Het is een beetje stil hier. Het is niet zo dat wij (de schrijvers van het blog) het bijltje erbij neer gegooid hebben, maar er zijn gewoon even geen brieven. De laatste brief die we hebben is van 23 december 1676. De volgende is pas weer van 23 februari 1677. Waarom weten we eigenlijk niet.
We hebben nog gecheckt of Godard Adriaan misschien rond de jaarwisseling in de Republiek geweest is, maar nee, hij bleef op zijn post. Er zijn in de laatste dagen van 1676 en in de eerste maanden van 1677 ook geen dingen gebeurd die zo controversieel zijn dat er niet geschreven werd of dat Godard Adriaan haar brieven heeft vernietigd. Ook in de brieven is er geen aanknopingspunt, er wordt niet geschreven over slecht lopende post of missende brieven.
Zijn er verder wel brieven?
Van Ginkel schreef zijn vader een stuk minder regelmatig dan zijn moeder, maar ook voor hem geldt hetzelfde gat. Zijn laatste brief is van 19 december 1676 en de volgende is van 26 februari 1677. Ook van secretaris Godard van den Doorslagh zijn in deze periode geen brieven bewaard gebleven. Zijn laatste brief is van 16/6 december 1676. Bij hem duurt het alleen tot begin april voor we weer een volgende brief hebben.
Speculaties
We kunnen natuurlijk speculeren. Het was winter, misschien bevroor de inkt in hun pennen. Maar dan lopen we eigenlijk op de zaken vooruit. We kunnen de oorzaak ook bij de ontvanger zoeken. Ik ben zelf bijvoorbeeld iemand die best nog wel eens een kop koffie omstoot over belangrijke papieren, die toevallig op tafel liggen. Daar heb ik ook echt alle begrip voor. Ik heb ook ooit een kat gehad die op blauwe enveloppen plaste. Kon niemand wat aan doen. Maar het is eigenlijk ook helemaal niet erg om dingen niet te weten. We gunnen Godard Adriaan en Margaretha ook gewoon wat privacy. Bovendien zijn wij allemaal best druk met werk(-zaamheden).
Tips!
Aangezien er in die twee maanden verder ook weinig gebeurde wat opzienbarend was, kan het maar zo zijn dat we stil zijn tot 23 februari. Als één van onze lezers een idee heeft voor een onderwerp, laat het vooral weten! Beloven kunnen we niets, maar niet geschoten is altijd mis!
Fragment uit Trijn Antijddorst, Geb: Koffijlief. / Hoofdvrouw van het koffijzusters gezelschap. / Hans Altyddorst. / Hoofdman van het bierdrinkers gezelschap Monogrammist B (prentmaker), 1836 – 1849. Collectie Rijksmuseum.
Op 22 december 1676 heeft Margaretha een brief ontvangen die Godard Adriaan heeft geschreven op de zestiende van deze maand. Op 23 december 1676 heeft ze een brief ontvangen die op 13 december is opgesteld door Godard Adriaan. Veel om op te antwoorden en om te vertellen!
Het doet Margaretha veel plezier dat haar Godard Adriaan zich goed voelt, ondanks de felle kou in Bremen. Margaretha vindt het fijn dat Godard Adriaans ontvangst van de Keizerse Ambassadeurs zo goed gegaan is en hoopt dat de zaken daardoor verder voorspoedig lopen. Dat zou voor alle partijen bevredigend zijn, schrijft Margaretha, hoewel ze vreest dat het geen eenvoudige zaak zal zijn.
Ameronge den 23 deesem 1676 [rec. den 30. dito]
Mijn heer en lieste hartge
uhEd mesiefve vande 16 deeser heb ick gisteren ontfange en heeden die vande 13 deese, het is mij seer lief daer wt te sien dat uhEd in deese felle koude sich noch so wel bevint, en dat het tracktement vande keijserse Ambasadeus so wel is vergaen, en voor al dat de heere afgesante aldaer haer over
In Amerongen
In Amerongen vriest het nog steeds en er valt dagelijks veel sneeuw. De kinderen zijn grote papa dankbaar voor de goede zorgen die hij voor hen doet. Margaretha hoopt dat Godard Adriaan binnenkort wel thuis zal zijn. Tijdens het realiseren van de kelders onder de voorburcht zou het namelijk wel handig zijn dat hij ter plekke is om keuzes te maken.
De molen
Een dag eerder zijn de molenaar en zijn vrouw bij Margaretha langs geweest om de koop van de molen te bespreken. Margaretha heeft hen 3000 gulden geboden. Het molenaarsechtpaar wil er liever 3500 gulden voor krijgen. De molenaars zitten verlegen om gelde en hebben alles wat zij bezitten al in de ‘lombert verset’. Ze hebben al hun bezittingen dus verpand. De molenaars vrezen dat hun bezittingen binnen twee weken echter wel verkocht zullen worden.
[op de reevier doch slaplijck ,] de moolenaer is met sijn vrou gisteren bij mij geweest en vande koop vande moolen gesproocke, ick heb haer 3000f gebooden sij laetense mij voor 3500f, sij sijn seer verleegen om gelt hebben alles wat sij hebbe tot wijck inde lombert verset dat sij vreese inde toekoomen weeck of de weeck daer aen verkocht sal worden, [sodat en kor=]
Margaretha vindt dat ze de molen niet moeten laten ontgaan. Ze realiseert zich dat het een grote aankoop is. Bovendien verwacht Margaretha ook nog wel kosten om de molen op te knappen. Zonder reparaties zullen ze geen winst maken als ze de molen zouden kopen.
Margaretha heeft Schut, Rietveld en de metselaar Jan Jansen al hun rekeningen betaald voordat zij vertrokken. Daardoor zit Margaretha nu volledig zonder geld. Ze heeft alleen de gebruikelijke toelage ontvangen van Godard Adriaan. Ze had gehoopt een deel te krijgen van Godard Adriaans’ traktement als superintendent van de ridderschap. Helaas heeft ze niks anders ontvangen dan de belofte dat tegen kerst betaald wordt.
[konne trecken, sulle haellen,] ick heb schut en rietvelt en ijan ijanse metselaer alhier haer reeckenine ten volle voor haer vertreck af betaelt waerdoor mij van gelt teenemal ont bloot heb en alles op onfange wat ick krijge kost, had gehoopt van uhEd tracktement als supreetendent vande ridderschap wat te ontfange maer heb niet konne krijge dan de reuver heeft mij belooft teegens korsmis te betaelle waer op Monseu beusekom mij 700f heeft verstreckt [die hij vant Eerste gelt dat ons vande reuver]
Gelukkig heeft Nicolaas van Beusichem Margaretha 700 gulden gegeven, die hij zal aftrekken van bedrag van de Ridderschap, als hij dat binnen krijgt. Daarnaast moet steenhandelaar Ot Barendsen nog betaald worden, daar staat nog een rekening open van 1400 gulden. Barendsen wacht al meer dan twee maanden op zijn geld, in de brief van 18 oktober 1676 schrijft Margaretha al dat Barendsen maar even moet wachten.
Overzicht
Margaretha heeft in Amsterdam 2000 gulden met rente geleend. Ze gaat er nu eens goed voor zitten om een financieel overzicht te maken. Zo hoopt ze inzichtelijk te krijgen wat ze nou daadwerkelijk heeft ontvangen en uitgegeven aan de timmerage, de bouw van het huis. Het zal wel behoorlijk hoog oplopen, het is het zwaarste financiële jaar tot nu toe voor de Van Reede’s. Als het dak en de vloer nou eens dicht waren, en ook de ramen in het huis zouden zitten, dan zou het allemaal een stuk makkelijker worden. Dan zouden de kosten beter gespreid kunnen spreiden terwijl ze het huis verder af maken. Er is nog geen haast bij is, maar binnenkort zal Schut of iemand anders hout voor de deuren moeten kopen. Zodat alles in het huis goed droog kan worden en blijven.
Verder zijn er nog wat schulden en zijn er een paar rekeningen waarvan Margaretha weet niet of ze al betaald zijn. Al met al een flinke boekhouding die Margaretha moet uitzoeken.
Aritmetica, Jacques de Gheyn (I) (mogelijk), na 1565 – in of voor 1582. Collectie Rijksmuseum.
Een fortuinlijk huwelijk?
Na de financiële passage in de brief verandert de toon van Margaretha dramatisch: ‘Verder, mijn liefste hart, moet ik met verdriet zeggen dat ik na de laatste brief die ik u schreef, deze week weer een brief van neef Welland heb ontvangen’.
Het zit Margaretha duidelijk niet lekker wat neef Welland van plan is. Margaretha is teleurgesteld in hem omdat hij niet persoonlijk bij haar is langsgekomen om het voorgenomen huwelijk met Eleonora Constantia van der Meijden met haar te bespreken. In plaats daarvan heeft hij per brief aan Margaretha verzocht om de kwestie aan Godard Adriaan per brief duidelijk te maken. Neef Welland verzekert zijn oom en tante dat de financiële middelen van Eleonora genoeg zijn om bij die van hemzelf te voegen. Welland heeft Margaretha niet verteld of het huwelijk daadwerkelijk door zal gaan.
voort mijn lieste hartge moet ick met leet weese segge naer dat ick uhEd laest geschreefve heb, deese weeck
weer Een brief vande heer van wellant ontfange te hebbe, in plaetse van dat hij selfver volgens mijn versoeck eens sou de overgekoome hebbe, waer in hij persijsteert in sijn in =tensie en versoeckt noch dat ick sijn inklenaesie bij uhEd toch smaecklijck wilde maecke, dat hij verseeckert is dat haer middelen suffisant sijn om de sijne te ackomodeeren
Jong paar en een oude vrouw met geldkist (Ongelijke liefde), anoniem, 1589 – 1607. Collectie Rijksmuseum.
Verloving
Van Beusichem heeft geschreven dat Welland afgelopen zondag in Utrecht in de kerk aan ieder die daar aanwezig was, zijn verloving met Eleonora bekend heeft gemaakt! De verbazing was groot bij de aanwezigen. En ook bij Margaretha, zij vindt het vooral vreemd hoe neef Welland dit allemaal aanpakt. Hij is oud genoeg om zelf beslissingen te nemen. Margaretha weet niet of er huwelijkse voorwaarden worden opgesteld en ze vreest dat Welland meer schulden heeft dan hij wil toegeven. Margaretha lijkt te impliceren dat het huwelijk vooral een financiële overweging zal zijn voor Welland. Het lesje moraal waarin Eleonora een aantal jaar geleden de hoofdrol speelde zal waarschijnlijk weinig indruk hebben gemaakt op de toen zestienjarige Welland.
[=gen sal,] ick hoor van geen houwelijckse voorwaerde of hij wel sonder die sou trouwe, ick vrees hij vrij meer schulde heeft als hij heeft wille weete, wij sulle ock Eens omt ons dienen te dencken, ick beken tis bedroeft dan wat kone wij doen alst weesen moet ist noch beeter van susters kin deren als van Eijgen, de heer almachtich wil al de onse voor sulcke laesge gedachte behoede, en uhEd in sijn heijli =ge bescherminge neemen, verseeckert sijnde dat ick ben
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
de luijtenants vrou juffrou anna kroot is inde kraem sijnde Een halfven dach verlost gestorfven, de jonge lapoote die met de dochter van spronse getrout was, is sijn vrou quijt en weer weedunaer
Margaretha schrijft dat dit soort fratsen maar beter door de kinderen van je zus kunnen worden uitgehaald, dan dat je eigen kind je met zulke kopzorgen opzadelt. Ze vindt het bedroevend om over de hele situatie na te denken. Gelukkig wil de almachtige Heer hen behoeden voor zulke nare gedachtes. Daarna sluit Margaretha zoals altijd vol liefde haar brief af die vervolgd worden door zeer uiteenlopende p.s.-jes.
Uiteenlopende P.S.-jes
De eerste p.s. is geen vrolijke laatste noot. De vrouw van de luitenant, Anna Kroot, is helaas gestorven. Een halve dag nadat zij is bevallen, is zij helaas overleden. Ook de jonge Laporte is helaas voor de twee keer weduwnaar geworden.
Back to business. Margaretha stuurt op het einde van haar brief aan om de molen te kopen. Ze doet daarbij ook gelijk een voorstel hoe ze dat het beste kunnen doen. Als zij de molen kopen en de verkoopt bij decreet, dus in bevel van de overheid, laten regelen. Dan kan hetzelfde decreet gebruikt worden om de transactie te doen. Dan is het goed geregeld en altijd voor iedereen rechtsgeldig.
De vissen in de gracht houden zich gelukkig in het diepe gedeelte, waardoor de kans op overleven groter is.
Hoewel de mening van Godard Adriaan over de voorburcht duidelijk is, zou het toch makkelijk zijn als hij het even formeel goedkeurt.
Op een los papiertje dat bij de brief is gevoegd zijn de afmetingen van de Grote Zaal van Kasteel Middachten geschreven. Deze is 42 voet lang en 24 voet breed.
Het is koud op Amerongen, bitter koud. Het is in jaren niet zo koud geweest. Nou ja, als Godard Adriaan het zegt, misschien is het in Bremen nog wel kouder, vooruit dan maar. Maar het heeft de afgelopen nacht op Amerongen zo hard gevroren dat het ijs meer dan een halve voet dikker is geworden. Meer dan 15 centimeter erbij dus. Ideale schaatsomstandigheden, maar daar staat Margaretha’s hoofd niet naar. De vissen in de gracht, dat is haar grote zorg! Ze heeft twee man aan het werk gezet om de bijten in de gracht open te houden zodat de vissen het overleven. Als die aan het ene eind klaar zijn met hakken, is het andere eind al weer dichtgevroren en kunnen ze opnieuw beginnen.
[rec. 27. Dito] Ameronge den 16 deesem 1676
Mijn heer en lieste hartge uhEd mesiefve vande 9 deeser is mij behandicht, en beklaechge deselfve in deese felle koude, geloof het daer vrij felder is als hier, hoewel de vorst ons so hart aen stast alse in Eenige ijaeren her= waert heeft gedaen, t heeft hier deese nacht meer als Een halfve voet dickte gevroore ent water kontiniweert noch te valle, so dat ick voor onse vis inde grafte vrees, twee mense hebbe gestadich en heelen dach werck te bijten als sijt opt, Een ent open hebbe leijt het opt ander weer toe, veel kleijne vis stef sterfter die int bijten aent ijs blijft hange, maer als noch weijnich groote, [ick laet vermidts hier geen sijn, Een modder]
Een man bijt een wak om vissen te vangen, Fragment uit: IJsvermaak bij een stad, Hendrik Avercamp, ca 1620. Collectie Rijksmuseum.
De winter van ‘76
Buisman citeert deze brief van Margaretha in ‘Duizend jaar weer, wind en water’ als bron voor de koudegolf van december 1676. Twee weken lang houdt deze strenge vorst aan. En niet alleen in Amerongen: zo is de trekvaart van Haarlem naar Leiden dichtgevroren.
Margaretha doet haar uiterste best om de vis te laten overleven. Ze wil een baggeraar uit een veengebied laten komen om kuilen in de gracht uit te baggeren. De vissen hebben in de diepte meer overlevingskans. Ze doet alles wat ze kan, maar er zijn grenzen en bovendien ‘heb ock wercks genoech de kindere warm te houde’.
[groote,] ick laet vermidts hier geen sijn, Een modder man wt t veen koomen om te sien of hij geen wije kuijlle sou konne wt haelle om de diepte te hebbe daer de vis haer in kost berge, in soma ick doe al wat ick kan, moet het voort op geefve heb ock wercks genoech de kinderen warm te houde
Interieur met kinderen en vrouwen voor de haard toegeschreven aan Eugène François de Block, 1840 – 1842. Collectie Rijksmuseum.
Het dak
Ondertussen wordt er nog steeds gewerkt aan het huis. De leidekkers zijn bezig met het solderen van de loden goten rond het huis, dat hebben ze vandaag af. Dan moeten ze verder met het dichten van de openingen tussen de verschillende daken op het huis maar dat is ook maar werk voor een dag of twee. Verder is er voor de rest van het jaar weinig te doen. Schut en Rietvelt zijn naar Amsterdam.
gu de leijdeckers sijn noch beesich int soudeere vande loode goote die buijten omt huijs legge krijgense vandaech gedaen, dan moetense de kille voort
dicht maecken dat ock in Een dach al twee sal gedaen sijn, aende rest is niet geleege, dat kan sose segge geen schade doen, salder dan laete wt scheijde tot het voor ijaer want tis schande so weijnich alse doen gisteren is schut en riet velt vertrocke en naer Amsterdam gegaen, [de teijckenin die hier neffens]
Weer tekeningen
Schut heeft voor zijn vertrek nog een tekening van de voorburcht gemaakt die Margaretha met haar brief meestuurt. Van Ginkel is van mening dat de voorburcht vierkant moet worden en heeft de tekening al bekeken. Schut was het daarmee eens en nu moet Godard Adriaan er maar eens naar kijken. Eigenlijk moet hij het ook zelf ter plaatse komen bekijken voordat er iets gedaan kan worden. Alles is nu opgeruimd en het is indrukwekkend. Van Ginkel is enthousiast, hij vindt het ‘seer manifijck en fraeij’.
[Amsterdam gegaen,] de teijckenin die hier neffens gaet heeft schut voor sijn vertreck gemaeckt daer de seekretaris uhEd hier nefens bericht van doet , de heer van ginckel die gistere weer naer Middach is gegaen deese teijckenin gesien hebbende vintse wel goet maer oordeelt dat het voorburch behoorde vier kant inde haeck te koome, het welcke schut hetselfe aengeweese sijnde heel goet keurde, uhEd belieft sijn speekulasie daer op te neemen, daer is tijt ge noech toe want daer kan mijns oordeels al heel niet in gedaen worde voor uhEd het selfs op de plaetse siet, nu het nieu geboude huijs opgeruijmt is geeft het Een groote ruijmte en vindt den heer van ginckel het seer manifijck en fraeij, [met de meule]
Het algehele plan van het huijs te Amerongen met zijn tuinen en plantages, Anco Wigboldus, 1941. Collectie Kasteel Amerongen. Op deze afbeelding is de vierkante, maar scheef ten opzichte van het huis liggende voorburcht goed te zien.
De molen
Margaretha heeft nog weinig tijd gehad voor de molen, maar ze gaat er achteraan. Ze zal informeren of ze de betaling in termijnen mag doen en dan beginnen met duizend gulden. Minder kan niet, want ‘die mense sijn so arm als Jop en worde van haer schuldenaers van alle kante overvalle’. Die duizend gulden zullen dus direct naar de schuldeisers gaan en mogelijk eindigt de molenaar en zijn gezin dan alsnog, zoals de Bijbelse Job1Job 2, op de mesthoop. Want Margaretha gaat op zoek naar een andere molenaar. Schut en Rietvelt hebben de molen, de rosmolen en het huis al geïnspecteerd en naar hun oordeel gaan de reparaties zo’n 400 ducatons kosten.
[ginckel het seer manifijck en fraeij,] met de meule naer heb ick noch geen tijt gehadt sint het ontfang van uhEd brief te spreecke sal sien hoe ickt daer meede maecke en oft op termijne sal konne ver= =kocht worde, altijt geloof datter Een duijsentgul tot betaeline vande Eerste paeij sal moeten sijn want die mense sijn so arm als Jop2Job 1:21 en worde van haer schuldenaers van alle kante overvalle, ick heb de wint en rosmoolle van schut en rietvelt laete besien
daermen om de wint en rosmoolle met het huijs in gebruijcklijcke reeperaesie te brenge noch wel bijde vier hondert duijcketons aen te koste sal moeten hangen, dat is over de 1200f, Een goede moolenaer geloofve wij wel krijge sulle alstmaer so verde is, [den heer van wellant heeft aen mij ge=]
Margaretha heeft een brief gehad van neef Welland met het verzoek om een goedkeuring van pater familias Godard Adriaan voor zijn huwelijk. Zijn toekomstige vrouw is immers intelligent en niet onbemiddeld. De dame in kwestie is Eleonora Constantia van der Meijden. Ze is niet van adel en ze is weduwe, maar dat zijn geen zwaarwegende bezwaren tegen het huwelijk. Wat dan wel? Eleonora heeft zich door haar eerste echtgenoot laten schaken. Ze is dus zonder goedkeuring van haar ouders getrouwd en dat schandaal is algemeen bekend. ‘Ick heb hem geantwoort niet te konne begrijpen dat hij geen meer ambijsie heeft als so een vrou [….] te neemen die onder sijn kondijsij is, daer hem Godt met so veel aensienlijcke middelen heeft geseegent’. Kortom, Welland, kun je nu echt niets beters krijgen? Maar Margaretha vreest dat ‘het al te verde gekoomen is’.
[so verde is,] den heer van wellant heeft aen mij ge= schreefve versoeckt ick bij uhEd soude intersideere dat sijn geinklineerde houlijck beliefde goet te vinde also sij Een Persoon van seer groot verstant en middelen is , ick heb hem geantwoort niet te konne begrijpen dat hij geen meer ambijsie heeft als so Een vrou behalfve andere reedene te neemen die onder sijn kondijsie is, daer hem godt met so veel aensienlijcke middelen heeft geseegent, en versocht hij hem wel wilde bedencken Eer hij hem hier verder ingaesgeert op dat hem niet berout alst te laet sal sijn , maer naert segge vande werlt die daer inde haech so wel als te wttrecht den mont vol van hebbe, vrees ick dat het al te verde gekoome is , nu ick wilt beste hoopen, [opt geene de heer van]
Prins Willem is terug uit Zeeland en viel in Den Haag met zijn neus in de boter: een rel in de kerk waardoor hij genoodzaakt was om drie predikanten te schorsen. Van Ginkel heeft hem in Den Haag nog gesproken en kreeg een geruststellend bericht over zijn salaris. Geldproblemen alom….
In haar postscripten doet Margaretha nog de groeten van ‘ons kleijn geselschap’. Ze heeft Godart Adriaans brief van 12 december ontvangen en maakt daar nog even snel wat opmerkingen over. Maar ‘de post staet te vertrecke’, adieu voor vandaag!
al ons kleijn geselschap tot godert in kluijs preese teere haere dienst aen groote papa
Het blijft maar vriezen, en wel zo hard, dat Margaretha bang is dat de vis in de gracht het loodje zal leggen. Ze weet wel dat de vissen zich heel diep verstoppen, maar het water in de gracht blijft maar dalen. Dat komt doordat het water in de Rijn ook daalt. Ze laat de bijten goed in de gaten houden en verder laat ze het maar aan God over.
Ameronge den 12 deesem 1676
Mijn heer en lieste hartge met de laeste post heb ick die van uhEd beantwoort nu weet ick niet veel bij te brenge, als dat de vorst hier noch dagelijcks meer en meer kontiniweert en dat het so sterck vriest dat ick voor de vis die in onse grafte is bevreest ben het schijnt sij haer wel naer de diepte geeft maert water konti =weert so wech te valle datter geen water op de rievier of rhijn en blijft, en bij konsiqensie het water in onse grafte ock teenemael wel valt, ick laet genoech opt bijten inde grafte passe, moet het voort de heere beveelle, [onsen drost heeft te]
IJsgezicht met jager die een otter(tje) toont, Hendrick Avercamp, ca. 1625 – ca. 1630. Collectie Rijksmuseum.
Reuzenotter bijt reuzenkarper
Over vis gesproken: de drost heeft een otter gekocht die ze in Elst geschoten hebben. Hij is meer dan een meter lang, en had nog de kop van een karper van 8 pond in de bek. Margaretha is er blij om, want het lijkt erop dat de otter ook in de Amerongse slotgracht op zoek naar iets lekkers is geweest. Als het om vis gaat zijn in barre winters de mensen en de otters elkaars concurrenten.
[het voort de heere beveelle,] onsen drost heeft te Elst Een otter gekocht die sij daer geschooten hebbe die aldaer Een kerper1karperhe die over de achtpont weecht het hooft had af gebeeten die hij noch inde mont hadt, den otter is bij de twee Elle2Een el is ongeveer 67 cm lank tis goet sij die gekreechgen hebbe geloof hij in onse grafte ock wel is geweest, [meester schut is]
Schut is druk met tekenen en rekenen aan de plannen voor kelders onder de voorburcht (het voorplein). Om boven het grondwater te blijven zouden ze extra hoog moeten worden aangebracht, maar dat zou betekenen dat het hele plein ook hoger komt te liggen. Dat kan afbreuk doen aan het totaalbeeld van het kasteel, en bovendien zou je voortdurend trappen op en af moeten als je de tuin, het kasteel of de singels wil bereiken. Als het maar enigszins uitvoerbaar is, zou Margaretha ze daar toch wel graag willen hebben. Ze kreeg haar zin: ondertussen klimmen al enige eeuwen zowel bewoners als bezoekers onvermoeibaar de treden naar en van de voorburcht op en af.
want hij schut en de seekreetaris meenen dat die kelders niet pracktikakel sulle sijn om dat die water vrij diende te weesen, en daer toe te grooten hoochte verEijst wort dat voorburch so hooch te maecke meenense dat het huijs te min der toonen sal en Een mistant sal geefve dat men het voorburch met trappen op en neer na de steech vant huijs de singels en hoofve sou moe gaen, [alst bequaemlijck kost gevonde worde]
Het Huis te Amerongen met zijnen Voorhof volgens eene afteekening Den 28 November 1725, J. Stijnse (mogelijk J. Stellingerwerf). Collectie Koninklijke Verzamelingen, bron: Het Utrechts Archief. Duidelijk te zien is dat de voorburcht (hier voorhof genoemd) hoger ligt dan de rest van het terrein.
Garnizoenen voor ijsbewaking
Margaretha verwacht zoon Godard vandaag uit Den Haag. Hij zal wel snel door naar Middachten reizen, want hij heeft een brief van de prins bij zich waarmee hij mannen uit de garnizoenen in Arnhem, Doesburg, en zelfs Den Bosch, mag oproepen om de rivieren te helpen bewaken. Nu die bevroren raken moet natuurlijk voorkomen worden dat de Fransen, die nog steeds aanwezig zijn in de Zuidelijke Nederlanden, over het ijs naar het noorden kunnen steken. Daar zijn de ervaringen niet best mee… In het land van Maas en Waal zijn de mensen bang, want er komen verontrustende verhalen uit Maastricht.
[naer Amsterdam,] den heer van ginckel verwacht ick deesen avont wt den haech hier die wel voort weer naer Middachte sal moete hij heeft een ackte van sijn hoocheijt om in tijt van vorst dat de rieviere sitten gelijck se nu doen volckeren wnt de gernesoene3garnizoenen van Aernhem doesburch en des noots sijnde den bos4‘s-Hertogenbosch te lichte en daer mee wt te gaen om den vijant te keeren dat hij geen over last
Terug naar het huis: Jan Hendrikse is nog bezig om het lood in de goten en afwateringen aan te brengen. Dat neemt veel tijd, maar gelukkig is het nu droog weer. Ondertussen worden uit de steenoven de stenen gehaald die voor de daklijst gebruikt zullen gaan worden. Ze zijn heel goed hard geworden. Zo hard, dat er zelfs gevreesd wordt dat ze misschien niet meer te bewerken zijn. Harder dan hardsteen dus!
ijan henderixse den leijdecker5dakdekker is noch bee= =sich met het loot inde gooten en keelen6Keel (of Holkeel): Negatieve afrondingen die zowel esthetisch kunnen zijn (bijvoorbeeld bij sierlijsten) als praktisch kunnen zijn (bijvoorbeeld om een ophoping van water in een hoek te voorkomen) te legge dat vrij wat lan duert, dit weer dient hem heel wel daer toe, inde steen oven sijnse aent wt kruije vande groote steen die tot de lijst vant huijs gebacken is, die valt so schoon en hart tot verwonderin van Elck diese siet ijae, so dat men vreest sij die door de hardicheijt qualijck sulle kone hacke of houwe, [ick sou nu de Aerde]
De vorst bemoeilijkt ook het klaarmaken van de moestuin (“koolhof”). De grond is op de plek waar Margaretha extra aarde vandaan had willen halen te hard bevroren. Het zandlandje van Cornelis Verweij had een uitwijkmogelijkheid kunnen zijn, maar dat heeft hij net helemaal met graan ingezaaid. De oplossing hoopt Margaretha te vinden in de vijver die momenteel wordt uitgegraven tussen de wal en het veld met de steenovens. Nog lekker dichtbij ook.
[hacke of houwe,] ick sou nu de Aerde inde kool hof achter den blomhof laete rijde maer men kan niet inde aerde tis te hart gevroore, ock kanmen wt korneelis verweijs kamp geen sant haelle, vermit hijt vol wt met koorn beseijt heeft, wij sullent wt de begonne te graefvene vijfer die lans de wal tuschen de steenovens weij ent singe loopt moeten haelle dat ock wel so nae bij sal sijn, hiermeede blijfve
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
Boer aan het werk met een kruiwagen in het bos Anton Mauve, 1848 – 1888. Collectie Rijksmuseum.
1
karper
2
Een el is ongeveer 67 cm
3
garnizoenen
4
‘s-Hertogenbosch
5
dakdekker
6
Keel (of Holkeel): Negatieve afrondingen die zowel esthetisch kunnen zijn (bijvoorbeeld bij sierlijsten) als praktisch kunnen zijn (bijvoorbeeld om een ophoping van water in een hoek te voorkomen)
Er zijn twee brieven van Godard Adriaan bezorgd! Wel allemaal een dag later dan gewoonlijk. Margaretha vermoedt dat de postbezorging langer duurt vanwege het vriesweer. Ondanks de vorst is het mooi en bovendien droog weer. Fijn, dan kunnen de werklieden tenminste doorwerken aan de dakgoten.
beijde uhEd aengenaeme vande 2 en 5 deeser heb ick ont fange, de briefve koome nu alle Een dach laeter alse pleechge1Plegelijk: in overeenstemming met gewoonte of gebruik, gewoon, gebruikelijk geloof het door de vorst toekomt, het vriest hier sterck doch is schoon en drooch weer dat hier op ons werck te weete int legge vande gooten ent soudeere2Solderen vande selfve datse vandaech hebbe begonne te doen heel wel komt en naer wensch is[, so heeft het]
Goddelijke zegen
Margaretha is erg dankbaar voor het mooie weer dat ze tot nu toe hebben gehad. Uiteraard moet God daarvoor bedankt worden. Margaretha bidt dat God nog even doorgaat met het geven van zijn Goddelijke zegen.
[te doen heel wel komt en naer wensch is,] so heeft het weer ons op alles tot deeser Eure toe gedient daer wij godt niet genoech voor konne dancke, en bidde dat hij daer voort sijnen godlijcke seegen toe wil geefe
Oude vrouw in gebed, bekend als ‘Het gebed zonder end’, Nicolaes Maes (1634–1693), olieverf op doek, ca. 1656. Collectie Rijksmuseum.
Liever kwijt dan rijk
Margaretha begint al die werklieden om zich heen ook wel een beetje zat te worden. Gelukkig zijn de timmerlieden en metselaars nu klaar. De timmerlieden had ze gisteren nog even aan het werk gezet. Al het hout moest bij elkaar gebracht en ergens opgeslagen worden. Margaretha heeft, op advies van Schut, de opdracht gegeven om het hout op de plekken neer te leggen waar het uiteindelijk moet komen te liggen. Dat is trouwens niet veel meer, dat hout. Er is zóveel voor de kap gebruikt! Maar nu zijn alle werklieden weg, en dat vindt Margaretha geen enkel probleem.
al de metselaers en timerlie hebben haer afscheijt en sijn afbetaelt, de metselaers al inde voorleedene weeck en de timerlie gistere, ick heb ock alt hout dat overich is van alle kanten bij Een laete brenge en in goede bewaerine laete legge, dat niet veel is, uhEd sal hem verwonderen datter so weijnich hout over is maert tis ongelooflijck wat hout der tot de kap gegaen is, alde deelle heb ick opt huijs Elck daerse legge moete laete brenge en legge, schut oordeelt datse daer beeter drooge sulle als onder de loots
en men kander sich nu noch mee van diene met over de booven kamers met gemack te konne gaen, ick kan niet segge hoeblijde ick ben al dat volck voor deese tijt vande hals quijt te sijn3Hoogstwaarschijnlijk bedoelt Margaretha hiermee het tegenovergestelde van de uitdrukking ‘iemand op de hals hebben’ (met iemand opgescheept zitten). Ofwel: ze is blij dat ze van de werklieden verlost is ben die gaste wel moede
Kelders onder de voorburcht
Schut is bezig onder meer de grachten te ontwerpen. De tekeningen krijgt Godard Adriaan binnenkort opgestuurd. Godard Adriaan heeft blijkbaar ook zijn mening gegeven over de kelders onder de voorburcht. Wat hij daar precies over geschreven heeft is onbekend, maar Margaretha is er in ieder geval erg mee in haar nopjes. Maar ze houdt nog wel een grote slag om de arm. Door het verhogen van de voorburcht zouden ze kelders namelijk wel waterdicht blijven, maar zouden de grachten en de ‘hoofve’, waarschijnlijk de binnenplaats, aanzienlijk lager komen te liggen. En dat zou problemen kunnen opleveren. Gelukkig heeft het geen haast; er hoeft niet op stel en sprong een beslissing genomen te worden.
hij schut is beesich om de teijckenin vande singels ent verdere te maecke het welcke uhEd met de naeste post sal toegesonde worde, uhEd konsiderarsie4Consideratie: overweging weegens de kelders ondert voorburch gevalle mij heel wel, maer vrees daer noch al speekulaesie5Speculatie: beschouwing op sule valle somige meene alst voorburch so veel gehoocht wort dat de kel= =ders die der onder soude koome water vrij sulle sijn, dat het Een mistant door dien de singels de hoofve ende steech so veel lager sou koome, sal geefven, dan daer is noch geen haest bij[, hoope uhEd Eerme]
Kasteel Beverweerd vanuit het zuiden, Cornelis Pronk, 1731. Collectie Het Utrechts Archief. De voorburcht lag altijd voor het kasteel, maar achter de poort. Aan de voorburcht lagen belangrijke bijgebouwen zoals bijvoorbeeld de stallen. Op deze tekening van Kasteel Beverweerd zie je links het kasteel en via de brug kom je op een ommuurd terrein met wat gebouwen: de voorburcht.
Hardsteen
Voordat Margaretha overgaat op een ander onderwerp, moet ze nog één ding kwijt over de bouw van het huis: het is fantastisch dat Godard Adriaan het hardsteen heeft aanbesteed en volgens de werkbazen was het ook nog eens heel goedkoop! Ze hoopt wel dat de opdracht van Godard Adriaan niet verlengd wordt; hij moet eens met eigen ogen zien hoe het loopt met de (her)bouw van zijn voorouderlijk huis.
[dan daer is noch geen haest bij,] hoope uhEd Eerme so verkomt weer hier en bijt werck sal sijn, dat uhEd de hartseen so trape als ander heeft aenbesteet is heel goet, en so de baesen hier oordeelen heel goet koop, dat uhEd weer nieuwe ordere sijn toe gesonde hoope niet dat de komissie sal verlenge want voorde soomer deselfve wel Eens sal diene hier te sijn[, bij ockasie dat de fabrijckmeester]
De een z’n dood is de ander z’n brood
Architect Daniël Stalpaert is overleden. Of Margaretha hem persoonlijk kende is niet bekend. Waarom stelt ze Godard Adriaan dan op de hoogte van zijn dood? Omdat Schut heeft gevraagd of Godard Adriaan een brief wilde sturen aan Gillis Valckenier, één van de burgemeesters van Amsterdam, om Schut aan te bevelen. Stalpaert was namelijk stadsarchitect van Amsterdam – een functie die speciaal voor hem gecreëerd was, en die Schut héél graag wilde overnemen. Margaretha verwijst naar de functie als ‘fabrieksmeester’, een benaming die voortkomt uit de naam van het stedelijk bouwbedrijf in de 17de eeuw: stadsfabriek. Schut aast dus op, zoals we het tegenwoordig zouden noemen, een functie als Hoofd Publieke Werken. Het mocht uiteindelijk niet baten; de functie bleef vacant. Pas in 1746 werd er weer iemand aangesteld als stadsarchitect van Amsterdam.
[hier te sijn,] bij ockasie dat de fabrijckmeester van Amsterdam genaemt stalpert6Daniël Stalpaert doot is ver= soeckt onse Meester henderick schut dat uhE hem door Een brief aende burgemeester valckenier7Gillis Valckenier
beliefde te reeckomandeere tot de vakante plaets van fabrijckmeester van die stat geloof het hem wel diene sal en kan tot noch toe niet sien of hij is Een vroom Eerlijck man
Neef Welland heeft een brief aan Godard Adriaan verstuurd en heeft de inhoud kennelijk met Margaretha gedeeld. Margaretha is er nog al ontdaan van, al wordt niet duidelijk waarom. Ze begrijpt niet hoe een man van aanzienlijke stand zo diep kan zinken. Ze vreest dat ze nu wel moet geloven wat er over hem gezegd wordt, namelijk dat hij het meeste van zijn verstand uit boeken heeft. Wat neef Welland ook heeft geflikt, Margaretha had het nóóit van hem verwacht. Ze hoopt dat hij zich bedenkt en dat hij de goede raad die hij krijgt opvolgt.
nu moet ick segge in lange ijaeren niet meer ge= supreeneert8Supprimeren (?): Verdrukken te sijn als in den brief vande heer van wellant aen uhEd geschreefven, ist mooge= lijck dat Een man van kondijsie9Conditie: Van aanzienlijke stand tot sulcken ver val kan koomen, hier wt sou ick wel moete geloofe het geene van hem geoordeelt wort dat is dat sijn meeste verstant dat hij heeft hij wt de boecken halt ick beken Evenwel dit van hem noijt verwacht te hebben had altijt gedocht hij meer Ambijsie had nu sien ick wij op geen vriende Eenige staet konne maecken, doch wil noch hoope hij hem sal bedencke en goeden raet volgen[, de heer van ginckel die]
Uil met bril en boeken, Cornelis Bloemaert (II) (vermeld op object), ca. 1625. Collectie Rijksmuseum.
Het salaris van Van Ginkel
Zoon Van Ginkel ligt overhoop met de Gecommitteerde Raden van Holland; ze willen Van Ginkel niet het geld geven waar hij als commissaris-generaal recht op heeft. Ze betwisten zelfs de Staat van Oorlog! Hij is naar Den Haag vertrokken om te eisen waar hij recht op denkt te hebben. Hij neemt ook een door Godard Adriaan aan Welland gerichte brief mee. Als hij dan toch in de Hofstad is, kan hij die brief mooi persoonlijk aan Welland overhandigen. Margaretha is erg benieuwd naar diens reactie. Dan nog even terug naar het salaris van Van Ginkel: zoonlief heeft via via gehoord dat raadpensionaris Fagel er debet aan is dat hij tegengezeten wordt. Margaretha heeft hem aangeraden Gebrandt Sas van den Bossche in de arm te nemen. Ze maakt zich wat zorgen om de daadkrachtigheid van haar zoon.
[t qaelijcks koomen,] de heer van ginckel is ver witticht dat den heere raet pensionaeris hem in sijn verkreegene tracktement soude teegen sijn, het welcke niet kan geloofven, doch heb hem geraede dat hij den heere sas10Gerbrandt Sas van den Bossche inde arm soude neeme en voort alle meddelen11Middelen die te be dencke sijn soude gebruijcke, dit moet voorde komste van sijn hoocheijt die noch in seelant is afgedaen worde, wat aengaet het traech schrijfve vande heer van ginckel daer heeft uhE gelijck in, ick secht hem dickmaels, ock schijnt dat hij wat schu schrupeloos12Schrupeloos: twijfelmoedig is om sijn hooch in somige saecke veel aen te spreecke of moeijlijck mee te valle[, het wil met den]
Godard van Reede, Graaf van Athlone enz. Veldmaarschalk der Vereenigde Nederlanden, Jacob Houbraken, 1749-1754. Collectie Kasteel Amerongen. Meer over deze prent.
1
Plegelijk: in overeenstemming met gewoonte of gebruik, gewoon, gebruikelijk
2
Solderen
3
Hoogstwaarschijnlijk bedoelt Margaretha hiermee het tegenovergestelde van de uitdrukking ‘iemand op de hals hebben’ (met iemand opgescheept zitten). Ofwel: ze is blij dat ze van de werklieden verlost is
Een redelijk korte brief voor wat we gewend zijn van Margaretha, ze heeft Godard Adriaan immers eergisteren nog vier kantjes vol geschreven. Toen heeft ze de laatste brief die ze van Godard Adriaan heeft ontvangen beantwoordt, deze brief was van 28 november. Blijkbaar voelt Margaretha de noodzaak om haar echtgenoot nog wat dringend te verzoeken en wat laatste nieuws mee te delen over de vorderingen van het huis die in twee dagen zijn gemaakt.
Ameronge den 5 deesem 1676 [rec: 10. dito] Mijn heer en lieste hartge
uhEd laeste is geweest vande 28 Novem die ick met de post van voorleedene woonsdach heb beantwoort
Het dak
Het dak van het nieuw gebouwde huis is volledig dicht getimmerd met planken. De middelste kap is helemaal dicht, meldt Margaretha. De kap aan de westkant is aan beide zijden grotendeels met droge planken gedekt en stevig vast gespijkerd door de werklieden. Aan een deel van de noordzijde hebben de leidekkers met het lood een goot aangelegd. Wanneer de weersomstandigheden beter worden zullen zij verder gaan met het leggen van het dak. De planken aan de oostzijde en een deel van de noordzijde liggen voorlopig alleen ‘op wervels’, omdat ze nog niet droog genoeg zijn. Een klus die in de zomer verder moet worden gezet, schrijft Margaretha. In de zomer zullen de wervels moeten worden verwijderd en de planken goed worden vastgespijkerd.
nu is Eens het dack vant vant nieu geboude huijs met plancke overal dicht gedeckt, de grootste kap dat de middelste is, ende kap aende west sij is beijde meest met droochge deelle gedeckt en vast gespijckert ock Een gedeelte vande noortsijde daer de leijdeckers die aent legge vant loot inde goote sijn als dat gedaen is, ent weer toe laet aent leijdecke konne beginne, nu sijn de plancke vande oost sijde ent gedeelte vande noort sijde alleen opt dack op wervels geleijt om datse niet drooch genoech waere die te soomer weer sulle moete opgenoome worden, [de metselaers hebbe alle]
Het dak van Kasteel Amerongen vanuit de lucht, foto: Arie Reebergen, 2017.
Wervels
Margaretha schrijft dat de planken van het dak “op wervels liggen”. Dit betekent dat de planken niet direct op de spanten van het dak zijn bevestigd, maar in plaats daarvan op dwarsbalken zijn gelegd. De planken zijn daaraan bevestigd met wervels. We kunnen wervels vergelijken een vleugeltje van een vleugelmoer, maar dan van hout gemaakt. Deze wervels fungeerden als een tijdelijke bevestiging voor de planken. De planken moesten goed uitgedroogd zijn voordat ze op de definitieve manier bevestigd konden worden. Door een wervelte gebruiken beschadigde de plank minder.
De metselaars hebben hun werk afgerond. De timmerlieden zijn aan de west- en zuidzijde van het huis bezig om het huis in te pakken. Aan de steiger bevestigen zij planken zodat de wind, regen en sneeuw het nieuw gebouwde deel niet beschadigen. Hierdoor kan hopelijk het nieuw bevestigde hout in het huis goed drogen en wordt de kans op houtrot verminderd. Helaas kan niet het hele huis worden ingepakt. Margaretha schrijft dat ze daar helaas niet voldoende materiaal voor heeft, want dan had ze de noord- en oostzijde ook laten inpakken voor de winter.
[opgenoome worden,] de metselaers hebbe alle haer afscheijt, de timerlie sijn aende mantelin aende west en suijdt sijde omt huijs te maecke daerse plancke tegens de maste vande steijgerin lans heen toe slaen voorde reegen en sneuw
dat beij de baese beeter houde alst plancke dich aende muere om dat hier de wint door kan speelle ende muere beeter droochge, hade wij deelle of schaelle genoech sou de noort en oost sijde almee laete bemantelen, maer salder geen deele toe hebbe, [nu hoope dat uhEd met ijan]
Winterlandschap met donkere wolken, Jacob Isaacksz van Ruisdael, ca. 1665. Collectie Rijksmuseum.
Heb je hem nou al gesproken?
Margaretha is benieuwd of Godard Adriaan nou al eens met steenhouwer Jan Prang heeft gesproken en het met hem over de keuzes heeft gehad. Margaretha verzoekt Godard Adriaan zijn voorkeur wel dringend aan haar te laten weten. Het zou handig zijn als het antwoord komt wanneer Schut en Rietveld er nog zijn zodat ze het kunnen bespreken. De heren vertrekken al aan het begin van de volgende week. Hopelijk voor Margaretha houdt Godard Adriaan eens op met treuzelen en heeft de brievenpost ook niet te veel vertraging. Margaretha geeft aan dat wanneer er geen nieuwe bouwmaterialen komen, de werkzaamheden aan het huis stil zullen komen te liggen.
[geen deele toe hebbe,] nu hoope dat uhEd met ijan prang sal gesproocke hebbe, en de meeninge vande meesters al hier verstaen, wenste uhEd senti= =mente daer op te weete derwijlle schut en rietvelt noch hier is, die int Eerst vande toekoo mende weeck vertrecke, bij gebreck van mateer rije sal dees Eijndige blijfve
De scheldende vrouw en de kakelende hen, Johannes Wierix, 1566 – 1570. Collectie Rijksmuseum.
PS
Na de gebruikelijke afsluiting van Margaretha volgt natuurlijk nog een PS. De vorst houdt nog fel aan, waardoor de waterstand in de Rijn erg laag is komen te staan. Margaretha meldt dat de lading van een samoreus is overgeheveld naar een lichter. Een samoreus, ook wel bekend als een Keulse aak, is een lang en smal rivierschip met twee masten. Een lichter is een vaartuig met een kleine diepgang, deze scheepjes werden vaak gebruikt om lading van een groter vrachtschip er naar toe te brengen of te halen. Helaas is de diepgang van de lichter toch nog te veel voor de lage waterstand van de Rijn. Het scheepje kan niet voorbij Wijk bij Duurstede varen en ligt daar nu stil, laat Margaretha weten.
Mijn heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijff MTurnor
de vorst hout hier noch fel aen ent water op den rhijn valt heel wech is so laech dat de lichter diet loot wt de samoreus vande vaert hier gebrocht heeft leech sijnde niet voor bij wijck kan vaeren maer moet daer blijfve leggen
Twee schepen: een Amsterdammer lichter en een Wieringer lichter, Reinier Nooms, 1652 – 1654. Collectie Rijksmuseum.
Margaretha is dolblij: ze heeft maar liefst twee brieven van Godard Adriaan ontvangen! Ze is blij om te horen dat steenhouwer Jan Prang aangekomen is in Bremen. Maar wat vindt Godard Adriaan nu van de tekeningen? Margaretha zit te wachten op antwoord.
Ameronge den 2 deesem 1676 [rec. 7. dito 1676] Mijn heer en liest hartge
gister heb ick uhEd aengenaeme vande 25 en vandaech die vande 28 pasato ontfange, tis mij lief ijan prang wel is overgekoomen, nu verlanckt mij hoe uhEd al het overgesondene so teeckenine als ander aenstaet, en wat daer op sal reesolveere, [aengaende het verhoochge]
Druk, druk, druk
Bovendien ze wil aan de slag met de groentetuin. Ze wil de koolhof ophogen met aarde en zand en Van Ginkel wil daar ook nog fruitboompjes poten. Het werk aan het kasteel vordert. De metselaars zijn klaar met de bogen in de kelder maar de timmerlieden hebben nog wel een paar dagen werk. Het lood is aangekomen en de leidekker is bezig om het in de goten te leggen. Het werd hoog tijd.
[op sal reesolveere,] aengaende het verhoochge vande kool hof achter den bloem hof, soot sulcken vriesent weer blijft sulle wij met den Eerste daer aengaen en sant en Aerdt daer in laete brenge, de heer van ginckel heeft geseijt te wille sien dat hij Eenige vande kleijne fruijt boomtges die hem toegeseijt sijn, te krijge om daer in te pooten, de metselaers sijn gisteren alle wt ons werck gegaen hebbende al de scheijt boogen inde kelders gemaeckt dat Een groot werck wt de weech is, de timmerli hebbe noch wel acht dage werck, ijanhenderixs
den leijdecker is aent legge vant loot inde goote dat hooch tijt is gedaen te sijn, [gistere is]
Maar er zit Margaretha iets dwars, een heel ander onderwerp: de molen. De molenaar heeft schulden en hij moet de molen verkopen. De schuldeiser wil de molen laten veilen, maar Margaretha wil liever zelf bepalen wie de volgende molenaar wordt. De molenaar vraagt er vierduizend gulden voor. Een beetje veel, vindt Margaretha, hij heeft er zelf indertijd 700 gulden voor betaald. Goed, sinds die tijd is er wat aan vertimmert en hij heeft er een huis en een rosmolen bij gebouwd, maar zoveel bijzonders is dat nu ook weer niet. Margaretha heeft er drieduizend gulden voor geboden, dat is het wel waard, maar waar haalt ze het geld vandaan? Moeten ze een obligatie verkopen? Zou Godard Adriaan per omgaande zijn ‘sentimente’ op dit punt kunnen laten weten?
[dat hooch tijt is gedaen te sijn,] gistere is onse moolenaer hier bij mij geweest die seijt de moolen niet te konne houden ock heef kor= =neelis verweij die in verwin en wilse te koop veijlle tensijse uhEd niet wt de hant be= liefde te koope, nu de moolenaer preesen= =teertse ons te verkoope maer Eijster vier duijsent gul voor ick seij als hijder drij duijsent gul voor hadt dat hij heel wel toe sou koomen, die heeft hij der voor gelooft, en daer maer seeven hondert gul op betaelt , nu heeft hij der aen getimert Ent huijs dat niet veel bijsonders is geset ock de rosmoole so dat mijns oordeels alsmense voorde drije duijsent gul kost krijge het niet te dier sou sijn, maer waer koome wij aentgelt of most oblijgasie verhandelen, uhEd be= =lieft sijn gedachte hier Eens op te laete gaen en sijn sentimente met den Eerste te laeten weeten, [ick ben teegenwoordich]
Gezicht op het dorp Amerongen uit het noorden. A. Rademaker, ca 1725, gemaakt naar een voorbeeld uit 1620. Collectie Het Utrechts Archief.
Worst
Margaretha springt werkelijk van de hak op de tak in haar brief. Ze heeft varkens geslacht. Vier varkens die ze zelf heeft gemest en twee ‘eijckel verckens’, varkens die in het bos hun voedsel (zoals eikels) hebben gezocht. Ze is heel tevreden over zichzelf: het is haar beter afgegaan dan hopman Blanche. De kleindochters Pootge (Salomé Jacoba van drie) en Niera (Reiniera van vier) zijn al druk bezig met het maken van worst voor ‘groote papa’. Hij moet nu maar eens snel thuiskomen!
[te laeten weeten,] ick ben teegenwoordich ock int slachte van verkens heb vier van
ons Eijge gemeste en twee Eijckel verckens gesla die alle ses heel suijver en klaer gevalle sijn so dat mij slachte beeter als die vande heer hoop man1Hopman: Bevelhebber van zekere afdeeling (een vendel of compagnie) krijgsvolk of schutters: kapitein. Ze geeft Blanche regelmatig verschillende titels: Kapitein, Monsieur en nu Hopman… Zou ze Blanche gekscherend de bevelhebber van Godard Adriaan noemen? blansche2Isaäc de Blanche, in dienst van Godard Adriaan geluckt sijn, pootge en niera maecken al worst voor groote papa maer segge dat hij haest thuijs moet koomen, [Antge kijft op de groote bach]
Interieur met een vrouw die worst maakt, Jacques-Philippe Le Bas, 1747. Collectie: Rijksmuseum
Drukke kleintjes
Antge (Anna van zeven) is boos omdat ze kousen voor ‘groote papa’ wil breien maar ze heeft geen voorbeeld voor de juiste maat. Nu ze geen kousen kan breien, is ze van plan om een brief te schrijven aan ‘groote papa’. Hopelijk is hij daar ook tevreden mee. Het is duidelijk: Margaretha geeft haar kleindochters een opvoeding waarmee ze van alle markten thuis zijn. En misschien moeten ze ook wel helpen omdat Margaretha anders geen tijd heeft om brieven te schrijven. Fritsje is nog op Middachten dus Margaretha heeft geen nieuws over hem. De kleine Godertje is gezond en groeit goed, maar hij draagt een ‘bant’ om te genezen van zijn breuk en Margaretha is de enige die de ‘bant’ mag verschonen. Baby Agnes brengt ook de winter bij haar grootmoeder door en ze groeit als kool.
[koomen,] Antge kijft op de groote bach3Sophia Visbach, trouwe huishoudster van Margaretha dat sij haer geen hoos4Hoos: Min of meer nauw sluitende, langere of kortere bedekking van het been. van groote papa heeft gegeefve om naer te breije, hoopt teegens nieuwe ijaer Een brief aen groote papa te schrijfve daer sijt weer mee goet meent te maecken, hoet met fritsge gaen sal weet ick niet die is noch op Middachten, godertge is heel gesont en fris groeijt seer maer is wat vast inde bant die hem noijt af of aen gedaen wort om te verschoone als in mijn preesensie hoope hij met godts hulpe haest sal geneese, het jonste kint dat Angnis genaemt is naer de oude vrou van Meuwe5Agnes van Westerholt, grootmoeder van moeders zijde van Ursula Phlippota de groot moeder van vrou van ginckel gelijck uhEd int eerst van haer geboorte heb
geschreefve, groeijt ock heel wel, de heere wilse alle in sijne vreese laeten opwasse, [sijn]
Een meisje leert haar zusje breien Petrus Johannes Arendzen (vermeld op object), 1856 – 1900. Collectie Rijksmuseum.
Winter
Het gaat een koude winter worden. Margaretha laat alle dagen bijten in het ijs in de gracht hakken zodat de vissen het overleven. Maar ‘al wat God belieft moete wij verwachte’. En op die berustende noot besluit Margaretha haar brief.
[naer Middachte,] het vriest hier sterck ick laet alledaechge inde grafte bijten om de vis te behoude, soot schijnt mochten Wij wel Een harde winter hebbe, al wat god belieft moete wij verwachte, inwiens heijlige bescherminge uhEd beveelle en blijfve Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor vrou van
Landschap met figuren die een wak maken op een bevroren vaart, Andreas Schelfhout, ca. 1825 – ca. 1829. Collectie Rijksmuseum.
1
Hopman: Bevelhebber van zekere afdeeling (een vendel of compagnie) krijgsvolk of schutters: kapitein. Ze geeft Blanche regelmatig verschillende titels: Kapitein, Monsieur en nu Hopman… Zou ze Blanche gekscherend de bevelhebber van Godard Adriaan noemen?
2
Isaäc de Blanche, in dienst van Godard Adriaan
3
Sophia Visbach, trouwe huishoudster van Margaretha
4
Hoos: Min of meer nauw sluitende, langere of kortere bedekking van het been.
5
Agnes van Westerholt, grootmoeder van moeders zijde van Ursula Phlippota
Sinds de vorige brief van Margaretha is er niks veranderlijxs voorgevallen dus ze heeft niet veel te schrijven. De timmerlieden hebben nog wel werk voor een week, de metselaars nog voor een paar dagen. Margaretha zal blij zijn als ze van de mannen af is, want ze is bekaf.
Ameronge den 28 Novem 1676 [rec: 4 dec 1676]
Mijn heer en lieste hartge
sint mijne laeste met de laeste post geschreefve is hier is hier niet veranderlijxs voorgevalle, de timerli hebbe noch rijcklijck de toekoomende weeck werck, ende metselaers noch 3 a 4 dage, dan sullensij al de scheijt booge in kelders geslage hebbe, daermeede wij voor deese winter wt het metselen sulle scheijde ick bent so moeij dat ickt niet langer sien mach
De zuidgrens van Utrecht langs de Nederrijn/Lek van Amerongen tot Vreeswijk. Fragment uit: Kaart van Utrecht (Ultraictum Dominium), Joan Blaeu, 1630-1645. Collectie: Het Utrechts Archief.
Lood
In de vorige brief was de secretaris gaan kijken bij het lood dat aan de Vaartse Rijn lag. Het blijkt dat het lood met lichters (lichtere schepen) opgehaald moet worden. Dat kost niet alleen tijd, maar ook geld. De Vaartse Rijn komt bij Vreeswijk, tegenover Vianen, uit in de Lek. Dat is nogal een afstand van Amerongen en dat lood, dat is waarschijnlijk loodzwaar (ja, flauwe grap, maar iemand moet hem maken). Aangezien het water in de rivier laag staat, moet het lood overgeladen worden op een boot met minder diepgang: een lichter. Dit kost natuurlijk allemaal geld en maandag willen ze beginnen met de goten…
, nu ist loot wt den haech gekoome en op gereeden datse en maendach inde gooten sulle beginne te leggen, ick moet alt loot met lichters vande vaert laeten haellen dat kostlijck valt, maer wat sal ick doen wij moetent nu hebbe om de muere te konserveeren, dat van Amsterdam verwacht ick ock met Een lichter, [nu sal de]
Gezicht over de Lek op het dorp Vreeswijk met in het midden de sluis. L.P. Serrurier, ca. 1730. Collectie Het Utrechts Archief
Steen met wormen
Als opstapje naar haar volgende verhaal gebruikt Margaretha de steenhouwer, Jan Prang. Hij moet toch inmiddels wel in Bremen aangekomen zijn? Ze hoopt daarover te lezen in Godard Adriaans brieven. De vraag die natuurlijk eigenlijk op haar lippen brandt: “Snap je nu eindelijk die tekeningen?”, maar ze houdt zich in.
Margaretha heeft gehoord van een soort hardsteen die nogal slap is en waar de worm in komt. Ze heeft het er met Jan Prang over gehad en die had het precies uitgelegd: het is de steen boven in de rotsen die wat makkelijker te bewerken is. In ieder geval moet Godard Adriaan daar wel rekening mee houden nu hij druk bezig is met het bestellen van stenen!
verwacht ick ock met Een lichter, nu sal de steen houder ijan prang al tot breeme sijn aen gekoomen, het welcke verlange wt uhEd briefve te sien, ick weet niet wel of ick geschreefve heb dat men hier seijt datter Een soort van st hartsteen is die seer weeck valt en daer de wurm in is of komt, daer die gans niet dueraebel is en seer in watert, daer uhEd int koope op ver
docht belieft te sijn, hebder met ijan prange van gesproocke die seijt het steen is die boven inde rotse sit en dickmael gebruijckt wort om datse sachter int houwe valt, [de heer van ginckel die Eene]
Werklieden in een steengroeve, Hermanus Petrus Schouten, 1757 – 1822. Collectie Rijksmuseum.
En trouwens
En weer gebruikt Margaretha een bruggetje om bij haar echte punt te komen. Van Ginkel is langs geweest. Hij is naar Middachten en Stadhouder Willem III is naar Den Haag en daarna naar Zeeland. Zijn Hoogheid had trouwens aan Van Ginkel gevraagd waarom hij al een tijd geen brieven van Godard Adriaan gehad had… Om maar gelijk weer door te gaan zodat het alleen maar een neutrale opmerking lijkt: het salaris dat voor Van Ginkel bedacht is in de Staat van Oorlog valt onder de provincie Utrecht. Margaretha twijfelt er niet aan dat die hem daar graag voor aannemen.
[int houwe valt,] de heer van ginckel die Eene nacht hier geweest is, is heede weer naer Middachten gegaen, en sijn hoocheijt naer den haech met intensie om voort naer seelant te gaen, sijn hoocheijt vraechde aende heer van ginckel waer uhEd was of deselfve aen hem in Eenigen tijt niet geschreefve heeft en dat hijt daerom vraechde weet ick niet, de heer van ginckel is met sijn hooch tracktement opde provinsi van wttrecht gestelt, twijfele niet of se sullen hem daer aeneemen, [voort ist hier]
Margaretha valt maar gelijk met de brief in huis: steenhouwer Jan Prang moet toch inmiddels in Bremen aangekomen zijn. En hij heeft de tekeningen bij zich. Ze is benieuwd wat hij ervan vindt. Of is ze benieuwd of hij het nu eindelijk wel begrijpt? Ze zegt het niet letterlijk. De werkbazen zijn in ieder geval van mening dat ze alles nauwgezet getekend hebben én goed uitgelegd.
Ameronge den 25 Novem 1676 [rec: 30. dito] Mijn heer en lieste hartge
heeden heb ick uhEd aengenaeme vande 21 deeser ontfange, hoope den steenhouder ijan prang nu haest weer te breeme sal sijn, mij verlanckt hoe uhEd de teijckenin van onse werck baese al hier en haer konsideraesie1Consideratie: overweging sal aenstaen, sij meenen wel pertinent2Pertinent: nauwkeurig op gestelt en haere meijninge wel ge= Exspliseert3Expliceren: uitleggen, toelichten te hebbe, [sijn hoocheijt is weer op soes]
Architectuur, Jan Balzer (mogelijk), naar Johann Kleinhard, 1772. Collectie Rijksmuseum.
Zijn Hoogheid
De Prins van Oranje is op Soestdijk, maar moet naar Zeeland. Daar liggen ze overhoop en er is zoveel onenigheid dat die arme Prins nauwelijks rust krijgt. Maar er is ook goed nieuws van de Prins! Volgens schoondochter Philippota had hij tegen haar man gezegd dat hij op de Staat van Oorlog4Begroting van de Staten Generaal stond met het salaris van commissaris-generaal. Hij had het op een “obligante” manier gezegd.
Waarschijnlijk is obligant een afgeleide vorm van het werkwoord obligeren, dat Margaretha ook vaak gebruikt. Het woord obligeren is al lastig en was waarschijnlijk in Margaretha’s tijd al ouderwets. De vorm obligant als afgeleide van een werkwoord is ook niet iets waar we nu dagelijks mee werken, dus het is een beetje puzzelen. Ik vergelijk het maar met vigileren (opletten, waken als in waakzaam zijn) en vigilant (oplettend, waakzaam). Dan wil obligant zeggen dat Willem III verplicht voelde, verbonden. Ik vermoed dat hier obligant uit een verplichtheid door Van Ginkels verbondenheid en staat van dienst voortkomt en dus vooral positief is. Ik sta open voor uitleg door iemand die er echt iets van snapt!
Hoe dan ook, Margaretha vindt dat Van Ginkel zijn nieuwe traktement aan Zijn Hoogheid en God te danken heeft. Nu maar hopen dat hij in de gunst van de Prins blijft.
[Exspliseert te hebbe,] sijn hoocheijt is weer op soes dijck doch so geseijt wort niet voor lange en sal hij van meeninge sijn om naer seelant te gaen daerse so men seijt heel wat overhoop leggen tis bedroeft dat me van so veel onEenicheijt hoort en sijn hoocheijt so weijnich ruste heeft, van heeten hee de vrou van ginckel schrijft dat sijn hoocheijt aen haer man op Een seer oblijggante5Obligant: verplicht zijnd manier had geseijt dat hij heer van ginckel op de staet van oorlooch met sijn tracktement6Traktement: vast beloning voor het vervullen van een functie of ambt als fersg kom misaeris generael is gestelt, het welcke hij alle sijn hoocheijt heeft naest godt te dancken, is hem wel geoblijgeert7Obligeren: Aan zich verplichten door een dienst te bewijzen, en geluckich de gunste van hoochge
melte hoocheijt te hebbe, waer in hoope hij gekonserweert sal blijfve, de graef van waldeck is gisteren hier door
Het is vriesweer, maar het is helemaal niet koud. Daardoor schiet het werk op het dak lekker op. Het enige dat vervelend is, is dat het lood er nog niet is. Er schijnt een deel aan de vaart8Vaartsche Rijn te liggen, de secretaris gaat daar eens polshoogte nemen en kijken hoe het naar Amerongen kan komen. Maar er is ook nog een Arnhemse schipper die lood heeft, waar die is is onduidelijk. Het zou fijn zijn als het allemaal tegelijk naar Amerongen komt. Daarvoor is dan een minder diepliggend schip nodig, want het water staat laag op de rivier. Twee Utrechtse voeten, dat is maar 55 cm…
[gepasseert geloofve hij naer duijtslant gaet,] de vorst hout noch al aen en is Evewel gans niet kout ent schoonste weer vande werlt op ons werck, hadde wij maer het loot hier dat ten deelle aende vaertleijt derwaerts ick de seekreetaris heb gesonde om te sien hoe wijt best hier sulle krijgen en ock te verneeme waer den Aernhemse schipper die ock loot voor ons in heeft is, op dat wijt saeme hier mochte krijge t sij met Een lichter of Een kleijn vaertuijch so hijt best voort kan krijgen, daer is geen twee voet water op de reevier daertoe kontraeijreije wint, ent loot moet inde gooten Eert aent reegene komt, tis ge =luck dat de deelen so drooch opt huijs en in Een koomen, [tis mij lief uhed aent beson]
Zeilschepen op een rivier, Anthonij van der Haer, naar Pieter Coopse, ca. 1745 – 1785. Collectie Rijksmuseum.
Besogneren
Op de valreep toont Margaretha nog even interesse in het werk van haar man, maar ze hoopt wel dat het op een eind zal lopen. En dus dat hij weer thuis zal komen…
[Een koomen,] tis mij lief uhed aent beson= ijeere9Besogneren: onderhandelen, besprekingen voeren is hoopen nu uhEd aent werck is het haest op Een Ent sal loopen, waer meede blijfve
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
so schrijft beusekom dat de heer van ginckel tot wttrecht is en merge hier sal sijn geloof sijn hoocheijt weer naer den haech is, Antge en fritge reniera en godertge kusse groote papa de hande de leste wort sterck
Kinderen spelend met rolkar, Pieter de Mare, naar Christina Chalon, 1779. Collectie Rijksmuseum.
1
Consideratie: overweging
2
Pertinent: nauwkeurig
3
Expliceren: uitleggen, toelichten
4
Begroting van de Staten Generaal
5
Obligant: verplicht zijnd
6
Traktement: vast beloning voor het vervullen van een functie of ambt
7
Obligeren: Aan zich verplichten door een dienst te bewijzen
Er was weer eens wat gedoe met de post, dus Margaretha heeft besloten haar brief een dag eerder op de post te doen dan gewoonlijk. Er is vooral veel te melden over het huis, en dan met name over het dak.
Ameronge den 18 Novem 1676 [rec: 23. dito] Mijn heer en lieste hartge
Eergistere heb ick uhEd met de post geschreefve die van heetere schrijft Een moment te laet en naert afrijde vande post was aengekoomen so dat die met de naeste post Eerst afgaen kan, om dat intoekoomende voor te koome send ick deese Een dach vroechger[, gisteren is den steenhoude]
Steenhouder Jan Prang is naar Bremen vertrokken met de memorie die de secretaris heeft opgesteld. Aan de steenhouder is met behulp van de tekening die Schut heeft gemaakt uitgelegd wat voor steen er nodig is. Hopelijk begrijpt Godard Adriaan de tekening met de toevoeging van de secretaris nu eindelijk wél…
[Een dach vroechger,] gisteren is den steenhoude ijan prang weer van hier naer breemen ver trocken die bij ons alles bester weeten alles hier wel heeft besien en is hem wel pertinent alles aengeweesen, daer schut de teijckenine ende sekreetaris Een Memoorije van heeft gemaeckt het welcke hem prang meede gegeefven is, hoope uhEd so wel de teijckenine van schut als de memoorije vande sekreetaris sal kon ne vatten en verstaen[, heede heb ick uhEd]
Droog en nat hout
Godard Adriaan heeft kennelijk gevraagd naar het hout voor de kap van het huis. Alle delen die van de winter in de schuur zijn gelegd zijn inmiddels droog genoeg, antwoordt Margaretha hem. Deze delen worden op het dak gelegd en vastgespijkerd. Maar het hout van afgelopen zomer is nog niet droog genoeg.
[=ne vatten en verstaen,] heede heb ick uhEd mesiefve vande 14 deeser ontfange waer op tot
Antwoort dient dat al de deelen die over winter hier inde schuer tot de kap sijn gereet gemaeckt, drooch genoech sijn en diese nu opt dack beginne te legge en vast te spijckeren, maer de deelle die deese soomer hoewel sij al inde voorsoomer meest gesaecht sijn, so sijn die niet droochgenoech om vast te legge
Een tussenoplossing
Uiteraard moet het dak wel dichtgemaakt worden, dus het hout gaat wel gebruikt worden. Het plan is nu om de houten planken op de balken van de kapconstructie te leggen en goed en stevig aan te drukken. Schut zegt dat de houten delen op deze manier goed kunnen drogen. In het voorjaar kunnen ze dan definitief vastgezet worden. De droge delen zullen worden gebruikt voor de middelste kap. Vervolgens kan de leidekker aan de slag.
men sal die op wervels legge en dicht aen en in Een drijfve en slaen so dat het dack dicht sal weesen, en so schut seijt de deelle ondertusche so droochge, datse int voor ijaer bequaem sulle weesen om vast te legge, met de droochge deelle sullense de middelste kap decken daer de leijdecker dan de leijen op kan legge en over winter alst goet weer is aen te wercke koomen daer hij voor Eerst genoech aen te doen sal vinden[, nu wacht men naert loot om de goote]
Het lood voor de dakgoot laat nog op zich wachten: de levering wordt vertraagd door de stevige wind. De rekening van de loodgieter uit Amsterdam is wél binnen: 16571 pont voor 876 gulden en 9 stuivers. Temminck heeft er wat af weten te krijgen, zodat er slechts voor 10465 pond betaald hoeft te worden. Daarnaast moet er nog lood uit Den Haag en Rotterdam komen, maar Margaretha heeft geen idee hoeveel dat weegt of wat de kosten zullen bedragen. Het lood uit Amsterdam moet Margaretha meteen betalen, en ook de rekening van het lood uit Den Haag en Rotterdam verwacht ze eerdaags op de mat te krijgen. Voor dit lood heeft ze echter al 200 ducatons betaald, dus de rekening zal wel meevallen. (Eén ducaton is ongeveer 63 stuivers waard, en er gaan 20 stuivers in één gulden, dus reken maar na.) Dit lood komt vermoedelijk morgen of overmorgen binnen. Als het tenminste meezit met de wind…
[vinden,] nu wacht men naert loot om de goote te legge dat onderweege is en door kontraijrij
wint niet op kan koomen, de reeckenin vande loot gieter van Amsterdam heb ick deesen avont ontfange die 16571 pont loot scheep heeft gedaen, daer op hij Een persent door perswaesge van Monseur teminck toe geeft so dat hij maer 10465 pont en reeckent het welcke in gelt bedraecht de som van 876f 9 stuij het welcke pront betaelt moet worde, daer ick ordere toe heb gestelt, hoeveel het loot dat wt den haech of van rotterdam komt sal weechge en ingelt bedrage staet noch te sien verwachte die reeckenin ock alle daech en daer heb ick twee hondert duijcka tons op de hant gegeefven, dit loot heeft den Aernhemse schipper in die ick hier verwacht merge of wtterlijck overmerge so de wint die nu oost is wil dienen[, wij hebbe inde voor=]
Zuidelijke zakgoot, A.J. van der Wal, 1989. Collectie Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Op verschillende plekken ligt lood op het dak. Onder het hout tussen de beide daken, ligt een brede dakgoot die bekleed is met lood.
Schoonste weer van werlt
Op de harde wind na is het schitterend weer! Vorige week viel er nog wat regen, maar nu hebben we al twee dagen op rij vorst. Margaretha noemt het zelfs ‘het schoonste weer van werlt’. Als dit weer aanhoudt, kunnen de werklieden flink doorpakken, en is het dak binnenkort klaar!
[die nu oost is wil dienen,] wij hebbe inde voor= leedene weeck hier ock wat reegen gehadt maer van geen beduijde, en nu heeft het weer twee dage gevrooren ent schoonste weer van werlt gehadt moogen wij dat
noch Eenige dagen houden so ist huijs onder dack, maer weet niet hoe wijt loot met deese wint hier krijge[, so dat voort Een goet is]
Margaretha beklaagt de arme Temminck. Men wil met gloeiende nijptangen in de weer gaan! Wat is er precies met Temminck gebeurd? Dat blijft wat vaag in haar brief, maar het lijkt erop dat er iets mis is gegaan tijdens een poging Temmincks tanden te trekken. Misschien heeft hij een nare ontsteking opgelopen. Wat het ook is, het klinkt pijnlijk…
[mocht weeten of sien,] den armen temiminck beklaech ick van harten datter so qualijck aen is met sijn acksident daer de meesters nu met gloeijende nijptange aen wille, dat is van tande wt te trecke gekoomen[, met de naeste]