[rec.a 14e. Julij] Ameronge den 6 ijuli en 26 ijuni 1680
Mijn heer en lieste hartge
Geldtellende oude vrouw in een interieur, Willem Pieter Hoevenaar, 1818-1863. Collectie Rijksmuseum.
Traktatie voor het hof van Brandenburg
Geldzorgen of niet, Margaretha is tevreden over de ontvangst die Godard Adriaan heeft gehouden voor het prinselijk hof van Brandenburg.
Dat gaat dan in ieder geval om prins Frederik III van Hohenzollern en zijn echtgenote, prinses Elisabeth Henriëtte van Hessen-Kassel. Frederik, die later bekend zou worden als Frederik I van Pruisen, was de zoon van Louise Henriëtte van Nassau die weer de dochter was van prins Frederik Hendrik en Amalia van Solms.
wt uhEd aengenaeme vande 26/16 ijuni sien ick dat uhE Eenige heere Ambasadeurs Eerst ende prinse en pris prinsese van brandenburch heeft getrackteert dat heel goet is, de Eer en reespeckt vande staet en van uhEd Persoon moet bewaert sijn,
Tijdens een diner worden nieuwe gasten verwelkomd, Jan Luyken, 1711. Collectie Rijksmuseum.
Geldzorgen
Tja, dat geld. In haar vorige brief schreef Margaretha al dat ze blij was dat Godard Adriaan naar raadspensionaris Fagel had geschreven, maar het heeft nog niets opgeleverd. Van Heeteren heeft haar zelfs gemeld dat er in Holland geen geld te krijgen is, zelfs niet de 2310 gulden waar ze nog recht op hebben. Komende dinsdag komen de Staten van Holland weer bij elkaar en hopelijk levert dat wat op. Margaretha zou er het liefst zelf naar toe willen gaan! Ongetwijfeld had ze de heren Staten de wind van voren gegeven, als het haar gelukt was de vergaderzaal binnen te komen. Maar ze kan zo moeilijk weg van Amerongen.
mij verlanckt seer wat antwoort uhEd vande heer raet pensionaris fagel sal bekoome opt suijsget vandeselfs betaeline, van heetere schrijft mij dat alsnoch geen Apreehensie is in hollant gelt te krijge ijae selfs de resteerende 2310 f niet, toekoomende dijnsdach sulle men heere van hollant weer bij Een koomen men sou sien t daer voor te brenge en sien wat men dan kan krijge, ick sou wel naer den haech gaen maer kan seer qualijck van hier [ock ontsien ick]
Caspar Fagel (1634-88). Raadpensionaris van Holland sedert 1672, met op de achtergrond de vergaderzaal van de Staten van Holland op het Binnenhof te Den Haag, Johannes Vollevens (I) (kopie naar), 1672 – 1700. Collectie Rijksmuseum.
Dakpannen, turf en hooi
Ondertussen is Margaretha al aan het rekenen waar het geld aan besteed moet worden, het lijkt er veel op dat ze er slapeloze nachten van heeft. Godard Adriaan heeft voor zijn huishouden zeker 500 gulden in de maand nodig. Ze heeft zelf geld nodig voor het lood, de dakpannen en het werkvolk, en ze moet Krijn van Kampen nog betalen voor twee scheepsladingen turf voor de steenoven. Godard Adriaan moet het haar vooral niet kwalijk nemen dat ze haar zorgen zo openlijk uit! Er is hard gewerkt, er is ook gehooid, maar het gaat allemaal niet snel. Die mooie dubbele bogen boven de ramen van de stal en het koetshuis, het is prachtig, maar het kost veel tijd. Niettemin, er zijn er al acht gemaakt! Hopelijk kunnen ze maandag beginnen met het leggen van de balken. Er komen nog vier of misschien wel zes timmerlieden uit Amsterdam, ze hebben dan zeker twaalf zo niet zestien timmerlieden tegelijk aan het werk en o jee! Dat kost ook weer geld.
[honder gul,] ben nu seer bekomert waer ick niet alleen gelt sal haelle om weer voor uhEd onder teminck te legge maer ock om hier t loot de panne en voort het werck volck te be taelle ock moet krijn van kampe om noch twee samoreuse turf tot de steenoven wt moete, bidt niet qualijck te neeme ick dit so opentlijck schrijf, [wij hebbe deese weeck]
Margaretha heeft haar brief nog niet afgesloten of ze bedenkt dat er nog een nieuwtje is. De maarschalk van Abcoude is overleden. De heer van Zuilen, dat is dan Hendrik Jacob van Tuyll van Serooskerken, heeft het ambt verkregen voor zijn zoon. Reinoud Gerard van Tuyll van Serooskerken is op dat moment drie jaar oud. Kennelijk hoefde die maarschalk niet echt daadkrachtig op te treden. En o ja, niet te vergeten, nog kusjes van Godertge en zijn zusjes!
Mijn heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijff M Turnor de Maerschalck van Abkoude is overleeden de heer van suijlen heeft sijn amt voor sijn soon gekreege datter Een offen en deffensiefve aliansi tuschen Engelant en spange is gesloote sal uhEd hebbe verstaen godertge met al sijn susters kusse groote pappa ootmoedich de hande met preesentasi van haeren dienst
Portret van Godard Adriaan van Reede van Herreveld. Godfried Kneller, 1691. Collectie Kasteel Amerongen. Godertge op volwassen leeftijd.
Margaretha heeft de brief van 17 januari ontvangen. Ze gaat uitgebreid op Godard Adriaans brief in. Daarnaast is er nog nieuws over de herbouw van het huis en is er heibel in het dorp. En zijn de Fransen weer op oorlogspad?
Elk meent meester van het zijne te zijn
Waarschijnlijk is Godard Adriaan in de brief van 17 januari nogal uit z’n slof geschoten, want Margaretha voelt de behoefte zich te verontschuldigen. Het gaat om de rekening van het hardsteen uit Bremen: die is hoger uitgevallen dan verwacht.
Ameronge den 26/16 ijanwa 1680 Mijn heer en lieste hartge
uhEd aengenaeme vande 7/17 dees heb ick ontfange waer op tot Antwoort dient dat wel wenste de reeckenin vande hartsteen van breeme wt de 4000 f die wij van domburch1In de brief van 6 januari was hij renteheffer hebbe opgenoome had konne betaelt worde, maer die peninge hebbe nergens nae bereijckt de schulde die hij weegens onse timeraesge doen maels hadde, ock hadde wij doen die reecknin niet, noch wiste niet wat wij daer schuldich waeren, het doet mij leet dat de reecknine so hooch loope, [uhEd weet datter op mijn]
(Ondersteboven: ons godertge de heer sij gedanck weer wel doch siet noch als een doeij so bleeck en geswolle int aensicht2waarschijnlijk had hij de bof
Aritmetica, Jacques de Gheyn (I) (mogelijk), na 1565 – in of voor 1582. Collectie Rijksmuseum.
Goede huisvrouw
Godard Adriaan moet begrijpen dat Margaretha bij de herbouw van het huis steeds zijn akkoord heeft afgewacht, en nooit iets heeft laten uitvoeren zonder zijn expliciete toestemming. Juist daarom is zij terughoudend om werklieden aan het werk te zetten, want geld loskrijgen van schuldeisers blijkt buitengewoon moeilijk, het zijn echte woekeraars. Een alternatief om aan geld te komen is er op korte termijn niet. Misschien brengt het komende jaar verbetering — al meent elk meester van het zijne te zijn, en wil dus beschikken over wat hij denkt dat hem toebehoort.
[so hooch loope,] uhEd weet datter op mijn begeerte of sindelijckheijt indeese timeraes ge niet is gemaeckt al datter gedaen is, is op uhEd begeerte en ordere geschiet, ick heb van heetere weegens het gelt van blan sche niet Een woort geschreefve, sal mij dat uhEd Esprese last niet bemoeijen, ben ock seer beschroomt Eenich volck int werck te stele
sonde al voorens te weeten wat gelt daer toe is want is ongelooflijck hoe de mense die wij schuldich sijn moeijlijck valle om gelt, tis waer uhEd heeft groot gelijck domburch en diergelijcke sijn rechte woeckenaers maer wat soude wij gedaen hebbe moste gelt hebbe en kostent nergens krijgen, ick wenste so seer als Eimant dat wij dat kapitael koste af losse en ons pant weer in ons macht hebbe, maer sien daer geen raet toe voor dat het ijaer om is, vermaerte geloof ick dat t eijde sijn goet raeckt maer Elck meent meester vant sijn te sijn[, ick sal]
Twee radeloze mensen bij een woekeraar, Cornelis Huyberts, 1725. Collectie Rijksmuseum.
Water, zand, wind
In haar vorige brief schreef Margaretha al over het ongure weer. Het water dat eerst gestegen, toen gedaald, en toen weer gestegen was, is nu weer gedaald. De duivegaten staan wel nog onder water. Het zand kan ook nog steeds niet uitgereden worden. Zand voor de metselaars aan laten voeren is wel mogelijk, dus dat zal Margaretha zo snel mogelijk regelen. Dan kan er in ieder geval gewerkt worden. De molen is ook verhuurd, voor ƒ340 per jaar. De molenaar draagt dan wel de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de zeilen en touwen.
het water is weer aent valle doch valt seer slapges en sijn onse duijfve gaete noch onder water, het water is dit mael op wveel naer niet op sijn hoochste ge weest, dewijl men geen sant aerde kan rijde laet ick sant voor metselaers rijde
so datter niet versuijmt wort noch de paerde leech blijfve staen, ick heb ock onse moolle aende moolenaer van mouricks broer ver huert voor 34 340f int ijaer midts dat hij die van seijlle en touwe die bij naer weer moste vernieut worde moet onder houde[, men hoort hier]
De Franse ambassadeur Jean-Antoine de Mesmes, beter bekend als d’Avaux, stuurt voortdurend memories aan de Staten-Generaal. Wat er in de memories staat en wat d’Avaux er mee wil bereiken, wordt niet duidelijk uit de brief van Margaretha. Dreigt er weer een oorlog? Het lijkt er wel op, als we Margaretha’s brieven moeten geloven…
Intermezzo: wat er daadwerkelijk gebeurde
De 21e-eeuwers achter dit blog zijn bij Kerrewin van Blanken te rade gegaan, die de correspondentie van d’Avaux heeft bestudeerd. Kerrewin wist te vertellen dat d’Avaux in deze periode probeert de Republiek te bewegen tot een defensief verdrag met Frankrijk. Daarmee hoopt hij niet alleen de Franse positie te versterken, maar ook de spanningen tussen de Staten van Holland — vooral Amsterdam — en stadhouder Willem III te verdiepen. De Staten weigeren echter en beroepen zich op hun neutraliteit: zij zouden geen enkel bindend verdrag met een buitenlandse macht willen sluiten.
D’Avaux doorziet dit argument en noemt het misleidend. Nog maar twee jaar eerder hebben de Staten immers een verdrag met Engeland gesloten, naast vergelijkbare verdragen met de keizer en Spanje. Dat zij juist met Frankrijk geen verdrag willen aangaan, presenteren zij volgens d’Avaux onterecht als principiële neutraliteit. Tegelijk doen er geruchten de ronde dat de Franse koning de Republiek tot een alliantie zou willen dwingen.
Fragment van één van de Memoires van d’Avaux, 22 januari 1680. Via Google Books.
Om dit beeld te corrigeren, laat d’Avaux, zonder zichzelf als bron te tonen, het Engels-Nederlandse verdrag van maart 1678 drukken, voorzien van toelichtingen in het Vlaams. Hij verspreidt dit samen met eigen memoires en beschouwingen, die in Amsterdam worden vertaald en naar verschillende Hollandse steden gestuurd. Waarschijnlijk zijn dit de memoires waar Margaretha Turnor op doelt.
Terug naar Margaretha
Margaretha hoopt in ieder geval dat god almachtig alles ten beste wil schikken. En dat ze niet weer, zoals acht jaar geleden tijdens het Rampjaar, in afwezigheid van haar man have en goed moet achterlaten op de vlucht voor de vijand…
[moet onder houde,] men hoort hier godt beeter niet als van swaericheit veroor saeckt door de scherpe meemoorie die doorde franse Ambassadeur geduerich worde in gegeefven, het welcke bij veelle seer ge= Apreehendeert3Apprehendeeren: in beslag nemen wort en swaer hoofdich maeckt, godt almachtich wil alles ten beste schicken, ons voor weer in uhEd ap sensie te moete vluchte, bewaeren[, de heer]
Jean Antoine II de Mesmes, comte d’Avaux, Hyacinth Rigaud, 1702. Privécollectie, bron: wikimedia commons.
Eer en aanzien
Gelukkig is er ook goed nieuws, want Van Ginkel – en dat zal Godard Adriaan zonder twijfel ook al wel van zijn zoon zelf hebben vernomen – is door Willem III beloond met het gouverneurschap van Utrecht. Vroeger had Frederik van Nassau-Zuylestein de positie. Dat levert veel eer en aanzien op!
[sensie te moeten vluchte, bewaeren,] de heer van ginckel sal buijte twijfel uhEd hebbe geschreefve hoe dat sijn hoocheijt hem op Een seer oblijgante manier het goevernement van wttrecht in voechge het den heer van Suijlisteijn heeft gehadt, heeft gegeefven daer wel niet veel aen vast is maer is noch al Een Eer en aensien,
Dan volgt er een heel relaas van maar liefst twee kantjes over een kwestie tussen de predikant en ene Evert de Wael. Hier vind je alle brieffragmenten over dit schandaal, een korte versie is beschikbaar op Een huis vol verhalen.
Kort voor Kerstmis zou Evert de Wael, die dronken was, op het stadhuis hebben gezegd dat de predikant een leugenaar was, die leugens in het kerkenboek had geschreven.
hier is weer Een spul vande ander werck met de preedikant4Bernhard Keppel en Evert de wael, den laeste voor korsmis opt raethuijs neffens het ge= =recht sijnde daert gerecht Een maeltijt had en Evert dewael beschoncke of droncke was, soude door klaes van velpe seer aen gedronge sijn geweest om te segge waerom hij niemant wt de kercken raet tot schee pen wilde nomeneeren, sou Eijntlijck Evert de wael geseijt hebbe dat de preedikant Een leugenaer was die leugens int kerckenboe geschreefven hadt en Een man was die geen konschensie5Consciëntie: Geweten; Het besef, de kennis van goed en kwaad hadt, [waer op hem]
De volgende dag wordt Evert de Wael hieraan herinnerd, maar hij weet niet meer wat hij gezegd heeft. Wel heeft hij enorme spijt. Hij vraagt de secretaris te laten achterhalen wat hij gezegd heeft en hij vraagt hem excuses over te brengen. De secretaris gaat hier niet in mee. Van Velpen heeft het voorval aan de kerkenraad en de predikant gemeld en de kerkenraad neemt verdere stappen.
[geen konschensie hadt,] waer op hem dit sanderendaech indachtich gemaeckt sijn, hij bij de seeckreetariis6Godert van den Doorslagh quam hem ver socht bij velpe te gaen en te versoecke de wijlle hij niet wist wat geseijt had en dat hem sule leet was geseijt te hebbe, dat hijt aende preedikant of kerckenraet niet wil de segge of bekent maecken, het welcke de seeckreetaris seijt niet aengenoome te hebbe om te doen, en velpe geraporteert heeft donderdaechs daer aen inde kerckenraet of wel Eerst aende preedikant, waer op dit neffensgaende is gevolcht, [daer de preedikans]
Margaretha nuanceert de zaak: wat Evert de Wael dronken gezegd heeft, zeggen anderen nuchter en daar heeft de kerkenraad niets tegen gedaan. Volgens Margaretha wordt De Wael hier onrecht aangedaan, omdat men wist dat hij dronken was en hem nu beschuldigt van opzettelijk handelen. Sterker nog: de kerkenraad heeft gezegd dat ze Evert de Wael willen ruïneren. Margaretha verwoordt het als volgt: “Waar de tuin het laagst is, komt men het eerst”, ofwel de zwakkeren hebben het het zwaarst.
[doort dorp hebbe geloopen,] het geene deese man bij den dronck heeft geseijt seggender wel meer nuchtere en daer doet niet teegens maer daer den tuijnt laechst is wil men t Eerst over sij hebbe volmondich geseijt dat se Evert dewael wille ruijneere, de seeckreetaris heeft mij sels geseijt dat Evert de wael droncke opt raethuijs was doen hij dit seijde dat hij daerom geen attestaesie dien avont wilde schrijfve om datse meest al droncke waeren, en nu seggense in dit neefvensgaende dat hijt met voorbedachten raet heeft geseijt, hoe ackordeert dit,
De goddeloze kerkenraad
De dominee en de kerkenraad doen alsof het een algemene regel is: alle lidmaten moeten nou eenmaal in de kerk komen en anders zijn ze verantwoording verschuldigd aan de kerkenraad. Margaretha stuurt de beschuldiging van de kerkenraad mee als bijlage. Ze is het duidelijk niet eens met de dominee en de kerkenraad.
nu wort ock geseijt dat den preedikant met sijn kerckenraet voorneemens sijn vande stoel af te leesen dat alle litmaeten sulle gehoude sijn in sijn kerck te koomen of voor sijn kerckenraet te kompareere7Compareren: verschijnen om reedene te geegeren8verschrijving? waerom sij daer wt blijfven, ick had liefver wie weet wat te doen als bij sulcken godloosen kerckenraet te kompareeren die haer niet ontsien de armemensche met sulcke valsheede als in dit neefensgaende staet te beschuldigen, [dat ick so wel bij de gelde was als niet ben sou naer den haech]
Het interieur van de Nieuwe Kerk, Amsterdam, waar een dienst bezig is, Emanuel de Witte, 1665. Collectie Harvard Museums.
Een beetje dom
Evert de Wael wil tegen het bijgesloten stuk in beroep gaan bij de classis. Zo’n beroep kost tijd, is niet makkelijk en… kost geld. Margaretha vindt het duidelijk niet eerlijk. Margaretha heeft het Evert zelf ook gezegd: hij had dit niet moeten zeggen. Kortom, hij was een beetje dom. Margaretha hoopt dat Godard Adriaan het haar niet kwalijk neemt dat ze zo lang over deze zaak door blijft gaan, maar ze vindt dat hij moet weten wat er hier in het dorp speelt…
[ick paeseijnsie hebbe,] dit neefvensgaende hebbe sij Evert dewael thuijs gesonde die daer van aent klasses wil Apelleere , sij doen dien man groote koste en moeijt aen, tis waer ick hebt hem ock geseijt hij had wel mooge swijge ent niet behoore so te spreecke, dan de man is ock so getreen dat wt de overvloet vant hart de mont droncke sijnde dickmael spreeck hoewel de waerheijt niet altijt geseijt wil sijn, ick heb goet gedocht hoewel weete het uhEd niet als faesgerije die hij niet keeren kan sal geefve, te schrijfve op dat hij mochte weeten wat hier om gaet hoope deselfve niet qualijck sal neeme ick hem hiermeede so lange op houde,
De brief die Margaretha Turnor op 3 januari 1661 schrijft, is haar vroegst bekende brief. Ze schrijft hem niet aan haar man, maar aan Constantijn Huygens, heer van Zuilichem.
De Spaanse missie
Waarom schrijft Margaretha aan Constantijn Huygens? Daarvoor moeten we terug naar oktober 1660. Op dat moment vertrok namelijk de eerste officiële Staatse missie sinds de Vrede van Münster in 1648 naar Spanje. Het doel van de missie is om koning Filips IV geluk te wensen met het huwelijk van zijn dochter Maria Theresia met de Franse koning Lodewijk XIV. Het huwelijk is een bezegeling van de in 1659 tussen Spanje en Frankrijk gesloten Vrede van de Pyreneeën. Met het overbrengen van die gelukswensen wil de Republiek uiteraard een hoger doel bereiken, namelijk het hernieuwen van een aantal eerder gemaakte afspraken op het gebied van staatszaken.
Eén van de drie ambassadeurs die op 3 december 1660 in Madrid gearriveerd is, is Godard Adriaan van Reede. Hij wordt niet alleen vergezeld door zijn 16-jarige zoon, Godard van Ginkel, maar ook door Lodewijk Huygens, de zoon van Constantijn. Voor beide zonen geldt de missie als onderdeel van hun opvoeding. De inmiddels 29-jarige Lodewijk spreekt Spaans en kan dus af en toe optreden als vertaler, maar heeft verder geen officiële taak en wordt ook niet betaald. Maar ach, vader Huygens was allang blij dat zijn derde zoon mee kon op deze gezantschapsreis. Misschien hoefde hij dan niet langer in de schaduwen van zijn succesvolle oudere broers, Constantijn jr. en Christiaan, te staan.
Godard van Reede van Ginkel (1644-1703), Jurriaen Ovens, 1661. Collectie: Kasteel Amerongen. Foto: Peter Cox.
Afscheid nemen bestaat niet
Lodewijk Huygens had veel vrije tijd en hield al sinds het begin van de reis een dagboek bij. Het dagboek is bewaard gebleven. Daardoor weten we onder meer dat Margaretha haar gezin in oktober 1660 tot aan het vertrek van het gezantschap vanuit Hellevloetsluis heeft vergezeld. Onderweg van Den Haag naar Hellevoetsluis speelde het gezelschap, onder wie Lodewijk, een kaartspelletje. Het afscheid viel zowel de vertrekkenden als de achterblijvers zwaar, aldus Lodewijk: er vloeiden veel tranen. Maar Lodewijk beschrijft een saillant detail. Probeerde Godard van Ginkel zich groot te houden tegenover zijn reisgenoten? Volgens Lodewijk huilde Godard namelijk tranen met tuiten wanneer hij in de richting van zijn moeder keek, maar lachte hij smalijk wanneer hij zich omdraaide naar zijn reisgezelschap.
Alvorens verder te gaan kan ik me niet bedwingen om hier hier nog een nogal zeldzaam en vermakelijk voorval in herinnering te brengen dat plaatsvond bij het vertrek van mevrouw Van Amerongen. Het was namelijk zodat als mijnheer Van Ginckel haar zoon, een edelman met een nogal vrolijk karakter, naar de ene kant keek om afscheid van zijn moeder te nemen, dan zag hij haar samen met haar nichtje staan huilen. Ik had zo even al verteld dat ze dat deden Keek hij naar de andere kant, dan zag hij zijn metgezellen van wie dat soort afscheid misschien niet zo hoefde. Op hetzelfde moment dat hij van de ene naar de ander kant keek, deed hij dan hen en dan ons na. Draaide hij zich nar de zijde van zijn moeder, dan huilde hij namelijk tranen met tuiten en op hetzelfde ogenblik dat hij zich naar ons keerde, begon hij minstens zo smakelijk lachen. Hij deed dat iedere keer als hij zich van de een naar de ander wendde zonder dat hij zichzelf daarbij in de hand had.
Maurits Ebben (red.), Lodewijk Huygens’ Spaans journaal. Reis naar het hof van de koning van Spanje, 1660-1661 (Zutphen, 2005).
Margaretha Turnor en Constantijn Huygens delen hetzelfde lot: ze zijn thuisblijvers en moeten hun zonen missen. Uit haar brief van 3 januari 1661 blijkt dat Margaretha reageert op een eerdere brief van Huygens. Blijkbaar heeft de heer van Zuilichem haar al eerder een brief geschreven, misschien onderhielden ze al langer een briefwisseling en is alleen deze brief bewaard gebleven. Hoe het ook zij, de thuisblijvers hebben elkaar opgezocht en vertrouwen hun zorgen aan het papier en aan elkaar toe.
Omdat Margaretha herhaalt wat ze in een ontvangen brief van Constantijn gelezen heeft, weten we ongeveer wat er in die brief gestaan moet hebben. Er stond waarschijnlijk iets in over het verloop van de reis, want Margaretha is er zeer content mee te horen dat de reis niet over ‘de bergen en kwade wegen’ was gegaan. Constantijn had zijn lotgenoot met zijn woorden gerustgesteld.
uEd schrijfvens is mij seer wel behandich waer voor uEd hoochlijck bedancke te meer doordien die mij heel wel te pas quam, als de kontreije in spange diede heere Ambassadeurs moeste passeere niet kenende was ick seer bekomert en aprehendeerde de reijs overde berge en quade weege van die seer, waer van uEd mij het kontrarije door deselfs schrijfve beliefde te segge, heeft mij een =nige gerustheijt gegeefve, [sedert heb]
Bekwaam en modest
Margaretha deelt ook een aantal complimenten uit. Ze schrijft haar lotgenoot dat Godard Adriaan in een brief heeft laten weten ‘zeer gelukkig’ te zijn met het gezelschap van Lodewijk Huygens; de zoon van Constantijn is zeer ‘bekwaam en modest’.
Zou Margaretha hopen dat haar lotgenoot in een volgende brief complimenten aan Godard Adriaan uitdeelt? We zullen het helaas misschien wel nooit weten, want er zijn – zover bekend – geen andere brieven van Margaretha aan Constantijn Huygens bewaard gebleven.
[schrijfve heeft besocht,] vint sich doort geselschap van men heer uEd soon geluckich want kan mij niet genoech scrhrijfve van sijn Ed bequ =aem en modest leefven[, seijt ock]
Portret van Constantijn Huygens (1596-1687) en zijn vijf kinderen, 1640, Adriaen Hanneman. Collectie Mauritshuis.
In juli komt Godard Adriaan thuis. Nou ja, thuis. Hij komt bij zijn vrouw, in Amsterdam en Den Haag. Uiteraard is hij hier voor werk, maar omdat ze elkaar zien zijn er geen brieven. Jammer voor ons, want Margaretha liep tegen nogal wat dilemma’s op in haar laatste brieven. We zullen deze stille maand gebruiken voor een aantal blogjes met wat achtergrond bij de brieven. Vandaag kijken we wat de stand van zaken is in de Republiek als Godard Adriaan terug komt en wat gebeurt er als hij hier is.
De Oorlog
In de eerste helft van 1672 is de Republiek aangevallen door de Engelsen op zee en op land door de Franse koning Lodewijk XIV en de Duitse bisschop van Münstersamen met de bisschop van Keulen, maar die speelt een minder belangrijke rol. Margaretha zag het aan het eind van haar laatste brief goed: voor de zomer hadden de aanvallers een verdeling gemaakt. Niet helemaal zoals Margaretha schreef, maar Engeland zou Zeeland krijgen, Overijssel en het Noorden en Frankrijk ook de rest. Dus Holland zou voor Frankrijk zijn, want Lodewijks was die hele oorlog begonnen om de Republiek een lesje te leren.
Begin juli zitten de Engelsen nog niet in Zeeland, de bisschop heeft Overijssel en Drenthe, maar stuit in het Noorden op flinke tegenstand. Lodewijk ligt achter de waterlinie, in Utrecht. In de brieven was al duidelijk dat men aan de andere kant van het water zeer benauwd was voor de Franse troepen. Toch gebeurt er niets…
Kaart van de Nederlanden met de oorlogssituatie van 1672-73, anonymous, 1690 – 1700, Collectie Rijksmuseum
Diplomatie
Lodewijk denkt dat hij al gewonnen heeft. De Hollanders kunnen geen kant op. Ze hebben weliswaar de waterlinie, maar Lodewijk heeft steun van de Engelsen. Samen kunnen ze de Republiek van de rest van de wereld afsnijden en dan moeten ze zich wel overgeven. Hij stelt zich kennelijk een soort gigantische belegering van Holland en Zeeland tegelijkertijd voor.
Met dit idee begint hij in de zomer te onderhandelen. Onderhandelen is misschien te vriendelijk verwoord: hij legt zijn eisen voor Hollandse overgave op tafel. De Republiek gaat hiermee niet akkoord. Ondertussen zoekt ook Karel II toenadering tot de Republiek. Zijn neef Willem III wordt op 4 juli 1672 Kapitein-Generaal en Stadhouder van Holland en Zeeland. Karel denkt dat hij hem kan helpen om zijn positie te verstevigen, Stadhouder Willem III hapt echter niet toe. Hierop sluit Karel een nieuw verbond met Lodewijk. Ondertussen begint Bommen Berend, de bisschop van Münster, met zijn aanval op Groningen.
Staatsen en orangisten
Margaretha schreef al over de onrust in de steden en de spanningen, in de zomer nemen de spanningen tussen Staatsen en orangisten alleen maar toe. Daar zal een volgend berichtje in deze briefloze maand over gaan. Hebt een vraag of wilt u ergens achtergrondinformatie over? Laat een reactie achter en dan kijken wij wat we kunnen doen.
Het leven van een diplomatenvrouw is niet altijd makkelijk. Margaretha heeft het er moeilijk mee dat haar man altijd weg is. Aan de andere kant lijkt ze ook wel te genieten van de ruimte die ze heeft om het landgoed te beheren en zich met de politiek te bemoeien. In de brief van vandaag is ze enigszins teleurgesteld dat haar man weer een andere missie aangenomen heeft.
tis mij seer lief wt uhEd schrijfvens vanden 13 deeser en wt de voorgaende te sien de kon =tiniwaesie1continuatie: voortduring (hardop uitspreken!) van uhEd gesontheijt, maer ben van harte bedroeft te sien uhEd de komissie weer naer saxse heeft aengenoome hoewel men seijt het maer voor Een korten tij sal sijn, daer kan ick mij niet meer mee laete abuseere2abuseren: misleiden want dat heeft men vant begin van deese komisie geduerich aengeseijt3aanzeggen: bekend maken, ent heeft nu overt ijaer geduert, wie weet waneer het noch Endicht se moogen uhEd vandaer voort naer weenen bij de keijser versoecke te gaen ick maeck nu geen staet uhEd van alde soomer weer thuijs te sien dat al vrij verdrietich sal vallen, [wt mijne laeste]
Ze gelooft de belofte dat hij snel thuis zal komen ook niet meer, dat hebben ze al zo vaak gezegd. Bovendien kan het maar zo zijn dat ze hem hierna naar Wenen sturen, naar de keizer. Ze gaat er maar vanuit dat hij met de zomer niet thuis zal zijn en dat “valt haar verdrietig”.
Twee koetsen met ieder zes paarden komen aan bij Huis ter Nieuwburg in Rijswijk. Fragment uit: Gezicht op de zijkant en de voorkant van Huis ter Nieuburch te Rijswijk vanuit het westen, Pieter Schenk (I), 1697. Collectie Rijksmuseum
Na de reguliere zakelijke mededelingen gaat het over een andere diplomaat, die zijn missies op een heel andere manier regelt dan Godard Adriaan. Daniël Oem van Wijngaarden, heer van Werkendam wordt naar Denemarken gestuurd. Ze heeft al een paar keer over hem geschreven, maar dan vooral over het feit dat hij als ambassadeur extraordinair naar Denemarken gaat. Die titel had Johan de Witt eigenlijk ook aan Godard Adriaan beloofd, maar hij is nog steeds ambassadeur ordinaris. In deze brief stookt ze het vuur verder op. Werkendam neemt niet alleen zijn vrouw mee, maar een complete hofhouding! Twee koetsen, elk met zes paarden! En dan ook nog pages en lakeien! Het is waarschijnlijk niet (alleen) jaloezie, maar ook haar calvinistische inborst die maakt dat ze moeite heeft met zo veel luxe.
[pareeren,] den heer van werckendam vertreckt deese weeck noch so men seijt met sijn vrou die hij meede neemt, met twee koetse ijder met ses paerde, drije paes – =ges en neegen lackeijen, dat is schoon voor madame, hij heeft tot sijn Equipaesge en verdere te doene koste bij provijsie 18000f vant lant ontfange, ick hoop uhEd deese noch te berlijn sal behan =dicht worde, ick weet niet of met de naeste post sal schrijfve wt vreese of uhEd voort aenkoome van die mocht vertrocken sijn, sal nu hiermeede blijfve Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
de vrou van ginckel en haer kindere sijn de heere sij gedanckt heel wel
Het is ook een nadeel als je man van post wisselt, dat je niet precies weet wanneer je man waar zal zijn. Een brief schrijven heeft dan dus niet veel zin. Gelukkig gaat het goed met haar vers bevallen schoondochter en de kinderen.
Pop, voorstellende de kraamvrouw, anoniem, ca. 1676, onderdeel van het poppenhuis van Petronella Dunois. Collectie Rijksmuseum.
Een week geleden kon Margaretha eindelijk goed nieuws doorgeven aan Godard Adriaan. Gelukkig voor haar kan dat deze week ook weer. De Republiek heeft er namelijk een bondgenoot bij in de strijd tegen Frankrijk! De vroegere aartsvijand Spanje maakt zich zorgen dat Frankrijk door de Spaanse Nederlanden wil trekken en sluit zich daarom aan bij de Republiek. Dat geeft Margaretha weer hoop!
nu de raetifikasie1ratificatie wt spange2Spanje is gekoome en men voor seecker hout dat den keijser3Keizer Leopold I van het Heilige Roomse Rijk met ons is, schept men hier weer wat moet Evenwel seijt me datter booven de werfvine daerse de offisiers van hebbe gemaeckt noch twintich duijsent man sulle werfen dat sal Een machtich leeger maecken, ent lant veel koste daer sulle weer nieuw schattine moeten sijn, doch tis beeter te geefve als vande vijanden verijaecht4verjaagd te worde daer de heer ons voor wil behoede
Naast het verbond met Spanje schrijft Margaretha ook weer over de troepenwerving. Op 15 februari schrijft ze nog dat er nog dertigduizend troepen geworven moeten worden maar nu, slechts drie dagen later, zijn het er ineens tienduizend minder. Of Margaretha hier een foutje maakt in de aantallen of dat er echt in drie dagen tienduizend mannen in het leger zijn bijgekomen is een raadsel. Ongeacht de precieze hoeveelheden wordt het wel een “machtich leeger.” Margaretha is nu een stuk positiever dan eerder. Een nadeel hiervan is wel dat de enorme kosten die hiermee gepaard gaan doorwerken op de inwoners. Beter om iets meer te betalen aan de staat dan om veroverd te worden, aldus de pragmatische Margaretha. Margaretha houdt Godard Adriaan ook op de hoogte van de dagelijkse zaken: zo is ze begonnen met het verkopen van hun vee.
Werven van troepen voor Ferdinando I de’ Medici, Jacques Callot, naar Matteo Rosselli, 1614 – 1620. Collectie Rijksmuseum.