Het blijft onrustig met brieven die laat of helemaal niet aankomen. Uit zijn brief van de 28ste maakt Margaretha op dat Godard Adriaan haar vorige brief weer niet gekregen heeft. Ze snapt werkelijk niet waar de brieven blijven en maakt nog maar eens duidelijk dat ze nog nooit in gebreke is gebleven hem over iets te schrijven. Wat geld betreft, is er geen update, behalve de hoop dat er wat voortgang komt nu Van Heeteren weer in Den Haag is.
[rec. 15en 7ber.]
Ameronge den 9 septem 1680 en 28 Augusti
Mijn heer en lieste hartge wt uhEd aengenaeme vande 28 pasato sien ick met verwonderin dat de mijne niet is overgekoome ick heb noijt post gemanckeert te schrijfve, kan niet dencke waer de brijefve blijfve, hoope die noch te rechte sal koomen, nu van heetere inde haech is verwachte ick te hoore wat voort ganck de petiesie supletoor heeft daerse noch tot wttrecht niet van en weeten, sonder het selfve ick geen raet sien om Eenich gelt voor uhEd te bekoomen, [in ons werck alhier hebbe de]
Dan nog maar een update over de bouw. Die vordert gestaag. De metselaars zijn bezig met de schoorstenen. Daarna kunnen de leidekkers, gelukkig met Gods hulp, het dak op om de leistenen te leggen. Ook de timmerlieden en steenhouwer zijn nog druk met hun onderdelen van het paviljoen. Dinsdag hoopt Margaretha de steenoven op te kunnen stoken. De laatste week hebben ze in Amerongen buitengewoon mooi weer gehad. Ze hoopt dat hen nog twee weken gegund is om de steenoven zijn werk goed te kunnen laten doen.
[te bekoomen,] in ons werck alhier hebbe de metselaers de schoorsteen int voorste pavelijoen teenemael wt gehaelt en volmaeckt so dat de leijdeckers toekoomende maendach met godts hulpe daer het leijdack op sulle begine te legge, de timerlie sijn noch aent sette vande kap opt achterste pavelijoen daer niet veel aen mankeert, de metse= laers sulle nu aent wt haelle vande schoor steene int laeste of achterste pavelijoen gaen, de steen houder werckt noch aende lijst op de schoorsteen, vant voorseijde pavelijoen, toekoomende
dijnsdach hoope wij aent onderstoocke van onsen steen oven te gaen, wij hebbe nu deese gansche weeck wt neement schoon weer met groote hette gehadt mochten wijt noch so 14 dage int affstoocke vande oven houden waer wel te wenschen maer vrees voor neen het wort te laet int ijaer en al wat godt belieft, [men begint hier van veel siecken te]
Landschap met waterput en steenoven. Johann Andreas Benjamin Nothnagel, 1739 – 1804. Collectie Rijksmuseum.
Verlies van mensen
Margaretha schrijft dat het later in het jaar wordt en dat er veel zieken zijn. Wat volgt is een opsomming van zieken en overledenen. De oude Gijsbertje van Oort heeft 4 dagen dood gelegen, maar zij was al bijna 100 jaar oud. Wat Margaretha een groter verlies vindt, is dat de zoon van Magere Arie, die op Waijensteijn woont, is overleden. Hij laat een vrouw en 4 kinderen achter en was een harde werker. Dan volgt er iets opmerkelijks. Margaretha schrijft dat het met ‘onse stome’ ook niet goed gaat. Ze laat hem nog zoveel mogelijk doen, maar hij komt niet voor de middag uit zijn kamer. Hadden Godard Adriaan en Margaretha een dove/doofstomme knecht?
[belieft,] men begint hier van veel siecken te hoore, weet niet of ick uhEd heb geschreefe dat de oude gijsbertge van oort doot is die maer drij a 4 dagen heeft geleegen sij was dicht bij de hondert ijaer out, ock is den soon vande mageren Arije tijs Arijse die op waijesteijn woont doot daer is meer verlies aen hij laet Een vrou met 4 kinderen naer, en was Een naerstich1Naarstig: vlijtig man, maeij aende kaeij die op onse groote boogaert woont leijt ock heel Elendich aent water, onse stome gaet ock seer qualijck komt niet voor smiddaechs wt sijn kamer ick laet hem so veel goets doen als ick kan, [sijn hoocheijt is weer naer den]
Portret van een overleden meisje, waarschijnlijk Catharina van Valkenburg, Johannes Thopas, 1682. Collectie Mauritshuis.
Verlies van een hond
Margaretha ratelt in haar brieven alle informatie af waarvan ze vindt dat Godard Adriaan het moet weten. Je hoort haar soms bijna een lijstje afgaan in haar hoofd; geld, bouw, politiek, zieken en overledenen. Zou dat ervoor zorgen dat het bericht dat Margaretha zelf het meest na aan het hart ligt, pas wordt geschreven in een PS? Na de mededeling dat de heer Brakel uit de Raad van Staten ook is overleden, weet Margaretha namelijk niets meer te schrijven. Of toch wel. In de PS schrijft ze dat hun grote hond Webbe dood is. Tijdens de jacht is hij in een gat gesprongen en heeft hij zijn nek gebroken. Hij was op slag dood. De twaalfjarige Fritsje heeft er vreselijk om gehuild en ook Margaretha is verdrietig om het verlies van de hond.
[wt te sijn,] den heere brackel2Onbekend, heer van Brakel is Karel Pieck, maar die is nog maar 18. Zijn vader is in 1675 overleden… De enige die ooit in de Raad van State zat die in 1680 overleed is Dirk Gerritsz Meerman uit Delft, maar hij was al in 1672 uit de Raad van State. Bovendien geen link met Brakel gevonden die inde raet van staten was is ock overleeden, nu weet ick niet meer te schrijfve, blijff
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
ick moet uhEd ock segge dat onsen groote hont webbe op de jacht sijnde in Een holle wech springende sijn neck heeft gebroocke en hartsteecken doot is gebleefve, daer fritsge om heeft gekreeten dat hij niet te stille was mij ijamert ock het beest
Ursula Christina Reiniera (1719-1747), Godard Adriaan (1716-1736) en Frederik Willem (1717-1747) van Reede, 1749, J. Fournier. Foto: Elsevier Stockmans. Collectie Kasteel Amerongen. De kinderen van Frederik Christiaan van Reede (Fritsje) met hun jachthond.
Onbekend, heer van Brakel is Karel Pieck, maar die is nog maar 18. Zijn vader is in 1675 overleden… De enige die ooit in de Raad van State zat die in 1680 overleed is Dirk Gerritsz Meerman uit Delft, maar hij was al in 1672 uit de Raad van State. Bovendien geen link met Brakel gevonden ↩︎
Godard Adriaans brief van de tiende april is keurig bezorgd. De brieven die wij hebben van haar aan Godard Adriaan komen nog maar net wekelijks binnen. Wat er aan de hand is weten we niet, Margaretha schrijft ook nauwelijks over brieven die niet aankomen.
Gedoe met de bouwheer
Kennelijk heeft Godard Adriaan in een brief aan de secretaris nog een wijziging voorgesteld. Margaretha geeft aan dat het nu nog kan, maar de metselaars moeten al aanpassingen doen. Ze hoopt wel dat dit de laatste beslissing zal zijn, want vanaf nu moeten ze bij veranderingen “schade maken”. En dat is wat Margaretha niet wil. Om haar man gerust te stellen helpt ze hem even herinneren dat de stal zo lang is dat er 24 à 25 paarden in passen.
[reca. 28e. April]
Ameronge den 20/10 April 1680
Mijn heer en lieste hartge beijde uhEd meesiefve1Missive: brief vande en 10 deeser sijn mij ter rechter tijt behandicht, het werck wort volgens uhEd schrijfvens aende seeckreetaris gemaeckt waerom de metselaers Een stuck van Een middel muer hebbe moeten opneeme hoop het nu bij die laeste reesolusie2Resolutie: beslissing, besluit sal blijf =ven, ock soudense sonde merckelijcke schade geen veranderin konne maecken, de stal sal voor 24 a 25 paerde lanck sijn en tot aent koets huijs door schieten, [wij hebbe hier]
Het weer is slecht, dus kunnen ze bij de steenoven maar niet beginnen met het vormen van de stenen. Krijn van Kampen is op weg naar Zwartsluis om turf te halen. Alleen zit Margaretha zo omhoog qua stenen, dat ze zodra er turf is, moet gaan bakken, ook al hebben ze nog maar drie of vier monden steen. Bovendien moeten ze snel zijn, want als het water op de rivier stopt met wassen en weer zakt, dan gaat de vaart (Vaartsche Rijn) bij Utrecht dicht om de sluis te repareren. Dan kunnen er dus geen schepen door. Dus ze heeft meer schippers om turf op pad gestuurd en die verwachten in drie weken weer terug te zijn. Maar ja, maar ja. Het ene gedoe leidt tot het volgende gedoe, want vier schepen turf kost veel geld.
[is dat wij beeter weer sulle krijge,] krijn van kampe is met t samooreuse3Samoreus: Type lang vrachtschip wt naer swarte
sluijs om turf te koopen tot de steen oven die wij door gebreck van steen genootsaeckt sulle sijn so haest wij drij a vier monde vol steen sulle hebbe af te stoocken, ock sullense so haest het waeter dat op de reevier weer aent wasse is, laech wort aende vaert bij wttrech de sluijs vermaecke en so lang dat duert sullender geen scheepe door konne vaeren daer om ick ock noch te Eer om den turf heb moeten sende die staet maecke binne den tijt van 3weecken met den turf hier te sulle sijn, die 4 samoreuse sulle al bij de 1300f aen gelt bedraechge, [oft gebeurde]
Margaretha’s grootste zorg is dat als die schepen komen, ze al dat geld niet heeft en ook niet weet waar het geld vandaan zou kunnen komen. Gelukkig heeft ze een plan B en ze hoopt dat Godard Adriaan het ermee eens is.
Binnen de provincie heeft de familie een aantal functies waar ze geld voor krijgen en dat is onder andere geld vanuit de Ridderschap en ook voor het kamelaarschap (functie waarin de geldzaken geregeld worden) voor de Lekdijk. Dit geld gaat kennelijk rechtstreeks naar Van Beusinchem, maar Margaretha weet dat het er is. Haar belangrijkste zorg nu is dat de steenvormers doorwerken, die krijgen elke veertien dagen 200 tot 250 gulden. De smeden willen ook geld, maar die moeten maar even wachten.
[1300f aen gelt bedraechge,] oft gebeurde dat ick opt aenkoome van selfve so veel gelt niet in kreech gelijck ock voor de hant niet sien waert van daen sou koome hoop uhEd niet qualijck sal neemen ick het gelt dat onder beusekom leijt en hij onsen weege vande ridderschap en de kamelaer vande leckendijck heeft ontfange, licht, so het volck aent vorme vande steenblijft moeter alle 14 dage ontrent de 200f en 250f tot de steen ove weese behalfve het ande volck, de smits
loopen ock ock om gelt dan die moeten noch wat wachten
Kussen met het wapen van het waterschap Lekdijk Bovendams, anoniem, 1706. Collectie Rijksmuseum.
Gedoe met de kerkenraad
De fittie met de kerkenraad begint behoorlijk uit de hand te lopen. Zowel Margaretha als de kerkenraad winnen juridisch advies in. Margaretha’s adviseurs, je verwacht het niet, zijn het natuurlijk helemaal met haar eens: de kerkenraad had absoluut het recht niet om die arme Evert de Wael aan te klagen. Alleen lijkt Evert de Wael helemaal verdwenen te zijn uit het verhaal. Juridisch adviseurs zijn er daarentegen des te meer: burgemeester Jacob van der Dussen van Utrecht en de kersverse procureur-generaal van het Utrechtse hof: Everard Becker. Ook syndicus (juridisch ambtenaar) Gerbrand Schagen uit Wijk bij Duurstede bemoeit zich ermee.
Margaretha vindt het in ieder geval allemaal maar lastig. Zonder Godard Adriaans toestemming doen ze niets, dus hij krijgt alle gegevens toegestuurd.
[is dit int werck stelle,] versoecke niet
qualijck te neemen ick uhEd hiermeede weer moeijlijck valle dewijlle het Een werck is dat ick over mij niet derfve neeme te meer om dat de heer van ginckel hier wat swaerhoofdi in is meent het wat luijt roepe sal, de Advokaten segge alle drij dat het vrij te ver vande kerckenraet gegaen is en geensins hoort geleeden te werde, ick heb met de laeste post uhEd kopije wt den brief van becker ge sonde waer wt deselfve kan sien op wat manier mer hij en vande dusse meent men behoorde te proosedeere,van die opijnie is ock schage , wij sulle sonde hier iets verder in te doen uhEd beliefve verwachte, [ons fritsge is met]
Gezicht op het Provinciaal Gerechtshof in de hoofdgebouwen van de voormalige St.-Paulusabdij te Utrecht, vanaf het voorplein uit het zuiden, C.C.A. Last, ca. 1550-1650. Collectie Het Utrechts Archief.
Gedoetjes
Margaretha eindigt haar brief met een paar ongerelateerde “gedoetjes”. Het eerste is eigenlijk helemaal geen gedoe: maar Frits heeft paasvakantie! Hij is met de praeceptor naar Middachten. Hij schijnt redelijk te wennen aan Leiden en ook de relatie met professor Spanheim lijkt goed. Die schrijft wel dat Frits nog maar aan het begin van zijn leerloopbaan staat.
Als het geen hoog water meer wordt, dan kan het zijn dat het goed komt met het koren in het Spijk. De provisie die Godard Adriaans trouwe metgezel Isaäc de Blanche heeft besteld, is scheep (aan boord) en vertrekt morgen van Amsterdam naar Hamburg.
[in te doen uhEd beliefve verwachte,] ons fritsge is met de vakansi van paesche met sijn presepter nae Mid= dachte, seijt tot leijden al te wennen en tot den heer spanheijm weel te mooge weese, maer tis noch vroech hij sal noch Eerst beginne sijn ordere vande leer =re volgens t schrijfve vande heer spanheijm, het koorn inde spijck hoopt me dat noch voort meerendeel behoude sal sijn, so der maer geen waeter meer komt, daer men weer voor vreest, de proovijsie die Monsu blansche heeft ontboode is scheep en sal merge van Amsterdam op hambur afvaere hoop het wel sal overkoome, blijfve Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
Gezicht op de twee haven- of scheepskranen in het IJ te Amsterdam, Anoniem, 1693-1694. Collectie Rijksmuseum.
Margaretha heeft de brief van 17 januari ontvangen. Ze gaat uitgebreid op Godard Adriaans brief in. Daarnaast is er nog nieuws over de herbouw van het huis en is er heibel in het dorp. En zijn de Fransen weer op oorlogspad?
Elk meent meester van het zijne te zijn
Waarschijnlijk is Godard Adriaan in de brief van 17 januari nogal uit z’n slof geschoten, want Margaretha voelt de behoefte zich te verontschuldigen. Het gaat om de rekening van het hardsteen uit Bremen: die is hoger uitgevallen dan verwacht.
Ameronge den 26/16 ijanwa 1680 Mijn heer en lieste hartge
uhEd aengenaeme vande 7/17 dees heb ick ontfange waer op tot Antwoort dient dat wel wenste de reeckenin vande hartsteen van breeme wt de 4000 f die wij van domburch1In de brief van 6 januari was hij renteheffer hebbe opgenoome had konne betaelt worde, maer die peninge hebbe nergens nae bereijckt de schulde die hij weegens onse timeraesge doen maels hadde, ock hadde wij doen die reecknin niet, noch wiste niet wat wij daer schuldich waeren, het doet mij leet dat de reecknine so hooch loope, [uhEd weet datter op mijn]
(Ondersteboven: ons godertge de heer sij gedanck weer wel doch siet noch als een doeij so bleeck en geswolle int aensicht2waarschijnlijk had hij de bof
Aritmetica, Jacques de Gheyn (I) (mogelijk), na 1565 – in of voor 1582. Collectie Rijksmuseum.
Goede huisvrouw
Godard Adriaan moet begrijpen dat Margaretha bij de herbouw van het huis steeds zijn akkoord heeft afgewacht, en nooit iets heeft laten uitvoeren zonder zijn expliciete toestemming. Juist daarom is zij terughoudend om werklieden aan het werk te zetten, want geld loskrijgen van schuldeisers blijkt buitengewoon moeilijk, het zijn echte woekeraars. Een alternatief om aan geld te komen is er op korte termijn niet. Misschien brengt het komende jaar verbetering — al meent elk meester van het zijne te zijn, en wil dus beschikken over wat hij denkt dat hem toebehoort.
[so hooch loope,] uhEd weet datter op mijn begeerte of sindelijckheijt indeese timeraes ge niet is gemaeckt al datter gedaen is, is op uhEd begeerte en ordere geschiet, ick heb van heetere weegens het gelt van blan sche niet Een woort geschreefve, sal mij dat uhEd Esprese last niet bemoeijen, ben ock seer beschroomt Eenich volck int werck te stele
sonde al voorens te weeten wat gelt daer toe is want is ongelooflijck hoe de mense die wij schuldich sijn moeijlijck valle om gelt, tis waer uhEd heeft groot gelijck domburch en diergelijcke sijn rechte woeckenaers maer wat soude wij gedaen hebbe moste gelt hebbe en kostent nergens krijgen, ick wenste so seer als Eimant dat wij dat kapitael koste af losse en ons pant weer in ons macht hebbe, maer sien daer geen raet toe voor dat het ijaer om is, vermaerte geloof ick dat t eijde sijn goet raeckt maer Elck meent meester vant sijn te sijn[, ick sal]
Twee radeloze mensen bij een woekeraar, Cornelis Huyberts, 1725. Collectie Rijksmuseum.
Water, zand, wind
In haar vorige brief schreef Margaretha al over het ongure weer. Het water dat eerst gestegen, toen gedaald, en toen weer gestegen was, is nu weer gedaald. De duivegaten staan wel nog onder water. Het zand kan ook nog steeds niet uitgereden worden. Zand voor de metselaars aan laten voeren is wel mogelijk, dus dat zal Margaretha zo snel mogelijk regelen. Dan kan er in ieder geval gewerkt worden. De molen is ook verhuurd, voor ƒ340 per jaar. De molenaar draagt dan wel de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de zeilen en touwen.
het water is weer aent valle doch valt seer slapges en sijn onse duijfve gaete noch onder water, het water is dit mael op wveel naer niet op sijn hoochste ge weest, dewijl men geen sant aerde kan rijde laet ick sant voor metselaers rijde
so datter niet versuijmt wort noch de paerde leech blijfve staen, ick heb ock onse moolle aende moolenaer van mouricks broer ver huert voor 34 340f int ijaer midts dat hij die van seijlle en touwe die bij naer weer moste vernieut worde moet onder houde[, men hoort hier]
De Franse ambassadeur Jean-Antoine de Mesmes, beter bekend als d’Avaux, stuurt voortdurend memories aan de Staten-Generaal. Wat er in de memories staat en wat d’Avaux er mee wil bereiken, wordt niet duidelijk uit de brief van Margaretha. Dreigt er weer een oorlog? Het lijkt er wel op, als we Margaretha’s brieven moeten geloven…
Intermezzo: wat er daadwerkelijk gebeurde
De 21e-eeuwers achter dit blog zijn bij Kerrewin van Blanken te rade gegaan, die de correspondentie van d’Avaux heeft bestudeerd. Kerrewin wist te vertellen dat d’Avaux in deze periode probeert de Republiek te bewegen tot een defensief verdrag met Frankrijk. Daarmee hoopt hij niet alleen de Franse positie te versterken, maar ook de spanningen tussen de Staten van Holland — vooral Amsterdam — en stadhouder Willem III te verdiepen. De Staten weigeren echter en beroepen zich op hun neutraliteit: zij zouden geen enkel bindend verdrag met een buitenlandse macht willen sluiten.
D’Avaux doorziet dit argument en noemt het misleidend. Nog maar twee jaar eerder hebben de Staten immers een verdrag met Engeland gesloten, naast vergelijkbare verdragen met de keizer en Spanje. Dat zij juist met Frankrijk geen verdrag willen aangaan, presenteren zij volgens d’Avaux onterecht als principiële neutraliteit. Tegelijk doen er geruchten de ronde dat de Franse koning de Republiek tot een alliantie zou willen dwingen.
Fragment van één van de Memoires van d’Avaux, 22 januari 1680. Via Google Books.
Om dit beeld te corrigeren, laat d’Avaux, zonder zichzelf als bron te tonen, het Engels-Nederlandse verdrag van maart 1678 drukken, voorzien van toelichtingen in het Vlaams. Hij verspreidt dit samen met eigen memoires en beschouwingen, die in Amsterdam worden vertaald en naar verschillende Hollandse steden gestuurd. Waarschijnlijk zijn dit de memoires waar Margaretha Turnor op doelt.
Terug naar Margaretha
Margaretha hoopt in ieder geval dat god almachtig alles ten beste wil schikken. En dat ze niet weer, zoals acht jaar geleden tijdens het Rampjaar, in afwezigheid van haar man have en goed moet achterlaten op de vlucht voor de vijand…
[moet onder houde,] men hoort hier godt beeter niet als van swaericheit veroor saeckt door de scherpe meemoorie die doorde franse Ambassadeur geduerich worde in gegeefven, het welcke bij veelle seer ge= Apreehendeert3Apprehendeeren: in beslag nemen wort en swaer hoofdich maeckt, godt almachtich wil alles ten beste schicken, ons voor weer in uhEd ap sensie te moete vluchte, bewaeren[, de heer]
Jean Antoine II de Mesmes, comte d’Avaux, Hyacinth Rigaud, 1702. Privécollectie, bron: wikimedia commons.
Eer en aanzien
Gelukkig is er ook goed nieuws, want Van Ginkel – en dat zal Godard Adriaan zonder twijfel ook al wel van zijn zoon zelf hebben vernomen – is door Willem III beloond met het gouverneurschap van Utrecht. Vroeger had Frederik van Nassau-Zuylestein de positie. Dat levert veel eer en aanzien op!
[sensie te moeten vluchte, bewaeren,] de heer van ginckel sal buijte twijfel uhEd hebbe geschreefve hoe dat sijn hoocheijt hem op Een seer oblijgante manier het goevernement van wttrecht in voechge het den heer van Suijlisteijn heeft gehadt, heeft gegeefven daer wel niet veel aen vast is maer is noch al Een Eer en aensien,
Dan volgt er een heel relaas van maar liefst twee kantjes over een kwestie tussen de predikant en ene Evert de Wael. Hier vind je alle brieffragmenten over dit schandaal, een korte versie is beschikbaar op Een huis vol verhalen.
Kort voor Kerstmis zou Evert de Wael, die dronken was, op het stadhuis hebben gezegd dat de predikant een leugenaar was, die leugens in het kerkenboek had geschreven.
hier is weer Een spul vande ander werck met de preedikant4Bernhard Keppel en Evert de wael, den laeste voor korsmis opt raethuijs neffens het ge= =recht sijnde daert gerecht Een maeltijt had en Evert dewael beschoncke of droncke was, soude door klaes van velpe seer aen gedronge sijn geweest om te segge waerom hij niemant wt de kercken raet tot schee pen wilde nomeneeren, sou Eijntlijck Evert de wael geseijt hebbe dat de preedikant Een leugenaer was die leugens int kerckenboe geschreefven hadt en Een man was die geen konschensie5Consciëntie: Geweten; Het besef, de kennis van goed en kwaad hadt, [waer op hem]
De volgende dag wordt Evert de Wael hieraan herinnerd, maar hij weet niet meer wat hij gezegd heeft. Wel heeft hij enorme spijt. Hij vraagt de secretaris te laten achterhalen wat hij gezegd heeft en hij vraagt hem excuses over te brengen. De secretaris gaat hier niet in mee. Van Velpen heeft het voorval aan de kerkenraad en de predikant gemeld en de kerkenraad neemt verdere stappen.
[geen konschensie hadt,] waer op hem dit sanderendaech indachtich gemaeckt sijn, hij bij de seeckreetariis6Godert van den Doorslagh quam hem ver socht bij velpe te gaen en te versoecke de wijlle hij niet wist wat geseijt had en dat hem sule leet was geseijt te hebbe, dat hijt aende preedikant of kerckenraet niet wil de segge of bekent maecken, het welcke de seeckreetaris seijt niet aengenoome te hebbe om te doen, en velpe geraporteert heeft donderdaechs daer aen inde kerckenraet of wel Eerst aende preedikant, waer op dit neffensgaende is gevolcht, [daer de preedikans]
Margaretha nuanceert de zaak: wat Evert de Wael dronken gezegd heeft, zeggen anderen nuchter en daar heeft de kerkenraad niets tegen gedaan. Volgens Margaretha wordt De Wael hier onrecht aangedaan, omdat men wist dat hij dronken was en hem nu beschuldigt van opzettelijk handelen. Sterker nog: de kerkenraad heeft gezegd dat ze Evert de Wael willen ruïneren. Margaretha verwoordt het als volgt: “Waar de tuin het laagst is, komt men het eerst”, ofwel de zwakkeren hebben het het zwaarst.
[doort dorp hebbe geloopen,] het geene deese man bij den dronck heeft geseijt seggender wel meer nuchtere en daer doet niet teegens maer daer den tuijnt laechst is wil men t Eerst over sij hebbe volmondich geseijt dat se Evert dewael wille ruijneere, de seeckreetaris heeft mij sels geseijt dat Evert de wael droncke opt raethuijs was doen hij dit seijde dat hij daerom geen attestaesie dien avont wilde schrijfve om datse meest al droncke waeren, en nu seggense in dit neefvensgaende dat hijt met voorbedachten raet heeft geseijt, hoe ackordeert dit,
De goddeloze kerkenraad
De dominee en de kerkenraad doen alsof het een algemene regel is: alle lidmaten moeten nou eenmaal in de kerk komen en anders zijn ze verantwoording verschuldigd aan de kerkenraad. Margaretha stuurt de beschuldiging van de kerkenraad mee als bijlage. Ze is het duidelijk niet eens met de dominee en de kerkenraad.
nu wort ock geseijt dat den preedikant met sijn kerckenraet voorneemens sijn vande stoel af te leesen dat alle litmaeten sulle gehoude sijn in sijn kerck te koomen of voor sijn kerckenraet te kompareere7Compareren: verschijnen om reedene te geegeren8verschrijving? waerom sij daer wt blijfven, ick had liefver wie weet wat te doen als bij sulcken godloosen kerckenraet te kompareeren die haer niet ontsien de armemensche met sulcke valsheede als in dit neefensgaende staet te beschuldigen, [dat ick so wel bij de gelde was als niet ben sou naer den haech]
Het interieur van de Nieuwe Kerk, Amsterdam, waar een dienst bezig is, Emanuel de Witte, 1665. Collectie Harvard Museums.
Een beetje dom
Evert de Wael wil tegen het bijgesloten stuk in beroep gaan bij de classis. Zo’n beroep kost tijd, is niet makkelijk en… kost geld. Margaretha vindt het duidelijk niet eerlijk. Margaretha heeft het Evert zelf ook gezegd: hij had dit niet moeten zeggen. Kortom, hij was een beetje dom. Margaretha hoopt dat Godard Adriaan het haar niet kwalijk neemt dat ze zo lang over deze zaak door blijft gaan, maar ze vindt dat hij moet weten wat er hier in het dorp speelt…
[ick paeseijnsie hebbe,] dit neefvensgaende hebbe sij Evert dewael thuijs gesonde die daer van aent klasses wil Apelleere , sij doen dien man groote koste en moeijt aen, tis waer ick hebt hem ock geseijt hij had wel mooge swijge ent niet behoore so te spreecke, dan de man is ock so getreen dat wt de overvloet vant hart de mont droncke sijnde dickmael spreeck hoewel de waerheijt niet altijt geseijt wil sijn, ick heb goet gedocht hoewel weete het uhEd niet als faesgerije die hij niet keeren kan sal geefve, te schrijfve op dat hij mochte weeten wat hier om gaet hoope deselfve niet qualijck sal neeme ick hem hiermeede so lange op houde,