De brieven van Margaretha Turnor

Categorie: Dorp

Heel veel gedoe

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 20 april 1680 Amerongen
Ontvangen Godard Adriaan van Reede 28 april 1680
Lees hier de originele brief

Godard Adriaans brief van de tiende april is keurig bezorgd. De brieven die wij hebben van haar aan Godard Adriaan komen nog maar net wekelijks binnen. Wat er aan de hand is weten we niet, Margaretha schrijft ook nauwelijks over brieven die niet aankomen.

Gedoe met de bouwheer

Kennelijk heeft Godard Adriaan in een brief aan de secretaris nog een wijziging voorgesteld. Margaretha geeft aan dat het nu nog kan, maar de metselaars moeten al aanpassingen doen. Ze hoopt wel dat dit de laatste beslissing zal zijn, want vanaf nu moeten ze bij veranderingen “schade maken”. En dat is wat Margaretha niet wil. Om haar man gerust te stellen helpt ze hem even herinneren dat de stal zo lang is dat er 24 à 25 paarden in passen.

Brieffragment stallen

[reca. 28e. April]

Ameronge den 20/10
April 1680

Mijn heer en lieste hartge
beijde uhEd meesiefve1Missive: brief vande en 10 deeser sijn
mij ter rechter tijt behandicht, het werck wort
volgens uhEd schrijfvens aende seeckreetaris
gemaeckt waerom de metselaers Een stuck
van Een middel muer hebbe moeten opneeme
hoop het nu bij die laeste reesolusie2Resolutie: beslissing, besluit sal blijf
=ven, ock soudense sonde merckelijcke schade
geen veranderin konne maecken, de stal
sal voor 24 a 25 paerde lanck sijn en tot
aent koets huijs door schieten, [wij hebbe hier]

n een paardenstal maken enkele jagers zich klaar voor de jacht, links een hond.
Paardenstal, Joseph Moerenhout, ca. 1830-1840. Collectie Rijksmuseum.

Gedoe met het vaarwater

Het weer is slecht, dus kunnen ze bij de steenoven maar niet beginnen met het vormen van de stenen. Krijn van Kampen is op weg naar Zwartsluis om turf te halen. Alleen zit Margaretha zo omhoog qua stenen, dat ze zodra er turf is, moet gaan bakken, ook al hebben ze nog maar drie of vier monden steen. Bovendien moeten ze snel zijn, want als het water op de rivier stopt met wassen en weer zakt, dan gaat de vaart (Vaartsche Rijn) bij Utrecht dicht om de sluis te repareren. Dan kunnen er dus geen schepen door. Dus ze heeft meer schippers om turf op pad gestuurd en die verwachten in drie weken weer terug te zijn. Maar ja, maar ja. Het ene gedoe leidt tot het volgende gedoe, want vier schepen turf kost veel geld.

Eerste brieffragment vaarwater
Tweede brieffragment vaarwater

[is dat wij beeter weer sulle krijge,] krijn van
kampe is met t samooreuse3Samoreus: Type lang vrachtschip wt naer swarte

sluijs om turf te koopen tot de steen oven die
wij door gebreck van steen genootsaeckt sulle
sijn so haest wij drij a vier monde vol steen
sulle hebbe af te stoocken, ock sullense so
haest het waeter dat op de reevier weer aent
wasse is, laech wort aende vaert bij wttrech
de sluijs vermaecke en so lang dat duert
sullender geen scheepe door konne vaeren
daer om ick ock noch te Eer om den turf
heb moeten sende die staet maecke binne den
tijt van 3weecken met den turf hier te
sulle sijn, die 4 samoreuse sulle al bij de
1300f aen gelt bedraechge, [oft gebeurde]

Turfschip met daarop drie mannen waarvan er één aan het roer staat. Rechts op de achtergrond een boerenhoeve en de contouren van een kerk.
Turfschip op binnenwater, Gerrit Groenewegen, 1791. Collectie Rijksmuseum.

Gedoe met geld

Margaretha’s grootste zorg is dat als die schepen komen, ze al dat geld niet heeft en ook niet weet waar het geld vandaan zou kunnen komen. Gelukkig heeft ze een plan B en ze hoopt dat Godard Adriaan het ermee eens is.

Binnen de provincie heeft de familie een aantal functies waar ze geld voor krijgen en dat is onder andere geld vanuit de Ridderschap en ook voor het kamelaarschap (functie waarin de geldzaken geregeld worden) voor de Lekdijk. Dit geld gaat kennelijk rechtstreeks naar Van Beusinchem, maar Margaretha weet dat het er is. Haar belangrijkste zorg nu is dat de steenvormers doorwerken, die krijgen elke veertien dagen 200 tot 250 gulden. De smeden willen ook geld, maar die moeten maar even wachten.

Eerste brieffragment geld
Tweede brieffragment geld

[1300f aen gelt bedraechge,] oft gebeurde
dat ick opt aenkoome van selfve so veel
gelt niet in kreech gelijck ock voor de hant
niet sien waert van daen sou koome hoop
uhEd niet qualijck sal neemen ick het
gelt dat onder beusekom leijt en hij onsen
weege vande ridderschap en de kamelaer
vande leckendijck heeft ontfange, licht,
so het volck aent vorme vande steenblijft
moeter alle 14 dage ontrent de 200f en 250f
tot de steen ove
weese behalfve het ande volck, de smits

loopen ock ock om gelt dan die moeten noch wat
wachten

Magistratenkussen van tapijtweefsel met het gekroonde wapen van Utrecht en de inscriptie "L.D. Bovendams" Lekdijk Bovendams en het jaartal 1706.
Kussen met het wapen van het waterschap Lekdijk Bovendams, anoniem, 1706. Collectie Rijksmuseum.

Gedoe met de kerkenraad

De fittie met de kerkenraad begint behoorlijk uit de hand te lopen. Zowel Margaretha als de kerkenraad winnen juridisch advies in. Margaretha’s adviseurs, je verwacht het niet, zijn het natuurlijk helemaal met haar eens: de kerkenraad had absoluut het recht niet om die arme Evert de Wael aan te klagen. Alleen lijkt Evert de Wael helemaal verdwenen te zijn uit het verhaal. Juridisch adviseurs zijn er daarentegen des te meer: burgemeester Jacob van der Dussen van Utrecht en de kersverse procureur-generaal van het Utrechtse hof: Everard Becker. Ook syndicus (juridisch ambtenaar) Gerbrand Schagen uit Wijk bij Duurstede bemoeit zich ermee.

Margaretha vindt het in ieder geval allemaal maar lastig. Zonder Godard Adriaans toestemming doen ze niets, dus hij krijgt alle gegevens toegestuurd.

Eerste brieffragment kerkenraad

[is dit int werck stelle,] versoecke niet

qualijck te neemen ick uhEd hiermeede weer moeijlijck valle
dewijlle het Een werck is dat ick over mij niet derfve neeme
te meer om dat de heer van ginckel hier wat swaerhoofdi
in is meent het wat luijt roepe sal, de Advokaten segge
alle drij dat het vrij te ver vande kerckenraet gegaen is
en geensins hoort geleeden te werde, ick heb met de
laeste post uhEd kopije wt den brief van becker ge
sonde waer wt deselfve kan sien op wat manier mer hij
en vande dusse meent men behoorde te proosedeere,van
die opijnie is ock schage , wij sulle sonde hier iets verder
in te doen uhEd beliefve verwachte, [ons fritsge is met]

Een hoog gebouw met vier grote deuren en twee kleinere deuren en twee luiken naar de kelder. Op de eerste en tweede verdieping zitten ramen. Boven de rechter deur hangt een duiventil. Het gebouw heeft een zadeldak en op de schoorsteen zit een ooievaar. Op het ommuurde plein voor het gebouw zijn verschillende mensen in gesprek.
Gezicht op het Provinciaal Gerechtshof in de hoofdgebouwen van de voormalige St.-Paulusabdij te Utrecht, vanaf het voorplein uit het zuiden, C.C.A. Last, ca. 1550-1650. Collectie Het Utrechts Archief.

Gedoetjes

Margaretha eindigt haar brief met een paar ongerelateerde “gedoetjes”. Het eerste is eigenlijk helemaal geen gedoe: maar Frits heeft paasvakantie! Hij is met de praeceptor naar Middachten. Hij schijnt redelijk te wennen aan Leiden en ook de relatie met professor Spanheim lijkt goed. Die schrijft wel dat Frits nog maar aan het begin van zijn leerloopbaan staat.

Als het geen hoog water meer wordt, dan kan het zijn dat het goed komt met het koren in het Spijk. De provisie die Godard Adriaans trouwe metgezel Isaäc de Blanche heeft besteld, is scheep (aan boord) en vertrekt morgen van Amsterdam naar Hamburg.

Brieffragment afsluiting

[in te doen uhEd beliefve verwachte,] ons fritsge is met
de vakansi van paesche met sijn presepter nae Mid=
dachte, seijt tot leijden al te wennen en tot den
heer spanheijm weel te mooge weese, maer tis noch
vroech hij sal noch Eerst beginne sijn ordere vande leer
=re volgens t schrijfve vande heer spanheijm, het
koorn inde spijck hoopt me dat noch voort meerendeel behoude
sal sijn, so der maer geen waeter meer komt, daer men
weer voor vreest, de proovijsie die Monsu blansche heeft
ontboode is scheep en sal merge van Amsterdam op hambur
afvaere hoop het wel sal overkoome, blijfve
Mijn heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijff
M Turnor

Prent van een haven waar heel veel zeilschepen liggen. Op de voorgrond een aanlegsteiger met daarop twee kraanconstructies die net boven de masten uitkomen. Rechts ligt een schip bij de kraan.
Gezicht op de twee haven- of scheepskranen in het IJ te Amsterdam, Anoniem, 1693-1694. Collectie Rijksmuseum.
  • 1
    Missive: brief
  • 2
    Resolutie: beslissing, besluit
  • 3
    Samoreus: Type lang vrachtschip

Herbouw en heibel

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 26 januari 1680 Amerongen
Ontvangen Godard Adriaan van Reede
Lees hier de originele brief

Margaretha heeft de brief van 17 januari ontvangen. Ze gaat uitgebreid op Godard Adriaans brief in. Daarnaast is er nog nieuws over de herbouw van het huis en is er heibel in het dorp. En zijn de Fransen weer op oorlogspad?

Elk meent meester van het zijne te zijn

Waarschijnlijk is Godard Adriaan in de brief van 17 januari nogal uit z’n slof geschoten, want Margaretha voelt de behoefte zich te verontschuldigen. Het gaat om de rekening van het hardsteen uit Bremen: die is hoger uitgevallen dan verwacht.

Brieffragment opgelopen kosten

Ameronge den 26/16 ijanwa 1680 
Mijn heer en lieste hartge

uhEd aengenaeme vande 7/17 dees heb ick ontfange
waer op tot Antwoort dient dat wel wenste
de reeckenin vande hartsteen van breeme wt de
4000 f die wij van domburch1In de brief van 6 januari was hij renteheffer hebbe opgenoome
had konne betaelt worde, maer die peninge
hebbe nergens nae bereijckt de schulde die
hij weegens onse timeraesge doen maels
hadde, ock hadde wij doen die reecknin
niet, noch wiste niet wat wij daer schuldich
waeren, het doet mij leet dat de reecknine
so hooch loope, [uhEd weet datter op mijn]

(Ondersteboven:
ons godertge de heer sij
gedanck weer wel doch siet
noch als een doeij so bleeck
en geswolle int aensicht2waarschijnlijk had hij de bof

Rechthoekige monochrome glas-in-lood ruit met allegorische voorstelling van Aritmetica, een van de vrije kunsten. Zij wordt hier voorgesteld als een jonge vrouw op een stoel zit en op een schrijftafel rekent, terwijl drie oudere mannen bezig zijn met tellen van munten en controleren van rekeningen.
Aritmetica, Jacques de Gheyn (I) (mogelijk), na 1565 – in of voor 1582. Collectie Rijksmuseum.

Goede huisvrouw

Godard Adriaan moet begrijpen dat Margaretha bij de herbouw van het huis steeds zijn akkoord heeft afgewacht, en nooit iets heeft laten uitvoeren zonder zijn expliciete toestemming. Juist daarom is zij terughoudend om werklieden aan het werk te zetten, want geld loskrijgen van schuldeisers blijkt buitengewoon moeilijk, het zijn echte woekeraars. Een alternatief om aan geld te komen is er op korte termijn niet. Misschien brengt het komende jaar verbetering — al meent elk meester van het zijne te zijn, en wil dus beschikken over wat hij denkt dat hem toebehoort.

Eerste brieffragment zuinigheid en leningen
Tweede brieffragment zuinigheid en leningen


[so hooch loope,] uhEd weet datter op mijn
begeerte of sindelijckheijt indeese timeraes
ge niet is gemaeckt al datter gedaen is,
is op uhEd begeerte en ordere geschiet,
ick heb van heetere weegens het gelt van blan
sche niet Een woort geschreefve, sal mij dat
uhEd Esprese last niet bemoeijen, ben ock
seer beschroomt Eenich volck int werck te stele

sonde al voorens te weeten wat gelt daer toe is
want is ongelooflijck hoe de mense die wij
schuldich sijn moeijlijck valle om gelt,
tis waer uhEd heeft groot gelijck domburch en
diergelijcke sijn rechte woeckenaers maer wat
soude wij gedaen hebbe moste gelt hebbe en
kostent nergens krijgen, ick wenste so
seer als Eimant dat wij dat kapitael koste
af losse en ons pant weer in ons macht
hebbe, maer sien daer geen raet toe voor
dat het ijaer om is, vermaerte geloof ick
dat t eijde sijn goet raeckt maer Elck
meent meester vant sijn te sijn[, ick sal]

Achter een tafel zit een man, leunend op een volle zak. Voor hem liggen munten en papieren. Een man en een vrouw zijn net door de deur binnen gekomen. De man heeft een brief in zijn hand en hij spreek luid wapperend met zijn andere hand tegen de man achter de tafel. De vrouw achter hem draagt een emmer en houd een doek tegen haar neergeslagen hoofd. Op de muur op de achtergrond hangen twee schilderijen met schepen. Boven de prent staat: behoefte en nood, geeft woek'raars brood.
Twee radeloze mensen bij een woekeraar, Cornelis Huyberts, 1725. Collectie Rijksmuseum.

Water, zand, wind

In haar vorige brief schreef Margaretha al over het ongure weer. Het water dat eerst gestegen, toen gedaald, en toen weer gestegen was, is nu weer gedaald. De duivegaten staan wel nog onder water. Het zand kan ook nog steeds niet uitgereden worden. Zand voor de metselaars aan laten voeren is wel mogelijk, dus dat zal Margaretha zo snel mogelijk regelen. Dan kan er in ieder geval gewerkt worden. De molen is ook verhuurd, voor ƒ340 per jaar. De molenaar draagt dan wel de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de zeilen en touwen.

Eerste brieffragment water zand en wind
Tweede brieffragment water zand en wind

het water is weer aent valle doch valt
seer slapges en sijn onse duijfve gaete
noch onder water, het water is dit
mael op wveel naer niet op sijn hoochste ge
weest, dewijl men geen sant aerde kan
rijde laet ick sant voor metselaers rijde

so datter niet versuijmt wort noch de paerde
leech blijfve staen, ick heb ock onse moolle
aende moolenaer van mouricks broer ver
huert voor 34 340f int ijaer midts
dat hij die van seijlle en touwe die bij
naer weer moste vernieut worde
moet onder houde[, men hoort hier]

Gravure van een molen in een landschap, Het lijkt of de molen in een flinke wind staat en het tuigage er los bij hangt.
Molen, Jacob Maris, 1847-1899. Collectie Rijksmuseum.

Een diplomaat op oorlogspad?

De Franse ambassadeur Jean-Antoine de Mesmes, beter bekend als d’Avaux, stuurt voortdurend memories aan de Staten-Generaal. Wat er in de memories staat en wat d’Avaux er mee wil bereiken, wordt niet duidelijk uit de brief van Margaretha. Dreigt er weer een oorlog? Het lijkt er wel op, als we Margaretha’s brieven moeten geloven…

Intermezzo: wat er daadwerkelijk gebeurde

De 21e-eeuwers achter dit blog zijn bij Kerrewin van Blanken te rade gegaan, die de correspondentie van d’Avaux heeft bestudeerd. Kerrewin wist te vertellen dat d’Avaux in deze periode probeert de Republiek te bewegen tot een defensief verdrag met Frankrijk. Daarmee hoopt hij niet alleen de Franse positie te versterken, maar ook de spanningen tussen de Staten van Holland — vooral Amsterdam — en stadhouder Willem III te verdiepen. De Staten weigeren echter en beroepen zich op hun neutraliteit: zij zouden geen enkel bindend verdrag met een buitenlandse macht willen sluiten.

D’Avaux doorziet dit argument en noemt het misleidend. Nog maar twee jaar eerder hebben de Staten immers een verdrag met Engeland gesloten, naast vergelijkbare verdragen met de keizer en Spanje. Dat zij juist met Frankrijk geen verdrag willen aangaan, presenteren zij volgens d’Avaux onterecht als principiële neutraliteit. Tegelijk doen er geruchten de ronde dat de Franse koning de Republiek tot een alliantie zou willen dwingen.

Fragment uit een boek.
Fragment van één van de Memoires van d’Avaux, 22 januari 1680. Via Google Books.

Om dit beeld te corrigeren, laat d’Avaux, zonder zichzelf als bron te tonen, het Engels-Nederlandse verdrag van maart 1678 drukken, voorzien van toelichtingen in het Vlaams. Hij verspreidt dit samen met eigen memoires en beschouwingen, die in Amsterdam worden vertaald en naar verschillende Hollandse steden gestuurd. Waarschijnlijk zijn dit de memoires waar Margaretha Turnor op doelt.

Terug naar Margaretha

Margaretha hoopt in ieder geval dat god almachtig alles ten beste wil schikken. En dat ze niet weer, zoals acht jaar geleden tijdens het Rampjaar, in afwezigheid van haar man have en goed moet achterlaten op de vlucht voor de vijand…

Brieffragment Franse diplomaat

[moet onder houde,] men hoort hier
godt beeter niet als van swaericheit veroor
saeckt door de scherpe meemoorie die doorde
franse Ambassadeur geduerich worde in
gegeefven, het welcke bij veelle seer ge=
Apreehendeert3Apprehendeeren: in beslag nemen wort en swaer hoofdich
maeckt, godt almachtich wil alles ten
beste schicken, ons voor weer in uhEd ap
sensie te moete vluchte, bewaeren[, de heer]

Een half lengte portret in een ovaal een gezette man met een pruik met weelderige grijze krullen. Hij heeft een minzaam lachje om de lippen en flinke blossen op de wangen. Hij draagt een kanten jabot op een blauw pak met gouden borduursel. Op zijn borst heeft hij een zilveren kruis van L'ordre du Saint-Esprit en hij draagt de bijbehorende blauwe sjerp.
Jean Antoine II de Mesmes, comte d’Avaux, Hyacinth Rigaud, 1702. Privécollectie, bron: wikimedia commons.

Eer en aanzien

Gelukkig is er ook goed nieuws, want Van Ginkel – en dat zal Godard Adriaan zonder twijfel ook al wel van zijn zoon zelf hebben vernomen – is door Willem III beloond met het gouverneurschap van Utrecht. Vroeger had Frederik van Nassau-Zuylestein de positie. Dat levert veel eer en aanzien op!

Brieffragment Gouvernement van Utrecht

[sensie te moeten vluchte, bewaeren,] de heer
van ginckel sal buijte twijfel uhEd hebbe
geschreefve hoe dat sijn hoocheijt hem op Een
seer oblijgante manier het goevernement
van wttrecht in voechge het den heer van
Suijlisteijn heeft gehadt, heeft gegeefven
daer wel niet veel aen vast is maer is
noch al Een Eer en aensien,

Een schilderij met een zwarte lijst waarbinnen een goudkleurige lijst. Een man van ongeveer 30-jarige leeftijd in een zwart harnas is driekwart geportretteerd. Hij staat schuin op de toeschouwer en kijkt die aan. Zijn rechterschouder is naar voren gekeerd. Hij heeft een vol gezicht met een onderkin. Hij heeft donker krullend haar (of een pruik) tot net op zijn schouders In zijn rechterhand heeft hij een officiersstaf. Om zijn hals heeft hij een witte doek geknoopt. Bij zijn rechterarm komt een wit stukje textiel onder het harnas uit.
Godard van Reede van Ginkel, Gottfried Kneller, 1692. Collectie Kasteel Amerongen. Foto: Peter Cox.

Het kerstschandaal

Dan volgt er een heel relaas van maar liefst twee kantjes over een kwestie tussen de predikant en ene Evert de Wael. Hier vind je alle brieffragmenten over dit schandaal, een korte versie is beschikbaar op Een huis vol verhalen.

Kort voor Kerstmis zou Evert de Wael, die dronken was, op het stadhuis hebben gezegd dat de predikant een leugenaar was, die leugens in het kerkenboek had geschreven.

Eerste brieffragment over het kerstschandaal

hier is weer Een spul vande ander werck met de
preedikant4Bernhard Keppel en Evert de wael, den laeste
voor korsmis opt raethuijs neffens het ge=
=recht sijnde daert gerecht Een maeltijt had
en Evert dewael beschoncke of droncke
was, soude door klaes van velpe seer aen
gedronge sijn geweest om te segge waerom
hij niemant wt de kercken raet tot schee
pen wilde nomeneeren, sou Eijntlijck Evert
de wael geseijt hebbe dat de preedikant Een
leugenaer was die leugens int kerckenboe
geschreefven hadt en Een man was die
geen konschensie5Consciëntie: Geweten; Het besef, de kennis van goed en kwaad hadt, [waer op hem]

Tekening van een dorpsplein met rechts veel bomen en daartussen een put waar twee vrouwen water halen. Links een rijtje huizen, waarvan het laatste trapgeveltjes heeft een een torentje, dit is het raadhuis.
Gezicht in het dorp Amerongen, met links het raadhuis en rechts een waterput, P. van Liender, 1777. Reproductie van Het Utrechts Archief van de tekening in het Koninklijk Huisarchief te Den Haag.

Spijt

De volgende dag wordt Evert de Wael hieraan herinnerd, maar hij weet niet meer wat hij gezegd heeft. Wel heeft hij enorme spijt. Hij vraagt de secretaris te laten achterhalen wat hij gezegd heeft en hij vraagt hem excuses over te brengen. De secretaris gaat hier niet in mee. Van Velpen heeft het voorval aan de kerkenraad en de predikant gemeld en de kerkenraad neemt verdere stappen.

Tweede brieffragment over het kerstschandaal

[geen konschensie hadt,] waer op hem
dit sanderendaech indachtich gemaeckt
sijn, hij bij de seeckreetariis6Godert van den Doorslagh quam hem ver
socht bij velpe te gaen en te versoecke de
wijlle hij niet wist wat geseijt had en dat
hem sule leet was geseijt te hebbe, dat hijt
aende preedikant of kerckenraet niet wil
de segge of bekent maecken, het welcke
de seeckreetaris seijt niet aengenoome te hebbe
om te doen, en velpe geraporteert heeft
donderdaechs daer aen inde kerckenraet of
wel Eerst aende preedikant, waer op dit
neffensgaende is gevolcht, [daer de preedikans]

Een man zit aan een tafel met een doek om zjn hoofd, hij heeft zijn ogen dicht en houdt zijn handen voor zijn oren. Om hem zijn allemaal duiveltjes actief. Één staat op tafel en slaat met een hamer een speld in zijn hoofd, twee luiden een grote bel boven zijn hoofd, twee anderen slaan met hamers po een aambeeld dat op zijn hoofd staat en vier duiveltjes, één op de stoelleuning en drie op de grond, trekken met alle macht aan touwen die vastgemaakt zijn aan een spijker in zijn hoofd.
Karikatuur van een man met hoofdpijn, Honoré Daumier, 1833. Collectie Rijksmuseum.

Ruïneren

Margaretha nuanceert de zaak: wat Evert de Wael dronken gezegd heeft, zeggen anderen nuchter en daar heeft de kerkenraad niets tegen gedaan. Volgens Margaretha wordt De Wael hier onrecht aangedaan, omdat men wist dat hij dronken was en hem nu beschuldigt van opzettelijk handelen. Sterker nog: de kerkenraad heeft gezegd dat ze Evert de Wael willen ruïneren. Margaretha verwoordt het als volgt: “Waar de tuin het laagst is, komt men het eerst”, ofwel de zwakkeren hebben het het zwaarst.

Derde brieffragment over het kerstschandaal


[doort dorp hebbe geloopen,] het geene deese
man bij den dronck heeft geseijt seggender
wel meer nuchtere en daer doet niet teegens
maer daer den tuijnt laechst is wil men
t Eerst over sij hebbe volmondich geseijt
dat se Evert dewael wille ruijneere, de
seeckreetaris heeft mij sels geseijt dat Evert
de wael droncke opt raethuijs was doen hij
dit seijde dat hij daerom geen attestaesie
dien avont wilde schrijfve om datse meest
al droncke waeren, en nu seggense in dit
neefvensgaende dat hijt met voorbedachten
raet heeft geseijt, hoe ackordeert dit,

De goddeloze kerkenraad

De dominee en de kerkenraad doen alsof het een algemene regel is: alle lidmaten moeten nou eenmaal in de kerk komen en anders zijn ze verantwoording verschuldigd aan de kerkenraad. Margaretha stuurt de beschuldiging van de kerkenraad mee als bijlage. Ze is het duidelijk niet eens met de dominee en de kerkenraad.

Vierde brieffragment over het kerstschandaal


nu wort ock geseijt dat den preedikant met
sijn kerckenraet voorneemens sijn vande
stoel af te leesen dat alle litmaeten
sulle gehoude sijn in sijn kerck te koomen
of voor sijn kerckenraet te kompareere7Compareren: verschijnen om
reedene te geegeren8verschrijving? waerom sij daer
wt blijfven, ick had liefver wie weet
wat te doen als bij sulcken godloosen
kerckenraet te kompareeren die haer
niet ontsien de armemensche met sulcke
valsheede als in dit neefensgaende staet
te beschuldigen, [dat ick so wel bij de
gelde was als niet ben sou naer den haech]

In een hoog kerkinterieur zit een preekstoel aan een pilaar. Er is een kerkdienst bezig, op de kansel staat een predikant. In de banken rondom de kansel zitten mensen, achter de banken staan mensen. Op de voorgrond een vrouw met een kleuter aan de hand, een man met een rode cape, twee honden en bij de pilaar zit een vrouw haar baby de borst te geven.
Het interieur van de Nieuwe Kerk, Amsterdam, waar een dienst bezig is, Emanuel de Witte, 1665. Collectie Harvard Museums.

Een beetje dom

Evert de Wael wil tegen het bijgesloten stuk in beroep gaan bij de classis. Zo’n beroep kost tijd, is niet makkelijk en… kost geld. Margaretha vindt het duidelijk niet eerlijk. Margaretha heeft het Evert zelf ook gezegd: hij had dit niet moeten zeggen. Kortom, hij was een beetje dom. Margaretha hoopt dat Godard Adriaan het haar niet kwalijk neemt dat ze zo lang over deze zaak door blijft gaan, maar ze vindt dat hij moet weten wat er hier in het dorp speelt…

Vijfde brieffragment over het kerstschandaal

[ick paeseijnsie hebbe,] dit neefvensgaende hebbe
sij Evert dewael thuijs gesonde die daer van
aent klasses wil Apelleere , sij doen dien
man groote koste en moeijt aen, tis waer
ick hebt hem ock geseijt hij had wel mooge swijge
ent niet behoore so te spreecke, dan de
man is ock so getreen dat wt de overvloet
vant hart de mont droncke sijnde dickmael
spreeck hoewel de waerheijt niet altijt
geseijt wil sijn, ick heb goet gedocht hoewel
weete het uhEd niet als faesgerije die hij
niet keeren kan sal geefve, te schrijfve
op dat hij mochte weeten wat hier om gaet
hoope deselfve niet qualijck sal neeme
ick hem hiermeede so lange op houde,

Een vrouw met een weegschaal in haar hand staat naast een palmboom. Op de achtergrond de suggestie van een stad.
Justitia, Gesina ter Borch, ca. 1660-1669. Collectie Rijksmuseum.

  • 1
    In de brief van 6 januari was hij renteheffer
  • 2
    waarschijnlijk had hij de bof
  • 3
    Apprehendeeren: in beslag nemen
  • 4
    Bernhard Keppel
  • 5
    Consciëntie: Geweten; Het besef, de kennis van goed en kwaad
  • 6
    Godert van den Doorslagh
  • 7
    Compareren: verschijnen
  • 8
    verschrijving?

Recente reacties

  1. Weer een mooi inzicht hoe het een en ander verliep

  2. Politiek gezien is er weinig veranderd. Baantjes die worden vergeven.

  3. Ik zal eens bij de slager vragen of er nu nog paterstukken te koop zijn.

  4. van Beusinchem komt niet voor in de staten van oorlogh. Dus kan je aannemen dat van Ginckel de zoon niet…

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema door Anders Norén