Margaretha begint weer met een relaas over de post. Zowel de brieven van haar man als haar eigen brieven arriveren traag op de bestemming. Ze krijgt soms brieven die drie weken oud zijn! Deze brief houdt ze kort.
IJs, ijs en nog eens ijs
Het heeft nu 4 à 5 dagen flink gevroren. In de nacht ontstaat een sterke laag ijs, wat iedereen weer doet vrezen voor een overtocht van de Fransen. Hoewel er ook mensen zijn die zich minder zorgen maken. Het staatse leger is nu dichtbij en zij zouden – ijs of geen ijs –de nodige bescherming kunnen geven. In Utrecht echter werven de Fransen weer nieuwe troepen. Maar in Den Haag worden de paarden van de compagnie ook weer van stal gehaald en gereed gemaakt. Het blijft moeilijk met deze bekommeringen te moeten leven op dit moment, verzucht Margaretha.
Officier die naar schaatsers staat te kijken, Gerard ter Borch (II), na 1633 – ca. 1634. Collectie Rijksmuseum.
Het huis in Amsterdam
Het huis in Amsterdam, wat nog steeds door Margaretha gehuurd wordt, zal vanaf mei door anderen worden overgenomen. Dit brengt haar weer de nodige zorgen: ‘ick weet niet hoe ickt maecke sal so wij wttrecht voor de soomer niet weer krijgen’. Waar moet ze alle spullen uit Amsterdam laten als ze niet terug kunnen naar Utrecht? Ze vreest ervoor dat ze genoodzaakt is een ander huis in Amsterdam te huren.
[het welcke de heer almachtich wil seegene], het huijs dat wij te Amsterdam hebbe is teegens toekoomende meij verhuert, ick weet niet hoe ickt maecke sal so mij wttrecht voor de soomer niet meer krijgen, derf ick ons goet van Amster =dam niet hier brenge ock met het kraeme vande vrou van ginckel niet wage, vreese genootsaeck te sulle sijn teegens meij Een ander huijs al daer te hueren, salt noch Een maent of ses weecke insien wat met komste de heere ons mocht geefven, binne wijlle blijfve Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff
Rekenen…
Want dan heb je ook nog de zwangere schoondochter. Margaretha heeft zitten rekenen en verwacht de baby precies dan wanneer het niet uitkomt- rondom het opzeggen van de huur in Amsterdam dus. Maar goed, ze zal het nog een maand of zes weken afwachten…eens kijken wat de Heer met hun toekomst van plan is.
Interieur van huis met vrouwen en kinderen, Zacharias Blijhooft, 1671. Collectie Rijksmuseum.
P.S. een sterfgeval
Er volgt nog een p.s. Toch nog een nieuwtje dus, want het voorgaande is eigenlijk het herhalen van de zorgen die ze al had. Maar ze schrijft dat ze vorige keer vergeten was te zeggen dat de oude Rijngraaf is gestorven (Frederik Magnus van Salm). Hij is in stilte begraven. Margaretha kan het niet laten te schrijven over de verdeling van de functies die door zijn sterven zijn opengevallen. De een zijn dood is de ander zijn brood…
met de leste post heb ick vergeete te segge dat den oude rhijngraef1Frederik Magnus van Salm gistere acht daech tot Maestricht is gestorfve en daer in stillicheijt is begraefve sijn kompangi heeft den jonge donau2Waarschijnlijk Wilhelm Albrecht von Donha het goevernement seijt me dat den heere wurts3Paul Wirtz hebbe sal, en mompelijan4Armand de Caumont, marquis de Montpouillan het luijtenantgeneral
NB De brief is niet in de juiste volgorde gescand. Leesadvies: 23 rechts, 24 links, 26, 27 links, 24 rechts, 25 links.
Vandaag schrijft Margaretha een lange, lange brief. Om het hier een beetje behapbaar te houden, hebben we de brief in drie stukken geknipt met de volgende onderwerpen:
Een onderwerp dat vaak tussen neus en lippen door voorbij komt in Margaretha’s brieven, zijn de verhalen over familieleden. Soms heeft ze het welbewust over een neef of nicht, maar soms moet je het maar net weten. Zoals ze haar zoon en schoondochter de Heer en Vrouw van Ginkel noemt, zo worden andere familieleden ook genoemd. De familierelatie is dus lang niet altijd duidelijk. Soms is het ook zo dat ze mensen neef of nicht noemt, waarbij je geen idee hebt waarom. In ons 21e-eeuwse wereldbeeld zouden we het op zijn gunstigst over een achterneef of -nicht hebben, maar vaak zelfs niet eens meer weten dat het familie is.
In deze brief komen drie familieleden voorbij: de Heer van Wulven, de Heer en Vrouw van Heeze en Leende en Neef van Reede.
Heer van Wulven
In een eerder deel van deze brief, Gruwelen, wordt de Heer van Wulven genoemd, dit is Hieronymus van Tuyll van Serooskerken, de oudste zoon van Godard Adriaans zus Cornelia Elisabeth.
Gezicht op kasteel Wulven, gezien vanuit het zuiden, Roelant Roghman, ca. 1646 – ca. 1647. Collectie Rijksmuseum
Neef van Reede
Het belangrijkste verhaal in deze brief is over de Neef van Reede: hij is overleden. Het doet Margaretha leed dat hij is overleden, ook al heeft ze hem niet gekend. Ze vindt het vooral jammer voor Godard Adriaan, die met hem een goede vriend aan het hof van de keurvorst verliest. Ze hoopt dat Godard Adriaan snel nieuwe mensen vindt die hem daar behulpzaam kunnen zijn. Tussen de brieven van Margaretha zitten ook twee brieven van Diederik van Baer, die getrouwd is met de zus van de neef. Hij schrijft Godard Adriaan aan over de mogelijke erfenis.
[goederen in seelant konfiskeere,] de doot van ons neef van reede doet mij van harte leet en vrij leeder hoewel hem niet gekent heb als
so ick sien kan Eimant van sijn naeste vriende die mijns oordeels daer niet veel swaericheijt in maecke, dae voor mijn om dat uhEd so veel daer aent hof sende aen verliest de heere hoope ock sal al weer goede vriende en harte verwecke die uhEd behulpsaem sulle sijn
Kennelijk heeft de neef ooit van de Keurvorst een stuk land in Pruissen gekregen, maar dat eist de Keurvorst weer terug. Margaretha snapt het niet helemaal. Hij had het toch in eigendom gekregen? Hoezo wil de Keurvorst het dan terug? Het is nu vooral de vraag of Godard Adriaan tijd en geld moet steken in een stuk land in een gebied waar ze niemand kennen die er naar om zou kijken. Bovendien is het nu oorlog en zijn ze waarschijnlijk toch al alles kwijt. Of Godard Adriaan dat maar wil overwegen voor hij verantwoordelijkheden op zich neemt.
Merian, Caspar naar Johann Gregor Memhardt: Kasteel Oranienburg. Vogelperspectief op het in 1651 uitgewerkte plan van Memhardt in opdracht van Keurvorstin Louise Henriette (van Oranje Nassau). Uit: Martin Zeiller, Topographia electoratus Brandenburgici et Ducatus Pomerianiae, bei Matthäus Merian, Frankfurt am Main, 1652, nach S. 76. Collectie: Stiftung Preußische Schlösser und Gärten Berlin-Brandenburg
Carel van Reede van Drakestein, de opperschenker
De bewust neef is Carel van Reede van Drakestein. De tak Drakestein komt voort uit de tak Nederhorst. Deze Carel is een kleinzoon van een broer van Godard Adriaans opa. Een erg verre neef dus. Maar ook verre neven kunnen goede neven zijn, juist in den verre. Carel heeft Godard Adriaan erg geholpen tijdens de start van zijn verblijf in Berlijn. Hij kende het hof van de Keurvorst goed, want hij was daar opperschenker.
Een opperschenker was in de middeleeuwen de voorproever die ervoor zorgde dat de vorst niet vergiftigd kon worden. Om te zorgen dat hij zelf niet vergiftigd werd, hield deze opperschenker natuurlijk goed toezicht op met name de wijn en het schenken van de wijn, maar ook in de keuken in het algemeen. Ten tijde van Carel was de opperschenker verantwoordelijk voor de wijnkelders en bij afwezigheid van de hofmaarschalk ook voor de keuken en de tafel. Helaas weten we verder erg weinig over deze Carel.
De heer en vrouw van Heeze en Leende
Aan het eind van de brief vertelt Margaretha dat de heer van Heeze en Leende langs geweest zijn. Anna Margaretha van Randwijck, de Vrouwe van Heeze en Leende is een nichtje van Godard Adriaan. Ze is de dochter van zijn zus Catharina. Net als Neef Welland is zij ook vroeg wees geworden en mogelijk hebben Godard Adriaan en Margaretha haar ook opgenomen. Ze trouwde jong, ze was negentien, met de weduwnaar Albert Snouckaert van Schauburg. Hij had in 1659 het vervallen kasteel Eymerik gekocht in het katholieke Brabant en bouwde daar met architect Pieter Post een nieuw kasteel: Kasteel Heeze.
Over het bezoek zelf laat ze vrij weinig los, alleen dat Albert en Anna Margaretha graag naar Vlaanderen willen. Waarom is niet duidelijk.
Ziekenboeg
Gelukkig liggen er geen familieleden meer in de ziekenboeg. De update in huis gaat over Warnaar, de koetsier die dood is, keukenmeid Dorit die buiten hoop van leven is net als lakei Arend. Met die laatste is het zwaar gesteld: hij heeft een razende koorts en is bijna niet meer aanspreekbaar. Moge de Here ze maar snel tot zich nemen, zowel wat betreft de ziel als wat betreft het lichaam. Wie dood is, mag zich gelukkig prijzen…
[noch aen,] warnaer de heer van ginckels koets =sier is voorleede sondach gestorfven mijn doorij =te onse kockmeijt leijt buijten hoop van leefven so doet ock Arent de lackeij vande vrou van gincke se sijn al meest in Een raesende koorts en meest buijten verstant de heere wil haere sielle genadi sijn, ick doeder so naer den lichaeme als naer de sielle so veel bij alst doenlijck is moetse voort in de hande des heere beveelle inde welcke wij alle staen, die wel inden heere gestorfve is, is wel geluckich [want wie siet noch het Ent van deese]
Aan het eind van de brief voegt Margaretha een hele korte update van de overige zieken in het land toe: de oude Rijngraaf, Frederik Magnus van Salm is tot stervens toe krank. Margaretha weet kennelijk nog niet dat hij de dag voor ze haar brief schrijft is overleden. Er is ook een stralend lichtpuntje: Amalia van Solms is beter.
[pamphiel sijn proses wille maecke,] den oude rhijngraaf is heel kranck tot sterfens toe, Mevrou de prinses is beeter, [den heer]
Sorry
De brief is wat langer uitgevallen dan Margaretha gewild had. Dus houdt ze de ondertekening maar kort: MT en geen ps.
, dees is wat langer gevalle als gemeent hadt sal blijfve
De laatste brief die Margaretha van Godard Adriaan heeft ontvangen, heeft ze op 9 januari beantwoord. In de tussentijd heeft ze geen nieuwe brieven van haar man binnengekregen. Ze blijft trouw schrijven, maar maakt zich wel zorgen.
Komt Van Ginkel thuis?
Van zoonlief heeft Margaretha wel brieven ontvangen. De heer Van Ginkel schrijft dat zijn gezondheid sterk verbeterd is. Hij is met een koets vertrokken en wacht op het jacht dat hem op komt halen in Brussel. Margaretha verwacht dat hij onderweg is, maar het heeft de afgelopen week ontzettend hard gestormd…
[staen t kost niet voort,] de heer van ginckel schrijft sijn gesontheijt so toe genoome te hebbe dat hij met Een koets wtgereede heeft dat hem wel bekoome is en wachte maer opt jacht dat van rotterdam gist gistere acht dage al naer bruijsel al af gevaeren is om hem te haelle so dat niet twij= =fele of hij is op wech, maert heeft deese weeck heel seer gestormt tot deesen dach toe en nu heeft hij vlack inde wint dat mij bekomert[, alsmeede niet]
Een schip in volle zee bij vliegende storm, bekend als ‘De windstoot’, Willem van de Velde (II), ca. 1680. Collectie Rijksmuseum
Amalia en Albertine Agnes
Amalia van Solms, weduwe van Frederik Hendrik van Oranje, is ontzettend ziek. De doktoren hebben weinig hoop, schrijft Margaretha. De prinses van Oranje is verkouden, hoest en heeft aanhoudende koorts. Haar dochter Albertine Agnes van Nassau, de weduwe van de Friese stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz, ‘wort verwacht’, aldus Margaretha.
[in gesontheijt,] haer hoocheijt Mevrou de prinses van oransge1Amalia van Solms is, Etlijcke dagen herwaerts heel doot lijck kranck geweest ijae so dat de docktoore weij nich hoop vande leefve hebbe, veroorsaeckt wt Een
groote verkoutheijt met hoest en kontiniweelle koorts en alledaech swaere verheffine van koorts die met koude aenkomt, de prinses van vrieslant2Albertine Agnes van Nassau, dochter van Amalia van Solms wort verwacht[, voort verlanckt me]
Portret van Amalia van Solms, Jacob Houbraken, naar Hendrik Pothoven, naar Gerard van Honthorst, 1753. Collectie Rijksmuseum
Albertine Agnes, Henrick Rochuszn van Dagen, naar Cornelis Visscher (II), naar Gerard van Honthorst, 1649 – 1677. Collectie Rijksmuseum
Ziekte, dood en verderf in het leger
Uiteraard besteedt Margaretha ook weer aandacht aan het oorlogsnieuws. Zoals altijd is de hamvraag: waar blijven de Duitse troepen? De gardes van de prins van Oranje begeven zich in ieder geval in Den Haag, het regiment van Van Ginkel te Gorinchem, dat van Jacob van Wassenaer Obdam te Amsterdam, van Frederik Hendrik van den Boetzelaer te Leiden en van Joan Teding van Berkhout te Rotterdam. Gelukkig bevindt zoonlief zich op het moment niet bij zijn regiment, want in Gorinchem zijn veel militairen aan de rode loop. In Holland staat alles onder water, waardoor wegen onbruikbaar zijn geraakt. Daarbij komt dat er bij Amsterdam door de zware wind een dijk is doorgebroken, waardoor veel ruiters te paard van de compagnie van Gerard Bernhard von Pöllnitz zijn verdronken. En er zijn nog meer doden te betreuren: de heer van Herne, Adriaan Reinhard van Reede, is aan de legerziekte gestorven. Margaretha vreest dat er nog veel meer militairen ziek gaan worden.
[vrieslant wort verwacht], voort verlanckt me hier seer te hoore waer de duijtse troepees sijn de gardees van sijn hoocheijt legge hier inde haech het reegement vande heer van ginckel te gorckom dat van obdam3Jacob van Wassenaer Obdam te Amsterdam van lange =raeck4Frederik Hendrik van den Boetzelaer is noch te leijden ingenoomen, van slijdrecht5Johan Teding van Berkhout te rotterdam, daer over al groote quantiteijt van hooij en haver voor op gedaen is, men seijt te gorckom seer veel siecke aende roode loop is, het staet hier in hollant over al so int water datter geen weege sijn te gebruijck daer bij komt datter ontrent Amstendam door de swaere wint Een dijck is door gebroo =cke, waer door veel ruijters met haer paerde vande kompangi vanden heere penits sijn verdroncke sijn luijtenant dieder acht paerde heeft verloore seijtme dat het ontswomen is, de raetsheer rijxse swager vande burgemeester hamel koomende wt noortholland, is te Amsterdam naer twee dage sieck geweest te sijn gestorfve, de heer
van herne6Reinhard Adriaan van Reede van Saesfelt is ock in sijn garnesoen aen die leeger sieckte gestorfve, daer der veel aen legge, tis te vreese als de liede nu wat op haer rust koome datter noch veel sulle sieck worde
Gelukkig is Van Ginkel weer aan de beterende hand. ‘Wij konne godt niet genoech dancke dat onse soon so genadich daer tot noch toe is af gekoome’, schrijft Margaretha aan haar man. Er is ook goed nieuws over de ordinantie van Godard Adriaan: bij de Gecommitteerde Raden is last gegeven om 12.000 gulden aan Godard Adriaan over te maken. Margaretha zal het wel even gaan regelen: ‘als ick die heb sal sien daer gelt van te krijge’.
wij konne godt niet genoech dancke dat onse soon so genadich daer tot noch toe is af ge koome so ick nu hoor van die bij hem in sijn swaerste sieckte is geweest was hij teene =mael buijten hoop van leefve, och hoe groot is de goedertierentheijt godts tot ons wae =ren wij maer danckbaer genoech, nu heb ick naer lan loope so vergekreechge dat ter bij de heere gekomiteerde rade last is gegeefve om ordinansi ter som van twaelf duijsent gul voor uhEd op te maecke als ick die heb sal sien daer gelt van te krijge[, en uhEd begeert volge]
PS: Van Ginkel is thuis!
Uit deze brief blijkt goed dat Margaretha meerdere dagen over een brief deed. Waar ze zich aan het begin van haar brief nog afvraagt wanneer haar zoon thuiskomt, schrijft ze in een post scriptum dat hij is thuisgekomen. Hij zegt zich goed te voelen, maar ziet er vervallen uit en is zwak: ‘De heere hoope ick sal hem sijn krachte en sterckte voort geefven’.
opt sluijte van deese komt de heer van ginckel hier aen, die seijt hem wel te voelle maer sietter so vervalle wt dat men schrickt hem te sien is ock noch seer swack de heere hoope ick sal hem sijn krachte en sterckte voort geefven, sijn kamerlin is noch heel sieck mee hier
1
Amalia van Solms
2
Albertine Agnes van Nassau, dochter van Amalia van Solms
Margaretha en haar familie hebben 1672 overleefd maar de oorlog is nog niet voorbij. Margaretha’s vorige brief zat vol slecht nieuws: de vijand is een duister plan aan het smeden en ze heeft al weken niets gehoord van haar zoon. Zal 1673 een fortuinlijker jaar blijken dan 1672 of zakt de Republiek verder de rampspoed in?
Ziekte van Van Ginkel
De brief begint relatief goed: eindelijk hoort Margaretha weer iets van haar zoon! Ziekte teistert de familie zowel in Den Haag als in het verre Charleroi: zoonlief kon geen brieven schrijven omdat een flinke verkoudheid met koorts hem geveld had. De dokters zijn inmiddels langs geweest bij Van Ginkel en zij denken dat de ziekte voorbij het hoogtepunt is. Het gevaar is geweken. Haar zoon heeft veel geluk gehad: hij is niet de enige die getroffen is door ziekte in het Staatse leger. Meerdere hoge officiers zijn zelfs overleden hierdoor.
sal het leste daer van Eerst sege, dat is dat de heer van ginckel volgens sijn schrijfve vande 27 wt bruijsel en die vande heere vrijberchge1Cornelis van Vrijberghe beeter en volgens t oordeel vande docktoore sijn sieckte opt hoochste is geweest en buijte prijckel2perikel: gevaar weer was, daer wij godt niet genoech voor konne dancke, sijn sieckte is hem int leeger voor schar =leroij3Charleroi met Een viemente4vehement: stevig verkoutheijt en konti =niweele koorts aengekoome alsmeede den luijte – nant generael weldere5Johan van Welderen en den ritmeester de gruijter6Onbekend, die sijn hoocheijt door de graef van werfusee7Floris Carel van Beieren Schagen, graaf van Warfusé en 60 ruijters naer bruijsel liet brenge, daer weldere en de gruijter den darde dach naer datsij daer waere, sijn gestorfve so den heere vrijberge die schrijft onse soon
Aderlating. Fragment uit Jacob Fransz. (ca. 1635-1708) en zijn familie in de chirurgijnswerkplaats, Egbert van (I) Heemskerck, 1669. Collectie Amsterdam Museum
Dat Van Ginkel het overleefd heeft is aan twee zaken te danken, schrijft Margaretha: gezond verstand en een goed gestel. Toen hij hoorde dat er al mensen overleden waren omdat ze geen rust namen heeft hij meteen verzocht om logement bij iemand in huis te nemen in plaats van verder te reizen naar het barre, koude legerkamp bij Charleroi. Het laatste nieuws dat Margaretha heeft gekregen over haar zoon is dat hij een aderlating ondergaan heeft. Hoe hem dit bekomen is, dat is nog wachten tot de dag van morgen.
seer intstantelijck versocht te hebbe sijn loosgement in sijn huijs bij hem te neeme, het welcke hij Exk =useerde en in sijn herberch is gebleefve, seijt segge, de docktoore bij aldien de heer van ginckel niet Een bij sondere starcke natuer had ge= =hadt daer niet vande op soude gekoome hebbe hij is te bruijsel g Een Adergelaeten, nu ver lange wij seer naer den dach van mergen dat de bruijselse post komt om te hoore hoet nu is en hoet laeten hem is bekoome, [ijan sijn]
Over het ijs!
Helaas blijft het in deze brief niet bij enkel goed nieuws. Godard Adriaan krijgt eindelijk te horen welk vilein plan de vijand bekokstoofd heeft: doordat het zo hard gevroren heeft is de Hollandse Waterlinie stijf bevroren. De Franse troepen konden simpelweg over het ijs de Staatse troepen omzeilen. Holland lag wijd open! Zouden ze hun belofte om Den Haag te plunderen nu waar maken?
[sieck tot bruijsel gebrocht was,] daer op kree chge wij snachts hier den alarm dat de vijant overt ijs van achteren bij boodegraef8Bodegraven was in gebroocke dat konins merck9Kurt Christoph von Königsmarck met sijn volck tot Alphee10Alphen aan de Rijn was gereetireert11retireren: terugtrekken, den r p fagel12Raadspensionaris Gaspard Fagel
en andere heere die savonts te tien Eure deese tijdin al hadde en aenstonts derwaerts ginge, seekree teerdes13ecreteren: geheim houden het, [maer snachts ontrent Een Eur quam]
Den Haag is in rep en roer. De hoge heren zijn al verdwenen uit de stad, zij hadden het nieuws schijnbaar al eerder. Er ontstaan weer volksoproeren en de burgers nemen het heft in eigen handen. Niemand mag de stad uit. Margaretha weet niet wat ze doen moet: ze lag al wakker met zorgen om haar zoon maar nu komen ook de Fransen ineens heel erg dichtbij.
maer snachts ontrent Een Eur quam der post op post, en ick die door de bekomerin van mijn soon niet kost slaepe, hoorde de klapper man roepe harwt harwt, daermeede, Elck ten bedde wt de burgerij in wapene de klocke op alde dorpe luijde alles was in sulcken roer dat het mij niet licht vergeeten sal, ick was meest met de vrou van ginckel en de kindere be komert en kostse onmoogelijck niet wech krijge de burgers oft kanaelge14canaille: gepeupel wilde onmoogelijck niet lijde15lijden: dulden datter Eimant wt den haech ginck, [het huijs]
Gelukkig zet al snel de dooi in. Eindelijk lijken Margaretha’s gebeden om hulp vervuld. De Fransen moeten snel terugtrekken en moeten daarvoor langs de post van commandant Pain et Vin bij Nieuwerbrug. Alleen… hij blijkt gevlucht te zijn.
De vraag op ieders lippen: hoe kon dit gebeuren? Waar was het Staatse leger toen ze eindelijk de Fransen de pan in hadden kunnen hakken? Weer is het Staatse Leger ineffectief gebleken tegen een Franse invasie.
[schrijfve], doch moet noch segge dat godt almachtich ons op Een bijsondere manier sijn genade heeft ge toont door Een seer schielijcke16schielijk: snel en viemente doeij waerdoor den vijant niet voort noch te ruch en kost, en sonder dat pinevien17Moïse Pain et Vin, bevelhebber van het Staatse leger wat Bodegraven had moeten beschermen sijn post die hem aenden nieuwe bruch18Nieuwerbrug aen bevoolle was had verlaeten naer
oordeel van alle mense had de vijant so beset geweest datter geen of weijnich van hadde konne koomen nu hout me voorseecker dat sij die post diese in hadde gehoude teenemael hebbe verlaete en weer na wt= trecht sijn, [men meent dat de komst van sijn hoocheijt]
Margaretha moet even alle stress en spanning kwijt bij haar liefste hartje. Hoe lang zal deze verwoestende oorlog nog doorslepen? Zal 2023 1673 eindelijk geluk, zege en voorspoed brengen? Voor de dorpelingen van Zwammerdam en Bodegraven is het al te laat: de gefrustreerde Franse troepen hebben de dorpen geplunderd en afgebrand op hun terugtocht. Zonder huis zullen zij deze killer winter moeten zien door te komen.
[de] heer almachtich wil ons bij staen en geefve wij in dit ijaer 1673 meer geluck seegen en voorspoet mooge hebbe alst voorleeden ijaer, so lange den vijant inde provinsi van wttrecht is sulle wij ingeen rust sijn maer met de Eerst vorst die wij alledage hebbe te verwachte alweer inde selfde alarm weese, tis seer droefvich te sien so hier ontrent alles geruwineert wort de plantaesge uijleboome de koekamp alle die boome sijn afgehouwe legge inde wech, de dorpe boodegraef en swamerdam sijn so af gebrant door den vijant datter geen ses huijse sijn gebleefve en voort al die streeck lans afgebrant, die schoone huijse, wat is dit Een ru wineusen oorlooch int hartge vande winter so veel mens verijaecht, och ons liefve vaderlant is wel in Een seer droefvigen staet, het Eene droefheijt komt mij opt ander en heb niemant dien mij raet heb van uhEd ock in so lan niet gehoort hoop het wel sal sijn, en dat de heer almachtich ons sal te hulpe koome op wien alleen betrouwe blijfve uhEd getrouwe M Turnor
P.S. Toch geen verkoudheid?
Zoals wel vaker voegt Margaretha aan het einde van haar brief nog recenter nieuws toe. Zo heeft ze net meer nieuws over haar zoon gekregen. Het schijnt dat hij niet enkel last had van een flinke verkoudheid maar ook van enige “belabbertheijt aen sijn tong”. Het klinkt alsof Van Ginkel door alle ontberingen een lichte beroerte heeft gehad. Haar moederlijke instincten ontwaken meteen: moet ze naar haar zoon toe?
seijde dat hij beeter was maer Eenige belabbertheijt aen sijn tong hadt wisle wist niet te segge waer wt het selfve ont staet, dat mij nu weer nieuwe bekomeringe geeft vreesende het Een nieuwe toe val sal sijn daerom ick seer beducht ben niet weeten de wat ick doen sal of daer nae toe gaen of niet gaen ick souder konne bevriese en niet weeten hoe weerom te koo =men, sal de post van merge afwachte, daer seer nae verlan
P.S. Gelukkig nieuwjaar!
Margaretha mag Kerst dan wel negeren, voor het nieuwe jaar is ze niet blind:
ick wensche uhEd hiermeede Een geluck salich nieuwe ijaer met meerder rusten minder sonde te beleefve,
Een gelukzalig nieuwjaar met meer rust en minder zonde…
1
Cornelis van Vrijberghe
2
perikel: gevaar
3
Charleroi
4
vehement: stevig
5
Johan van Welderen
6
Onbekend
7
Floris Carel van Beieren Schagen, graaf van Warfusé
8
Bodegraven
9
Kurt Christoph von Königsmarck
10
Alphen aan de Rijn
11
retireren: terugtrekken,
12
Raadspensionaris Gaspard Fagel
13
ecreteren: geheim houden
14
canaille: gepeupel
15
lijden: dulden
16
schielijk: snel
17
Moïse Pain et Vin, bevelhebber van het Staatse leger wat Bodegraven had moeten beschermen
In haar vorige brief had Margaretha een brief van Welland opgenomen. Welland had geschreven dat de Spanjaarden met Frankrijk gebroken hadden. Oftewel: de Spanjaarden zouden officieel partij hebben gekozen voor de Republiek en zelfs al een offensief en defensief verbond gesloten hebben. Goed nieuws! Of toch niet?
Het beleg van Charleroi
Helaas blijkt ook het nieuws over het verbond met Spanje te goed om waar te zijn. Maar het is ‘abuijs en so breet niet’, aldus Margaretha. Hoewel Spanje nog niet officieel met Frankrijk gebroken heeft, lijken de Spanjaarden wel op de hand van de Republiek te zijn. Margaretha weet te vertellen dat de Spanjaarden Charleroi berend hebben! De stad is in handen van de Fransen en wordt gebruikt als bevoorradingsplaats voor het Franse leger. Charleroi veroveren… Wat zou dat een mooie opsteker zijn voor de Republiek, zo aan het eind van het jaar! Prins Willem III heeft zich inmiddels met een deel van het Staatse leger bij de Spanjaarden gevoegd. Dat is goed nieuws! Of toch niet? Margaretha spreekt haar vrees uit. Ze gelooft dat ‘deese plaats seer veel volck sal koste’: de gouverneur van de vesting zal Charleroi tot de laatste man willen verdedigen…
Mijn heer en lieste hartge met mijne laeste heeft de heer van wellant1Goderd Willem van Tuyll van Serooskerken, pleegzoon van Godard Adriaan en Margaretha uhEd ge =schreefve dat de spaense tegens vranckrijck gebroo cke en met ons Een liege garantij offensijf en de= fensijf soude gemaeckt hebbe2Een offensief en defensief verdrag het welcke hem wt Maestricht geschreefve is, doch tis abuijs en so breet niet, maer wort geseijt hetselfve op goede voet te staen, dat de spaense scharleroij berent hebbe en sijn hoocheijt voort met sijn leeger daer bij is gekoome is waer, en dat hij voorleede sondach Een kontersch =erp3Conterscherp/Contrescarp: een talud aan de buitenzijde van een (vestinggracht) in had hout men ock seecker, en dat de gouver= =neur van scherleroij die bine tongere was met 60 man door Eene senisterheijt4Van sinister/sinisterlijk: op slinkse wijze is inde stat gekoome staet mij niet aen, hij is so geseijt wort Een vande braefste5Dapperste/moedigste offisiers die int fransen dienst is ick en veel wijse liede vreese deese plaets seer veel volck sal koste om dat dien gouverneur het tot de wtterste toe sal wille deffendeere [, al mijn]
De vesting te Charleroi, veroverd door de Fransen of Munstersen, Gaspar Bouttats, 1672. Collectie Rijksmuseum.
Kou
Is het wel een goed idee om nu aan een beleg te beginnen? Het is ontzettend koud: ‘Mensen moete van koude vergaen en doot vriesen’, uit Margaretha haar zorgen. Zo koud is het in jaren niet geweest − de wateren zijn reeds bevroren. Wat zal er gebeuren als het Franse leger de weersomstandigheden ten volle benut? In Utrecht verwacht men dat de Fransen nog dit jaar van plan zijn om Holland binnen te vallen. Margaretha hoopt dat de Heer almachtig het kwade voornemen van de vijand wil beletten en de inwoners van Holland voor een overval wil bewaren. Toch bereiden de Hollanders zich voor op het ergste: met degens, roers (vuurwapens) en bijlen. Maar in hoeverre zal dit helpen wanneer − God verhoedde − de Fransen aanvallen? Margaretha is niet erg hoopvol: iedereen zal alleen zijn eigen huis beschermen, en de rest aan de vijand overgegeven.
harde en felle weer, och ist nu tijt om beleegerin te doen de mense moete van koude vergaen en doot vriesen ock ist onmoogelijck datse met Een schop of spae inde aerde konne, tis hier so fel en scherp kout als ick in Eenige ijaere beleeft heb al de watere legge toe men schrijft wt wttrecht datse daer noch starck voor hebbe dit saijsoen te wille waerneeme en in hollant te wille koome, de heer almachtich wil haer quaet voorneeme belette en ons voor Een overval be= waere men sit hier in groote vrees, alde burge =rij en de sepooste is aengeseijt haer met Een deege Een roer en Een bijl gereet te houde maer als der op aen sou koome dat godt verhoede wil wat sout helpe Elck sou naer sijn Eijgen huijs loope en de rest ten beste geefve[, de griffier fagel]
Soldaat die zijn roer op zijn schouder draagt, Jacob de Gheyn (II) (atelier van), naar Jacob de Gheyn (II), ca. 1597 – 1607. Collectie Rijksmuseum.
Geld
Gelukkig valt er ook nog iets positiefs te melden: griffier Hendrik Fagel − de broer van raadpensionaris Gaspar Fagel − heeft aangegeven bezig te zijn een nieuwe rustwagen voor Godard Adriaan te regelen. Hendrik heeft tevens, op verzoek van Margaretha, zijn broer gesproken over de betaling van de ordinantie. Maar de kasteelvrouwe verwacht niet dat de raadpensionaris zich aan zijn woord zal houden. Vervolgens begint Margaretha over de Staten van Holland. Er sijpelt sarcasme door in haar woorden: de Staten van Holland hebben eindelijk door dat de militie in dit weer niet zonder geld kan. Er zijn verbeteringen doorgevoerd waardoor de soldij voortaan op tijd betaald wordt.
[loope en de rest ten beste geefve,] de griffier fagel heeft mij doen segge beesich te sijn met het versoeck tot Een rustwage voor uhEd geloof hij daer toe al konsent heeft bekoome, o ock dat hij den heer r p fagel op mijn versoeck heeft ge sproocke weegens de betaeline van beijde uhE ordinansie die hem belooft heeft mij deese weeck kontentement te doen hebbe so hij woort hout salt heel goet sijn maer hij heeft het so dick mael en so lan belooft dat icker geen staet op
kan maecke, men heere de state van hollant beginne nu te dencke dat haer meliesi in dit weer niet sonder gelt konne sijn, hebbe die voorsienine ge daen dat al haer meliesie betaelt wort tot dees loopende maent en de ordinansie die in dees maent vervalle sijn sullense laete loope sonder op te maecke deese maent wt en die tot den leste deesem in kluijs op maecke en betaelle en dan voortaen alle maent voort pront betael dat wel Een goede saeck sal sijn[, maer de track]
Ziekte en beterschap
Godard Adriaan moet ongerust zijn geweest toen hij de woorden van Margaretha las. In haar brief van 22 december schrijft ze dat ze een aantal dagen last heeft gehad van ‘een seer swaere defluxsi op de halfve sijdt van mijn aensicht en tande’. Ook had ze ontzettende hoofdpijn, vond ze zichzelf niet om aan te zien, was haar oog gezwollen en had ze rode plekken rond haar mond. Waarschijnlijk had ze last van een huidinfectie door stafylococcen (mogelijk streptokokken). Een combinatie met gordelroos (vaak getriggerd door een andere aandoening of verminderde weerstand) is ook mogelijk. Gelukkig is Margaretha ten tijde van het schrijven van de huidige brief weer aan de beterende hand. Met Reiniera gaat het ook stukken beter, maar nu begint Antge weer uitslag te krijgen. Gelukkig is het kindje er (nog) niet ziek van. Margaretha zou niet weten wat ze moet doen als ze zou moeten vluchten. In de kou, met de zieke kinderen…
[te bedancke,] ick heb Ettelijcke dage Een seer swaere defluxsi op de halfve sijdt van mijn aensicht en tande met Exstreeme pijn int hooft gehadt ijae so dat ick niet toonbaer ben mijn Een ooch is bij naest toe sien maer met
het Een ooch so is die sij geswolle en rontom mijn mont met viericheijt wt geslage, met de roos aent geswolle ooch, dant hart is de heer sij gedanckt gesont nu de pijn over is weet ick niet waer ick ben , het kint raniertge is haest weer wel maer nu begint Antge weer wt te slaen doch isser sonder lin niet sieck van hoop het maer wint of steenpockges sulle sijn, gist dat wij Eens met dit harde weer moste vluchte sou niet weete hoe ickt met de siecke kinderen sou maecke, de heer hoope ick salter niet toe laete koome[, gistere]
Het laatste nieuws
Margaretha sluit haar brief af met slecht nieuws uit Amerongen. Uit een brief van de secretaris heeft ze vernomen dat er vorige week vier doden zijn gevallen. Tot overmaat van ramp is de predikant, Keppel, ook nog eens ziek…
In een Post Scriptum voegt Margaretha nog toe dat ze hoopt snel iets van Van Ginkel te horen. Ook is ze benieuwd naar het verloop van het Beleg van Charleroi en wil ze graag weten waar Godard Adriaan van de winter zal verblijven. Daarna volgt het allerlaatste nieuws over het Beleg van Charleroi, afkomstig uit de brieven uit Maastricht. Maar men weet niet meer wat waar is. Er wordt zo veel gelogen, het is een schande…
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff MTurnor de vrou van ginckel met haer liefve kindere preesenteere haere dienst aen uhEd ons verlanckt seer hoet met de heer van ginckel is en hoet met scharleroij staet, ock waer uhE noch sijn winter quartier sal hebbe dat nu wel tijt wort[, men is hier noch blijde dat de gou =verneur van scharleroij doort quartier vande spaense en niet door ons volck is gebroocke en inde stat gekoome hij had 80 man bij hem doch maar 40 a 50 inde stat gebrocht
1
Goderd Willem van Tuyll van Serooskerken, pleegzoon van Godard Adriaan en Margaretha
2
Een offensief en defensief verdrag
3
Conterscherp/Contrescarp: een talud aan de buitenzijde van een (vestinggracht)
Waar is de prins? Margaretha heeft er op dit moment geen zekerheid over. Waarschijnlijk omdat de post (en daarmee het nieuws) op zich moeten laten wachten vanwege het vreselijke weer. Het laatste nieuws is dat Willem III met zijn leger voorbij Tongeren was en nabij Sint-Truiden – vijf uur van Maastricht vandaan.
Koning Winter blijft
‘Het friest hier fel en is seer scherp kout’ – een omschrijving die ook anno nu in het weerbericht te lezen valt. De binnenwateren zijn dichtgevroren, waardoor er geen schepen meer varen. Margaretha kan er niet van slapen. ’s Nachts in bed bekommert ze zich enorm om de situatie. Ze merkt dat er weer veel onrust is onder de bevolking en mensen hun spullen wederom pakken om te kunnen vluchten als het nodig is. Terwijl ze óók hoort dat er juist géén nood aan de man is. En juist die twijfel en ordeloosheid is wat Margaretha het meest deert. Er is zo weinig zekerheid, alles loopt ‘so los’ zonder dat er enige ‘konschope’ is, ofwel: geen feiten, alleen maar geruchten.
het friest hier fel en is seer scherp kout alde binne watere legge toe datter geen schuijte meer en vaere, en hier veel met groote bekom merin snachts op t iens bedt doet ruste, hier hebbe alweer veel liede haer goet gevlucht, hoewel weer somige segge dat wij geen hier vande vijant geen noot en hebbe, maer wat sal ick segge dat mij t meest bekomert is datter so weijnich ordere is en dat men der op alles so los overloopt sonder Eenige konschope1Kondschap: benaming voor feit, toestand (kondschappen zijn berichten) te hebben [,de heer wil ons bewaere op mense]
Alliantie en arme soldaten
Margaretha verbaast zich erover dat haar man niets weet van een alliantie met de Keurvorsten van Trier en Mainz. Ze schrijft over de Zweedse Ambassadeur en over haar ongeloof in een vrede die mogelijk zou kunnen naderen. Hierdoor glijden haar gedachten richting de arme soldaten die nu onder de koude, blauwe hemel op schildwacht moeten staan.
Soldaten bij een kampement, Robert van den Hoecke, 1632 – 1668, collectie Rijksmuseum
Inflatie
En hoe staat het er economisch voor? Alles is hier ‘onuitspreeckelijck’ duur. De mensen worden met de dag armer en de producten met de dag duurder. Voor een mandje met wortels dat voorheen 6 stuivers kosten, heeft Margaretha nu 1 gulden moeten betalen. Ook de prijzen van stro zijn verdubbeld. Ze let weliswaar zeer op haar centen, maar toch blijven de uitgaven per week enorm.
is, en alles is hier onwtspreeckelijck dier Een mandeken met wort ele dat me voordees voor 6 stuijver plach te koope heb ick Een gul voor moete geef ve, Een voer stroij daer 4f voor plach te geefve kan men nu voor geen acht gulde krijge en so voort alles naer venant, hoe nau en deun ick alles over leg moet ick alle weeck veel gelt wtgeefve, het siecke vande kinder en oude mense heeft al meede veel gekost, [frits]
Stilleven met vruchten en groenten met op de achtergrond Christus en de Emmaüsgangers, Floris van Schooten, ca. 1630. Collectie Rijksmuseum
Gepokt en gemazeld
Dat Margaretha een hele ziekenboeg moet verplegen, helpt uiteraard ook niet mee. Gelukkig nieuws is dat Frits weer beter is, en de pokken heeft kunnen ontwijken. Maar het jongste kind (Reiniera) heeft ze wel te pakken gekregen, hoewel zij er niet heel ziek van is geworden.
(frits)
is weer wel en heeft geen pockges gehadt, maer het kleijnste kint reijniertge isser aen doch almee so wij hoope het quaetste doer de pocke staen al heel licht en sweere heeft er niet veel en isser niet heel sieck aen geweest, hadden de kindere ge maeselt so waert goet maer te pocke Eersij gemaeselt hebbe seijtme dat sij se wel licht weer krijge, alst godt belieft kanse voor alles bevrijde [onse Neef van rossom die hem tot]
Onze schrijfster is benieuwd waar Zijne Hoogheid eigenlijk kwartier zal maken, nu Koning Winter duidelijk niet van plan is zich koest te houden. Ze vreest dat wanneer er geen goede plek wordt uitgekozen, het leger de moed zal verliezen. De mannen van het leger zijn deze zware afmattingen immers niet gewend. Onrust over een eventuele aanslag op het huis blijft natuurlijk ook niet onvermeld in deze brief.
Tot slot wat positiefs, Margaretha is heel blij dat de brieven nu eindelijk weer goed aankomen, twee maal per week mag ze een brief van haar man ontvangen – tot haar grote geluk.
1
Kondschap: benaming voor feit, toestand (kondschappen zijn berichten) te hebben
De ordinantie is nog steeds niet binnen. Margaretha vraagt zich af wat de intenties van raadpensionaris Fagel zijn. Waarom houdt hij haar zo lang op en vertelt hij niet waar het aan schort? Het enige wat de raadpensionaris haar verzekert, is dat hij snel zal betalen…
met de laeste post heb ick uhEd Een meemoorije1Memorie: financieel overzicht vant geene ick seedert deselfs vertreckt heb ontfange en wtgegeegve, de bekende ordinansie verordening heb ick noch niet kan niet dencke wat den heere r pensionaris 2Raadpensionaris Gaspar Fagel intensie is dat hij mij so van dach tot dach op hout sonder te segge waert aen hapert maer verseeckt kert gestadich dat hij mij die sal bestelle [, de]
Geld voor Van Ginkel
Maar er zijn nog meer geldzorgen. Margaretha’s zoon heeft moeite geld voor zijn compagnie of regiment te ontvangen; de betaling loopt inmiddels drie maanden achter! Maar Van Ginkels mannen zijn niet de enigen die klagen; de hele militie wordt slecht betaald. Margaretha hoopt dat het snel zal verbeteren. In ieder geval moet eerst orde op zaken worden gesteld. In Den Haag was men al bezig om de financiën – die volgens Margaretha onder Johan de Witt ‘in het verloop waren geraakt’ – in orde te brengen.
[kert gestadich dat hij mij die sal bestelle,] de heer van ginckel kan ock geen betaelin voor sijn kompangi of reesgement krijge is bij de drije maende ten achtere, de ruijters konne niet wachte so dat hij int verschot moet sijn doch hij ist niet alleen de heelle meeliesie klaecht seer van quade betaeline, wij moete hoope dat Eens beetere sal men heere van hollant sij bee =sich om ordere op haere finansie die bij den oude r p de wit3Raadspensionaris Johan de Witt teenemael int verloop is ge raeckt te stelle, so geseijt wort ist op Een goede voet, [maer aldewerlt klaecht seer over]
Kaartspelende soldaten, Cornelis Bloemaert (II), naar Abraham Bloemaert, na ca. 1625. Collectie Rijksmuseum.
De wapenen neerleggen, of opnemen?
Van het leger van de Prins van Oranje heeft Margaretha sinds haar laatste brief niets meer gehoord. Hij schijnt zich met zijn leger ergens rond de Roer op te houden. Ook van de vloot is er geen nieuws. Wel zijn de Zweedse ambassadeurs inmiddels gearriveerd. Zit er dan toch een vredesverdrag aan te komen? Margaretha heeft vernomen dat de ambassadeurs een wapenstilstand zullen gaan voorstellen. Maar is dat wel zo’n goed idee? ‘De wijste lieden oordelen dat wij de vrede met de wapenen in de hand behoorden te maken’, aldus Margaretha. Vechten tot de laatste man, geen wapenstilstand!
Een goede vreede wwas ons wel nodich maer de wijste liede oordeelle dat wij de vreede met de wapenen inde hant behoorde te maecke en geen stilstant van wapenen hoore toe te staen[, men seijt tot wttrechten die proo]
De komst van de Zweedse ambassadeurs staat ook in de Oprechte Haarlemse Courant van 10 december. De heren extra-ordinaris Zweedse ambassadeurs worden vanuit Rotterdam verwacht in Den Haag. Of ze echt een publieke intrede zullen doen, weet men nog niet. Men zegt dat ze zullen logeren in het huis waar de Franse ambassadeur gewoond heeft.
Bericht uit de Oprechte Haarlemse Courant van 10 december 1672 over de Zweedse ambassadeurs. Via Delpher.nl
Een brief van de koning
In Utrecht zijn brieven van de Franse koning verschenen. De koning eist niet alleen dat de opgelegde som geld tot op de laatste stuiver wordt betaald, maar dwingt de Utrechtenaren ook nog eens 1600 bedden te regelen.
[te staen,] men seijt tot wttrecht en die proo =vinsie brijefve vande koninck van vranckijk sijn gekoome met last dat sij daer de ge= =Eijste som tot Een stuijver toe soude doen betaelle, daeren boove Eijschen sij noch 1600 bedde daer van 300 inde buerkerck tot behoef vande siecke soude geleijt worde
Turenne, Condé en de keurvorst
Margaretha verlangt zeer naar de brieven uit Duitsland en Maastricht. Ze is niet de enige. Iedereen wil weten of het leger van de keurvorst van Brandenburg de Rijn al is gepasseerd. Waarom is het Brandenburgse leger nog niet slaags geraakt met de Franse troepen? Er gaat geruchten rond. Margaretha gaat niet in op de inhoud van de geruchten, maar het heeft er alle schijn van dat veel onderdanen geen hoge pet meer op hebben van de keurvorst. ‘Men kan alle mensen de mond niet stoppen’, schrijft Margaretha. Wat kan de kwalijk sprekers het ongelijk bewijzen? De Brandenburgse generaal-majoor Wolfgang Ernst von Eller zu Laubach is in elk geval goed bezig: hij heeft in Münster veel buit gemaakt. ‘Altijd een goed teken’, vindt Margaretha. Ze hoopt dat de keurvorst hetzelfde zal doen en dat dit de kwaadsprekers de mond zal snoeren.
[duijster te leesen,] en men kan alle mense de mont niet stoppe, dat den heere Eller4Wolfgang Ernst von Eller zu Laubach int sticht Munster so ageert en sulcken buijt maeckt is, altijt Een goet teijcken hoope de keurvorst het ver met sijn volck ver= volchge sal en daer door de qualijck spreeckers den mont stoppe, [onse tietge]
Panorama van Münster, Pieter Nolpe, naar Johannes van Alphen, 1648 – 1653. Collectie Rijksmuseum.
Het thuisfront
Tietge is weer helemaal beter. Met Fritsje valt het gelukkig ook allemaal mee. In haar brief van 5 december schreef Margaretha nog dat het jongetje de pokken leek te hebben. Gelukkig blijkt hij niet besmet te zijn; het was slecht een maagkoorts (waarschijnlijk een buikgriepje).
Wederom krabbelt Margaretha iets op het papier als ze haar brief al heeft afgesloten. Dit keer geen oorlogsnieuws, maar nieuws over de stad die ze nog niet zo lang geleden verlaten heeft: in Amsterdam is een stuk van de stadswal omvergevallen. Gelukkig zijn de reparatiewerkzaamheden al in volle gang.
[pockges sulle sijn ,] hier meede bidde godt uhEd in sijn heijlige bewaeringe te neeme de vrou van ginckel met alle haer kinde =re preesenteere haere dienst aen uhEd ick blijf
uhEd getrouwe Etc
te Amsterdam is Een stuck vande stats wal om veerge valle het welcke weer opgemaeckt wort
Margaretha schrijft een lange brief aan haar man. Hopende dat ook deze maar op tijd aan komt.
De Ziekenboeg 2.0
Ze deelt eerst maar het laatste nieuws over de ziekenploeg: eindelijk gaat het beter met de heer van Welland. Of nou ja, de man zelf blijft nog wel veel op zijn kamer en laat de dokter nog om de dag komen. Maar ondertussen eet en slaapt hij wel goed. Margaretha’s oordeel is dus: beter. Zou zij de eerste vrouw zijn geweest die tussen de regels door over een Man-Flu spreekt?
Tietge maakt het ook enigszins beter, godzijdank. Haar handen zitten onder de pokken, waardoor het pijnlijk is iemand aan te raken. Maar ergens is dat fijn, want Margaretha is als de dood dat Tietge de andere kleinkinderen zal besmetten.
de heer van wellant is mijns oordeels wel hoewel hij noch sijn kamer hout, hij staet seer opt segge vande docktoor die alledaechge en om den anderendach bij hem komt, hij Eet wel en slaept wel, onse liefve tietge is tot noch toe gesont van harte dan daer is so lange de neege dage niet voorbij sijn niet van te segge, sij is op haer hande van binne en van buijte so wtneemende vol pockges datse niet te sien sijn staen heel als Een lichte sweer int aensicht ist reedelijck ock so aentlijf maer is so vol pijndat mense niet kan aenraecken, [de heere wil haer]
De politiek praat en de politiek zwijgt
Uitzoomend naar de landelijke politiek: er is nog steeds geld gebrek voor de oorlogvoering. Zeeland betaalt niet, Friesland weinig en Groningen kan niks geven. Het komt dus op Holland aan. De heer van Ginkel schrijft dat de ruiters die op mars zijn al drie stuivers voor een kan water moeten betalen. Men begint nu hier te geloven dat Zijne Hoogheid en zijn leger eindelijk bij de keurvorst zal worden gevoegd. Maar Margaretha bidt er op los, ze durft het bijna niet te schrijven, maar ze ziet het allemaal zeer droevig in. Ze schrijft dat zelfs ‘de wijste en verdienste’ wonderlijke gedachten en speculaties hebben over de komende tijden. Margaretha schrijft die gedachtes maar niet op, dat durft ze ‘de pen niet te vertrouwe’. Helemaal niets opschrijven vindt Margaretha ook niet wenselijk, ze wil haar man toch wel enigszins op de hoogte houden van het gesmiespel in het land.
Vertellen van een geheim, Noach van der Meer (II), naar Jacobus Buys, 1778 – 1785. Collectie Rijksmuseum
Nog geen ijs
Van wonderlijke speculaties springt ze naar het weer. Het is een opluchting dat het weer nog zo goed blijft en dat het nog niet aan het vriezen is geslagen. Want zodra het ijs er ligt…
[om gaet en watter al geseijt wort,] wij sijn geluck =kich dat hier noch so open weer blijft soot Eens be =gint te vriese ent ijs leijt salmen hier seer be= komert voor Een overval sijn, deen seijt dat den vijant het ooch noch seer op Amsterdam heeft en andere dat se hier Een roof sulle soecke te hae =lle insoma1In somma: kortom men weet niet wat men best doen sal, [ick raede de vrou van ginckel het gaen]
Dat brengt haar ook weer bij een ander zorgenkind: Ursula Philippota praat nog steeds over een vertrek naar Gelderland. Ook andere dames spreken van een vlucht. Maar het blijft onzeker waar de vijand het eerste zal toeslaan zodra het water van de waterlinie in ijs is veranderd. Zucht, ze weet ook niet wat ze moet, en legt het daarom maar voor aan haar man, hopende op zijn wijsheid.
Ondertussen zijn er geruchten uit Utrecht. Het lijkt erop dat Luxemburg van plan is te vertrekken, waarna hij vervangen zal worden. En er schijnt ook een hoop tumult te zijn onder de burgers van de stad. Ze keren zich fel tegen een aantal regenten en verbeelden wellicht iets te visueel hoe ze tegenover het lot van deze regenten aankijken. Voor de Dom(kerk) en op andere plaatsen hebben ze een grote galg geschilderd en daaronder de namen van de zeven regenten geschreven. Margaretha vindt het vreselijk dat ‘die mensen noch niet getemt sijn en so oproerich blijve’.
Na deze visuele beschrijving sluit ze haar brief af.
De brief van vandaag is heel bijzonder: de adressering is bewaard gebleven!
Margaretha neemt een apart velletje papier om om haar brief te doen. Ze vouwt het zorgvuldig om de brief heen en sluit de brief dan af met zegellak. Ook de adressering is van een eenvoud die we nu niet meer kennen: meneer van Amerongen bij de keurvorst in het leger. En desondanks komen de brieven langzamerhand weer beter aan.
De arts
Het gaat steeds beter met Welland, hij blijft nog op zijn kamer, maar de koorts is weg en hij krijgt weer trek. En hoe!
Margaretha’s angst is waarheid geworden: Tietge heeft de pokjes. De arts van Welland heeft er naar gekeken en die zegt ook dat het een kwaaie aard van pokjes is. Margaretha is duidelijk: ze luistert niet naar de arts, ze houdt zich gewoon aan de oude sleur. Is dit een sneer naar Welland die juist zo aan de arts hangt?
den heer van wellant is heel aent beeteren doch hout noch sijn kamer de koorts heeft hem ver laete ock krijcht hij smaeck int Eeten en ver lanckt daer middach en avont naer, onse liefve tietge heeft de pockges is heel vol wt geslage se sijn als punte van spelde so kleijn en wille niet wel op koomen den docktoor van wou die over de heer van wellant gaet seijt het Een seer vuijllen aert van pockges is, datse so quaelijck op koome bekomert mijn seer, wij gebruijck geen raet vande docktoor maer volgen den oude sleur, sij is gesont van harte nu se wtgeslage sijn, ick hou de andere kinde =ren daer heel af, so lan de 9 dage niet om sijn isser niet van te segge de heere
hoope ick salse weeder tot gesontheijt brenge of geefve wat haer en ons salich is, [hoewel]
Het is weer niet gelukt om geld te krijgen, maar er is gelukkig wel een brief van haar zoon! En die brief komt uit Bernouw, ten zuidoosten van Eijsden. De mannen hebben het zwaar: eindeloos marcheren, slapen onder de blauwe hemel en er is nauwelijks hooi en stro voor de paarden meer te vinden. Nu hebben ze een paar dagen welverdiende rust. Waar ze heen gaan? Het blijft gelukkig geheim.
[vaeren sal te verwachte staen,] vandae hebbe wij briefve vande 18 deeser van de heer van ginckel gekreechge, wt barnau1Berneau/Berne/Bernouw ten zuidoosten van Eijsden Een half eur van navange2Navagne, Fort Navagne bij Eijsden, ook bekend als de Elvenschans , sijn hoocheijt lach op Eijsde ent hooft quartier int dorp tot Eijsde, ons volck so ick hoore was al vrij wat gefatigeert hebbe dach op dach gemarscheert en snachts onder den blauwen heemel moete rusten, daerse quamen weijnich voeraesge3Fourage: millitaire term, hooi en stro voor de paarden gevonde, so hebbe daerse nu sijn seedert heeden acht dagen gerust het welcke noot= saecklijck was, het deseijn4Dessein: doel van sijn hoocheijt wort noch heel geseeckreeteert5Secreteren: geheim houden dat goet is,
Eindelijk gevechten!
Wat betreft de troepen van de keurvorst hoopt Margaretha dat ze inmiddels bij de Rijn zijn. Bovendien is ze blij dat er eindelijk gevochten is. Het fijne van de gevechten komen we uit haar brieven niet te weten. We weten ook niet of Margaretha zich een beeld kan maken van hoe het er bij de veldtocht aan toe ging. Het diplomatieke spel ging ook tijdens de veldtocht door. Godard Adriaan had te maken met een belangrijke tegenkracht: Raimondo Montecuccoli, ervaren militair en geslepen diplomaat. Hij werkte voor de Keizer van het Heilige Roomse Rijk en had één opdracht: zorgen dat er niet gevochten werd. En hij was hierin erg succesvol.
Het leger van de Keurvorst bestond ook niet alleen uit Brandenburgse troepen, maar ook uit troepen van de keizer onder Montecuccoli’s bevel. In dat leger was de Hertog van Lotharingen, Karel IV, vertegenwoordigd met ongeveer 2.500 ruiters. Lodewijk XIV had twee jaar tevoren Lotharingen ingelijfd. Hertog Karel IV wilde dus maar wat graag tegen de Fransen vechten. Het lukt zijn soldaten om in gevecht te raken met Franse troepen en succesjes te behalen. Waarschijnlijk doelt Margaretha op deze gevechten. Helaas werd dit eigen initiatief van de Hertog van Lotharingen half november door Montecuccoli de kop ingedrukt.
men is hier verblijt overt reijnkonder6Rencontre: Min of meer toevallige ontmoeting tusschen twee vijandelijke strijdmachten ter zee of te land, ongeregeld gevecht, treffen. datter tuschche den heere keurvorst en volckere en de franse is geweest, te meer om datse nu feijtelij hebbe geageert7Ageren: krijgshandelingen verrichten , men hoopt de keurvorst met sijn volckeren nu over den rhijn sal sijn, en dat me nu alledaech wat goets sal hooren konde8Louis II van Bourbon, prins van Condé gelooft men niet dat noch so naer bij uhEd kan sijn, de heer almachtich wil den heere keurvorst uhEd ent ganse leeger bewaer het selfve vicktoorije en overwininge geefe daer hier wel hartelijck voor gebeeden wort
Schaatsen
Bij de serie “klein nieuws” hoort inmiddels het platbranden van dorpen: deze keer was Abcoude aan de beurt. Het was nu een militaire actie. In de Kasteel van Abcoude zaten Staatse militaire, die probeerden de Fransen eruit te krijgen. Dat is gelukkig niet gelukt. Verder wil de Vrouw van Ginkel nog steeds naar Gelderland en zijn de koopvaardijschepen uit de oost behouden binnen gekomen.
In de serie “bijzonder nieuws” vertelt Margaretha dat de Fransen schaatsen hebben aangeschaft. Dat is vast niet vanwege de originele Hollandse ijspret. Ze hoopt maar dat ze de winter rustig doorkomt en in Den Haag kan blijven.
[meer van hoope sij goede raet sal volgen,] en wij met rust deese winter hier sulle mooge blijfve, men seijt den vijant meenichte van ijspoore9IJssporen: metalen punten die je onder je schoenen, klompen of laarzen kunt binden om grip te krijgen op het ijs en schaetse laet maecken, [vermeer]
Alles lijkt in beweging te zijn in deze brief: zoon Godard en Willem III staan op het punt met onbekend doel te vertrekken, de troepen van de Keurvorst zouden eindelijk eens in beweging moeten komen en Margaretha wil deze week de hele huishouding naar Den Haag verhuizen. Zilver en waardevol linnen laat ze voorlopig in Amsterdam.
[de heere wilt noch laete kontiniweere,] ick hoop merge met godts hulpe met de vrou van ginckel en voort de heelle menaesge naer den haech te gaen hoope wij daer sulle mooge blijf =ven laet ons koffer met silver en dat vande vrou van ginckel en voort ons meest en beste linne voort meer ander goet dae van Een inventaris is gemaeckt hier blijfve, [mij ver]
Stilleven op de hoek van een tafel: tinnen schenkkan en borden met een geschilde citroen, mes en olijven, een berkenmeier met wijn en een zilveren pronkbeker. Gerret Willemsz. Heda, 1642. Collectie Rijksmuseum
Ze springt van de hak op de tak, want opeens gaat het weer over de zadels. Ze heeft gehoord dat die vier dagen na het verzenden al in Hamburg aangekomen waren. En dat is volgens Margaretha al wel bijna twee maanden geleden (in werkelijkheid zijn de zadels op 1 oktober verzonden). En ze blijft maar proberen Raadspensionaris Fagel te spreken over de ordinantie van het geld dat haar man nog tegoed heeft. Maar daar zit dus absoluut géén beweging in.
Het huishouden
Die verhuizing dat is nog wel een organisatorische uitdaging, want ze heeft nogal een huishouden om zich heen verzameld met Ursula Philippota en de kleinkinderen. Bovendien is neef Welland1Goderd Willem van Tuyll van Serooskerken, pleegzoon van Godard Adriaan en Margaretha nog steeds in Den Haag. En dat begint Margaretha inmiddels een beetje te irriteren.
[dat seer difisiel is,] uhEd belieft vrij verseeck =kert te sijn dat ick mij inde haech so naeu sal be= helpen s en so veel meenaesgeere2Menageren: sparen of ontzien, Margaretha heeft hier een werkwoord gemaakt van het woord ‘menage’ dat gebruikt werd voor ‘zuinig beheer der inkomsten’. Dit is één van de betekenissen van het woord (zie hieronder bij ‘menage’) alst mooge =lijck sal sijn het sal ock wel van noode weese want heb al Een groote menaesge3Menage betekent hier ‘huishouding’, het werd in de 17e eeuw op beide manieren gebruikt (zie hierboven bij ‘menageren’) de heer van wellant is ock bij ons in den haech met 3 knechts hij weet niet waer hij blijfve sal kan in geen ordinaris4Ordinaris: Plaats waar men voor een vasten prijs kan eten, eethuis. Komt van ordinaris tafel: open tafel. gaen Eeten bij deese tijt, en derft ock niet wel naer seelant gaen, ick heb hem versocht sijn knechts kostgelt te wille geefve en geseijt dat mijn huijs en tafel voor sijn Persoon tot sijne dienst is, maer al die knechts dat mij dat te swaer soude valle alst waer is heb van ons Eijgen met onse kindere Een groote meenaesge, en wort out aldie ruijsie5ruzie sou mij niet dienen behalfve de groote koste daer ick ock niet teege kan, och och uhEd sou niet geloofve hoet hier gaet de voornoemde neef isser al qualijck aen wenste om veel dat hij
die komisie bij den kooninck niet gedaen hadt dan dat is te laet, [den heer van Albrants=]
Het huis in Den Haag is niet klein, maar als je al het personeel mee telt, was het toch een vol huis. Alleen Welland heeft al drie knechten. In een andere brief zegt Margaretha dat de zieke kamenier Angenis en Visbach van Philippota zijn. Margaretha’s grote toeverlaat in de huishouding is Sophia Visbach. Zou dat familie van Philippota’s Visbach zijn, of is het gewoon dezelfde persoon, maar is het handiger dat ze bij Philippota hoort als ze ziek is? Ook Margaretha zal een kamenier hebben en er is een keukenmeid Dorit. Uit latere brieven blijkt ook nog dat Philippota een lakei heeft. De ménage telt dan inderdaad al aardig op.
Welland
Wat is er met Welland aan de hand? Margaretha’s pleegzoon loopt een beetje met zijn ziel onder de arm. Nog geen jaar geleden leek zijn carrière zo mooi van start te gaan als geëligeerde in de staten van Utrecht. Met de invasie door de Fransen en zijn taak als afgezant naar de Lodewijk XIV, kwam zijn carrière abrupt tot stilstand. Nu heeft hij zich kennelijk vol zelfmedelijden in Den Haag verschanst. Wat moet hij? Hij zou naar Zeeland kunnen gaan, hij immers is heer van Welland en Zoelekerke. Zijn vader heeft hem daar goederen nagelaten, maar wat heeft hij daar verder? Sinds zijn 14e is hij opgegroeid bij Godard Adriaan en Margaretha… Margaretha weet niet zo goed wat ze met deze jongeman moet.
Margaretha verzucht dat ze haar neef toch niet in een ordinaris kan laten eten. Een ordinaris is een plek waar je voor een vast bedrag aan kon schuiven en mee kon eten wat de pot schafte. De mogelijkheden om buitenshuis te eten waren in de tweede helft van de 17e eeuw in principe ruim voor handen. Er waren altijd al de herbergen, maar er ontstaan halverwege de eeuw ook gespecialiseerde eet- en koffiehuizen. Naast de genoemde ordinaris, waren er bijvoorbeeld ook gaarkeukens: plekken waar ‘bier en wijn en allerhande gare kost’ verkocht werd. Anders dan bij een ordinaris kon je bij een gaarkeuken de hele dag terecht. Herbergen, gaarkeukens en ordinarissen had je in soorten en maten. In een luxere herberg kon je bijvoorbeeld ook in die tijd al op je kamer eten (roomservice!) en om specifieke gerechten vragen.
Margaretha zegt dat Welland in deze tijd niet bij een ordinaris kan gaan eten. Kennelijk was het het probleem niet zo zeer dat het om een publieke eetgelegenheid ging. Het tijdstip lijkt het grootste probleem te zijn. Het zou kunnen dat de inflatie van het Rampjaar ook de ordinarissen parten had gespeeld. Dat zou betekenen dat de weinige die er nog waren exorbitant duur geworden waren.