Mijn heer en lieste hartge

De brieven van Margaretha Turnor

4 december en 25 november

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 4 december 1679 Amerongen
Ontvangen Godard Adriaan van Reede 14 december 1679 Berlijn
Lees hier de originele brief

Vanaf deze brief gaat Margaretha over op de Gregoriaanse kalender. Even een beetje uitleg: in de zestiende eeuw bleek dat de oude tijdrekening, de Juliaanse kalender, niet meer overeenkwam met de seizoen. In opdracht van paus Gregorius werd een nieuwe tijdrekening gemaakt. Veel landen en regio’s voerden dus rond 1580 de Gregoriaanse kalender in, maar niet iedereen was gediend van de tijdrekening van die paus in Rome. De provincie Utrecht voerde de nieuwe kalender pas in 1700 in. Op 4 december 1679 was het voor Utrecht dus pas 25 november. Margaretha noteerde die datum wel, maar ze gaat vanaf nu mee met haar tijd. Wel zo gemakkelijk, want in Berlijn doen ze dat ook en Margaretha antwoordt nu op de brief die Godard Adriaan haar op 27 november heeft geschreven op weg naar Berlijn.

Datering brief en aanhef

[rec.a 14e xber 1679, Berlin]

Ameronge den 4
decem en 25 Novem
1679

Mijn heer en lieste hartge

uhEd mesiefve vande 27 Novem is mij gistere behandicht

Verkoudheid

Godard Adriaan heeft in zijn brief duidelijk geklaagd. Over de toestand van de wegen naar Berlijn maar ook over zijn gezondheid. Ach ja, de ‘r’ zit in de maand! Godard Adriaan is verkouden en Margaretha spreekt de hoop uit dat hij niet zo’n zware verkoudheid heeft als zij eerder heeft gehad.

Brieffragment verkoudheid

het is mij leet uhEd so veel quade en moeijlijcke weegen
heeft ontmoet en so swaere verkoutheijtheeft ge
kreechge hoope die uhEd so seer niet sal treffe
als die mij gedaen heeft dan is nu de heere sij
gedanckt vrij beeter, [hoope de weechge voort tot]

Interieur van een slaapkamer. Een man ligt ziek op zijn bed en wordt bezocht door een andere man.
Embleem: ziekte, Jan Luyken, 1695 – 1705. Collectie Rijksmuseum.

Hofmeester Otto Schwerin

Margaretha wijdt er maar twee regeltjes aan, de dood van hofmeester Otto van Schwerin. Ze vraagt zich af of de Keurvorst daar een groot verlies aan heeft.

Otto van Schwerin (1616-1679) was vanaf 1647 hofmeester en raadsheer van de keurvorst van Brandenburg. Deze keurvorst was getrouwd met Louise Henriette van Nassau, één van de dochters van stadhouder Frederik Hendrik. Otto van Schwerin was jarenlang de rechterhand van de keurvorst en zijn dood was zonder meer een groot verlies. Heeft Margaretha werkelijk nog nooit van hem gehoord? Of had Godard Adriaan slechte ervaringen met de hofmeester en speculeert Margaretha daarop?

Brieffragment Schwerin

[arijveert weesen] de doot vande heer sweerijn
weet niet of de heere keurvorst groot verlies
aen heeft, […. id ovk voor sijn selfve, wij hebbe]

n het midden van het schilderij zien we het keurvorstelijk paar, gekleed in alle tekenen van hun waardigheid. Luise Henriette als Dido. Achter de keurvorst, met de speer in de hand, staat kolonel La Cave, terwijl de gravin van Blumenthal, een mooie, statige dame, de sleep van de keurvorstin draagt. Verder naar achteren, eerst gravin Blumenthal, zien we de jachtmeester van Hertefeld en een van Rochow. Er ontbreekt informatie over wie dat precies is. Alle genoemde personen vullen de linkerkant van het schilderij, terwijl rechts van de keurvorst de geheimraad Otto von Schwerin staat, op weinig vleiende wijze met opgestroopte mouwen en in het gunstigste geval in de rol van een statige leerlooier. Hij houdt een koeienhuid met het opschrift “plus outre”, “steeds verder”, in zijn linkerhand, terwijl hij met zijn rechterhand bezig is de huid in repen te snijden. Deze stroken worden door drie of vier drukke bedienden gebruikt om een groot, op de achtergrond gelegen veld af te bakenen, waaruit in het midden een grijswit kasteel oprijst, slechts geschetst, maar toch duidelijk genoeg herkenbaar om een begrijpelijk, levendig beeld te geven.
Allegorie op de stichting van Oranienburg, Willem van Honthorst, ca. 1660. Collectie: Regionalmuseum Oberhavel im Schloss Oranienburg. In het midden de keurvorst Friederich Wilhelm en zijn eerste vrouw Luise Henriette van Oranje. Rechts Geheimrat Otto van Schwerin als leerlooier.

De Heer van Elderen

Wat de heer Van Elderen nou precies voor Godard Adriaan heeft gedaan, is niet duidelijk, maar Margaretha voelt zich wel zeer verplicht. Georges Frederik van Renesse van Elderen, heer van Elderen (1611-1681) kwam in 1668 als commissaris van de keurvorst van Keulen en de prins van Luik naar ’s-Gravenhage. Margaretha schrijft over hem en zijn vrouw, Anna Margaretha van Bocholtz.

Brieffragment Van Elderen

[aen heeft, … is ock voor sijn selfce] wij hebbe
wel oblijgasi aen goede heer en vrou Eldere voor
haer hEd groote siefiliteijt en alt goet track
tement dat die uhEd van tijt tot tijt bewijse
wenste wij ockasie hadde deselfve weer
dienst te doen, [wat belanckt het paert]

Het paard

Al eerder schreef Margaretha over het grauwe paard, maar kennelijk schreef ze daar ook over in de zoekgeraakte brief van 24 november. Het is nog steeds niet genezen, het moet echt nog in Utrecht blijven. Godard Adriaan heeft nu kennelijk geschreven dat het paard niet naar Berlijn gestuurd moet worden en Margaretha schrijft dat ze het naar Amerongen zal laten brengen zodra het paard beter is. Een mooi paard was ook in deze tijd veel geld waard en Margaretha is zich daar ongetwijfeld van bewust.

Eerste brieffragment paard
Tweede brieffragment paard

[dienst te doen,] wat belanckt het paert
dat vhEd tot wttrecht heeft gelaetten

weet niet beeter of heb bij mijn schrijfve vande 24
Novem posetijvelijck geantwoort en klaer wt
geseijt dat het selfve noch niet geneesen was
maer noch Eenige dagen tot wttrecht bij de
meester moste blijfve, daert noch is en on=
bequam om die tocht als ist maer aende hant
te gaen te doen, sij schrijfve mij dat het noch
eenige daegen daer moet blijfven, nu sal
ick het volgens uhEd laeste schrijfve voort
hier houde, en so haest het Eenisints wel
is hier ontbieden Ent op ons stal setten,

In een donkere stal staat een wit-grijs paard. Het heeft zijn hoofd in een trog, achter het paard staat een man die met zijn rechter arm op de rug van het paard. Rechts kijkt een vrouw om de hoek van de deur. Op een balk hangt een paardendeken.
Paardenstal, Gerard ter Borch, ca. 1654. Collectie: J. Paul Getty Museum.

Verloting van de ambten in de ridderschap

In de bewuste brief van 24 november schreef Margaretha ook over de verloting van de ambten in de Utrechtse ridderschap. Godard Adriaan is met Carel Valckenaer, de heer van Dukenburg (1637-1684) ingeloot om iemand voor te dragen voor de plaats van rekenmeester die eerder door Willem van der Straaten is vervuld. Niettemin, er is nog veel onduidelijk, Carel Valckenaer antwoordt kennelijk niet op berichten van Margaretha, Joan Carel Smissaert aast kennelijk ook op die positie en komt elke dag bij Margaretha langs want kennelijk heeft Godard Adriaan hem eerder toezeggingen gedaan. Kortom, Margaretha wil graag van haar man hierover horen.

Rekenschool waarin het boekhouden wordt onderwezen. Aan een tafel zit links, in een stoel met baldakijn, de rekenmeester. Drie leerlingen zitten met rekenboeken voor zich te schrijven. Een vierde staat ter rechterzijde bij de tafel toe te kijken. Tegen de achterwand van het vertrek een boekenplank en twee schrijftabletten. Daar boven de zinspreuk "Oordeelt niet voor den tyt".
Boekhouders aan het werk, Pieter Serwouters, 1601-1651. Collectie Rijksmuseum.

Duitse post en kusjes van de kleinkinderen

Margaretha heeft besloten dat ze voortaan gebruik zal maken van de Duitse post om haar brieven naar Godard Adriaan te versturen, daar heeft ze goede ervaringen mee. Nog even een weerbericht uit Amerongen: het is zacht weer met veel motregen en nevel maar geen vorst van betekenis. Margaretha maakt er ook meteen gebruik van: ze gaat de aarde uit de boomgaard weg laten rijden.
De kleinkinderen kussen ‘groote papa’ de handen. Verder nog wat groeten en roddels en daarmee sluit Margaretha haar brief af.

Brieffragment weer en afsluiting

[en haer adres geefve,] wij hebbe hier noch
sacht weer met veel modt en neefven
geen vorst van beduijden, salt weer waer
=neemen om de Aerdt wt den boogaert
te laeten afrijden, en blijfve

Mijn heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijff
M Turnor

al ons l
kindere
kusse groote
papa ootmoedich de hande met preesen=
=taasie van haer alles onderdaenichste dienst
so doet ons Neef lant

Kasteel Amerongen in de mist
Kasteel in nevel, Annemiek Barnouw, 2016.

Werken aan de weg

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 1 december 1679 Amerongen
Ontvangen Godard Adriaan van Reede 13 december 1679 Bielefeld
Lees hier de originele brief
Margaretha dateert de brief met 31 november, maar die datum bestaat niet.

Godard Adriaan is ondertussen in Bielefeld aangekomen. De reis vanaf Münster is moeizaam geweest, leest Margaretha in zijn brief van 22 november. En de weg naar Berlijn is nog lang! Ze maakt zich zorgen dat hij nog geen van haar brieven heeft ontvangen, maar wij weten nu dat haar vorige van 11 november op 24 november Bielefeld heeft bereikt, twee dagen nadat Godard Adriaan zijn brief aan haar schreef. We weten ook dat alle brieven die ze tussen 11 november en 31 november schrijft waarschijnlijk niet aangekomen zijn, anders had Godard Adriaan ze wel bewaard.

Brieffragment met aanhef

[rec.a. 13. xber in Berlin]
Ameronge den
31 Novem 1679

Mijn heer en lieste hartge
uhEd seer aengenaeme vande 22 deeser wt bijlle
veltBielefeld is mij wel geworde het doet mij leet
uhEd so moijlijcke reijs van Munster tot daer
toe heeft gevonden, maer van harte lief deself
tot daer toe wel is gearijveert, hoope sijn verde
=re reijs geluckich en spoediger sal sijn, kan
mij niet genoech verwondere dat uhEd noch
geen briefve van ons heeft ontfange heb niet
gemanckeert preesies alle weeck te schrijfve

Een man rijdt op een paard door een landschap. Achter het zadel ligt een grote, gevulde zak waaraan een posthoorn hangt. Op de achtergrond een boom, een boerderijtje en twee pratende mannen. In de verte een stad.
Postbode te paard, Jan Luyken, 1711. Collectie Rijksmuseum.

Paard niet op weg

Godard Adriaan heeft om zijn grijze paard gevraagd, dat mank was en nog niet mee op reis kon. Het staat nog in Utrecht, maar Margaretha verzekert haar man dat zodra de smid zegt dat het paard genezen is, het naar Amerongen op weg zal gaan en van daar naar Middachten. Zoonlief heeft toegezegd dat één van zijn ruiters, op een ander paard zittend, het aan de leidsels naar Berlijn kan begeleiden.

Eerste brieffragment over het grauwe paard
Tweede brieffragment over het grauwe paard

[mijn briefve aen bisdomer adreeseeren,] het is
mij leet ick het grauwe paert tot noch toe niet
heb konne sende tis niet volkoome geneese en
noch so dat sijt van wttrecht niet hebbe derfve
senden, ick deesen dach daer over weer aen

beusekom geschreefve en begeert so haest de
smit diet daer over gaet, oordeelt dat het
dien tocht kan doen, hijt hier sal senden, salt
dan voort op Middachte sende den heer van
ginckel heeft aengenoome het selfve met
Een van sijn ruijters aende hant te doen leijde
en tot berlijn te brengen, [wat nu ons]

Een stalknecht loopt naast een paard met een korte staart door een vervallen deur een stal in.
Stalknecht een paard de stal binnenleidend, Jan Anthonie Langendijk Dzn, 1790-1818. Collectie Rijksmuseum.

Puin, zand en aarde

Margaretha is bezig met het aanleggen van wegen op het terrein. Er komt er een op de iepenlaan van de buitenpoort tot aan de eerste brug. De basis wordt gevormd door het puin dat van de steenoven over is, en daarover komt zand. Alles aangevoerd met karren. De andere weg loopt over de kleine voorburcht van de eerste naar de de tweede brug. Omdat het puin op is, wordt daarvoor de aarde gebruikt die is weggegraven om ruimte te maken voor de fundering van de nieuwe kasteelmuur. Ze verzekert haar man dat ze echt zo veel mogelijk alles wat nodig is zal regelen, maar dat er in Utrecht geen hout is te krijgen voor schoorsteenmantels.

Brieffragment over de werkzaamheden aan de oprijlaan

[werck belanckt] ick heb al de puijn vande steen
oven op de steech laete brenge en die wech
tuschen de ijpen boomen recht t vande hoe
=meij1Hamei: Buitenpoort, voorpoort tot op de Eerste bruch laete maecke
,daer nu sant op sulle brenge, en so veelt
moogelijck is de wech opt kleijn voorburch
tuschen beijde de bruchge laete maecke
daer de karre de Aerdt die wt het fon=
dement vande nieuwe muer gegraefve is
en op de kant vande graft leijt be inbrenge
maer puijn isser niet meer so dat men
om die wel te maecken sal moete wachte
tot dat de steen oven voort wt gereede wort

Twee mannen lopen voorover gebukt een kar achter zich aan slepend.
Twee mannen slepend met een kar, Harmen ter Borch, ca. 1651. Collectie Rijksmuseum.

De weg naar succes

Bij de Staten van Utrecht is de dans om het verdelen van de lucratiefste baantjes weer begonnen. De weg naar succes betekent een hoop koehandel en handjeklap achter de schermen. En dat verloopt niet altijd naar Margaretha’s wens, omdat niet elke dienst een wederdienst oplevert. Ze moppert op iemand die geen steun wil geven voor een positie voor ‘neef lant’ (onbekend wie dat is), zodat nu alles van zijne Hoogheid prins Willem afhangt.

Brieffragment over steun voor een positie

[geangaesijeert is,] somma daer is bij die
niets te verwachte, al liede die dienst wille
geniete en niet weer doen ,paesijensie2geduld nu moete
wij ons houde aen sijn hoocheijts3Prins Willem III goede toeseggine
ent daer voort soecke hoope godt sal geefve hij
geholpe sal worde en wij van dat pack ontlast
sulle worden, [den heer smitser is dees naer]

Omgekeerd wordt ze zelf bestookt door mensen die lobbyen voor de functie van rekenmeester. Joan Carel Smissaert kwam vanmiddag langs om een schriftelijke sollicitatie bij Godard Adriaan mondeling kracht bij te zetten. Maar ook neef Frederik Adriaan van Reede van Renswoude heeft belangstelling voor deze baan, schrijft diens moeder. Ruilen tegen een plekje in de Admiraliteit in Zeeland? Margaretha heeft haar afgewimpeld op dezelfde manier als ze zelf zijn afgewimpeld : Godard Adriaan is ‘bezet’ (‘geëngageerd’). Waarschijnlijk bedoelt ze daar niet mee dat hij het te druk heeft, maar dat hij al gebonden is aan beloftes aan anderen.

Links een plaatje van een man op een stoel achter een tafel die op zijn vingers zit te tellen. Op tafel een boek, een inktpot met veer en een paar zakken met inhoud. Naast hem op de vloer staat een kist die open staat, in de kist zitten munten. Rechts een gedichtje in het Frans en in het Nederlands. De Nederlandse vertaling is: Rekenmeester / k'wil datme Rekeschap, en goede blyc my geeft / wie t'adelvrolyckst is en best gedroncke heeft.
De rekenmeester, Experiens Sillemans, 1645-1701. Fragment uit: Driekoningenspel. Collectie Rijksmuseum.

Brieffragment over de de zoon van de vrouw van Bornewal

antwoorden, de vrou van bornewal4Mechteld van Zuylen van Nyevelt, schoondochter van Johan van Reede van Renswoude, vrouw van Gerard van Reede van Renswoude. De zoon is Frederik Adriaan van Reede van Renswoude schrij
ft mij ock aen uhEd geschreefve te hebbe,
haer soon heeft vant Eerste lidt het Admi=
raEliteijts plaets van seelant gekreechge
dat sij gaerne teegens deese reeckenmeesters
plaets wou verruijlle waer over sij mij
schrijft en ick haer inde beleeftste manier
heb geantwoort dat ick kost en geschreef
te vreese dat uhEd geangaesgeert5Geëngageerd zijn: niet meer vrij zijn, niet beschikbaar zijn, bezet, verplichtingen hebben mocht
weesen, hiermeede blijf
Mijn heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijff
M Turnor

Kussenovertrek van tapisserieweefsel. Tegen een donkerblauwe achtergrond is het gekroonde wapen van Zeeland aangebracht, de leeuw in rood, het water in blauw. In de beide bovenhoeken een anker, voorts touwen. Boven de letters A.V.Z. en onder AMSTERDAM 1670.
Kussenovertrek met het wapen van de Admiraliteit van Zeeland, anoniem, 1670. Collectie Rijksmuseum.
  • 1
    Hamei: Buitenpoort, voorpoort
  • 2
    geduld
  • 3
    Prins Willem III
  • 4
    Mechteld van Zuylen van Nyevelt, schoondochter van Johan van Reede van Renswoude, vrouw van Gerard van Reede van Renswoude. De zoon is Frederik Adriaan van Reede van Renswoude
  • 5
    Geëngageerd zijn: niet meer vrij zijn, niet beschikbaar zijn, bezet, verplichtingen hebben

Eigen foxsel

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 11 november 1679 Amerongen
Ontvangen Godard Adriaan van Reede 24 november 1679 Bielefeld
Lees hier de originele brief

Godard Adriaan is weer vertrokken. Bij zijn tussenstop in Middachten heeft hij Margaretha al geschreven, maar nu is hij écht weg. Margaretha begint met een korte reactie op zijn brief: de brief van Temminck in de bijlage maakt duidelijk waarom hij niet reageerde op de eerdere brief van Godard Adriaan en Margaretha verwacht secretaris Doorslagh morgen met het geld uit Utrecht. Kennelijk hoeft Margaretha er niet aan te wennen dat haar man er niet is, het is gelijk ‘business as usual’.

Brieffragment van de opening van de brief.

[rec. a Bilefelt. den. 24. 9ber]
Ameronge
den 11 Novem 1679

Mijn heer en lieste hartge

uhEd aengenaeme van Middachte op deselfs
vertreck geschreefve heb ick ontfange, wt dees
neefens gaende sal uhEd sien doorsaeck waer=
=om teminck uhEd schrijfvens niet Eer heeft
beantwoort, het gelt verwachte ick deesen
avont met de seeckreetaris deurslach die
naer wttrecht is, [ijan prang die de hartstee]

Door de poort zien we huis Middachten met daarvoor chique geklede dames en heren.
’t Huis Middagten van vooren door de voorpoort te zien, Hendrik Spilman, naar Jan de Beijer, 1745 – 1792 (fragment van twee afbeeldingen van Middachten). Collectie Rijksmuseum.

De steenhouwer

Ook al zijn we twee jaar verder dan de laatste brief: de steenhouwers en metselaars zijn nog steeds bezig. Jan Prang lijkt nog steeds dekstenen voor de schoorsteen te hakken, alleen zijn ze nu voor de schoorstenen van een de paviljoens. Daarnaast heeft hij de goten van de brug gedaan en hij heeft de kommen om de pijpen van de fonteinen neergelegd. Het enige dat hij nog moet maken, is de deksteen voor de schoorsteen van het tweede paviljoen, maar dat gaat hem niet lukken. Het weer is zo slecht dat hij terug wil naar Bremen. Waarschijnlijk voor het echt winter wordt, want dan wordt reizen zwaar. Er was in de zeventiende eeuw nog maar hier en daar een enkel stukje weg geplaveid. Met regen werd het dus een modderboel en als het dan ging vriezen dan was de weg een keihard kraterlandschap.

Brieffragment over de steenhouwer

[naer wttrecht is,] ijan prang die de hartstee
tot de Eene pavelijoen tot de schoorsteen ge
daen en gereet heeft, alsmeede de goote
op de bruch gehouwe, de kome omde pijpe vande
vonteijne heeft hij loos geleijt, so dat aen sijn
werck niet meer resteert alst hartseen tot
de tweede pavelijoen op die schoorsteen, die
hij ongedaen moet laete derfvende doort
harde weer niet langerhier blijfve, is van
meenin merge te vertrecke ick sal hem be=
taelle en dan laete met sijn volck gaen

Een wit gestucte muur met een nis. Boven de nis lopen elektriciteitsdraden horizontaal, de muur aan de onderkant is betegeld met witjes. Onder in de nis een stenen bak. Op de stenen bak staat een vaas met bloemen.
De kom die om de pijp van de fontein zit in het onderhuis van het kasteel. Bovenop de kom ligt perspex waarop de bloemen staan, eigen foto.

De metselaars

Ook de metselaars zitten niet stil. Zij zijn met de pilaren bij de brug bezig, de nissen daarin vullen ze met kalk uit Segeberg (Duitsland). De kalk die daar vandaan komt, is eigenlijk geen kalk, maar gips en daardoor heel fijn om te verwerken. Margaretha hoopt dat ze vanavond de vloer van de stallen af kunnen maken, die bestaat uit klinkers die op hun kant liggen.

Eerste brieffragment over de metselaars
Tweede brieffragment over de metselaars

de metselaers hebbe de pijlaers vane bruch
opt Eerste voorburch voort op gemetselt

en de hartsteene daer op geleijt en de nisse
met seegerberger kalck geplaestert, hoop
sij van avont de vloer inde stal met klin=
=ckert op haer kant sulle geleijt en gedaen
krijgen, [ick heb vandaech twee osse het Een]

Foto van een breed gebouw van één verdieping met zadeldak met aan weerszijden twee paviljoens van twee verdiepingen met puntdak. Voor het gebouw is een terras waar de parasols open staan en mensen in het zonnetje zitten. Op de achtergrond de Utrechtse Heuvelrug in herfstkleuren.
De stallen met aan weerszijden de paviljoens, eigen foto.

Het paterstuk

Ondertussen zit Margaretha ook niet stil. Ze heeft twee ossen geslacht: één van de ossen die uit Denemarken was gekomen en één die ze zelf gefokt had (eigen foxsel). Die os die ze zelf gefokt heeft is de beste die ze ooit gehad heeft. Ze zal het paterstuk voor Godard Adriaan bewaren.

Het paterstuk was een vierkant stuk vlees met een deel van de ruggengraat en de ribben. Het heette het lekkerste stuk vlees van het rund te zijn. Dit stuk werd bewaard voor de pater of de mater van het klooster, vandaar het paterstuk.

Om paterstukken te bewaren werden ze gerookt. Eerst werden ze gepekeld. Pekelen gebeurde met een combinatie van twee delen zout en één deel suiker. Voor het paterstuk werd vaak bruine suiker gebruikt. Hierna werden ze in de rook gehangen. Door dit proces kon je het paterstuk een paar jaar goed houden. Als Margaretha dit paterstuk voor Godard Adriaan wilde bewaren, had ze dat ook wel nodig. Gelukkig weet ze dat nog niet.

Brieffragment over de slacht van de ossen

[krijgen,] ick heb vandaech twee osse het Een
van ons Eijgen foxsel sijnde Een 3 ijaerijge os
en Een deense die ickt voorleede somer heb
gekocht geslacht, ons leefven hebbe wij geen
beest so doorwasse en vet gekocht noch
geslacht als dien drije ijaerijge en ons
Eijgen foxsel is, de an is ock heel goet
maer heeft niet bij de voorseijde, wenste
uhEd die had moogen helpen nuttigen
sal de paterstucke voor selfve bewaeren

In een hoge ruimte zitten links een paar kleine hoge ramen. Recht hangt een open getrokken geslacht rund of os aan een balk. Je ziet nog een deel van zijn ingewanden zitten en duidelijk zijn ruggengraat een ribben. Er druipt aan de onderkant nog wat bloed op de tegelvloer. Aan de muur erachter hangen de kop en staart boven een grote houten tobbe. Op de voorgrond vermaakt een hond zich met een stuk vlees. Op de achtergrond staat een vrouw met een kind aan haar schort boven een tobbe te werken, een man kijkt toe met een pijp in de mond. Een oudere jongen blaast de blaas op en een kleiner kind probeert hem af te pakken.
Het geslachte rund, Abraham van den Hecken, 1635-1655. Collectie Rijksmuseum.

Bidden voor geluk

Tijd om er een eind aan te breien. Ze hoopt dat Godard Adriaan inmiddels bij de bisschop van Münster1Ferdinand von Fürstenberg is en ze bidt voor zijn (Godard Adriaan’s) geluk. Geen groeten van de kleinkinderen deze keer.

Eerste brieffragment met de afsluiting
Tweede brieffragment met de afsluiting

[geseijt heeft, nu den tijt salt leeren,] ick

verlange te hooren dat uhEd bij den heere
bischop van Munster gearijveert is
in middels god bidde voor deselfs geluck
en voorspoet blijfve
Mijn heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijff
M Turnor

Gravure van de stad Münster, op de voorgrond staan mensen, nonnen, bepakte ezels en schapenhoeders. Je ziet duidelijk de verdedigingswerken, de stadsmuur en alle torens binnen de stad.
Panorama van Münster, Pieter Nolpe, naar Johannes van Alphen, 1648 – 1653. Collectie Rijksmuseum.
  • 1
    Ferdinand von Fürstenberg

Margaretha en de taalpurist

Ik ben geen goede schrijver: ik ben een slordige ADHD-er en als ik typ probeer ik mijn gedachten bij te houden. Mijn snelle typen klinkt volgens mijn kantoorcollega als de rammelende flesjes bij een apotheek. Er zitten dus altijd vertypingen en domme dt-fouten in mijn teksten. Dat betekent niet dat ik geen taalpurist ben. Ik vind dat je in principe gewoon je best moet doen om fatsoenlijk Nederlands te gebruiken. Ik gruw van SMS-taal en “maar je begrijpt het toch” is voor mij geen argument. Mijn kinderen kunnen zich dan ook gelukkig prijzen dat ik bewust kinderloos ben.

Mijn typsnelheid volgens kantoorcollega

het voert hier wonderlijcke tael

Totdat Margaretha Turnor in mijn leven kwam. Ze kwam ongemerkt: haar verhalen nestelden zich in mijn hoofd, toen in mijn hart en daarna hunkerde ik naar meer. Dus dook ik in haar echte brieven. Nu kan ik me niet meer voorstellen dat ik destijds haar handschrift kon lezen en haar taal niet begreep. Als je meer 17de-eeuwse handschriften kent, is Margaretha’s lettertype eigenlijk behoorlijk modern. Haar taalgebruik is welbeschouwd ook heel goed te volgen. Als je het tenminste hardop aan jezelf voorleest, want ze schrijft nogal fonetisch.

het sal wel goede woorde geefve, damen niet mee te mart kan gaen

Inmiddels reageer ik vrij fel op mensen die op basis van Margaretha’s brieven zuur menen te moeten vertellen dat Margaretha niet veel opleiding had, omdat haar spelling toch echt beneden de maat is. Wij, 21ste-eeuwers denken te zwart-wit: je schrijft een woord goed of je schrijft het fout. In de 17de eeuw was er nog geen standaardspelling en Margaretha neemt de ruimte die ze daardoor krijgt volledig in. Ze schroomt er niet voor om één naam in één brief op drie verschillende manieren te spellen, ze bedenkt (waarschijnlijk) zelf gezegdes en maalt niet om interpunctie. En dat je in het heetst van het schrijven van een brief “daar men” afkort tot “damen”: sorry hoor, maar je begrijpt het toch?

Bruine tekening van een meisje dat voorover gebogen zit over een blad. In haar rechterhand een pen of potlood.
Jenneken tekenend of schrijvend, Harmen ter Borch, 1653. Collectie: Fondation Custodia, collectie Frits Lugt (eigen foto).

daer de foute bij gepleecht sijn 

We zijn hier, op dit blog, inmiddels drie archiefnummers (van de zeven) verder. Ik lees zelf vooruit, controleer de transcripties, zoek personen en gebeurtenissen uit en zoek woorden op in de historische woordenboeken van het Instituut voor de Nederlandse Taal. Bijna alle woorden vind ik overigens daarin terug en Margaretha heeft een enorme woordenschat! Wat doet deze innige relatie met Margaretha’s taalgebruik met mij?

Heel eerlijk? Veel! Ik kan inmiddels zelf ook behoorlijk op z’n Margaretha’s typen. De transcripties staan ook in een worddocument en met ctrl+f kan ik haar spelling zo nabootsen dat ik meestal wel vind wat ik zoek. Het werkt alleen wel door… Inmiddels ziet eigenlijk bijna alles wat ik typ er logisch uit en moet ik soms een woord op drie manieren spellen om te weten wat de juiste, 21ste-eeuwse spelwijze is. Gelukkig is er bij echte twijfel gewoon nog steeds Het Groene Boekje. Ik denk wel dat ik voor de échte 21ste-eeuwers teegen woordich meer foute pleech.

Een partiekuliere pasie 

Maar wat vind ik dan nu van 21ste-eeuwers die fonetisch schrijven? Je zou zeggen dat ik misschien milder geworden ben en dat ik tevreden ben als ik begrijp wat er bedoeld wordt. Nou. Nee. Ik ben meestal ook degene die ziet dat het verschil tussen d, dt of t een heel andere betekenis aan een zin kan geven. Dus ik blijf voorstander van goed taalonderwijs en zorgvuldige spelling. Zonder een goede basis in je eigen taal is het ook lastig andere talen te leren. En datzelfde geld1door een meelezende redacteur ben ik, terecht, gewezen op deze domme dt-fout, ik heb hem laten staan om de eerste alinea te bevestigen voor een tijdreis in je eigen taal. Ik merk bij historische brieven dat mijn Frans niet goed genoeg is om een brief uit de 18de eeuw te lezen, terwijl ik een moderne (gedrukte) Franse tekst wel redelijk kan lezen.

Op dit beroemde schilderij verbeeldt Bruegel het bijbelverhaal over de overmoed van de mens, die een toren tot in de hemel wilde bouwen. God strafte daarvoor met de Babylonische spraakverwarring wat samenwerking onmogelijk maakte. Het immense bouwwerk reikt tot in de wolken. Talloze mensen bevinden op en rond het gebouw. Breugel liet zich voor zijn toren uit de oudheid inspireren door de Romeinse arena, het Colosseum.
Toren van Babel, Pieter Brughel (I), ca. 1568. Collectie: Boijmans van Beuningen.

ick sien de kompasie 

Uiteraard is taal levend en zijn grenzen er om geslecht te worden. Mijn Frans is niet goed genoeg om oude brieven te lezen, mijn Duits was op de middelbare school écht berucht slecht. En toch probeer ik Duits te praten. Ik bak er weinig van, mijn naamvallen vliegen alle kanten op en als ik er niet uit kom, bedenk ik gewoon zelf een woord. Dus compassie voor slecht taalgebruik is er wel: we hebben nu eenmaal allemaal onze grenzen en het is zonde als die je beperken in het maken van een connectie met je medemens. Want dat is toch waarom we allemaal iets met taal doen.

Banner van de Week van het Nederlands met ondertitel Op reis in taal van 4 tot 12 oktober. Tegen een roze achtergrond staan twee vrouwen in reiskleding met een rolkoffer.

Dit blog is geschreven in het kader van de Week van het Nederlands, met als thema Op reis in taal.

nabrander

De kopjes “op z’n Margaretha’s” komen uit de volgende brieven

het voert hier wonderlijcke tael komt uit de brief van 10 juli 1684 (is nog niet over geblogd). Er is een bestand getekend in de Frans-Spaanse Oorlog en Margaretha verbaasd zich erover hoe er over de totstandkoming van dat verdrag gepraat wordt. Ze verwacht zware tijden.

het sal wel goede woorde geefve, damen niet mee te mart kan gaen komt uit de brief van 6 oktober 1680, hier schrijven we volgend jaar over. Margaretha hoopt dat Godard Adriaan zelf een keer met Willem III over de betaling voor zijn werk kan praten. Ze verwacht alleen dat dat wel goede woorden zal geven, waarmee je niet naar de markt kunt. Kortom: ze verwacht beloftes, maar geen geld. Dit spreekwoord heb ik op deze manier niet gevonden. Wel “Schone woorden vullen geen zak” en als synoniem daarvoor “Lullen is geen vis”. Dat laatste zou Margaretha natuurlijk noooooit zeggen, maar het past wel heel goed in de 21ste eeuw.

Een vismarkt in een stad. In het midden een stalletje waar vis uitgestald ligt en waarachter een vrouw vis schoonmaakt. Links andere stallen. Voor de stal een waterpomp en een bezem. Op de voorgrond een kruiwagen.
Vismarkt, Cornelis Dusart, 1683. Collectie Rijksmuseum.

daer de foute bij gepleecht sijn komt uit de brief van 1/11 mei 1680. Blijf vooral dit blog volgen, want het komend jaar krijgt Margaretha een conflict met de dominee en de kerkenraad. Daar worden zoveel fouten bij gepleegd, dat zelfs zoon Van Ginkel moet komen bemiddelen.

Een partiekuliere pasie komt uit dezelfde brief. Margaretha verzekert haar man ervan dat het niet haar persoonlijke vendetta tegen de dominee is.

ick sien de kompasie komt uit de brief van 1 april / 22 maart 1684. Margaretha heeft een acksident (wond) aan haar been, Godard Adriaan heeft eerder gesuggereerd dat het door een puist komt, maar Margaretha haalt alle chirurgijns uit de regio erbij om te bewijzen dat het veel erger is. Brieven later ziet ze in de brief van Godard Adriaan dat hij compassie met haar heeft wat betreft haar acksident.

  • 1
    door een meelezende redacteur ben ik, terecht, gewezen op deze domme dt-fout, ik heb hem laten staan om de eerste alinea te bevestigen

Hortus Malabaricus

In de periode dat Margaretha en haar man in Amerongen steen voor steen hun kasteel weer opbouwden, was aan de andere kant van de wereld een achterneef van Godard Adriaan bezig met de opbouw van een misschien wel nog indrukwekkendere nalatenschap. Maar dan wel in een hele andere tak van sport: de botanie.

Een tak met grote bladeren en kleine rode vuchten.
Nati Schambu (Syzygium malaccense, Djamboe bol) uit de Hortus Indicus Malabaricus (Vol. 2), naar Pietro Foglia, 1678-1703. Collectie Minnealpolis Insitute of Art.

Hendrik Adriaan van Reede (1636-1691)

Hendrik Adriaan van Reede tot Drakestein was de jongste van de vele kinderen van Godard Adriaans achterneef Ernst van Reede tot Drakestein. Hij was een broer van Carel van Reede van Drakestein, opperschenker van de keurvorst, die overleed toen Godard Adriaan in Berlijn was. Vóór zijn vijfde verjaardag waren allebei zijn ouders al overleden, en als tiener ging hij naar zee. Hij verdiende zijn sporen bij de VOC, toen die in de jaren zestig stukje bij beetje Ceylon (Sri Lanka) en de westkust van India veroverde op de Portugezen. In 1669 werd hij commandeur van Malabar, dat grotendeels samenvalt met de huidige Indiase deelstaat Kerala. Geen gemakkelijke klus, want enerzijds moest hij voor de compagnie zorgen voor zo snel mogelijk veel winst, maar anderzijds probeerde hij ook lokale vorsten te vriend te houden. Ondertussen was de onderlinge rivaliteit tussen de regionale VOC-dienaren groot. Gelukkig had hij ook een hobby.

Voor een gordijn met op een achtergrond een wijds uitzicht staat een man met een grote krullenpruik. Hij draagt een harnas met een jabot en een degen aan een riem om zijn middel. In zijn rechterhand heeft hij een maarschalkstaf en daarmee rust hij op een tafeltje. Onder het portret de zestienkwartieren van zijn voorouders.
Portret van Hendrik Adriaan van Reede Tot Drakestein, Pieter van Gunst, 1689. Collectie Rijksmuseum

Lokale kennis

Hendrik Adriaan had grote belangstelling voor de enorme diversiteit aan inheemse plantengroei die hij overal om zich heen zag. Bij zijn residentie in Cochin liet hij een grote botanische tuin met allerlei planten uit de omgeving aanleggen. Om zowel zijn verzameling als zijn kennis uit te breiden organiseerde hij op regelmatige basis plantenexpedities door zijn eigen streek en aangrenzende gebieden. Daarbij had hij hulp van lokale geneesheren, die over de kennis van vele generaties beschikten, en van een Italiaans pater.

Gezicht op de stad Cochin, aan de kust van Malabar. Gezien van de zee, rechts een Hollandse koopvaarder, op de voorgrond enkele roeiboten. Bovenaan de plaatsnaam Couchyn.
Gezicht op Cochin aan de kust van Malabar in India, Johannes Vinckboons (toegeschreven aan), 1662-1663. Collectie Rijksmuseum.

Dat was niet alléén uit pure wetenschappelijke interesse of liefhebberij. Ook voor de VOC lagen hier kansen. Terplekke gebruik maken van medicinale planten is tenslotte een stuk efficiënter, dan dure medicijnen uit Europa laten komen. Die zijn immers feitelijk uit de zelfde ingrediënten gemaakt, maar zijn dan jaren oud door de reis via Arabische handelsroutes de andere kant op. En wie weet zat er winst in exploitatie van nog onbekende toepassingen van onbekende planten.

Uiteindelijk zou Hendrik Adriaan alle verzamelde informatie op schrift laten stellen en mét afbeeldingen in een grote 12-delige planten-encyclopedie in Nederland publiceren genaamd Hortus Indicus Malabaricus.

Drie talen

Zover was het nog niet toen Hendrik Adriaan in 1676 de slangenkuil van elkaar zwartmakende en frauderende VOC-dienaren ontvluchtte en naar Batavia vertrok. Het manuscript voor het eerste deel was wel al per schip onderweg naar Nederland, en in Batavia werkte hij samen met anderen aan de volgende delen. Toen hij in 1678 Amsterdam binnen voer, was het eerste deel net verschenen.

Tekening van een tak met doornige zijtakken met blad en daaraan bloemen en bessen. Rechts in de bovenhoek de namen in latijns schrift en aziatische handschriften.
Mail-anschi (Lawsonia inermis, henna), Joannes Commelin, 1678. In: Hendrik van Reede van Drakestein, Hortus Indicus Malabricus Vol. 1, 1678. Rechts boven de naam van de plant in het Latijn, Malayalam, Arabisch en Sanskriet.

Bij de afbeeldingen stonden de namen van de planten in drie talen: Latijn, Bramaans en Malayalam, de taal die aan de westkust van India gesproken werd. Als extraatje stond de Malayalamse naam ook nog eens in het Arabisch genoteerd. Als waarborg van echtheid en het wetenschappelijke gehalte schreven de vier belangrijkste meewerkende arts-plantkundigen, Itty Achudan, Appu Bhatt, Ranga Bhatt en Vinayaka Pandit, eigen voorwoorden in het Bramaans en Malayalam1J. Woodward, Hortus Malabaricus: A Botanical and Linguistic Treasure – Magdalen College. De eerste twee delen droeg Hendrik Adriaan op aan hoge VOC-bestuurders, maar de derde aan de eigen koning van Cochin.

Op een troon zit een vrouw (ceres?) met een hark in haar hand. Rechts van haar presenteren Afrikaanse jonge mannen verschillende planten.
Ontwerp voor het titelblad van ‘Hortus Indicus Malabaricus’, deel III, van H.A. van Rheede tot Draakesteyn, Gerard de Lairesse, 1673-1678. Collectie Rijksmuseum.

Heer van Mijdrecht

Gedurende zijn verblijf in Nederland verwierf Hendrik Adriaan de heerlijkheid Mijdrecht en kreeg daardoor het recht om zitting te nemen in de Staten van Utrecht. Zou hij zijn Amerongse achterneef vaak ontmoet hebben? We weten het niet, maar het vijfde deel van de Hortus Malabaricus, dat verscheen in 1685, is opgedragen aan Godard Adriaan. Andere delen zijn ook opgedragen aan (aangetrouwde) familieleden, waaronder… neef Welland.

Meer uit te wisselen had Hendrik Adriaan met Joan Huydecoper, de kleurrijke eigenaar van huis Goudestein in Maarssen. Deze stads- en VOC-bestuurder was mede-oprichter van de Hortus Botanicus in Amsterdam, die in 1682 opende. Het contact met Hendrik Adriaan zou de Amsterdamse Hortus in later jaren veel nieuwe planten opleveren.

Enkele mannen bestuderen planten aan een tafel. De oude zittende man schrijft in een boek. Rechts draagt een man een mand met planten. Door de ramen zicht op een tuin en een landhuis.
Botanicus, Cornelis Ploos van Amstel naar Gerbrand van den Eeckhout, 1779. Collectie Rijkmuseum.

De laatste reis

Hendrik Adriaan vertrok in 1685 weer voor de VOC richting India. Hij moest orde op zaken gaan stellen in vestigingen waar meer voor eigen gewin werd gehandeld dan voor de compagnie. Een hoofdpijndossier, waarbij hij tenslotte in 1691 door ziekte werd geveld en het loodje legde. Aan boord van zijn schip overleed hij, overigens in hetzelfde jaar als Godard Adriaan. Zijn geadopteerde dochter Francine regelde een vorstelijke begrafenis in Surratte, waar zijn schip naar op weg was geweest.

De begrafenis van Hendrik Adriaan Baron van Rheede tot Drakestein te Surat ijn India, januari 1692. Begrafenisstoet buiten de stad met een lijkwagen getrokken door vier ossen. Erboven staat: Lyk-Statie van de Heer Hendrik Adriaan van Rheede, Heer van Meydrecht, etc. Gestorven den 15 December 1691 en ter Aarde bestelt op Suratte in Januari 1692
Begrafenis van Hendrik Adriaan van Rheede tot Drakestein, 1692, Jan Luyken, 1692-1693. Collectie Rijksmuseum.

Nalatenschap

De afwikkeling van de erfenis had voor Francine nog een vervelend staartje. Terug in Nederland wilde ze, zoals haar vader in zijn testament had vastgelegd, een legaat van 2000 gulden overmaken aan de kleinkinderen van diens overleden zus Agnes. Helaas… Wie kruiste haar pad als voogd voor de kleinkinderen, en eiste voor hen de vollédige erfenis (ca. 50.000 gulden plus Mijdrecht) op? Juist…, neef Welland. Het eindigde ermee dat de kleinkinderen door het Hof van Utrecht in 1697 het huis te Mijdrecht toegewezen kregen, mét bijbehorende titel, en Francine haar vaders geld. Met haar man Anthony Karel van Panhuysen kocht ze in 1699 Huis te Vliet in Lopikerkapel, waar ze tot haar dood in 1731 zou wonen2Heniger, J. Hendrik Adriaan Van Reede Tot Drakenstein (1636-1691) And Hortus Malabaricus (Rotterdam 1986), p. 87-90.

De meest duurzame en waardevolle erfenis is natuurlijk de Hortus Malabaricus gebleken. Linaeus gebruikte het als basis voor de naamgeving van Zuid-Aziatische planten in zijn classificatiesysteem en tot ver in de negentiende eeuw bleef het een referentiewerk voor botanici. In 2009 leidde de Engelse vertaling in zuid India tot de herontdekking en herwaardering van de lokale plantenkennis die de oorspronkelijke bron is geweest3R. Shetty, Hortus Malabaricus: How the garden of Malabar travelled the world | Garland Magazine. Op Kasteel Amerongen is helaas geen exemplaar van het boek aanwezig.

Ingekleurde gravure van een tak met daaraan een grote witte kelkbloem en twee kleinere, groene, stekelige vruchten. In de rechterbovenhoek de naam in vier handschriften.
Hummatu (Datura Metel) uit de Hortus Indicus Malabaricus (Vol. 2), naar Pietro Foglia, 1678-1703. Collectie Minnealpolis Insitute of Art.

De steenoven

Zonder klei geen baksteen en zonder baksteen is in een land met vrijwel geen natuursteen een kasteel niet te bouwen. Alleen al voor het kasteel hadden Godard Adriaan en Margaretha ongeveer 1 miljoen stenen nodig. Daar zouden de bijgebouwen en de kades van de grachten nog bij komen. Al met al zal Margaretha nog een aantal jaren aan het bouwen zijn. Als we zo verder gaan met de brieven van 1679, dan komt de steenoven nog steeds terug in haar brieven.

Steenfabrieken

Op zich ligt Amerongen in een goed gebied voor baksteen, want rivierklei is uitermate geschikt om bakstenen van te maken. We kennen allemaal het beeld van de rivieren die traag door oneindig laagland gaan, met in hun uiterwaarden de steenfabrieken. Alleen komen die steenfabrieken pas in de 19e eeuw. Godard Adriaan en Margaretha hadden hier dus helemaal niets aan.

Kaart van de Nederrijn tussen Wijk bij Duurstede en Rhenen met vooral aan de Gelderse oever steenfabrieken.
Oostellijk deel van de kaart Nederrijn en Lek tussen 1800 en 1900, Blijdestijn, 2017, pagina 311. Uitgave gefinancierd door de Provincie Utrecht.

Steenovens, veldovens en veldbrand

In de 17e eeuw waren er her en der wel steenovens, maar die hadden vaak een semi-permanent karakter. Er zijn drie varianten van baksteenbakken te bedenken. De steenoven is het meest permanent, de veldoven wordt gebouwd op een plek waar tijdelijk veel stenen nodig zijn, meestal is het een ommuurde ruimte die als oven gebruikt wordt. Veldbrand is een manier van bakstenen bakken waarbij geen oven gebouwd wordt, maar de bakstenen die gebakken worden zelf onderdeel zijn van de oven.

Met de aantallen bakstenen die voor het kasteel nodig waren, was het economisch zinvol om het bakken van stenen zelf te regelen. Margaretha heeft het zelf altijd over de steenoven, maar hoogst waarschijnlijk ging het over een veldoven of misschien veldbrand. Alleen archeologisch onderzoek kan aantonen wat voor structuur gebouwd was om stenen te bakken.

Rechts voor een stapel bakstenen waar rook uit komt. Voor de stapel staat een steiger met mannen erop en bovenop staan mannen. Iemand gooit bakstenen omhoog naar de mannen op ge steiger. Rechts bouwen mannen een hoog scherm, waarschijnlijk tegen regen en wind. Schuin achter de roken stapel stenen staat een zelfde stapel stenen, alleen is daar een hoek uit, in de hoek staat een man die stenen gooit naar een man op een wagen. Op de achtergrond stapels droge stenen onder afdakjes die wachten om gebakken te worden.
Het bakken van bakstenen in de openlucht, E. Bure, 1879. In: Louis Figuier (1879). Les merveilles de l’industrie; ou, Description des principales industries modernes.

Toponiemen

We weten wel waar de steenovens geweest zijn, want het geheugen van een dorp zit vaak nog in de plaatsnamen. Vlak naast het kasteel zijn twee weilandjes die nog steeds Steenoven 1 en steenoven 2 heten. Steenoven 1 en 2 liggen net buiten de dijk die (nog steeds) om het kasteelterrein ligt. Het is dus niet verwonderlijk dat de steenovens regelmatig last van hoog water hebben.

Een kaartje van het dorp Amerongen met het kasteel. In alle velden zijn namen geschreven. Links naast Kasteel Amerongen ligt een weg en aan de overkant ligt het veld 1e en 2e Steenoven.
Fragment uit: Veldnamenkaart van Amerongen waarop aangegeven de tabaksschuren en de namen van de weilanden en bospercelen, 1970 naar origineel uit 1696. Collectie: Flehite, Oudheidkundige Vereniging Amersfoort, archief Eemland.

Stenen vormen

De eerste stap bij het maken van bakstenen is het aanvoeren en werkbaar maken van de klei. Als de klei soepel is, worden met behulp van een houten mal de stenen gevormd. Zo krijgen ze allemaal dezelfde maat. Vers gevormde stenen worden te drogen gelegd. Bij een veldoven en veldbrand gebeurt dit allemaal buiten, vandaar Margaretha’s klachten als het te veel regent. Dan moeten ze ervoor zorgen dat de drogende stenen niet nat worden.

Op de voorgrond een tafel met daarnaast een kruiwagen met daarin een spade gestoken. Achter de tafel staat een man die met een roller over een rechtshoekige vorm gaat. Links voor licht allerhande gereedschap (emmers, bezems, planken) en er loopt een jongen met een baksteen in de handen naar achtern. Achter de tafel is een vel dat vol ligt met bakstenen die te drogen gelegd worden. Rechts scheppen mensen klei in een kruiwagen. Links worden de gedroogde bakstenen opgestapeld.
Het vormen van bakstenen, E. Bure, 1879. In: Louis Figuier (1879). Les merveilles de l’industrie; ou, Description des principales industries modernes.

Ongebakken stenen in of als oven

Als de stenen gedroogd zijn, worden ze opgestapeld in de oven (veldoven) of als oven. In de praktijk moet je je voorstellen dat de stenen al dan niet binnen een stenen omheining worden opgestapeld in lange rijen met zowel horizontaal als verticaal veel lucht tussen de stenen. Deze holtes worden gevuld met turf. Nog steeds met lucht ertussen, want dat is nodig voor een goede verbranding van de turf.

Bij veldbrand worden de buitenste stenen dichtgesmeerd met leem, zodat een gesloten oven ontstaat en waar dan boven ruimte vrij gehouden wordt voor de trek en aan de voorkant zijn de tussenruimten onderin met daarin het turf open, zodat het turf aangestoken kan worden

Links de weg en direct daarnaast het spoor van de tram. Rechts liggen bossen riet ergens op. Naast de weg staat een elektriciteitspaal. Verderop de steenfabriek. De fabriek heeft geen schoorsteen.
Gezicht op de steenfabriek te Remmerden (gemeente Rhenen), met op de voorgrond de Utrechtsestraatweg en de trambaan uit Amerongen, 1908. Collectie Het Utrechts Archief. Rechts voor mogelijk rieten bescherming van de drogende stenen.

Bakken

Als de oven vol of klaar is en de weersverwachting is goed, dan wordt het turf tussen de stenen aangestoken. Een veldoven of veldbrand brandt meestal één à twee weken. Omdat een veldbrand geen muur om de oven heeft, is daar de kwaliteit van de stenen minder uniform dan bij een steenoven of veldoven. De binnenste stenen worden immers langer en heter gebakken dan de bakstenen aan de rand.

Hieronder een historische film over een Duits dorp dat ten tijde van de film (1963) nog jaarlijks een gezamenlijk een veldbrand uitvoert. Voor de echte liefhebber…

Brieven waarin Margaretha over de steenoven schrijft

Een nieuwe brandspuit in 1677

Brand, daar konden ze in Amerongen over meepraten, gezien de ellende van 1673. In de zeventiende eeuw was dat een nog groter drama dan nu. Toch bracht diezelfde zeventiende eeuw ook een grote verbetering op dit gebied: een nieuw type brandspuit.

Gravure van een huis waar allemaal ladders tegenaan staan, de rechterkant is ingestort en slaan de vlammen uit. Op de voorgrond zijn allemaal mensen met emmers in de weer, emmers liggen ook overal op straat. Met de ladders worden mensen uit het huis gered.
Burgers met ladders en brandemmers in de weer bij een brand in Amsterdam in 1652. Fragment uit: De brand in het Oude Stadhuis van Amsterdam, Jan de Baen, 1652. Collectie Rijksmuseum.

Brandemmers en een houten pijp

Foto van een bruine leren emmer met daaraan een touw als handvat.
Leren brandemmer. Foto: Nettie Stoppelenburg.

Ieder brandgevaarlijk bedrijf was verplicht om één of meerdere leren brandemmers te hebben. De brandblussers vormden een rij vanaf het water en gaven de volle emmers door tot ze bij de brand op het vuur werden geleegd. Dan werd zo’n lege emmer teruggegooid en weer opnieuw gevuld en doorgegeven. Vanwege dat teruggooien was de emmer van leer.

In de eerste helft van de zeventiende eeuw maakte hoepelsmid Hans Hautsch een brandspuit met twee cilinders om het water op te pompen naar een reservoir en dan het water omhoog te spuiten. Die brandspuit had een houten pijp om de waterstraal te richten. De waterstraal kwam zo’n twintig meter ver.

In het midden van de tekening de doorsnede van een brandend huis. Links staat een man te spuiten vanaf een platform en van daar kan hij alle plekken in het huis bereiken. Rechts hebben de mannen lieren slangen en die brengen ze in het huis, met een ladder naar het raam en op het dak.
Dwarsdoorsnede van een brandend huis met spuitgasten, Jan van der Heyden, ca. 1690. Collectie Stadsarchief Amsterdam. Links de oude manier van spuiten, rechts met de leren brandslangen die Jan van der Heyden uitgevonden had.

Jan van der Heyden

Jan van der Heyden kwam als jongen naar Amsterdam en maakte daar carrière als schilder van stadsgezichten. Maar naast zijn werk als schilder was hij ook op technisch gebied actief. Hij ontwierp in 1669 straatverlichting voor Amsterdam en dat had navolging tot in Berlijn. In 1672 maakte hij een nieuw ontwerp voor een brandspuit. Hij publiceerde daarover in 1677 met het boek ‘Bericht wegens de nieuw geïnventeerde en geoctroyeerde slangbrandspuiten uitgevonden door Jan en Nicolaes van der Heyden’.

Op de kade van de gracht staat een vierkant apparaat met aan twee kanten een handvat. Een slang loopt naar de gracht en een slang loopt naar een vergelijkbaar apparaat erachter. Rechts staat op een hoger deel van de kaden een stellage op vier poten met een zuiger. Ook hiervandaan loopt een slang de gracht in en een slang naar een pomp op de hoger gelegen straat.
Waterpompen op de kade van een gracht. Jan van der Heyden, ca. 1690. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Uit de titel van het boek blijkt al wat de grote vernieuwing is: leren brandslangen. Het water werd direct opgepompt vanuit de gracht en met een tweede pomp ging het water dan in de richting van de brand. De leren slang gaf de blussers meer flexibiliteit en ze konden ook op veilige afstand van het vuur blijven.

Links staan drie mannen bij een pomp, één staat te pompen. Een lange slang loopt over een plein en op het dak aan de andere kant staan twee mannen te blussen.
Spuitgasten met een brandspuit blussen een brand op een plein, Jan van der Heyden, ca. 1690. Collectie: Stadsarchief Amsterdam.

Big business

Groen apparaat op wielen waar een zwarte slang op ligt. Aan deze kan zit een handvat en aan de andere kant. Aan het apparaat hangt een linnen emmertje.
Brandspuit naar het ontwerp van Jan van der Heyden. Foto: Nettie Stoppelenburg.

Jan van der Heyden deed al snel goede zaken. In 1682 kwam er een compleet nieuwe brandweerorganisatie in Amsterdam. Alle zestig wijken kregen een eigen brandspuit en de mannen die aangewezen waren om de spuiten te bedienen, moesten minstens één keer per jaar oefenen. Zo’n brandspuit koste een paar honderd gulden per stuk.

Tsaar Peter de Grote wilde Jan van der Heyden overhalen om mee te gaan naar Rusland, maar de uitvinder weigerde. Hij verkocht hem wel een aantal brandspuiten. Voor schoenmakers was de brandspuit ook een interessante bron van inkomsten: zij repareerden indien nodig de leren brandslangen. Pas in 1780 kwam iemand op het idee om de leren slangen te vervangen door geweven hennepslangen.

Een opgerolde leren brandslang rond een blauwe paal. De stukken leer zitten met grote metalen popnagels aan elkaar. Aan het eind van de slang een koperen stuk om de slang aan te sluiten op een andere brandslang.
Leren brandslang, foto: Nettie Stoppelenburg.

Eeuwige roem

Niet elke stad en elk dorp kocht direct zo’n dure brandspuit. Maar uiteindelijk ging iedereen toch overstag. Er zijn zoveel Jan van der Heyden-brandspuiten gebouwd, dat er ook nog veel van bewaard zijn. De naam van Jan van der Heyden leeft ook voort in diverse straatnamen, van Amsterdam tot Tilburg. In 2012 is er zelfs een speciaal ‘Jan van der Heyden-jaar’ gevierd vanwege zijn driehonderdste sterfdag.

In theorie zou je zeggen dat de brandspuit voor Godard Adriaan en Margaretha net te laat kwam. Maar al was hij er geweest, de Fransen hadden waarschijnlijk voorkomen dat hij gebruikt kon worden.

Een portret van een man met een grote zwarte hoed en een witte kraag in een rond cartouche. Onder het cartouche een verwijzing naar zijn werk als uitvinder van de slangbrandspuit en opzichter over brandblusmiddelen, schutsluizen en stadswateren.
Jan van der Heyden (1637-1712), Marcus. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Thuis

Dat was het dan. Godard Adriaan is weer thuis en Margaretha hoeft dus geen brieven meer te schrijven. Ik ben blij dat Margaretha eindelijk haar man weer in haar armen kan sluiten.

Links een vrouw met een blauwe rok en een zwart jak en een man in een bruin pak met rode laarzen. De man heeft zijn arm om de schouder van de vrouw en ze kussen elkaar, Rechts een vrouw in het zwart van de achterkant. In haar linker hand heeft ze een blauwe veer.
Heer en dame kussend en een vrouw van achteren, Gesina ter Borch, 1654. Collectie Rijksmuseum.

Volgende missie

Er zijn weer brieven als Godard Adriaan op zijn volgende missie gaat. De laatste brief was van 16 juni 1677 en zijn volgende brief is van 11 november 1679. Dit betekent niet dat wij (ook) twee jaar wachten tot we verder gaan: wij pakken gewoon in november de draad weer op. In de perioden tussen de brieven proberen we jullie op de hoogte te houden van wat er zoal gebeurt in die twee jaar. Voor zover we dat weten natuurlijk, want als Godard Adriaan thuis is, hoeven er geen brieven meer geschreven te worden over de bouw. Maar over de oorlog, de situatie in de Republiek en de lotgevallen van familieleden kunnen we wel meer vertellen. Zijn er vragen of specifieke wensen voor verhaaltjes in deze periode? Laat het hieronder even weten!

In een kamer met een zwartwit geblokte tegelvloer zitten een man en een vrouw aan een ronde tafel met een blauw kleed te kaarten. Achter de vrouw staat de dienstmeid die haar een glas wijn inschenkt. Een jonge man leunt op de stoel van de man en kijkt mee in zijn kaarten. Achter de tafel hangt aan het plafond een groen paviljoen. Een soort loshangende hemel boven een bed. Aan de muur op de achtergrond hangen drie geweren, een schilderij met schepen, een plattegrond en een spiegel. Ook hangt er een bak met een kraantje boven een soort wasbekken op een poot. Tegen de muur staan twee stoelen, een deur staat open. Op de voorgrond snuffelt een hondje met een rode strik op de grond.
Kaartspelers in een interieur, Gesina ter Borch, ca. 1660. Collectie Rijksmuseum.

De bouwactiviteiten

We weten dat Margaretha’s belangrijkste doel was om in 1677 het huis wind en waterdicht te krijgen. Er werd gewerkt aan het dak en aan de schoorstenen en er werden glas en vensters besteld. De grote vraag is natuurlijk of ze het plafond in de grote zaal gaan jipsen of schilderen. Als we het alleen van de brieven zouden moeten hebben, zouden we dat nooit weten. Gelukkig staat het huis er nog en de grote zaal is in de basis nog steeds zoals hij tijdens de bouw bedoeld was. Dus komen kijken is de eenvoudigste oplossing om daar achter te komen.

Voor een huis met hoge ramen en luiken stopt een koets. Een man laat een vrouw uit de koets. Voor de koets staat een chique vrouw met een zwarte huik, een rode rok en witte kraag met een waaier in haar hand te wachten. Achter haar speelt een meisje met een hond. Op de trap naar de deur staat een oude man in het zwart. Hij heeft zijn hoed in de hand. Achter de koets buigen twee mannen naar elkaar. Op de voorgrond een paar kalkoenen en een haan.
Aankomst bij een landhuis, Gesina ter Borch, ca. 1661. Collectie Rijksmuseum.

Verder bouwen

Als we met de brieven van twee jaar later verder gaan, zijn de Van Reedetjes natuurlijk behoorlijk opgeschoten met de bouw. Dan wordt er hard gewerkt aan de bijgebouwen, vooral de stallen met de beide paviljoens. Daarnaast valt er natuurlijk in het huis zelf ook nog van alles te verfraaien. Verder zijn er verhalen over de kleinkinderen, over ossen, over de landbouw en over bezoek van de prins. Dus ook de volgende serie brieven heeft weer genoeg om naar uit te kijken!

Aan de linkerkant zien we nog net een stukje van de gevel van een groot huis met ramen met heraldische wapens. In het gras staat een lange tafel met allemaal mensen erom heen. Op tafel staat eten en de mensen vermaken zich met elkaar, er wordt geflirt, getoast en gekletst. Een kleine jongen loopt rond om de glazen bij te vullen.
Vrolijk gezelschap in de buitenlucht, Gesina ter Borch, 1658. Collectie: Rijksmuseum.

Eindelijk!

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 16 juni 1677 Amerongen
Ontvangen Godard Adriaan van Reede 27 juni 1677
Lees hier de originele brief

Het gaat er eindelijk van komen! Het einde van de diplomatieke missie van Godard Adriaan komt in zicht! Margaretha trekt die conclusie uit de brief die Godard Adriaan haar op 12 juni schreef en dat is niet het enige. Van Heteren heeft haar geschreven dat de ‘demissie’ van Godard Adriaan is goedgekeurd.

Brieffragment demissie

Ameronge den
16 juni 1677

Mijn heer en lieste hartge

wt uhEd mesiefve vande 12 deeser sien ick de hoope die
deselfve mij geeft van in korte hier te sulle sijn
van Heeteren schrijft dat haer hooch Mo(gende)1Titel voor de Staten Generaal uhE
demisie om thuijs te koome hebbe geackordeert

Nou ja, een klein voorbehoud, de Lunenburgse troepen moeten onderweg zijn, maar Godard Adriaan zal zelf wel weten hoe het daar mee staat. Margaretha verheugt zich enorm op de thuiskomst van haar man. Niet alleen wordt wel weer eens tijd, het is ook fijn om samen beslissingen te kunnen nemen!

Brieffragment verlangen naar thuiskomst

[staet is te maecken,] hoope niet hij vreemt sal vinde
ick seer naer uhEd komste verlange, nu ons werck
so seer komt, vallen der verscheijdene dinge voor
daer uhEd oock wel Eens diende present te sijn

Een vrouw zit aan een tafel. Ze kijkt ons aan. Haar rechter hand ligt op haar schoot, in haar linker heeft ze een veer, voor haar ligt een leeg blad. Op tafel een kleed dat bijna tot op de grond hangt. Op tafel een inktpot met schrijfset en een kandelaar.
Brief schrijvende vrouw, Pieter Schenk naar Gerard ter Borch (I), 1684. Collectie Rijksmuseum.

Deelle en balcke

Het werk aan het huis gaat gestadig door. De driehonderd vloerdelen die afgelopen winter in het bijzijn van Godard Adriaan gezaagd zijn, liggen los op hun plek. Wat minder mooi is, krijgt een plekje op zolder. Maar het zijn er niet genoeg. Margaretha stelt voor om voor de alkoofkamer (kamer met een bed), het eetsalet (de eetkamer) en voor de torenkamer vloerdelen uit Duitsland te laten komen. Dat gaat wel veel geld kosten maar er liggen in Amsterdam nog tweehonderd balken die niet nodig zijn en als die nou verkocht worden, dat zal de kosten dekken. Misschien houden ze dan nog wel geld over.

Brieffragment houten delen

[deelle konne belegge,] dewelcke men sou moete
koope en al wat koste sulle, maer daerteege
soude ickmijns oordeels, Een honde b balcke van
die tot Amsterdam over de twee hondert noch
int getal legge en wij niet van doen hebbe verkoopen die mijns beduncke
ontrent de 2000f soude af brenge, daermee wij
tot het inkoope vande pruijse deelle al verde sou
de springe of noch wel over houde,[ met de]

Een platte grond van een redelijk vierkant gebouw. midden voor een brede hal met twee trappen. De twee ramen en deur zitten in een deel van de gevel dat een beetje uit steekt. Links en rechts daarvan een grote ruimte. Achter de trappen een gang die over de volle breedte van het huis loopt. Midden achter een brede grote zaal met vier ramen in een deel van de gevel dat iets uit steekt. Aan weerszijde een kleinere ruimte met rechts extra trappen. Met rood potlood zijn er midden achter trappen getekend, maar ook rechts tegen de muur. Heel dun staan op sommige plekken ook nog extra lijnen toegevoegd.
Plattegrond van de eerste verdieping (beletage) van het huis Amerongen, Anoniem, 17e eeuw. Huisarchief Kasteel Amerongen, Het Utrechts Archief. Het eetsalet is de kamer links onder, de torenkamer links boven en de alkoofkamer rechtsonder.

Het werk is ‘geavanseert’

Margaretha is duidelijk trots op het werk dat al verzet is. Bijna al de gewelven van de kelders zijn af en de meeste gewelven zijn ook al bepleisterd. Afgelopen week is er vanwege Pinksteren niet gewerkt maar morgen gaat het weer los. Steenhouwer Prang gaat verder met de schoorstenen, de daklijst om het huis is af. Margaretha heeft de secretaris opdracht gegeven om aan Godard Adriaan een overzicht te sturen met ook de melding van de ‘pruijse deelle’, de delen Pruisisch hout, die nog nodig zijn. De drost heeft nog iets bijgevoegd over een kwestie met het Hof van Utrecht, Margaretha weet daar zo snel geen raad mee.

Brieffragment berichten van de secretaris en de drost

[Huijs is volkoome gedaen,] ick heb de sekreetaris be
last uhEd vandaech noch alles pertinent te schrij=
ve, ock wat pruijse deelle der noodich sijn, wt de
neefens gaende van drost sal uhEd sien wat interedixsie2Interdictie: Als rechtsterm. Verbod om b.v. met zekere handelingen voort te gaan, bij officieele aanzegging (notarieele insinuatie) of vanwege het gerecht.
hem van weegen het hof van wttrecht is gedaen of dat
bij ons gerecht kan aengenoome worde, weete ick niet

Een steenhouwer aan het werk op straat. Naast hem op de grond ligt een grote winkelhaak. Op de achtergrond de Porta Romana te Florence.
De steenhouwer, Carlo Lasinio, 1769-1838. Collectie: Rijksmuseum.

Traktatie op school

De kleinkinderen verheugen zich ook op grootvaders komst, in het bijzonder Frits! Kleindochters Niera (Reiniera) en Pootge (Salomé Jacoba) hebben de kinderen op school koek beloofd want dat brengt grootvader natuurlijk mee en dan gaan zij trakteren. Maar voor nu, Margaretha blijft zijn ‘getrouwe wijff’.

Brieffragment traktatie

, al onse kindere w insonderheijt3Inzonderheid: voornamelijk frits verlange seer
naer groote papaes komst, niera en pootge beloof
al de kindere in’t school koeck die groote papa
mee sal brenge, hiermeede blijfve
Mijn heer en lieste harte
uhEd getrouwe wijff
M Turnor

In een eenvoudige ruimte zit een vrouw op een stoel met een boekje op schoot. Om haar heen vijf kleine kinderen.
De dorpsschool, Christina Chalon, 19de eeuw. Collectie: Universiteit Leiden.
  • 1
    Titel voor de Staten Generaal
  • 2
    Interdictie: Als rechtsterm. Verbod om b.v. met zekere handelingen voort te gaan, bij officieele aanzegging (notarieele insinuatie) of vanwege het gerecht.
  • 3
    Inzonderheid: voornamelijk

Pinksteren, regen en een schuchtere held

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 12 juni 1677 Amerongen
Ontvangen Godard Adriaan van Reede 17 juni 1677
Lees hier de originele brief

In de vorige brief heeft Margaretha al alle vragen van haar man beantwoord die hij in zijn laatste van 5 juni stelde. Sindsdien is er niet veel veranderd, behalve één ding: de keldergewelven zijn klaar! Een mijlpaal, want hiermee is een groot deelproject achter de rug. Alleen het gewelf onder de kinderkamer moet nog. Vanwege Pinksteren en de regen wordt er niet veel gewerkt, maar er is nieuws over een schuchtere held.

Brieffragment wulfsels in de kelder

[rec 17 dito]
Ameronge den
12 ijuni 1677

Mijn heer en lieste hartge
seedert mijne laeste waer in uhEd beste die vande
5 deeser is geweest heb beantwoort, is hier niet
veel veranderins voorgevalle, wt die vande see
=kreetaris sal uhEd hebbe gesien hoet hier met
werck staet, de wulfsels vande kelders sij over
al wtgesondert die onder de kinder kamer
toe en gemaeckt, dat Een groot werck wt de
weech is, [om sullense gaen aende meure vande]

Pinksteren

De volgende stap in de kersverse keldergewelven wordt het pleisteren van alle muren en plafonds. Niet dat deze week veel zal gebeuren, want Margaretha heeft evenmin als met Hemelvaart kunnen beletten dat alle werkmannen inclusief Rietveld met Pinksteren naar huis zijn gegaan. Ze verwacht ze niet voor voor woensdag terug.

Brieffragment werk en pinksteren

[onder de kinderkamer te slaen] en voort al
de wulfsels inde kelders ende muere te plaeste
=renpleisteren en aente strijcken, dan de aenstaende
weeck en salder weer niet veel gedaen worde
met de pinstere1Pinksteren is Elck al Eens naer huijs ge=
gaen en rietvelt naer Amsterdam, en sulle
niet voor en woonsdach weeraent werck
koomen dat ick niet heb konne beletten,

Een pinksterblom (pinksterbloem of pinksterbruid), een in een lang gewaad gestoken, met bloemen en sieraden getooid meisje, wordt begeleid door twee verklede kinderen. Samen trekken ze er met Pinksteren op uit om geld op te halen met het zingen van liedjes.
Juni (de pinksterblom), Cornelis Dusart, 1679-1704. Collectie Rijksmuseum.

Regen, een zegen?

Het mooie weer is blijkbaar weer even voorbij: het heeft de hele week alleen maar geregend. Heel goed voor het graan en de tabak en allerlei andere gewassen! Helaas niet voor het werk bij de steenoven en ook niet voor het pas gemaaide hooi op de Benedenste Bol. Nou ja, die regen is het werk van God, daar kunnen ze niets tegen doen.

Eerste brieffragment regen
Tweede brieffragment regen

aldeese weeck heeft het hier niet gedaen als ge=
reegent dat wel goet opt koorn2koren, graan toeback3tabak en
alderhande vruchte is geweest, maer niet

op onse steenoven oft hoeij dat op de beneedenste bol
gemaeijt leijt, op de steen oven hebbense van alde
weeck niet gevormt, dit is godts werck daer wij
niet toe konne doen, [gistere is bentom die]

Vrouw kijkt naar de stromende regen in een open plek in het bos.
Gepersonifieerde ziel in beschouwing van de regen, Jan Luyken, 1678-1687. Collectie Rijksmuseum.

Lof en eer voor de Held van Kassel

Zo weinig als er over de bouw is te vertellen, des te meer over de heldendaden van zoonlief. Godards kornet Bentum is langs geweest in Amerongen en heeft in geuren en kleuren nog eens over diens tomeloze inzet in de Slag bij Kassel verteld. Het heeft vooral aan Godards goede inzicht en leiderschap (en Gods hulp natuurlijk) gelegen, dat er niet nog drie of vier duizend extra manschappen dood op het slagveld zijn gebleven. Zijn directe bevelhebber, luitenant-generaal de Montpouillan, liet het helemaal aan hem over, ook toen Godard alsnog om orders vroeg. Hij moest vooral doorgaan met zijn goede acties.

Brieffragment beschrijving van de strijd

[met hem geweest is] sonde de dierexsie4directie:leiding die hij
gepleecht heeft en sijn groote voorsichticheijt
daer had noch wel 3 a 4000 man moete be:
op de plaets doot gebleefve hebbe, wij kone
godt niet genoech dancke, opt lest quam mom
=pelijan5Armand de Caumont, marquis de Montpouillan daer bij aende welcke de heer van ginckel
aenstonts versocht sijn ordere6orders, bevelen te ontfange
diet selfve met Een groote sievielliteijt7civiliteit, beleefdheid
Exskuseerde en versocht de heer van ginckel
wilde voort gaen int geene hij so wel had
of was int doen, [ock inde reetreete preesen]

Mannen te paard zijn met elkaar in gevecht. Op de grond liggen dode mannen, links valt een an van een weg galopperend paard. Rechts schiet een knielende man op de ruiter achter zich.
Ruitergevecht, illustratie voor ‘Den Arbeid van Mars’ van Allain Manesson Mallet, Romeyn de Hooghe, 1672. Collectie Rijksmuseum.

Met lof en eer overladen kwam hij van het slagveld en ook Willem III zijn Godards heldendaden niet ontgaan. Hij was erg tevreden over diens competente optreden. Toen hij zag dat Godard van paard moest wisselen heeft hij hem er zelfs eentje uit zijn eigen stal gegeven. En later in Den Haag mocht Godard bij hem op het hof overnachten en uitrusten.

Brieffragment lof en eer

[maer liet het aende heer van ginckel], so
dat hij met groote Eer en lof daer af is
gekoomen, en sijn hoocheijt diet meest selfs
heeft aengesien, teeneemaelteneenemale van sijn derex
=sie8directie, leiding en kontdwijte9conduite: gedrag voldaen is geweest, sijn
hoocheijt siende dat de heer van ginckel van paert
most veranderen sont hem aenstonts Een van
sijn hant paerde, en heeft hem in alles so
veel Eer seviEliteijt10civiliteit, beleefdheid getoont als hij sou konne
bedencke begeerende doen hij bij hem quam
dat hij dien nacht in sijn hof sou blijfve en
wt rusten,[ in soma alles was heel wel, alst]

Een Gebouw met twee verdiepingen, gebouwd rond een vierkante binnenplaats. Voor de binnenplaats staat een hek. Zowel op de binnenplaats als op de weg ervoor is het een drukte van belang met koetsen, wandelende mensen en honden.
Het Oude Hof in Den Haag (Paleis Noordeinde), Peter Schenk, 1706-1726. Collectie Rijksmuseum.

De held is schuchter

Kortom, geweldig natuurlijk, maar al die lof en eer zouden eens verzilverd moeten worden. De trotse maar nu toch wat ongeduldig wordende ouders zijn het met elkaar eens: Godard zou gebruik moeten maken van deze voor hem gunstige tijden om bij de prins een volgende stap in zijn carrière voor elkaar te krijgen, maar hij is te timide. Een grote dappere man op het slagveld, een schuchter kind aan het hof.

Brieffragment schuchtere held

[wt rusten,] in soma11in somma: kortom alles was heel wel, alst
maer bij voorvallende ockasie12gelegenheid gedacht mach
worde, uhEd heeft gelijck, hij behoorde hem van
deese tijt te diene maer hij is te temiede13timide: beschroomd, verlegen, bedeesd
hiermeede Eijndigende blijfve
Mijn heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijff
M Turnor

Deze beeldengroep van een vader, moeder en kind, stelt de Heilige familie voor. Op een naturalistische ondergrond wandelen Maria en Jozef zij aan zij met hun zoon tussen hen in. Het paar houdt de handen van het Christuskind vast om hem te helpen bij het lopen. Ze lijken op het punt te staan de peuter speels een stukje omhoog te zwiepen. Maria draagt onder een omslagdoek een gewaad met ceintuur hoog rond het middel. Ze loopt op sandalen en in haar gevlochten, opgestoken kapsel is een hoofddoek verwerkt. Jozef draagt eigentijdse kleding, laarzen en een hoed met een riem. Om zijn rechterschouder heeft hij een mantel geslagen. Het Christuskind loopt op blote voeten en draagt een eigentijds hemd met opgestroopte mouwen. De ondergrond en de drie figuren zijn separaat gesneden, daarnaast zijn de armen en Jozefs hoed los aangezet. De ogen van de drie figuren zijn ingelegd met zwart glas.
Heilige familie, Jan van Doorne (III), 1640-1650. Collectie: Rijksmuseum.

  • 1
    Pinksteren
  • 2
    koren, graan
  • 3
    tabak
  • 4
    directie:leiding
  • 5
    Armand de Caumont, marquis de Montpouillan
  • 6
    orders, bevelen
  • 7
    civiliteit, beleefdheid
  • 8
    directie, leiding
  • 9
    conduite: gedrag
  • 10
    civiliteit, beleefdheid
  • 11
    in somma: kortom
  • 12
    gelegenheid
  • 13
    timide: beschroomd, verlegen, bedeesd

Pagina 2 van 30

Recente reacties

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema door Anders Norén