[rec.a 14e. Julij] Ameronge den 6 ijuli en 26 ijuni 1680
Mijn heer en lieste hartge
Geldtellende oude vrouw in een interieur, Willem Pieter Hoevenaar, 1818-1863. Collectie Rijksmuseum.
Traktatie voor het hof van Brandenburg
Geldzorgen of niet, Margaretha is tevreden over de ontvangst die Godard Adriaan heeft gehouden voor het prinselijk hof van Brandenburg.
Dat gaat dan in ieder geval om prins Frederik III van Hohenzollern en zijn echtgenote, prinses Elisabeth Henriëtte van Hessen-Kassel. Frederik, die later bekend zou worden als Frederik I van Pruisen, was de zoon van Louise Henriëtte van Nassau die weer de dochter was van prins Frederik Hendrik en Amalia van Solms.
wt uhEd aengenaeme vande 26/16 ijuni sien ick dat uhE Eenige heere Ambasadeurs Eerst ende prinse en pris prinsese van brandenburch heeft getrackteert dat heel goet is, de Eer en reespeckt vande staet en van uhEd Persoon moet bewaert sijn,
Tijdens een diner worden nieuwe gasten verwelkomd, Jan Luyken, 1711. Collectie Rijksmuseum.
Geldzorgen
Tja, dat geld. In haar vorige brief schreef Margaretha al dat ze blij was dat Godard Adriaan naar raadspensionaris Fagel had geschreven, maar het heeft nog niets opgeleverd. Van Heeteren heeft haar zelfs gemeld dat er in Holland geen geld te krijgen is, zelfs niet de 2310 gulden waar ze nog recht op hebben. Komende dinsdag komen de Staten van Holland weer bij elkaar en hopelijk levert dat wat op. Margaretha zou er het liefst zelf naar toe willen gaan! Ongetwijfeld had ze de heren Staten de wind van voren gegeven, als het haar gelukt was de vergaderzaal binnen te komen. Maar ze kan zo moeilijk weg van Amerongen.
mij verlanckt seer wat antwoort uhEd vande heer raet pensionaris fagel sal bekoome opt suijsget vandeselfs betaeline, van heetere schrijft mij dat alsnoch geen Apreehensie is in hollant gelt te krijge ijae selfs de resteerende 2310 f niet, toekoomende dijnsdach sulle men heere van hollant weer bij Een koomen men sou sien t daer voor te brenge en sien wat men dan kan krijge, ick sou wel naer den haech gaen maer kan seer qualijck van hier [ock ontsien ick]
Caspar Fagel (1634-88). Raadpensionaris van Holland sedert 1672, met op de achtergrond de vergaderzaal van de Staten van Holland op het Binnenhof te Den Haag, Johannes Vollevens (I) (kopie naar), 1672 – 1700. Collectie Rijksmuseum.
Dakpannen, turf en hooi
Ondertussen is Margaretha al aan het rekenen waar het geld aan besteed moet worden, het lijkt er veel op dat ze er slapeloze nachten van heeft. Godard Adriaan heeft voor zijn huishouden zeker 500 gulden in de maand nodig. Ze heeft zelf geld nodig voor het lood, de dakpannen en het werkvolk, en ze moet Krijn van Kampen nog betalen voor twee scheepsladingen turf voor de steenoven. Godard Adriaan moet het haar vooral niet kwalijk nemen dat ze haar zorgen zo openlijk uit! Er is hard gewerkt, er is ook gehooid, maar het gaat allemaal niet snel. Die mooie dubbele bogen boven de ramen van de stal en het koetshuis, het is prachtig, maar het kost veel tijd. Niettemin, er zijn er al acht gemaakt! Hopelijk kunnen ze maandag beginnen met het leggen van de balken. Er komen nog vier of misschien wel zes timmerlieden uit Amsterdam, ze hebben dan zeker twaalf zo niet zestien timmerlieden tegelijk aan het werk en o jee! Dat kost ook weer geld.
[honder gul,] ben nu seer bekomert waer ick niet alleen gelt sal haelle om weer voor uhEd onder teminck te legge maer ock om hier t loot de panne en voort het werck volck te be taelle ock moet krijn van kampe om noch twee samoreuse turf tot de steenoven wt moete, bidt niet qualijck te neeme ick dit so opentlijck schrijf, [wij hebbe deese weeck]
Margaretha heeft haar brief nog niet afgesloten of ze bedenkt dat er nog een nieuwtje is. De maarschalk van Abcoude is overleden. De heer van Zuilen, dat is dan Hendrik Jacob van Tuyll van Serooskerken, heeft het ambt verkregen voor zijn zoon. Reinoud Gerard van Tuyll van Serooskerken is op dat moment drie jaar oud. Kennelijk hoefde die maarschalk niet echt daadkrachtig op te treden. En o ja, niet te vergeten, nog kusjes van Godertge en zijn zusjes!
Mijn heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijff M Turnor de Maerschalck van Abkoude is overleeden de heer van suijlen heeft sijn amt voor sijn soon gekreege datter Een offen en deffensiefve aliansi tuschen Engelant en spange is gesloote sal uhEd hebbe verstaen godertge met al sijn susters kusse groote pappa ootmoedich de hande met preesentasi van haeren dienst
Portret van Godard Adriaan van Reede van Herreveld. Godfried Kneller, 1691. Collectie Kasteel Amerongen. Godertge op volwassen leeftijd.
Sommige zaken gaan zo langzaam dat Margaretha er gek van wordt en anderen hebben zoveel haast, dat ze het niet bij kan benen. De eerste traagheid is in ieder geval opgelost: de missende brief van 12 juni is terecht en die van 19 juni is inmiddels ook binnen.
[rec. a 7. Julij] Ameronge den 29/19 ijuni 1680
Mijn heer en lieste hartge uhEd vermiste brief vande 12 deeser die al tot keulen is geweest heb ick neffens die vande 19 deeser, deese weeck ontfange, [tis heel goet uhEd over sijn betaeline]
Een postiljon (postvervoerder) op een varken. Fragment uit een spotprent, anoniem, 1720. Collectie: Rijksmuseum.
Werkgever
Godard Adriaan heeft raadspensionaris Fagel geschreven over de betaling van zijn werk. Margaretha is er blij om, want het is weer eens een zootje. Godard Adriaan is op pad voor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, maar in de praktijk zijn dat zeven provincies die allemaal hun eigen ding doen. De missie is opgezet door de Staten Generaal, maar die heeft zelf geen geld, ze zijn afhankelijk van de bijdragen van de provincies. Een deel is formeel geregeld, maar er blijft altijd gedonder over de onkostenvergoedingen.
[weeck ontfange,] tis heel goet uhEd over sijn betaeline aende heere raet pensionaeris heeft geschreefve want kan noch met de resteerende 2310f niet te rechte koomen, [van heetere schrijft dat hollant weijgert]
Caspar Fagel (1634-88). Raadpensionaris van Holland sedert 1672, met op de achtergrond de vergaderzaal van de Staten van Holland op het Binnenhof te Den Haag, Johannes Vollevens (I) (kopie naar), 1672 – 1700. Collectie Rijksmuseum.
Onkostenvergoedingen
Nu is het zo dat er volgens de raadspensionaris de resterende 2310 gulden niet betaald kan worden, want dat zijn onkosten en die moeten door de provincies betaald worden. Holland wil niet betalen, want die hebben hun bijdragen al gedaan en dat klopt. In Utrecht hadden ze een omweg gekozen om te betalen. Uit Den Haag komt het bericht dat Groningen en Overijssel hun bijdrage voor de onkosten nog niet betaald hebben. En laat Margaretha daar nou net geen connecties hebben die radertjes in beweging kunnen zetten!
[koomen,] van heetere schrijft dat hollant weijgert te betaelle seggen dat sij ock inde post van de= froijemente1Defroijementen: onkostenvergoedingen hebbe voldaen het welcke hem bij de komijs2Commies: (rekenplichtig) ambtenaar vande finansi komans3Onbekend wort gekonfir =meert so dat dit niet alleen hapert maer sien niet hoet in toekoomende voort sal gaen laest inde haech sijnde heb ick verstaen dat de proo vinsie van overijsel en greunine op dit loopende ijaer niet niet op haer post van defroijemente hebbe betaelt of ock noch niet hebbe te laste, maer sulle wijt daer moete gaen soecke daer wij mijns weetens niet Een mens hebbe hebbe die ons daer in te rechte sulle helpe, [dat sal ons seer]
Vervolgens bedenkt Margaretha samen met Van Heteren allemaal manieren om toch een betaling te forceren. Heel creatief, maar onnavolgbaar.
Kaart van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, Gerard Valck, 1690. Collectie Rijksmuseum.
Dubbele bogen
Schut is langs geweest en de bouw aan de stallen en bijbehorende paviljoens gaat gestaag door. Gestaag, maar wel langzaam. Heel… erg… langzaam. Iemand, uit de brief wordt niet duidelijk wie, heeft bedacht dat de ramen en deuren van de stallen en het koetshuis met dubbele bogen gemetseld moeten worden en dat kost gewoon heel erg veel tijd. Margaretha denkt dat het nog zeker tien of twaalf dagen duurt voor ze zo hoog zijn dat ze de balken voor de zolder kunnen gaan leggen.
[met den Eerste sal verwachte,] Meester Schut die deese weeck hier is geweest is gistere weer naer Amsterdam vertrocken, het metsel werck gaet seer lamsaem voort ijae so dat schrick het tesien het welcke komt door die dubbelde boochge die sij booven de vensters en deure vande stal en koetshuijs moete maecke daer sij deese heelle weecke over drij vande dubbelde boochge die en twee boven de vensters dat maer ordinarise booge sijn boven de vensters int voorste pavelijoen gewerckt hebbe, so datse naer mijn gissine noch wel 10 a 12 dage werck hebbe Eersij door gaens de hoochte sulle hebbe om de balcke op te legge, daer toe hebbe wij al deese weeck seer quaet weer gehadt dat al wat verhindert heeft, [sij hebbe nu perfeckt overleijt wat loot]
Stal met blauwe regen, Annemiek Barnouw, 2016. Je kunt je voorstellen dat het metselen van boog boven boog boven boog een klusje was waar de metselaars hun tanden op stuk konden bijten.
Wegvliegend geld
Doordat Schut er was hebben ze nog eens goed kunnen overleggen hoeveel lood er nou eigenlijk precies nodig is. De secretaris had 200 gulden gebudgetteerd, maar er zal zeker 700 gulden aan lood nodig zijn. En daar vliegt weer 400 gulden weg (kennelijk had Margaretha als ervaren bouwvrouwe al 100 gulden hoger ingezet dan de optimistische schatting van de secretaris). En het is niet alleen het lood. Zo zijn er zoveel dingen. Maarja, ze zijn nu eenmaal bezig, dus moeten ze door. Maar uit het diepst van haar hart hoopt Margaretha dat het nu bijna klaar zal zijn.
[heeft,] sij hebbe nu perfeckt overleijt wat loot der moet weesse, den seeckreetaris hadt gemeen datter ontrent de 200f aen loot sou moete sijn maer nu bevint sich datter wel bij de 700f aen loot sal moeten sijn want der noch over de 7000 pont sal moete sijn, en dat moet kontant gelt weesen, so dat ons dit al weer 400f buijten onse gissine gaet so gaet het al in meer dingen, tis niet moogelijck dat men so Effen op alles sijn staet in dit werck kan maecken, wij sijn hier nu in en moetender doer, hoope het nu haest ten Eijnde
sal koomen, [voorleeden dijnsdach is hier in pasant wt en int huijs]
Margaretha heeft ook bezoek gehad. ‘Meneer de Kolenbel’ was zo haastig dat hij geeneens een glas wijn wilde. Justus David de Coulombel was domheer in Utrecht en Raad voor de Keurvorst van Brandenburg. De dag erna kwamen Eberhard Danckelman en zijn vrouw. Danckelman had in Utrecht gestudeerd en was de leraar geweest van de oudste zoon van de keurvorst. Hij zal in de komende jaren de Universiteit van Halle (1694) en de Berlijnse Academie voor Kunsten (1696) oprichten. Maar daar is Margaretha natuurlijk helemaal niet mee bezig. Zij wil de relaties van Godard Adriaan gewoon zo goed mogelijk fêteren.
[sal koomen,] voorleeden dijnsdach is hier in pasant wt en int huijs geweest Monseu de kolenbel maer was so haestich dat geen tijt gaf hem Een glas wijn te geefve, den anderen dach sijnde woonsdach quam den heer en vrou danckel man recht op den Middach so de spijs op tafel wiert gedrage, sij liete vrage of sij mij geen ongeleegentheijt soude doen naer den Eeten het huijs te koomensien, daer op ickversocht sij bij mij wilde koomen Eeten gelijck sijdeeden, ick gaf haer het best dat ick kost dat tot mijn leetweesen niet veel was, sij scheene heel wel te vreede te sijn, saegen het huijs maer wilde niet blijfven hoeseer ickse badt wilde dien avont noch met de nacht schuijt naer Amsterdam, so dat ick niet kost doen het geene wel wenste, [ick heb ock inde korante gesien de]
De Keurvorst van Brandenburg heeft Maagdenburg tot hertogdom verheven. Bij de vrede van Osnabrück in 1648 was besloten dat het aartsbisdom Maagdenburg na het overlijden van de laatste administrator (gekozen bisschop), August von Sachsen-Weißenfels, zou toevallen aan Brandenburg en een hertogdom zou worden. Maagdenburg werd dus geseculariseerd. Margaretha is hier zeer tevreden mee en hoopt dat Godard Adriaan dat doorgeeft aan de Keurvorst.
[het geene wel wenste,] ick heb ock inde korante gesien de sucksesie die den heere keurvorst aent hartoochdom Maechdenberch heeft gedaen, ick ben inmijn pertikulier daer in verheucht , tis Een seer groot Erfnis, wij sijn ock veroblijgeert voorde gunst die sijn keurvorstlijcke doorluchtichheij aen uhEd belieft te toonnen, [ick had gemeent het gras of]
Margaretha sluit haar brief af met een praktisch puntje. Ze had het hooi op de bovenste “bolle” (uiterwaarde) graag verkocht, maar dat is niet gelukt. Nu moet ze dus zelf gaan hooien, maar ze moet nog zien hoe ze dat voor elkaar krijgt met dit weer.
aen uhEd belieft te toonnen, ick had gemeent het gras of hoeij van boovenste bol te verkoope maer heb niet gekost moet het selfver hoeijen en heb sulcken quade weer daer op dat ick nie weet hoet tot hoeij sal krijgen sullen ons best doen ent voort godt almachtich beveelle, die uhEd in sijn heijlige bescherminge wilneemen, blijfvende Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
Margaretha heeft haar papier helemaal volgeschreven, maar er komt toch nog een prangende nabrander. Die schrijft ze maar op een los papiertje. Het koetsje (calèche) uit Berlijn slijt zo dat ze er eigenlijk niet meer mee de weg op kan. En dat terwijl ze hem maar één keer sinds Godard Adriaans vertrek gebruikt heeft! Kennelijk is de slijtage al voor zijn vertrek ontstaan, want Margaretha wil eigenlijk wel een nieuwe. En als het kan, dan met een iets grotere deur. Nu moet ze er zijwaarts in en dan is het nog ingewikkeld om er in of uit te komen. Margaretha heeft geluk dat ze niet in de voertuigen van de moderne rijken hoeft te stappen: met al die rokken in een Porsche of Ferrari stappen is helemaal een ellende. De moderne drempels zijn daarentegen een fluitje van een cent vergeleken bij de slechte wegen waarover Margaretha moest in haar calèche.
ons berlijns kalesge hoewel ickt selfve maer Eens sint uhEd vertreck heb gebruijckt, gaet seer af en so dat ment selfve niet sonder vrees van op de wech te breecke kan gebruijcken, so uhEd weer so Een belieft te hebbe sou daer sijnde Een weer konne versorchgen in welcken geval ick wenste de portiere om wt en in te gaen Een weijnich wijder mochte sijn ick moet hier vanter sijden wt en in gaen en dan heb ickt noch quaet genoech om in of wt te koomen
De Weerdpoort van binnen, Cornelis Pronk, 1748. Collectie British Museum. De koets op de brug lijkt op een calèche.
Margaretha is dolblij: ze heeft maar liefst twee brieven van Godard Adriaan ontvangen! Ze is blij om te horen dat steenhouwer Jan Prang aangekomen is in Bremen. Maar wat vindt Godard Adriaan nu van de tekeningen? Margaretha zit te wachten op antwoord.
Ameronge den 2 deesem 1676 [rec. 7. dito 1676] Mijn heer en liest hartge
gister heb ick uhEd aengenaeme vande 25 en vandaech die vande 28 pasato ontfange, tis mij lief ijan prang wel is overgekoomen, nu verlanckt mij hoe uhEd al het overgesondene so teeckenine als ander aenstaet, en wat daer op sal reesolveere, [aengaende het verhoochge]
Druk, druk, druk
Bovendien ze wil aan de slag met de groentetuin. Ze wil de koolhof ophogen met aarde en zand en Van Ginkel wil daar ook nog fruitboompjes poten. Het werk aan het kasteel vordert. De metselaars zijn klaar met de bogen in de kelder maar de timmerlieden hebben nog wel een paar dagen werk. Het lood is aangekomen en de leidekker is bezig om het in de goten te leggen. Het werd hoog tijd.
[op sal reesolveere,] aengaende het verhoochge vande kool hof achter den bloem hof, soot sulcken vriesent weer blijft sulle wij met den Eerste daer aengaen en sant en Aerdt daer in laete brenge, de heer van ginckel heeft geseijt te wille sien dat hij Eenige vande kleijne fruijt boomtges die hem toegeseijt sijn, te krijge om daer in te pooten, de metselaers sijn gisteren alle wt ons werck gegaen hebbende al de scheijt boogen inde kelders gemaeckt dat Een groot werck wt de weech is, de timmerli hebbe noch wel acht dage werck, ijanhenderixs
den leijdecker is aent legge vant loot inde goote dat hooch tijt is gedaen te sijn, [gistere is]
Maar er zit Margaretha iets dwars, een heel ander onderwerp: de molen. De molenaar heeft schulden en hij moet de molen verkopen. De schuldeiser wil de molen laten veilen, maar Margaretha wil liever zelf bepalen wie de volgende molenaar wordt. De molenaar vraagt er vierduizend gulden voor. Een beetje veel, vindt Margaretha, hij heeft er zelf indertijd 700 gulden voor betaald. Goed, sinds die tijd is er wat aan vertimmert en hij heeft er een huis en een rosmolen bij gebouwd, maar zoveel bijzonders is dat nu ook weer niet. Margaretha heeft er drieduizend gulden voor geboden, dat is het wel waard, maar waar haalt ze het geld vandaan? Moeten ze een obligatie verkopen? Zou Godard Adriaan per omgaande zijn ‘sentimente’ op dit punt kunnen laten weten?
[dat hooch tijt is gedaen te sijn,] gistere is onse moolenaer hier bij mij geweest die seijt de moolen niet te konne houden ock heef kor= =neelis verweij die in verwin en wilse te koop veijlle tensijse uhEd niet wt de hant be= liefde te koope, nu de moolenaer preesen= =teertse ons te verkoope maer Eijster vier duijsent gul voor ick seij als hijder drij duijsent gul voor hadt dat hij heel wel toe sou koomen, die heeft hij der voor gelooft, en daer maer seeven hondert gul op betaelt , nu heeft hij der aen getimert Ent huijs dat niet veel bijsonders is geset ock de rosmoole so dat mijns oordeels alsmense voorde drije duijsent gul kost krijge het niet te dier sou sijn, maer waer koome wij aentgelt of most oblijgasie verhandelen, uhEd be= =lieft sijn gedachte hier Eens op te laete gaen en sijn sentimente met den Eerste te laeten weeten, [ick ben teegenwoordich]
Gezicht op het dorp Amerongen uit het noorden. A. Rademaker, ca 1725, gemaakt naar een voorbeeld uit 1620. Collectie Het Utrechts Archief.
Worst
Margaretha springt werkelijk van de hak op de tak in haar brief. Ze heeft varkens geslacht. Vier varkens die ze zelf heeft gemest en twee ‘eijckel verckens’, varkens die in het bos hun voedsel (zoals eikels) hebben gezocht. Ze is heel tevreden over zichzelf: het is haar beter afgegaan dan hopman Blanche. De kleindochters Pootge (Salomé Jacoba van drie) en Niera (Reiniera van vier) zijn al druk bezig met het maken van worst voor ‘groote papa’. Hij moet nu maar eens snel thuiskomen!
[te laeten weeten,] ick ben teegenwoordich ock int slachte van verkens heb vier van
ons Eijge gemeste en twee Eijckel verckens gesla die alle ses heel suijver en klaer gevalle sijn so dat mij slachte beeter als die vande heer hoop man1Hopman: Bevelhebber van zekere afdeeling (een vendel of compagnie) krijgsvolk of schutters: kapitein. Ze geeft Blanche regelmatig verschillende titels: Kapitein, Monsieur en nu Hopman… Zou ze Blanche gekscherend de bevelhebber van Godard Adriaan noemen? blansche2Isaäc de Blanche, in dienst van Godard Adriaan geluckt sijn, pootge en niera maecken al worst voor groote papa maer segge dat hij haest thuijs moet koomen, [Antge kijft op de groote bach]
Interieur met een vrouw die worst maakt, Jacques-Philippe Le Bas, 1747. Collectie: Rijksmuseum
Drukke kleintjes
Antge (Anna van zeven) is boos omdat ze kousen voor ‘groote papa’ wil breien maar ze heeft geen voorbeeld voor de juiste maat. Nu ze geen kousen kan breien, is ze van plan om een brief te schrijven aan ‘groote papa’. Hopelijk is hij daar ook tevreden mee. Het is duidelijk: Margaretha geeft haar kleindochters een opvoeding waarmee ze van alle markten thuis zijn. En misschien moeten ze ook wel helpen omdat Margaretha anders geen tijd heeft om brieven te schrijven. Fritsje is nog op Middachten dus Margaretha heeft geen nieuws over hem. De kleine Godertje is gezond en groeit goed, maar hij draagt een ‘bant’ om te genezen van zijn breuk en Margaretha is de enige die de ‘bant’ mag verschonen. Baby Agnes brengt ook de winter bij haar grootmoeder door en ze groeit als kool.
[koomen,] Antge kijft op de groote bachSophia Visbach, trouwe huishoudster van Margaretha dat sij haer geen hoosHoos: Min of meer nauw sluitende, langere of kortere bedekking van het been. van groote papa heeft gegeefve om naer te breije, hoopt teegens nieuwe ijaer Een brief aen groote papa te schrijfve daer sijt weer mee goet meent te maecken, hoet met fritsge gaen sal weet ick niet die is noch op Middachten, godertge is heel gesont en fris groeijt seer maer is wat vast inde bant die hem noijt af of aen gedaen wort om te verschoone als in mijn preesensie hoope hij met godts hulpe haest sal geneese, het jonste kint dat Angnis genaemt is naer de oude vrou van MeuweAgnes van Westerholt, grootmoeder van moeders zijde van Ursula Phlippota de groot moeder van vrou van ginckel gelijck uhEd int eerst van haer geboorte heb
geschreefve, groeijt ock heel wel, de heere wilse alle in sijne vreese laeten opwasse, [sijn]
Een meisje leert haar zusje breien Petrus Johannes Arendzen (vermeld op object), 1856 – 1900. Collectie Rijksmuseum.
Winter
Het gaat een koude winter worden. Margaretha laat alle dagen bijten in het ijs in de gracht hakken zodat de vissen het overleven. Maar ‘al wat God belieft moete wij verwachte’. En op die berustende noot besluit Margaretha haar brief.
[naer Middachte,] het vriest hier sterck ick laet alledaechge inde grafte bijten om de vis te behoude, soot schijnt mochten Wij wel Een harde winter hebbe, al wat god belieft moete wij verwachte, inwiens heijlige bescherminge uhEd beveelle en blijfve Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor vrou van
Landschap met figuren die een wak maken op een bevroren vaart, Andreas Schelfhout, ca. 1825 – ca. 1829. Collectie Rijksmuseum.
1
Hopman: Bevelhebber van zekere afdeeling (een vendel of compagnie) krijgsvolk of schutters: kapitein. Ze geeft Blanche regelmatig verschillende titels: Kapitein, Monsieur en nu Hopman… Zou ze Blanche gekscherend de bevelhebber van Godard Adriaan noemen?
Sinds de vorige brief van Margaretha is er niks veranderlijxs voorgevallen dus ze heeft niet veel te schrijven. De timmerlieden hebben nog wel werk voor een week, de metselaars nog voor een paar dagen. Margaretha zal blij zijn als ze van de mannen af is, want ze is bekaf.
Ameronge den 28 Novem 1676 [rec: 4 dec 1676]
Mijn heer en lieste hartge
sint mijne laeste met de laeste post geschreefve is hier is hier niet veranderlijxs voorgevalle, de timerli hebbe noch rijcklijck de toekoomende weeck werck, ende metselaers noch 3 a 4 dage, dan sullensij al de scheijt booge in kelders geslage hebbe, daermeede wij voor deese winter wt het metselen sulle scheijde ick bent so moeij dat ickt niet langer sien mach
De zuidgrens van Utrecht langs de Nederrijn/Lek van Amerongen tot Vreeswijk. Fragment uit: Kaart van Utrecht (Ultraictum Dominium), Joan Blaeu, 1630-1645. Collectie: Het Utrechts Archief.
Lood
In de vorige brief was de secretaris gaan kijken bij het lood dat aan de Vaartse Rijn lag. Het blijkt dat het lood met lichters (lichtere schepen) opgehaald moet worden. Dat kost niet alleen tijd, maar ook geld. De Vaartse Rijn komt bij Vreeswijk, tegenover Vianen, uit in de Lek. Dat is nogal een afstand van Amerongen en dat lood, dat is waarschijnlijk loodzwaar (ja, flauwe grap, maar iemand moet hem maken). Aangezien het water in de rivier laag staat, moet het lood overgeladen worden op een boot met minder diepgang: een lichter. Dit kost natuurlijk allemaal geld en maandag willen ze beginnen met de goten…
, nu ist loot wt den haech gekoome en op gereeden datse en maendach inde gooten sulle beginne te leggen, ick moet alt loot met lichters vande vaert laeten haellen dat kostlijck valt, maer wat sal ick doen wij moetent nu hebbe om de muere te konserveeren, dat van Amsterdam verwacht ick ock met Een lichter, [nu sal de]
Gezicht over de Lek op het dorp Vreeswijk met in het midden de sluis. L.P. Serrurier, ca. 1730. Collectie Het Utrechts Archief
Steen met wormen
Als opstapje naar haar volgende verhaal gebruikt Margaretha de steenhouwer, Jan Prang. Hij moet toch inmiddels wel in Bremen aangekomen zijn? Ze hoopt daarover te lezen in Godard Adriaans brieven. De vraag die natuurlijk eigenlijk op haar lippen brandt: “Snap je nu eindelijk die tekeningen?”, maar ze houdt zich in.
Margaretha heeft gehoord van een soort hardsteen die nogal slap is en waar de worm in komt. Ze heeft het er met Jan Prang over gehad en die had het precies uitgelegd: het is de steen boven in de rotsen die wat makkelijker te bewerken is. In ieder geval moet Godard Adriaan daar wel rekening mee houden nu hij druk bezig is met het bestellen van stenen!
verwacht ick ock met Een lichter, nu sal de steen houder ijan prang al tot breeme sijn aen gekoomen, het welcke verlange wt uhEd briefve te sien, ick weet niet wel of ick geschreefve heb dat men hier seijt datter Een soort van st hartsteen is die seer weeck valt en daer de wurm in is of komt, daer die gans niet dueraebel is en seer in watert, daer uhEd int koope op ver
docht belieft te sijn, hebder met ijan prange van gesproocke die seijt het steen is die boven inde rotse sit en dickmael gebruijckt wort om datse sachter int houwe valt, [de heer van ginckel die Eene]
Werklieden in een steengroeve, Hermanus Petrus Schouten, 1757 – 1822. Collectie Rijksmuseum.
En trouwens
En weer gebruikt Margaretha een bruggetje om bij haar echte punt te komen. Van Ginkel is langs geweest. Hij is naar Middachten en Stadhouder Willem III is naar Den Haag en daarna naar Zeeland. Zijn Hoogheid had trouwens aan Van Ginkel gevraagd waarom hij al een tijd geen brieven van Godard Adriaan gehad had… Om maar gelijk weer door te gaan zodat het alleen maar een neutrale opmerking lijkt: het salaris dat voor Van Ginkel bedacht is in de Staat van Oorlog valt onder de provincie Utrecht. Margaretha twijfelt er niet aan dat die hem daar graag voor aannemen.
[int houwe valt,] de heer van ginckel die Eene nacht hier geweest is, is heede weer naer Middachten gegaen, en sijn hoocheijt naer den haech met intensie om voort naer seelant te gaen, sijn hoocheijt vraechde aende heer van ginckel waer uhEd was of deselfve aen hem in Eenigen tijt niet geschreefve heeft en dat hijt daerom vraechde weet ick niet, de heer van ginckel is met sijn hooch tracktement opde provinsi van wttrecht gestelt, twijfele niet of se sullen hem daer aeneemen, [voort ist hier]
Margaretha valt maar gelijk met de brief in huis: steenhouwer Jan Prang moet toch inmiddels in Bremen aangekomen zijn. En hij heeft de tekeningen bij zich. Ze is benieuwd wat hij ervan vindt. Of is ze benieuwd of hij het nu eindelijk wel begrijpt? Ze zegt het niet letterlijk. De werkbazen zijn in ieder geval van mening dat ze alles nauwgezet getekend hebben én goed uitgelegd.
Ameronge den 25 Novem 1676 [rec: 30. dito] Mijn heer en lieste hartge
heeden heb ick uhEd aengenaeme vande 21 deeser ontfange, hoope den steenhouder ijan prang nu haest weer te breeme sal sijn, mij verlanckt hoe uhEd de teijckenin van onse werck baese al hier en haer konsideraesie1Consideratie: overweging sal aenstaen, sij meenen wel pertinent2Pertinent: nauwkeurig op gestelt en haere meijninge wel ge= Exspliseert3Expliceren: uitleggen, toelichten te hebbe, [sijn hoocheijt is weer op soes]
Architectuur, Jan Balzer (mogelijk), naar Johann Kleinhard, 1772. Collectie Rijksmuseum.
Zijn Hoogheid
De Prins van Oranje is op Soestdijk, maar moet naar Zeeland. Daar liggen ze overhoop en er is zoveel onenigheid dat die arme Prins nauwelijks rust krijgt. Maar er is ook goed nieuws van de Prins! Volgens schoondochter Philippota had hij tegen haar man gezegd dat hij op de Staat van Oorlog4Begroting van de Staten Generaal stond met het salaris van commissaris-generaal. Hij had het op een “obligante” manier gezegd.
Waarschijnlijk is obligant een afgeleide vorm van het werkwoord obligeren, dat Margaretha ook vaak gebruikt. Het woord obligeren is al lastig en was waarschijnlijk in Margaretha’s tijd al ouderwets. De vorm obligant als afgeleide van een werkwoord is ook niet iets waar we nu dagelijks mee werken, dus het is een beetje puzzelen. Ik vergelijk het maar met vigileren (opletten, waken als in waakzaam zijn) en vigilant (oplettend, waakzaam). Dan wil obligant zeggen dat Willem III verplicht voelde, verbonden. Ik vermoed dat hier obligant uit een verplichtheid door Van Ginkels verbondenheid en staat van dienst voortkomt en dus vooral positief is. Ik sta open voor uitleg door iemand die er echt iets van snapt!
Hoe dan ook, Margaretha vindt dat Van Ginkel zijn nieuwe traktement aan Zijn Hoogheid en God te danken heeft. Nu maar hopen dat hij in de gunst van de Prins blijft.
[Exspliseert te hebbe,] sijn hoocheijt is weer op soes dijck doch so geseijt wort niet voor lange en sal hij van meeninge sijn om naer seelant te gaen daerse so men seijt heel wat overhoop leggen tis bedroeft dat me van so veel onEenicheijt hoort en sijn hoocheijt so weijnich ruste heeft, van heeten hee de vrou van ginckel schrijft dat sijn hoocheijt aen haer man op Een seer oblijggante5Obligant: verplicht zijnd manier had geseijt dat hij heer van ginckel op de staet van oorlooch met sijn tracktement6Traktement: vast beloning voor het vervullen van een functie of ambt als fersg kom misaeris generael is gestelt, het welcke hij alle sijn hoocheijt heeft naest godt te dancken, is hem wel geoblijgeert7Obligeren: Aan zich verplichten door een dienst te bewijzen, en geluckich de gunste van hoochge
melte hoocheijt te hebbe, waer in hoope hij gekonserweert sal blijfve, de graef van waldeck is gisteren hier door
Het is vriesweer, maar het is helemaal niet koud. Daardoor schiet het werk op het dak lekker op. Het enige dat vervelend is, is dat het lood er nog niet is. Er schijnt een deel aan de vaart8Vaartsche Rijn te liggen, de secretaris gaat daar eens polshoogte nemen en kijken hoe het naar Amerongen kan komen. Maar er is ook nog een Arnhemse schipper die lood heeft, waar die is is onduidelijk. Het zou fijn zijn als het allemaal tegelijk naar Amerongen komt. Daarvoor is dan een minder diepliggend schip nodig, want het water staat laag op de rivier. Twee Utrechtse voeten, dat is maar 55 cm…
[gepasseert geloofve hij naer duijtslant gaet,] de vorst hout noch al aen en is Evewel gans niet kout ent schoonste weer vande werlt op ons werck, hadde wij maer het loot hier dat ten deelle aende vaertleijt derwaerts ick de seekreetaris heb gesonde om te sien hoe wijt best hier sulle krijgen en ock te verneeme waer den Aernhemse schipper die ock loot voor ons in heeft is, op dat wijt saeme hier mochte krijge t sij met Een lichter of Een kleijn vaertuijch so hijt best voort kan krijgen, daer is geen twee voet water op de reevier daertoe kontraeijreije wint, ent loot moet inde gooten Eert aent reegene komt, tis ge =luck dat de deelen so drooch opt huijs en in Een koomen, [tis mij lief uhed aent beson]
Zeilschepen op een rivier, Anthonij van der Haer, naar Pieter Coopse, ca. 1745 – 1785. Collectie Rijksmuseum.
Besogneren
Op de valreep toont Margaretha nog even interesse in het werk van haar man, maar ze hoopt wel dat het op een eind zal lopen. En dus dat hij weer thuis zal komen…
[Een koomen,] tis mij lief uhed aent beson= ijeere9Besogneren: onderhandelen, besprekingen voeren is hoopen nu uhEd aent werck is het haest op Een Ent sal loopen, waer meede blijfve
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
so schrijft beusekom dat de heer van ginckel tot wttrecht is en merge hier sal sijn geloof sijn hoocheijt weer naer den haech is, Antge en fritge reniera en godertge kusse groote papa de hande de leste wort sterck
Kinderen spelend met rolkar, Pieter de Mare, naar Christina Chalon, 1779. Collectie Rijksmuseum.
1
Consideratie: overweging
2
Pertinent: nauwkeurig
3
Expliceren: uitleggen, toelichten
4
Begroting van de Staten Generaal
5
Obligant: verplicht zijnd
6
Traktement: vast beloning voor het vervullen van een functie of ambt
7
Obligeren: Aan zich verplichten door een dienst te bewijzen