief van Maestricht van Een kapteijn die hij noemde gekreechge te hebbe die klaechde dat meer als de helft van sijn kompangi was verloope en so hij geen gelt vande provinsi van wttrecht kreech niet Een man langer kost houde, [de heere seijde]
Koffievlek uitgewerkt tot prekende dominee op kansel, Jan Brandes, 1770 – 1790. Collectie Rijksmuseum.
Geld uit Overijssel?
Van Ginkel heeft Willem III gesproken en die wist inderdaad dat Utrecht geen geld heeft. Maar hij dacht dat Overijssel nog moest betalen, dus daar gaat hij zeggen dat zij moeten betalen. Margaretha heeft er een hard hoofd in. Ambassadeurs worden of door de provincie ingehuurd, of door de Staten Generaal. Voor een missie in opdracht van de Staten Generaal moeten alle provincies bijdragen. Dus zo moet Margaretha maar zien dat ze Godard Adriaans kostje bij elkaar scharrelt.
[verwachten is,] de heer van ginckel heeft sijn hoocheijt hier ock over gesproocke als ock de heer van schraefve moer , die ock teegens haer alle beijde seijde wel te weeten dat wttrecht geen gelt kost geefve, maer dat over ijsel noch schuldich was dat hij wilde schrijfve dat die ons soude betaelle,
Gezicht op het Grote Kerkhof in Deventer, Jan de Beijer, 1744. Collectie Rijksmuseum. Gezicht vanuit het noordoosten op het Grote Kerkhof te Deventer met links het Landshuis (zetel van de Gedeputeerde Staten van Overijssel) en het stadhuis en op de achtergrond de Duinpoort.
Holland heeft wel geld. Echt waar!
Ze is in Den Haag en de raadspensionaris Gaspard Fagel heeft beloofd bij haar langs te komen. Ook daar heeft ze een hard hoofd in: ze verwacht dat hij het zal vergeten. Willem III had bovendien gezegd dat Holland al meer betaald heeft dan nodig is. Dat kan wel zijn, maar Margaretha zou hem heel goed kunnen uitleggen van welk geld Holland Godard Adriaan kan betalen. Holland heeft namelijk geld apart gezet voor een ambassadeur in Frankrijk, maar ze hebben helemaal geen ambassadeur in Frankrijk. Dus dat geld kan prima naar Godard Adriaan. Nou is het maar de vraag of er iemand naar haar uitleg wil luisteren, en als ze al luisteren, dan voeren ze haar idee waarschijnlijk toch niet uit. Ze zal het de raadspensionaris toch even voorstellen.
sijn hoocheijt seijt ock dat hollant overbetaelt heeft oversulcks niet betaelle kan, maer alst haer beliefde sou ick haer wel aenwijse waer wt sij mij soude konne betaelle tis waer sij hebbe opt ijaer 8i, tachtentich duijsent gul betaelt , maer se hebbe 20000£ ses ijaeren aen Een getroefe ijaerlijcks getrocken tot betaellin van haere ordinaerisse Ambassadeur in vranckrijck die sij daer niet hebbe gehad so datse daer van 40000f over hebbe daer uhEd noch wel wt kost betaelt worden maer vrees sijt niet doen en sulle, so ick den heere r p kom te spreecke salt hem segge, [so]
Stel in gesprek terwijl een tweede heer zich afwendt, Gesina ter Borch, ca. 1654 – ca. 1658. Collectie Rijksmuseum.
Een memorie
Als er geen geld komt, weet Margaretha echt niet hoe ze alle eindjes aan elkaar moet knopen. Godard Adriaan moet natuurlijk geld hebben, maar ze moet ook het werkvolk en de materialen betalen. Ze pruttelt ook nog wat na over hoeveel tijd (en dus geld!) het de metselaars om de dubbele bogen van de stal te metselen.
Het leuke van deze brief is dat Godard Adriaan hier het bijgesloten memorie bewaard heeft. Deze heeft hij niet opgeslagen in zijn archief, maar hier krijgen we toch een kijkje in Margaretha’s financiële administratie.
Memoorije vant geene hier voor Eerst nootsaecklijck moet betaelt worden aen loot ontrent de ________________ 700f den panne ontrent de ______________ 400f aen spijckers ontrent de ____________ 300f noch aen turf voorde steen oven ontrent de __________________600f
___________________ 2000 f
nu moeten het arbeijts volck die alle seer om gelt roepe ock wat hebbe, ent gekochte lant ter som van 350 f betaelt worden
Hoera voor de kerk!
Na de reformatie vielen alle goederen van de (katholieke) kerk toe aan de Staten van Utrecht. De Utrechtse kapittels die we zo nu en dan tegen komen in de brieven bleven dus bestaan. Alleen waren ze geen religieuze instelling meer, maar meer een beheersorganisatie. Binnen de kapittelorganisaties waren baantjes te verdelen voor adel en regenten en je kon rechten kopen op bijvoorbeeld prebendes voor ongehuwde dochters of een deel van de inkomsten van het onroerend goed van zo’n kapittel.
Het is is Johan Pesters gelukt om op deze manier een prove voor de Van Reedes te krijgen ter waarde van 7500 gulden. Het moet nog wel geheim blijven, maar Margaretha heeft al de helft naar Temminck gestuurd zodat Godard Adriaan het kan gebruiken. Margaretha dankt de grote God dat hij juist nu toch weer wat geld toe weet te zenden.
Als er nou alsnog geld van het land komt, dan wil Margaretha dat graag gebruiken om een aantal leningen af te betalen. Maar eerst maar eens zorgen dat ze daadwerkelijk wat krijgen.
[voorseijde som van 7500f ons voldaen,] so goet is dien grooten godt nu wij weer bij dees wan betaeline vant lant, int de grootste ongeleegentheijt om gelt waeren sent hij ons weer dit so onver= wacht toe, als wij hoop hadde om gelt vant lant te krijgen soude ick onder korexsi met dit gelt kapijtaele aflegge maer so lange dit so staet weet niet dat wijt konne misse, [Eve=]
Inmiddels komt de post met een brief van Godard Adriaan. Hij lijkt zich minder zorgen te maken om hun financiële situatie en ook Margaretha lijkt die volledig vergeten te zijn. Ze is blij dat Godard Adriaan een caleche voor haar zal verzorgen. Margaretha heeft nog niet gehoord dat het Pruisische hout in Amsterdam aangekomen is.
[wort] so aenstonts ontfange ick uhEd aengenaeme vande 10 deeser bedancke deselfve dat hij mij van Een kales sal versorchge, ick hoor noch vande pruijse deelle niet geloof niet dat die tot Amster dam sijn aen gekoomen, [so aenstonts schrijft]
Jachtstoet op Het Loo – 2e helft 17e eeuw. Willem III en een hoge gast zitten in een calèche met opgezette kap, Romeijn de Hooghe, ca. 1700. Collectie Gelders Archief.
Nog meer of minder geld
Kennelijk zit er ook een brief van Johan Pesters bij de post. Godard Adriaan kan pas vrijdag beschikken over de 3750 gulden waar Margaretha eerder over schreef. Ze verzucht dat je pas op geld kan rekenen als je het daadwerkelijk in je handen hebt: “ick sech in waerheijt men kan op geen gelt ter werlt staet maecke als dat men in handen heeft”.
Deze opmerking over geld maakt weer een hele overweging los waar het binnengekomen geld wel en niet aan uitgegeven moet of kan worden. Kennelijk is er ook geld van Van Heteren geleend om secretaris Isaäc de Blanche te kunnen betalen. Die moet natuurlijk zijn geld als eerste terug hebben. Dan is het tijd om een eind aan de brief voor haar liefste breien. Weer een atypische afsluiting. Wat brengt Margaretha’s hoofd op hol?
[heeft daer is niet aen te koomen,] uhEd sal mij van dit gelt voor Eerst wat beliefve tot de timeraesge te laete gebruijcke of weet geen wtkomst so wij vant lant betaelt worden sou van opijnie sijn dat ick van heetere de twee duijsent gul die wij wee =gens den heer blansche den 4 ijuni laest leeden hebbe ge ontfange weerom sou geefve
om niet te diep indien goede man sijn schult te vervalle, ick verseeckere uhEd mocht ick Eens bij deselfve sijn sou ock wel wat te segge hebbe dat de pen niet derf vertrouwe, nu mijn lieste ick blijf
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
Of toch niet
Kennelijk hoeft de post in de stad niet op haar te wachten, want ze heeft nog tijd voor een naschrift en een ps op een apart briefje. Het bedrag dat Overijssel nog moet betalen aan de Staten Generaal voor onkosten is hoger dan de onkosten van Godard Adriaan, dat zou dus moeten lukken. Godard Adriaan krijgt de groeten van Margriet uit Den Haag (?) en het blijft maar regenen.
De volgende dag volgt de ps op het aparte briefje. Er is een brief van Temminck binnengekomen en het Pruisische hout is in Amsterdam. Hij meldt ook dat hij lang geen brief van Godard Adriaan gehad heeft. Dat vind Margaretha vreemd, want in zijn laatste brief schrijft Godard Adriaan nog dat hij geld via een wissel heeft “getrokken”.
ps so aenstonts sijnde den 16ijuli ontfange Een brief van teminck die schrijft de 40 pruijse deelle tot Amsterdam wel sijn aengekoome, en dat hij in lange van uhEd geen briefve heeft gehadt dat mij verwondert om dat uhEd in sijn voorgaende mij schrijft Een wissel getrocke te hebbe
Gezicht op Rhenen uit het oosten, P.W. van de Weijer naar J. Goossen, 1867. Collectie Het Utrechts Archief. Op de rivier een voorbeeld van vlotterij: het vervoeren van houten stammen door er vlotten van te maken.
[rec.a 14e. Julij] Ameronge den 6 ijuli en 26 ijuni 1680
Mijn heer en lieste hartge
Geldtellende oude vrouw in een interieur, Willem Pieter Hoevenaar, 1818-1863. Collectie Rijksmuseum.
Traktatie voor het hof van Brandenburg
Geldzorgen of niet, Margaretha is tevreden over de ontvangst die Godard Adriaan heeft gehouden voor het prinselijk hof van Brandenburg.
Dat gaat dan in ieder geval om prins Frederik III van Hohenzollern en zijn echtgenote, prinses Elisabeth Henriëtte van Hessen-Kassel. Frederik, die later bekend zou worden als Frederik I van Pruisen, was de zoon van Louise Henriëtte van Nassau die weer de dochter was van prins Frederik Hendrik en Amalia van Solms.
wt uhEd aengenaeme vande 26/16 ijuni sien ick dat uhE Eenige heere Ambasadeurs Eerst ende prinse en pris prinsese van brandenburch heeft getrackteert dat heel goet is, de Eer en reespeckt vande staet en van uhEd Persoon moet bewaert sijn,
Tijdens een diner worden nieuwe gasten verwelkomd, Jan Luyken, 1711. Collectie Rijksmuseum.
Geldzorgen
Tja, dat geld. In haar vorige brief schreef Margaretha al dat ze blij was dat Godard Adriaan naar raadspensionaris Fagel had geschreven, maar het heeft nog niets opgeleverd. Van Heeteren heeft haar zelfs gemeld dat er in Holland geen geld te krijgen is, zelfs niet de 2310 gulden waar ze nog recht op hebben. Komende dinsdag komen de Staten van Holland weer bij elkaar en hopelijk levert dat wat op. Margaretha zou er het liefst zelf naar toe willen gaan! Ongetwijfeld had ze de heren Staten de wind van voren gegeven, als het haar gelukt was de vergaderzaal binnen te komen. Maar ze kan zo moeilijk weg van Amerongen.
mij verlanckt seer wat antwoort uhEd vande heer raet pensionaris fagel sal bekoome opt suijsget vandeselfs betaeline, van heetere schrijft mij dat alsnoch geen Apreehensie is in hollant gelt te krijge ijae selfs de resteerende 2310 f niet, toekoomende dijnsdach sulle men heere van hollant weer bij Een koomen men sou sien t daer voor te brenge en sien wat men dan kan krijge, ick sou wel naer den haech gaen maer kan seer qualijck van hier [ock ontsien ick]
Caspar Fagel (1634-88). Raadpensionaris van Holland sedert 1672, met op de achtergrond de vergaderzaal van de Staten van Holland op het Binnenhof te Den Haag, Johannes Vollevens (I) (kopie naar), 1672 – 1700. Collectie Rijksmuseum.
Dakpannen, turf en hooi
Ondertussen is Margaretha al aan het rekenen waar het geld aan besteed moet worden, het lijkt er veel op dat ze er slapeloze nachten van heeft. Godard Adriaan heeft voor zijn huishouden zeker 500 gulden in de maand nodig. Ze heeft zelf geld nodig voor het lood, de dakpannen en het werkvolk, en ze moet Krijn van Kampen nog betalen voor twee scheepsladingen turf voor de steenoven. Godard Adriaan moet het haar vooral niet kwalijk nemen dat ze haar zorgen zo openlijk uit! Er is hard gewerkt, er is ook gehooid, maar het gaat allemaal niet snel. Die mooie dubbele bogen boven de ramen van de stal en het koetshuis, het is prachtig, maar het kost veel tijd. Niettemin, er zijn er al acht gemaakt! Hopelijk kunnen ze maandag beginnen met het leggen van de balken. Er komen nog vier of misschien wel zes timmerlieden uit Amsterdam, ze hebben dan zeker twaalf zo niet zestien timmerlieden tegelijk aan het werk en o jee! Dat kost ook weer geld.
[honder gul,] ben nu seer bekomert waer ick niet alleen gelt sal haelle om weer voor uhEd onder teminck te legge maer ock om hier t loot de panne en voort het werck volck te be taelle ock moet krijn van kampe om noch twee samoreuse turf tot de steenoven wt moete, bidt niet qualijck te neeme ick dit so opentlijck schrijf, [wij hebbe deese weeck]
Margaretha heeft haar brief nog niet afgesloten of ze bedenkt dat er nog een nieuwtje is. De maarschalk van Abcoude is overleden. De heer van Zuilen, dat is dan Hendrik Jacob van Tuyll van Serooskerken, heeft het ambt verkregen voor zijn zoon. Reinoud Gerard van Tuyll van Serooskerken is op dat moment drie jaar oud. Kennelijk hoefde die maarschalk niet echt daadkrachtig op te treden. En o ja, niet te vergeten, nog kusjes van Godertge en zijn zusjes!
Mijn heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijff M Turnor de Maerschalck van Abkoude is overleeden de heer van suijlen heeft sijn amt voor sijn soon gekreege datter Een offen en deffensiefve aliansi tuschen Engelant en spange is gesloote sal uhEd hebbe verstaen godertge met al sijn susters kusse groote pappa ootmoedich de hande met preesentasi van haeren dienst
Portret van Godard Adriaan van Reede van Herreveld. Godfried Kneller, 1691. Collectie Kasteel Amerongen. Godertge op volwassen leeftijd.
Sommige zaken gaan zo langzaam dat Margaretha er gek van wordt en anderen hebben zoveel haast, dat ze het niet bij kan benen. De eerste traagheid is in ieder geval opgelost: de missende brief van 12 juni is terecht en die van 19 juni is inmiddels ook binnen.
[rec. a 7. Julij] Ameronge den 29/19 ijuni 1680
Mijn heer en lieste hartge uhEd vermiste brief vande 12 deeser die al tot keulen is geweest heb ick neffens die vande 19 deeser, deese weeck ontfange, [tis heel goet uhEd over sijn betaeline]
Een postiljon (postvervoerder) op een varken. Fragment uit een spotprent, anoniem, 1720. Collectie: Rijksmuseum.
Werkgever
Godard Adriaan heeft raadspensionaris Fagel geschreven over de betaling van zijn werk. Margaretha is er blij om, want het is weer eens een zootje. Godard Adriaan is op pad voor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, maar in de praktijk zijn dat zeven provincies die allemaal hun eigen ding doen. De missie is opgezet door de Staten Generaal, maar die heeft zelf geen geld, ze zijn afhankelijk van de bijdragen van de provincies. Een deel is formeel geregeld, maar er blijft altijd gedonder over de onkostenvergoedingen.
[weeck ontfange,] tis heel goet uhEd over sijn betaeline aende heere raet pensionaeris heeft geschreefve want kan noch met de resteerende 2310f niet te rechte koomen, [van heetere schrijft dat hollant weijgert]
Caspar Fagel (1634-88). Raadpensionaris van Holland sedert 1672, met op de achtergrond de vergaderzaal van de Staten van Holland op het Binnenhof te Den Haag, Johannes Vollevens (I) (kopie naar), 1672 – 1700. Collectie Rijksmuseum.
Onkostenvergoedingen
Nu is het zo dat er volgens de raadspensionaris de resterende 2310 gulden niet betaald kan worden, want dat zijn onkosten en die moeten door de provincies betaald worden. Holland wil niet betalen, want die hebben hun bijdragen al gedaan en dat klopt. In Utrecht hadden ze een omweg gekozen om te betalen. Uit Den Haag komt het bericht dat Groningen en Overijssel hun bijdrage voor de onkosten nog niet betaald hebben. En laat Margaretha daar nou net geen connecties hebben die radertjes in beweging kunnen zetten!
[koomen,] van heetere schrijft dat hollant weijgert te betaelle seggen dat sij ock inde post van de= froijemente1Defroijementen: onkostenvergoedingen hebbe voldaen het welcke hem bij de komijs2Commies: (rekenplichtig) ambtenaar vande finansi komans3Onbekend wort gekonfir =meert so dat dit niet alleen hapert maer sien niet hoet in toekoomende voort sal gaen laest inde haech sijnde heb ick verstaen dat de proo vinsie van overijsel en greunine op dit loopende ijaer niet niet op haer post van defroijemente hebbe betaelt of ock noch niet hebbe te laste, maer sulle wijt daer moete gaen soecke daer wij mijns weetens niet Een mens hebbe hebbe die ons daer in te rechte sulle helpe, [dat sal ons seer]
Vervolgens bedenkt Margaretha samen met Van Heteren allemaal manieren om toch een betaling te forceren. Heel creatief, maar onnavolgbaar.
Kaart van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, Gerard Valck, 1690. Collectie Rijksmuseum.
Dubbele bogen
Schut is langs geweest en de bouw aan de stallen en bijbehorende paviljoens gaat gestaag door. Gestaag, maar wel langzaam. Heel… erg… langzaam. Iemand, uit de brief wordt niet duidelijk wie, heeft bedacht dat de ramen en deuren van de stallen en het koetshuis met dubbele bogen gemetseld moeten worden en dat kost gewoon heel erg veel tijd. Margaretha denkt dat het nog zeker tien of twaalf dagen duurt voor ze zo hoog zijn dat ze de balken voor de zolder kunnen gaan leggen.
[met den Eerste sal verwachte,] Meester Schut die deese weeck hier is geweest is gistere weer naer Amsterdam vertrocken, het metsel werck gaet seer lamsaem voort ijae so dat schrick het tesien het welcke komt door die dubbelde boochge die sij booven de vensters en deure vande stal en koetshuijs moete maecke daer sij deese heelle weecke over drij vande dubbelde boochge die en twee boven de vensters dat maer ordinarise booge sijn boven de vensters int voorste pavelijoen gewerckt hebbe, so datse naer mijn gissine noch wel 10 a 12 dage werck hebbe Eersij door gaens de hoochte sulle hebbe om de balcke op te legge, daer toe hebbe wij al deese weeck seer quaet weer gehadt dat al wat verhindert heeft, [sij hebbe nu perfeckt overleijt wat loot]
Stal met blauwe regen, Annemiek Barnouw, 2016. Je kunt je voorstellen dat het metselen van boog boven boog boven boog een klusje was waar de metselaars hun tanden op stuk konden bijten.
Wegvliegend geld
Doordat Schut er was hebben ze nog eens goed kunnen overleggen hoeveel lood er nou eigenlijk precies nodig is. De secretaris had 200 gulden gebudgetteerd, maar er zal zeker 700 gulden aan lood nodig zijn. En daar vliegt weer 400 gulden weg (kennelijk had Margaretha als ervaren bouwvrouwe al 100 gulden hoger ingezet dan de optimistische schatting van de secretaris). En het is niet alleen het lood. Zo zijn er zoveel dingen. Maarja, ze zijn nu eenmaal bezig, dus moeten ze door. Maar uit het diepst van haar hart hoopt Margaretha dat het nu bijna klaar zal zijn.
[heeft,] sij hebbe nu perfeckt overleijt wat loot der moet weesse, den seeckreetaris hadt gemeen datter ontrent de 200f aen loot sou moete sijn maer nu bevint sich datter wel bij de 700f aen loot sal moeten sijn want der noch over de 7000 pont sal moete sijn, en dat moet kontant gelt weesen, so dat ons dit al weer 400f buijten onse gissine gaet so gaet het al in meer dingen, tis niet moogelijck dat men so Effen op alles sijn staet in dit werck kan maecken, wij sijn hier nu in en moetender doer, hoope het nu haest ten Eijnde
sal koomen, [voorleeden dijnsdach is hier in pasant wt en int huijs]
Margaretha heeft ook bezoek gehad. ‘Meneer de Kolenbel’ was zo haastig dat hij geeneens een glas wijn wilde. Justus David de Coulombel was domheer in Utrecht en Raad voor de Keurvorst van Brandenburg. De dag erna kwamen Eberhard Danckelman en zijn vrouw. Danckelman had in Utrecht gestudeerd en was de leraar geweest van de oudste zoon van de keurvorst. Hij zal in de komende jaren de Universiteit van Halle (1694) en de Berlijnse Academie voor Kunsten (1696) oprichten. Maar daar is Margaretha natuurlijk helemaal niet mee bezig. Zij wil de relaties van Godard Adriaan gewoon zo goed mogelijk fêteren.
[sal koomen,] voorleeden dijnsdach is hier in pasant wt en int huijs geweest Monseu de kolenbel maer was so haestich dat geen tijt gaf hem Een glas wijn te geefve, den anderen dach sijnde woonsdach quam den heer en vrou danckel man recht op den Middach so de spijs op tafel wiert gedrage, sij liete vrage of sij mij geen ongeleegentheijt soude doen naer den Eeten het huijs te koomensien, daer op ickversocht sij bij mij wilde koomen Eeten gelijck sijdeeden, ick gaf haer het best dat ick kost dat tot mijn leetweesen niet veel was, sij scheene heel wel te vreede te sijn, saegen het huijs maer wilde niet blijfven hoeseer ickse badt wilde dien avont noch met de nacht schuijt naer Amsterdam, so dat ick niet kost doen het geene wel wenste, [ick heb ock inde korante gesien de]
De Keurvorst van Brandenburg heeft Maagdenburg tot hertogdom verheven. Bij de vrede van Osnabrück in 1648 was besloten dat het aartsbisdom Maagdenburg na het overlijden van de laatste administrator (gekozen bisschop), August von Sachsen-Weißenfels, zou toevallen aan Brandenburg en een hertogdom zou worden. Maagdenburg werd dus geseculariseerd. Margaretha is hier zeer tevreden mee en hoopt dat Godard Adriaan dat doorgeeft aan de Keurvorst.
[het geene wel wenste,] ick heb ock inde korante gesien de sucksesie die den heere keurvorst aent hartoochdom Maechdenberch heeft gedaen, ick ben inmijn pertikulier daer in verheucht , tis Een seer groot Erfnis, wij sijn ock veroblijgeert voorde gunst die sijn keurvorstlijcke doorluchtichheij aen uhEd belieft te toonnen, [ick had gemeent het gras of]
Margaretha sluit haar brief af met een praktisch puntje. Ze had het hooi op de bovenste “bolle” (uiterwaarde) graag verkocht, maar dat is niet gelukt. Nu moet ze dus zelf gaan hooien, maar ze moet nog zien hoe ze dat voor elkaar krijgt met dit weer.
aen uhEd belieft te toonnen, ick had gemeent het gras of hoeij van boovenste bol te verkoope maer heb niet gekost moet het selfver hoeijen en heb sulcken quade weer daer op dat ick nie weet hoet tot hoeij sal krijgen sullen ons best doen ent voort godt almachtich beveelle, die uhEd in sijn heijlige bescherminge wilneemen, blijfvende Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
Margaretha heeft haar papier helemaal volgeschreven, maar er komt toch nog een prangende nabrander. Die schrijft ze maar op een los papiertje. Het koetsje (calèche) uit Berlijn slijt zo dat ze er eigenlijk niet meer mee de weg op kan. En dat terwijl ze hem maar één keer sinds Godard Adriaans vertrek gebruikt heeft! Kennelijk is de slijtage al voor zijn vertrek ontstaan, want Margaretha wil eigenlijk wel een nieuwe. En als het kan, dan met een iets grotere deur. Nu moet ze er zijwaarts in en dan is het nog ingewikkeld om er in of uit te komen. Margaretha heeft geluk dat ze niet in de voertuigen van de moderne rijken hoeft te stappen: met al die rokken in een Porsche of Ferrari stappen is helemaal een ellende. De moderne drempels zijn daarentegen een fluitje van een cent vergeleken bij de slechte wegen waarover Margaretha moest in haar calèche.
ons berlijns kalesge hoewel ickt selfve maer Eens sint uhEd vertreck heb gebruijckt, gaet seer af en so dat ment selfve niet sonder vrees van op de wech te breecke kan gebruijcken, so uhEd weer so Een belieft te hebbe sou daer sijnde Een weer konne versorchgen in welcken geval ick wenste de portiere om wt en in te gaen Een weijnich wijder mochte sijn ick moet hier vanter sijden wt en in gaen en dan heb ickt noch quaet genoech om in of wt te koomen
De Weerdpoort van binnen, Cornelis Pronk, 1748. Collectie British Museum. De koets op de brug lijkt op een calèche.
Er is wat verwarring over de brieven van Godard Adriaan. De jonge Godert van Beusichem, zoon van secretaris Nicolaas van Beusichem, heeft Margaretha laten weten dat hij een brief van Godard Adriaan aan haar heeft doorgestuurd. Maar deze heeft ze nooit ontvangen. Navraag bij de post mocht helaas niet baten. Margaretha heeft niet kunnen achterhalen ‘waer die heen is gedwaelt’, dus ze vervolgt de update die ze Godard Adriaan in haar vorige brief gaf over de herbouw. Ze hebben in Amerongen 3 à 4 dagen redelijk goed weer gehad, dus er is lekker doorgewerkt.
[reca. 30e. Junij.] Ameronge den 22/12 ijuni 1680
Mijn heer en lieste hartge den jongen beusekom schrijft mij voorleeden dijnsdach met de post geschreefve te hebbe en Een meesiefve van uhEd gesonde te hebbe de welck ick niet heb ontfange, heb aende poste daer naer doen verneeme dan niemant weet daer van, waer die heen is gedwaelt kan ick niet weeten, so dat uhEd laeste vande 5 deeser is, die ick heeden achdage heb beantwoort, seedert hebbe wij hier drij a 4 dage taemelijck goet weer gehadt inde welke niet in ons werck so op de steen= =oven als aent metselen en timeren nie is versuijmt, [en hoope de metselaers die]
Er wordt hard gewerkt bij de steenoven en de metselaars en timmerlieden schieten al aardig op. De muren vorderen gestaag. Als de werklieden zo door kunnen gaan, kan men de balken en kap gaan plaatsen. Meester Schut heeft hiervoor 3 extra knechten gestuurd, omdat de timmerlieden in Amerongen niet goed weten hoe dit moet. Margaretha schrijft in dit deel van de brief over ‘middelmanekens’ van de vensters. Zou ze hiermee de verticale scheidingen van hout of steen in kruiskozijnen bedoelen die gangbaar waren in de 17de eeuw? Tegenwoordig hebben we het over de middenstijlen. Volgens Margaretha kunnen ze in ieder geval niet van hardsteen gemaakt worden, omdat daar niet genoeg voorraad van is. Maar de secretaris heeft een oplossing. In plaats van hardsteen, kunnen ze metselstenen gebruiken en deze vervolgens met kalk bestrijken. Dan lijkt het net hardsteen.
hier sijn van Amsterdam noch 3 timer= =mans knechts gekoome die schut heeft ge sonde om de kap te helpe rechte, daer de timerlie hier weijnich raet toe wiste, nu sal ick Een steen houde van wttrecht moete laete koome om de hartsteen stucke tot de Eene schoorsteen en de middel maneken vande vensters gereet te maecken, daerse niet lange werck aen sulle hebbe, want so de seeckreetaris seijt is hier so veel hart =steen niet tot al de middelmanekens maer moete Een deel van metselsteen
gemaeckt en met seegerberger kalck gestreeck worde dat dan ock als hartsteen sal staen, [dat spronse inde haech doot is]
Stallen met torentje, anoniem, rond 1927. Huisarchief Kasteel Amerongen, Het Utrechts Archief. Tekening is gemaakt toen de klok op het stalgebouw gezet is. De rest is nog zoals het in de 17e eeuw gebouwd is. De ‘middelmanekens’ zijn niet van natuursteen of baksteen, maar van hout.
Update uit Den Haag
Margaretha onderbreekt het verslag van de bouwwerkzaamheden even voor wat gezondheidsupdates uit Den Haag. Johan Spronssen, tweede griffier van de Staten-Generaal, is namelijk dood. Zijn ambt is daarmee opgeheven en dat betekent dat griffier Hendrik Fagel het werk alleen moet doen. Ook met Gijsbert van den Hoolck, Gedeputeerde ter Staten-Generaal uit Utrecht, gaat het helemaal niet goed. Hij heeft een soort beroerte gehad en er is weinig hoop dat hij weer helemaal opknapt. Dat blijkt te kloppen want in september 1680 zal hij overlijden.
[staen,] dat spronse inde haech doot is en sijn griffiers Amt gemortifiseert is heb ick met de laeste post vergeeten te schrijfve, nu is fagel alleen grieffier vander hoollijck lach ock inde haech heel kranck had Een speesi van Een beroerte door al sijn d leeden, doch was Een weijnich beeter maer niet veel hoop tot op te koomen, [ick hoor noch niet of den]
In een P.S. op een los briefje komt Margaretha nog even terug op het stuk land op het Encker dat Joan Carel Smissaert voor hen wil kopen. Ze heeft Godard Adriaan hier op 17 juni ook over geschreven, maar ze weet dus niet wat hij hiervan vindt. Morgen zal Smissaert samen met de heer Van Beeck van het Domkapittel bij haar langskomen om de koop te bespreken. Cornelis Verweij heeft haar gezegd dat het een goede koop zou zijn als ze het stuk land voor 400 of 500 gulden kunnen krijgen. Daar moet ze dan maar op vertrouwen.
p s merge sal den k dom heer van beeck met den heere smitse hier bij mij komen om weegens het lant opt Encker daer ick heeden acht dage van heb geschreefve te spreecken sal sien of wij de koop Eens konne werde, korneelis verweij meent als wijt voor 4 a 5 hondert gulde koste krijge dat het wel sou sijn
Foto vanuit een (huidig) kantoor op de tweede verdieping naar het westen toe, foto Annemiek Barnouw, 2020. Het weiland bij de bossages is Het Encker.
Voor de herbouw van Kasteel Amerongen was een hoop materiaal nodig. In de brieven van Margaretha aan haar man lezen we over kalk, hout, steen en turf. Er moest per slot van rekening weer een functioneel kasteel gebouwd worden. Maar het oog wil ook wat. Op 11 april 1680 ontvangt Godard Adriaan een brief van ene Jochem Fopma uit Bremen, een handelaar in bewerkte steen. Hierin wordt gesproken over ‘beelden en ballen’, en over bijbehorende ‘klapmutsen’. Dat zijn sierstukken om een muur mee af te dekken. Over welke beelden en ballen Jochem Fopma het heeft, wordt uit de betreffende brief niet duidelijk, maar het kan bijna niet anders dan om de beelden Fortitudo en Prudentia gaan die samen met twee grote stenen ballen bij de trap naar de bovenbrug staan. Het had nog flink wat voeten in aarde om de pronkstukken van Bremen naar Amerongen te krijgen. Aan de hand van het briefarchief van Kasteel Amerongen hebben we deze interessante reis eens in kaart gebracht.
[17 courant uijt Berlin hem toegesonden,] begeerende dat ick dit aen UE mocht beantwoorden, alsmeede bij eerste goe occasie d’affsendingh de twee vaerdige Beelden & bewerckte decksteen voor sijn Ex.ie den H.re van Amerongen te bevorderen twelck hebbe aengenoomen nae vermoogen te doen, ondertusschen sijn hier meede gearriveert de twee geordineerde stucken steens totte twee Ballen; die souden, indien sijn HoochEd. beliefde, nu vervaerdight (terwijl doch gheen scheepen tot noch toe parat sijn) konnen meede gesonden worden, als oock de vier klapmutsen die totte Beelden en Ballen vereijscht worden, ende van streckstucken moeten sijn [waerop Mr Prangh resolutie wacht,]
25 maart 1680, Jochem Fopma aan Godard Adriaan van Reede
Rozen, bal en Fortitudo bij Kasteel Amerongen, foto: Annemiek Barnouw, 2020.
April: de beelden zijn verstuurd per boot
Op 29 april ontvangt Godard Adriaan een brief van dezelfde Jochem Fopma uit Bremen. Hij schrijft dat hij na 7 april de gelegenheid had om de beelden alvast per boot te versturen. Ondanks dat hij daartoe nog geen opdracht had ontvangen en de ballen en klapmutsen nog niet klaar zijn, heeft hij dat gezien de waterstand in de Vaart maar gedaan. De beelden heeft hij op een ‘boecken bael’ vastgebonden en met stromatten beschermd. De kosten worden helaas wel wat hoger, want Meester Prang moest zelf met nog iemand de rivier af komen om te helpen.
Ick heb dan de twee vaerdige beelden jeder op een boecken bael wel vast gebonden en met stromatten bewaert, neffens de decksteen, 4 klapmutsen op de muijr en de geordineerde vloersteen, t’saemen in’t schip van Obbo Jelles van Worckom gelaeden en aen S.r A.T. Jacobs1Temminck geconsigneert, waervan ick dito S.r aenstaende Woensdag per post oock advijs sal geeven; de beelden sijn tot Vegesack neffens ‘t ander goet wel en onbeschadigt ‘t scheep gekomen, maer de kosten komen wat hooch want Mr Prangh met noch een persoon selffs daerom naer beneeden geweest sijn2de rivier af gekomen; en ick heb den schipper, die een nieuw Schmack voert3smakschip, het goet ten hoochsten gerecommandeert
Steenhouwer Jan Prang is een oude bekende van de familie Van Reede. In 1676 kwam hij al van Bremen naar Amerongen om allemaal hardstenen elementen (vloerstenen, trappen, de lijst om het huis, onderdelen voor de schoorstenen) ter plekke passend te maken. Kennelijk is er nu voor gekozen om Jan Prang in Bremen te laten werken en dan de afgewerkte stenen naar Amerongen te sturen. In dit brieffragment lijkt het of Meester Prang de standbeelden ook gemaakt heeft. Het is zeker niet onmogelijk, maar eerder maakte hij elementen voor het huis, het zou ook kunnen dat hij alleen zorg draagt voor de verzending. De dekstenen, klapmutsen en de ballen passen wel bij het beeldhouwwerk dat hij eerder voor Kasteel Amerongen geleverd heeft.
De onderkant van één van de dekstenen, foto: Annemiek Barnouw, 2026. Momenteel worden de brug en de muur voor het kasteel gerestaureerd, daarom zijn de dekstenen van de muur gehaald. Op de onderkant zie je de aanwijzing die waarschijnlijk door Jan Prang in Bremen in de steen gekerfd is. Zo was in Amerongen duidelijk welke steen waar moest liggen.
Augustus: oplopende kosten
Als de beelden onderweg zijn, wordt het een paar maanden stil rondom de beelden, ballen en klapmutsen. Godard Adriaan blijkt vragen te stellen over de oplopende kosten. Op 9 augustus krijgt hij een brief van Fopma waarin hij uitlegt dat de prijzen fluctueren. Omdat hij zelf geen voorraad steen meer had, moest hij nieuwe kopen. Daarnaast worden de ballen en klapmutsen van een harder, en dus duurder, steensoort gemaakt. Maar Fopma is bereid er een mooi prijsje van te maken als Godard Adriaan hem aanbeveelt als opvolger van zijn overleden oom. Een brutaal mens heeft de halve wereld toch? Zeker gezien het bijzondere Post scriptum van de brief. Het lijkt er namelijk op dat er in de tussentijd niet zoveel voortgang is geboekt met de ballen en klapmutsen. Meester Prang is een reislustig heerschap en pas teruggekomen uit Osnabruck. Hij zal nu pas weer verder gaan met de ballen en klapmutsen.
Weer verstrijken er een paar maanden en de ballen en klapmutsen zijn nog altijd niet op weg naar Amerongen. Er is meer vertraging opgetreden. Op 12 oktober leest Godard Adriaan in een nieuwe brief van Jochem Fopma dat hij voornemens was de ballen en klapmutsen een maand eerder al naar Amerongen te laten verschepen. Meester Prangh was echter weer naar Osnabrück, waar 4 van zijn knechten ziek zijn geworden, dus dat gooide roet in het eten. Aan Jochem Fopma ligt het absoluut niet. Hij heeft veel ander werk weggehaald bij Meester Prangh, dus de ballen en klapmutsen moeten nu met 4 dagen echt wel klaar zijn.
dat ick niet getwijffelt had, oft de bewuste bollen en klapmutsen souden ten minsten voor 1/m naer Amsterdam sijn gescheept, maer Mr Prangh sijn Voijage naer Osnabrugh alwaer vier van sijn knechts sieck sijn heeft mijn voornemen belett, ‘kheb echter sedert sijne t’huijscomst alle devoir gedaen, om hem onaengesien veel ander noodig werck, daedelijck tot voltrecking van dit begonne langduijrige werck te brengen en is daermeede soo verre geavanceert dat de laeste der Bollen neffens de laeste der klapmutsen binnen 4 dagen konnen vaerdig sijn, als wanneer ick niet manqueeren sal om die, belieft het Godt, met eerste goe occasie volgens ordre te versenden
27 september 1680, Jochem Fopma aan Godard Adriaan
De Steenhouwer, anoniem, fragment uit een pagina met zes ambachten uit Meijers Prenten, uitgegeven door De Ruyter & Meijer, Amsterdam, 1878. Collectie Rijksmuseum.
December: van boot naar appelwagen
De ballen en klapmutsen worden in oktober door Jochem Fopma vanuit Bremen verzonden naar Adriaan Temminck in Amsterdam. Hem kennen we ook uit de brieven van Margaretha. Op 24 december krijgt Godard Adriaan een brief van Temminck. Hij heeft de lading ontvangen, maar er is een probleem. Er varen geen schepen op de Rijn dus hij kan de ballen en klapmutsen niet verder per boot naar Amerongen versturen. Gelukkig heeft hij een oplossing. Hij verstuurt de lading naar ‘oom Synapius’ in Amersfoort. Dit is wellicht een oom van Temminck, die in dezelfde kringen verkeerde als Godard Adriaan. In Amersfoort moeten de ballen en klapmutsen vervolgens op appelwagens geladen worden. Die komen uit de Betuwe en passeren door Amerongen.
De Breemer steen bestaende in 2 groote ronde bollen 4 vierkante klapmutsen en 1 waeter off geutsteen hebbe ick int begin vant vriesent weer hier ontfangen, en alsoo door het leegewaeter gans geen scheepen op den rijn conde vaeren, soo hebbe alles op Amersfoort gelaeden en aen oom Senapius geadresseert met ordre om alles op de appelwaegens (die daer uijt de Betuw coomen en door Amerongen passeeren) te laeden, geleijck oock Haer HoogEdele mijn schrijft dat ditto steen daer wel gecoomen
(Van deze brief is nog geen scan beschikbaar)
Wagen met keien getrokken door paarden, Alexander-Gabriel Decamps, 1830-1831. Uit: Schetsen door diverse kunstenaars. Collectie: Rijksmuseum.
Aankomst in Amerongen
Op 27 december ontvangt Godard Adriaan dan het verlossende woord van Margaretha. De ballen en klapmutsen zijn aangekomen in Amerongen. Reden voor blijdschap zou je denken, maar dat blijkt niet uit de brief van Margaretha. Het lijkt er op dat het plan met de appelwagens is mislukt. Ze schrijft dat ze de lading zelf met wagens uit Amersfoort heeft laten halen. Alles is onbeschadigd aangekomen, op één klapmuts na. Die mist een stukje. Verder hoopt ze vooral dat al het steen uit Bremen nu is aangekomen, want het is allemaal al duur genoeg. Hoe de reis van de beelden Fortitudo en Prudentia verliep, is niet duidelijk. Zij werden per slot van rekening al in april 1680 verstuurd vanuit Bremen. Hoe dan ook, in december zijn alle pronkstukken, minus een klein stukje klapmuts, in Amerongen. En daar zijn ze nog steeds te bewonderen.
tot Amsterdam is de 4 groote klapmutse en de twee groot hartsteene bolle van breeme aengekoome, die teminck omt lage water niet voort heeft konne krijgen is genootsaeckt geweest die tscheep op Amersfoort te sende die ick met wagens van daer heb laeten haele en sijn deselfve onbeschadicht hier gebrocht wtgesondert datter vant Eene klapmuts en kleijn stuckge af is, hoope wij nu het laeste steen van breeme hier hebbe, die reeckenine loopen hooch, so doens die aen alle kanten,
14 december 1680, Margaretha aan Godard Adriaan
Kasteel Amerongen vanuit het oosten, foto: Annemiek Barnouw, 2020. Aan weerszijden van de centrale trap de beelden, rechts daarvan op de pilaren de ballen. Onder de beelden en de ballen liggen de klapmutsen en de dekstenen sluiten de muur af.
Het is twee en een halve week geleden dat Margaretha aan Godard Adriaan schreef en ze realiseert zich dat in haar laatste brieven ‘swaericheijt’ de boventoon voerde. Maar ja, wat moet je als het water maar niet wil zakken met stagnerende bouwwerkzaamheden tot gevolg. En dan zullen we het maar niet over de geldzorgen hebben. Gelukkig kan Margaretha nu positiever nieuws brengen: het is de hele week al prachtig weer! Dat betekent dat het werk bij de steenoven, het metselwerk én het graafwerk flink gevorderd zijn.
rec.a 19e Maij Amerongen den 11/1 meij 1680
Mijn heer en lieste hartge
uhEd aengenaeme vande Eerste deeser heb ick ter rechter tijt ontfange, het is mij leet ick in mijne voorgaende ija tot mijne laeste in kluijs niet ande heb konne schrij als van swaericheijt en dat men hier met geen werck voort en kost, nu sal ick segge dat wij dees heelle weeck seer schoon weer hebbe gehadt inde welcke ons werck so wel op de steen oven alst metsel werck ende graefvers heel wel hebbe ge= vordert, [moogen wij sulcken weer wat houden]
Over bouwen in het algemeen. Uit: Georgica curiosa : das ist: Umständlicher Bericht … von dem adelichen Land- und Feldleben, Wolf Helmhard von Hohberg, 1682. Collectie Heinrich Heine Universität Düsseldorf
Het water zakt
Vanwege het mooie weer, is het water gelukkig ook aan het zakken. Zoveel zelfs dat ze de sluis vandaag open heeft laten zetten. Hierdoor zijn de binnen weiden al weer bijna droog. De uiterwaarden drogen ook op, maar daar heeft men nog niet zo veel aan. Het gras is zwart van het slib en stinkt zo erg dat mensen hun vee er niet op kunnen laten grazen. Dat brengt nieuwe zorgen met zich mee, want het droogvoer is op.
[kort maecke,] het water dat hier op al de wtter waerde heeft gestaen, is heel aent valle en so dat van daech de sluijse heb doen open sette waer door de binne weije die voort meerendeel vant wel waeter onder stonde, bij naest weer drooch sijn, de buijte waerde sijnt water wel quijt maert gras is so swart en vol slib en stinckt so seer datter geen mense haer beeste op derfve brenge, daerse seer over lamenteere want sijn wt gevoert en weete geen wech met de beeste,
Natuurlijk moeten Margaretha en Godard Adriaan het ook in deze brief even over geld hebben. Margaretha verwacht dat ontvanger De Leeuw uit Utrecht binnenkort 4000 gulden zal betalen. Als zij dat geld heeft ontvangen, kan ze weer een flinke som geld, nog eens 1000 gulden, betalen aan hun bankier, de heer Temminck in Amsterdam.
ick heb den ontfange, de leuw tot wttrecht adver= =tensie doen geefve vane ordinansi van 4000f die op sijn kantoor sal koome te betaelle, die penin =ge ontfange hebbende sal ick weer Een goede some gelt aende heer teminck tot Amsterdam sende die ons bij de duijsent gulde heeft ver schooten,en t ick sal maecke hij weer duijsent gul tot betaeline van uhEd te treckene wissels in hande hout, bedancke deselfve seer voorde goede sorchge die hij belieft te drage, [dat de twee]
Margaretha hopt van onderwerp naar onderwerp. Ze heeft een hoop te bespreken. Na het geld zijn uiteraard de stenen aan de beurt. Eerder schreef ze dat de twee bestelde beelden en een lading hardsteen onderweg zijn vanuit Amsterdam naar Amerongen. Nu heeft ze gehoord dat er ook een lading van 600 stenen voor de heer van Renswoude bij zit. Wat moet ze hier in vredesnaam mee? Ze zal zelf aan hem schrijven waar ze de 600 stenen naartoe moet sturen en hoe. Gelukkig voor haar blijkt dat niet nodig. Aan het eind van de brief vermeldt ze dat de vloerstenen naar Den Haag moeten.
[sorchge die hij belieft te drage,] dat de twee beelde en verdere hartsteen tot Amsterdam is aengekoome en voort op wech is om hier te brenge heb ick uhEd met de laeste post geschree ock 600 vroersteene die ick hoore voorde heer van rhijnswou1Johan van Reede van Renswoude te sijn, hoe ick die voort sal krijge of waerse moete sijn weete niet sal daer over aende heer van rhijnswoude schrijfve, [hoope ock dat]
De brief is natuurlijk niet compleet zonder een update over de soap met de kerkenraad. Margaretha besteedt er maar liefst anderhalve pagina aan. Zoon Godard is nu nog in Den Haag, maar had haar beloofd bij terugkomst naar de zaak te kijken. Ook zou hij er met een theoloog uit Leiden over praten. Maar er is sprake van een kink in de kabel. Zijne Hoogheid Willem III vertrekt komende week naar Soestdijk en de Veluwe. Daar moet Godard van Ginkel bij zijn. Daarnaast staat de kerkenraad op punt van veranderen en het geschil moet natuurlijk afgewikkeld worden met de huidige kerkenraad. Margaretha wil het geschil graag opgelost hebben, maar is nog steeds heel zeker van haar gelijk. Zoals ze afgelopen winter al een aantal keer tegen hun zoon heeft gezegd, is ze bereid de predikant vanuit de grond van haar hart te vergeven.
den heer van ginckel is noch inde haech, heeft mij belooft op sijnhEd weer komste al hier het werck van preedikant bij de en kerckenraet bij de hant te neeme en sien wat daer in te doen staet, ock dat hij met teoligante2Theologant: Godgeleerde, theoloog so tot leijden als Elders daer over sou spreecke om te sien hoe wa daer met de beste forme en manier af sulle koome, maer vermidts ick hoor sijn hoocheijt inde aenstaende weeck naer soesdijck en voort naerde veelu gaet en gelijck uhEd weet de heer van ginckel dan moet present sijn en op passe, [weet]
[sien hoement maeckt,] ondertusche bid ick en mij te geloofve en te vertrouwe dat so veel mij aengaet ick geensins soeck de kleijni =heijt vande preedickant of gedenck aent geen hij mij heeft gedaen dat sal ick seer gaerne aen Een sijde stelle en hem wt gront van mijn hart vergeefve, en niet liefver sien als dat al dit werck in minne mocht bij geleijt worde welcke aende heer van ginckel deese winter
verscheijde maelle heb geseijt, de advijse die ick vande advokaete en rechtgeleerde heb genoome is niet wt Een partiekuliere pasie die ick teegens den preedikant of kerckenraet heb maer op uhEd begeerte en ock het segge van deen en dande die meende sulcke prosiduere bij den heer niet hoorde geleede te worden
Gezicht op de Bovenpolder te Amerongen, uit het westen, met op de achtergrond de toren van de Andrieskerk en het Kasteel Amerongen. Fotograaf: onbekend. Collectie: Het Utrechts Archief.
Laatste mededelingen
Na de afsluiting van haar brief, volgen er toch nog een paar mededelingen die dicht op elkaar zijn neergepend. Eerst wat lieve berichten van de kleinkinderen. Godertje wil graag dat Margaretha zijn nederige dienst aan opa overbrengt en hij wil weten hoe het met Godard Adriaans gezondheid is. Ook Annetje en Reiniertje komen hun nederigheid tonen. Tot slot komt Margaretha terug op de 4000 gulden die ze eerder in de brief noemde. De Leeuw laat weten dat hij ze niet eerder kan betalen dan over een maand. Daar zijn ze mooi klaar mee.
de heer van rheijnsou daer so een brief van ontfange begeert sijn vloersteen inde haech salse sijnhEd daer sien te bestelle, en blijfve
Mijn heer en lieste hartge
godertge komt en begeert ick sijn oot moedige dienst sal preesenteere aen groote papa en vrage hoet met groote papa gesontheijt is, en versoecke dat den heer blansche en jeneken niemant toch goede sorchge voor groote papa sulle drage dat hij wel gedient mach worde Antge en reijniertge preesenteer van gelijcke haere oot moedigen dienst, den ontfange de leuw laet mij weete niet Eer de bekende 4000f te konne betaelle als inde tijt van Een maent
Margaretha valt maar weer eens gelijk met de deur in huis: ze is blij met de ingeleide procuratie (machtiging) want nu kan secretaris Van den Doorslag bij de leenkamer in Arnhem het aangekochte land overschrijven. Dit is interessant, want een machtiging zijn we nog niet eerder tegen gekomen. Bovendien gaat deze machtiging naar de secretaris en niet naar Margaretha. Eigenlijk zie je dat Margaretha volledig handelingsbekwaam wordt geacht: ze regelt de financiën van haar man als hij op missie is, ze beheert het budget voor de herbouw van het huis en ze koopt en verpacht land. Maar voor dit laatste stukje, de officiële overschrijving, is er toch een machtiging nodig. Of Margaretha niet zelf kan of wil weten we niet. Ook niet of zij zonder machtiging naar de leenkamer had gekund, maar kennelijk kan zij de secretaris niet machtigen.
[reca. 26.februarij] Ameronge den 14/4 febrij 1680
Mijn heer en lieste hartge beijde uhEd aengenaeme vande 21/31 pasato en 4 febrijwa heb ick deese weeck met de ingeleijde proockuraesie ontfange, daer de seeckreetaris meede naer Aernhem sal gaen ,
Margaretha gaat vervolgens in op het aangekochte land (van Cornelis Verweij), maar ze vertelt ook hoe het staat met de verpachting van de verschillende stukken land. De verpachtingen verlopen moeizaam: ze kan geen mensen vinden die het voor het bedrag waarvoor ze grond en boerderijen eigenlijk zou willen verpachten. Het zijn zware tijden.
[Eijgen is,] de lange waert is alsnoch aen ons soot blijft sulle wij die moeten hoeijen, konent voor Een ijaer besoecken, men kant niet geloofve hoet hier met de landerijen gaet daer sijn so weijnich schaeren dat ick vrees genootsaeckt te sulle sij noch beeste ge moete koope omt sant te bescha =eren, de bouwerij oft huijs van joost van omeren daer wij gewoont hebbe te kan ick noch niet verhu =eren ock de bolle niet daer so weijnich voor ge= boode wort dat ick gereesolveert ben noch al Een ijaer te talmen en sien wat daer van kan maecke, [nu ick mijn reecknin op heb gemaeckt]
Hoewel het nog erg vuil weer is, zal er binnenkort weer hard gewerkt worden, dus Margaretha zou het fijn vinden als Godard Adriaan even naar de voorstellen kan kijken. Uiteindelijke heeft Margaretha de uitnodiging om naar Amsterdam te gaan toch aangenomen, alleen heeft ze er natuurlijk weer een nuttig bezoek van gemaakt. Ze is bij Temminck en bij Schut geweest en met de laatste heeft ze het vooral over hout gehad. Hij had nog geen opdracht gehad om hout te kopen voor onder het leien dak, dat heeft Margaretha hem dus nog maar even gegeven.
ick heb uhEd met de laeste post geschreefve dat de heer en vrouwe van bransenburch en ginckel hier sijnde seer begeerde ick met haer Een keer nae Amsterdam soude doen het welcke wel gemeent hadt te Exskuseere maer kost het niet afweese ben met daer Eenen dach geweest, alwaer teminck en schut heb gesproocke van al onse affaerees, den laeste seijde tot dien tijt geen last te hebbe om Eenich hout te koopen ijae selfs niet tot de deelle die ondert leijdack moete sijn, en nootsaecklijck droochge deelle moeten weesen
heb hem nu apseluijte last gegeefve die te koope
De Amstel bij de Blauwbrug, Jan van Kessel, 1664. Collectie: Stadsarchief Amsterdam. Het vijfde huis van rechts voor het open erf werd gebouwd door Hendrik Schut en door hem bewoond.
Resthout
Daarnaast hebben ze overlegd wat te doen met de 24 blokken hout die nog bij de zaagmolen liggen. Margaretha denkt dat ze er te weinig geld voor krijgt, dus ze kunnen ze altijd nog gebruiken onder het pannendak of anders voor de boeren huizen die ze nog in het dorp moeten timmeren.
[heb hem nu apseluijte last gegeefve die te koope] en overleijt wat men verders met de 24 blocke hout die daer noch aende saech moolle legge sal doen, verstaen dat die niet meer als 9 a 10 f, het stuck konne gelde dat mijns oordeels veel te weijnich is, heb hem geseijt die noch te houde, en voor Eerst daer wt te saechge de latte die ondert panne dack van noode sule sijn, het overijge sal ons so die niet bequaem sijn tot deelle tot de solderin vande stal, wel tot boere huijse die wij noch int dorp sulle metter tijt moete timere wel te pas koome , sulle, [dat den heere keurvorst uhEd so veel]
De paltrokmolen “de Kieviet” aan de Zaagmolensloot (later Gerard Doustraat), F.W. Zürcher, ca. 1875-1883. Collectie Stadsarchief Amsterdam.
Kwaliteitshout
Margaretha is zeer content met de hoeveelheid hout die van de Keurvorst van Brandenburg komt. Ze hoopt alleen wel dat het kwaliteitshout is: gaaf en zonder knoesten. Schut waarschuwt ook dat ze recht gezaagd moeten worden, want als er bij het kantrechten (het recht zagen of hakken van de bolle kanten van de stam) niet opgelet wordt, verlies je veel hout! Ze is al bezig met de vloer van het salet (de grote zaal): er zijn meer planken nodig dan de breedte van de zaal, want de planken zullen nog krimpen.
[, sulle,] dat den heere keurvorst uhEd so veel pruijse deelle heeft verEert sal ons heel wel koomen hoope die gaef en sonder knoeste sulle sijn, schut seijt ock dat imers en voor al wel dient gelet te worde dat de pruijse deelle recht gesaecht worde want dat die anders te veel int kant rechte vande selfve verliese daer sulle ock al Eenige meer als tot het belegge van breete vant salet moete sijn voort krimpe vande deelle, [ick wilde niet]
Molens “de Oranjeboom”, “de Zwaan”, en “de Jonge Visscher”, Cornelis Pronk, 1741. Collectie Amsterdams Archief. Het hout voor Amerongen werd bij “de Jonge Visscher” gezaagd.
Paardenmarkt
Al met al was het dus een heel erg zinvol bezoek aan Amsterdam. Zoon en schoondochter en de Brantsenburgjes zijn inmiddels weer weg, maar Van Ginkel komt komende week nog weer langs om naar de Utrechtse paardenmarkt te gaan.
[voort krimpe vande deelle,] ick wilde niet of waer tot Amsterdam geweest dat ick met schut gesproocke heb is de reijs wel waert de heer en vrou van bransenburch sijn Eergis =teren vertrocke, de heer en vrou van ginckel vandaech, doch d heer van ginckel komt int laest vande toekoomende weeck weer om
Margaretha had gehoopt dat Godard Adriaan in de zomer thuis zou komen, maar in de diplomatieke stoelendans is zijn naam weer eens genoemd. Het schijnt dat Everard van Weede van Dijkeveld naar Spanje gaat en Godard Adriaan zou naar Denemarken gaan. Cornelis van Aerssen van Sommelsdijk zou dan naar Frankrijk gaan. Het schijnt dat Van Beuningen zich daar hard voor gemaakt heeft, onder invloed van drie dames die samen lijken te spannnen. Volgens Margaretha wordt daar erg om gelachen. Cornelis van Aerssen schijnt in de Ridderschap van Holland te willen, Margaretha denkt niet dat hem dat zal lukken.
[op de wttrechtse paerde mart te gaen,] ick had gehoopt uhEd teegens de soomer weer hier sou =de geweest sijn, maer hoore dat men inde haech spreeckt van Een Ambassaede naer spange en naer deenmercke te sende de Eerste wort gesproocke vande heer van dijckvelt te sende en, de ander van uhEd voort naer deenmercke ,den heer van someldijck seijt me dat naer vranckrijck voor ordinaris Ambassadeur gaet dat van beuninge soude bestelt hebbe gedreefve sijnde door sijentge feerens1Onbekend , en besteecke door de vrou van potshoeck2Onbekend ende vrou van langeraeck3Anna Juliana Ferens die geduerich bij Een sijn, hier wort als uhEd kan dencke seer om gelachge
Cornelis van Aerssen (1637-88), heer van Sommelsdijk, Anoniem, ca. 1680. Collectie Rijksmuseum.
Jicht
De keurvorst van Brandenburg blijkt aan jicht te lijden en uiteraard leeft Margaretha met hem mee. Oh, en van Michiel Matthias Smidts hoort Margaretha ook niets, die zit waarschijnlijk nog in Breda. Waarom ze deze brief afscheid neemt van de hoogedelgeboren heer en niet van ‘Mijn heer’ zullen we waarschijnlijk nooit weten.
dat de liede seer swaer sal valle, het doet mij van harte leet men heer de keurvorst weer aent poodegra leijt de heer almachtich wil sijn keurforstlijcke pijne verlichte, inwiens heijlige bescherminge uhEd beveelle, blijfve
hoochEdelgeboore heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
van boumeester hoor ick niet geloof hij noch te breeda is
Frederik Willem I van Brandenburg, toegeschreven aan R. van Langenfeld. Collectie Kasteel Amerongen