Margaretha heeft Godard Adriaans brief van de 15e mei al beantwoord. Bij die brief zat ook de brief van secretaris Van den Doorslag. In Amerongen is weinig gebeurd.
[rec 27 dito] Ameronge den 22 meij 1677
Mijn heer en lieste hartge vhoochEd aengenaeme vande 15 deeser heb ick met de laeste post beantwoort, daer bij Een vande seekreetaris is gegaen die wt de mont van schut en rietvelt heeft geschreefve alles wat noodich was, see dert is hier weijnich of geen verandering voor gevalle, [als dat het laest afgesondene]
Glas
De werkbazen waarschuwen wel dat het tijd wordt om glas te gaan regelen voor de ramen. Voor je het weet is het winter en dan moet het er wel inzitten! Je wilt toch niet dat sneeuw, regen en wind zomaar ongevraagd over de vloer komen, dus Margaretha wil graag weten wat Godard Adriaan wil.
[koomen,] ock segge de werck baesen dat men in tijts sal moete dencke op glas, dat de glaese voorde winter int huijs diende te sijn omt in slaen van sneuwe en reegene door de winde, te belette waer op uhEd beliefve sal verwachte, [ock wenste]
Glazenmaker, fragment uit: Vijf beroepen, anoniem, naar Jan Luyken, naar Caspar Luyken, ca. 1700 – ca. 1790. Collectie Rijksmuseum.
Hout
De werkbazen willen ook graag weten hoe lang en breed de stallen en het kasteleinshuis moeten worden. Dan kunnen ze uitrekenen hoeveel hout er nodig is. In Amsterdam liggen nog honderd stuks, maar van erg slechte kwaliteit, vol met noesten. Hij stelt voor om het te verkopen en voor het geld ander hout te kopen dat geschikter is. Ook het laatste hout uit Hamburg is slecht. Schut vindt het niet eens geschikt om voor het huis te gebruiken. Dus waarschijnlijk zullen ze hout tekort komen.
[waer op uhEd beliefve sal verwachte,] ock wenste schut wel te weeten hoe lanckt en wijt de selfve de stalle ent kasteleijns huijs sal beliefve te hebbe om sijn mesuerees vant hout daer naer te neemen, want seijt dat het hout dat noch tot Amsterdam tot over 100 stucks int getal leijt seer slecht en vol quaste valt en sijns oordeels niet ongeraede vont hetselfve te verkoope, en voort gelt dat daer van komt weer ande
dat dienstiger is te ock, ock sijn de deellen die laest van hamburch sijn gekoome so slecht dat so schut seijt daer weijnich bij sijn die bequaem sijn om opt huijs te gebruijcken oversulcks wij der noch Een goede partij te kort sulle koomen, [wij hebe]
Dorpsgezicht met houtopslag aan een rivier, Matthäus Merian, 1621. Collectie Rijksmuseum.
Ossen
De ossen die Godard Adriaan gezonden heeft doen het als een tierelier. Ze zijn al moddervet en dat geldt ook voor de ossen uit Amsterdam. Maar ze staan ook in een verschrikkelijk mooie wei. Iedereen denkt dat zelfs als de ossen zich ongans vreten, ze er nog wel 10 tot 12 wagenladingen hooi van zullen kunnen maaien.
de osse die uhEd heeft beliefve te sende groeij ongemeen wel aen, men gelooft die modder vet sulle worden so doens ock die ick van Amsterdam heb gekreechge, sij hebbe ock ongemeene schoone weij, daer wij so ijder meent bovent geene de ossen daer wt Eeten noch wel 10 a 12 voer hoeij wt gemaeijt sal konne worden, hiermeede blijfve Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
Het losse briefje met de ps is tussendoor gescand. Volgorde is: 125, 129, 130 links, 127 en 128.
Margaretha heeft de brieven van Godard Adriaan van 12 en 15 mei ontvangen. Wat een aangename berichten! Prins Willem III heeft Godard Adriaan gecomplimenteerd met het mannelijke gedrag van diens zoon tijdens het laatste gevecht. Wat een eer! Toch blijft Godard Adriaan zelf bescheiden; het lag niet aan het gedrag van Van Ginkel, maar aan ‘den grooten godt die met hem gevochten heeft’. Helaas heeft Margaretha zelf weinig positiefs te melden.
Ameronge den 19/9 meij 1677 [rec.: 29 dito]
Mijn heer en lieste hartge
uhEd aengenoeme vande 12 en 15 deeser heb ick ontfa en kan met waerheijt segge in lange geen aengenaemer tijdine gehoort te hebbe als dat sijn hoocheijt uhEd deer heeft gedaen van te schrijfve so wel vande kontwijteConduite: gedrag vande heer van ginckel voldaen te sijn en dat hij hem in de laeste bataelyje so manlijck heeft gequeeten uhEd seijt wel tis niet hij heer van ginckel diet ge daen heeft maer den grooten godt die met hem gevochten heeft, die wij alleen ten hoochste hebbe te dancken ende Eere te geefve[, den heer Schaep]
Die arme majoor Schaap. Margaretha heeft al eerder over zijn sneuvelen geschreven. Herman Schaap, majoor van het regiment van Van Ginkel, is nadat zijn arm was afgezet en hij gevangen was genomen door de vijand, aan zijn verwondingen overleden. Van Ginkel zal er wel verdrietig om zijn; Schaap was tenslotte een goed officier.
[dancken ende Eere te geefve,] den heer SchaepHerman Schaap Maijoor vande heer van ginckels reesgement naer dat sijn Arm is afgeset en hij bij de vijant was ge =vangen is noch Eijdelijck aende quetsuer gestorfven daer de heer van ginckel droefvich om sal sijn want hij was Een goet offisier en wort van Een ijder be =klaecht [nu spreeckt men weer van een beleegerin]
Twee naakte gevangenen en oorlogstrofeeën, anoniem, kopie naar Peter Paul Rubens, naar Francesco de Rossi, gen. Salviati. Collectie Albertina Wenen.
Een belegering?
Het schijnt dat er weer een belegering op handen is, en dat Maastricht het weer zal moeten ontgelden. De kranten reppen al tijden over een mogelijk beleg van Maastricht. Margaretha gelooft er niet in. Althans… Er schijnen wel allemaal troepen richting Roermond te trekken, terwijl er enorme kanonnen richting Den Bosch worden vervoerd! Margaretha moet er niet aan denken, weer een belegering… Er zijn dit jaar al zoveel mensen gesneuveld! Hopelijk wil de Heer Almachtig Van Ginkel en alle andere eerlijke lieden bewaren.
[=klaecht] nu spreeckt men weer van Een beleegerin te doen datsomen seijt Maestricht wel weer mocht gelden, de beginselen sijn in mijn opijnie niet goet dewijlle men dat so lange te voorn so publijck door de korantees als ande seijt, daerom niet kan geloof =ven het daer op gemunt is, hoewel men seijt tot reurmunde veel volckeren van alle kante haer ver saemelen, en dat mij wt den haech geschreefve wort
datter veel swaer en groufe kanon naer den bos ge voert wort, ick schrick te dencken aen weer Een beleegerin so veel Eerlijcke liede sijnder het voorleedene ijaer gebleefve vreese het niet beeter sal gaen, want wij hebbe so dickmael preufve gehad wat staet wij op onse gealieerde he troepees of volckeren hebbe te maecken, de heer almachtich wil sijn hoocheijt en den heere van ginckel met alle Eerlijcke lieden be= =waeren[, voorleedene saterdach is sijn hoocheijt te]
Exercities met een kanon: afvuren van een kanon, Jacques Callot, 1635 Collectie Rijksmuseum.
Vomeren
Er is meer nieuws over de koorts van Van Ginkel. Gelukkig is Ursula Philippota bij hem. De doktoren hebben hem laten ‘vomeren’, ofwel doen overgeven. Godzijdank heeft dat hem goed gedaan en gaat het nu weer beter.
[soesdijck geweest en is nu al weer int leeger,] de vrou van ginckel is int leeger haer man heeft 2a3 Exsesen van Een koorts gehadt, heeft met goet vinde vande docktoore gevoomeert dat hem so van heeteren schrijft weer teenemael harstelt heeft so dat hij nu weer wel is daer de heere voor gedanckt moet sijn[, de prockereur generael weesel is vandaech]
Er is nog zeer weinig bekend over de thuiskomst van Godard Adriaan. Wat duurt deze commissie toch lang! Ze heeft Godard Adriaan ook gewoon nodig om bepaalde beslissingen te kunnen nemen, zoals ze al eerder schreef. Al was het maar voor een korte periode…
het doet mij leet wt uhEd schrijfve te sien datter noch so weijnich staet is te maecken of uhEd t huijs koomen, deese komissie duert seer lange, ick ben uhEd wel veroblijgeertVerobligeren: in een verhouding brengen waarin men tot dankbaarheid of wederdienst gehouden is, Margaretha gebruikt het vaak algemeen voor dankbaar zijn voor sijn oblijsgantObligaat: verplicht. Maakt Margaretha hier een woordgrapje? Of een combinatie van grapjes Obligeren/obligaat, of dat GA’s complimenten obligaat zijn of misschien dat het een obligate brief is? schrijfve en dat deselfve in mijn doen vergenoecht is, ick doen wel mijn best maer vrees al, alst uhEd sal
sien datter noch al wat sal sijn dat r niet is soot uhE gaern had daer om ick wel wenste deselfs pre =sensie hier bijt werck Eens te sijn alwaert maer voor Een kortentijt, [meester henderick schut is]
Het werk aan het huis gaat namelijk gewoon door, en Margaretha wil graag dat alles naar wens is. Met Schut en Rietvelt heeft ze van alles afgesproken: over de dakvensters, het leggen van de stenen op de brug en van de vloeren onder de trap. Alles naar wens van manlief. Het zou wel fijn zijn als Godard Adriaan aan zou willen geven wat hij nu eigenlijk precies met hardsteen bedekt wil hebben. Wil hij dat de muren met hardsteen bedekt worden, net als op Kasteel Twickel?
[voor Een kortentijt,] meester henderick schut is gistere hier gekoome met den selfve en met riet= velt heb ock van alles so vande dackvensters als t legge vande roode breemense vloersteene opde op de bruch ende ent legge vande vloere inde gaete onder de trap het welcke van mij als ock vande voornoemde werck baese teene mael ged volgens uhEd voor slagen en schrijfve geaproobeertApproberen: Als overheid, gezagdrager of hoogere instantie goedkeuren wort, bij mijne voorga heeft de s sekreetaris so hij meent pertinent geschreefve hoe hier met het werck alles staet en wat hartsteene hier sijn waer wt uhEd sal konne sien watter noch van noode soude sijn het welcke aen sijn beliefve staet te weeten wat uhEd noch met hartsteen wil bedeckt hebbe t sij alde muere omt huijs ge =lijckt opt huijs te twickel is of niet[, de]
Gezicht op Kasteel Twickel bij Delden, anoniem, in of na 1908. Collectie Rijksmuseum.
Meneer van (den) Doorslag wacht op antwoord
Margaretha sluit een brief van secretaris Van den Doorslag bij, hij heeft genoteerd wat Schut en Rietveld allemaal nog nodig hebben. Bovendien moeten er beslissingen genomen worden over de dak vensters. Het voorstel is om ze op het oosten, aan de voorgevel, te zetten en op het zuiden. Daar gaat de leidekker nu als eerste aan de slag.
Overigens is de laatste lading hout uit Hamburg zo slecht, dat het niet eens de moeite waard is ze te schaven. Daardoor ontstaat er wel een tekort aan hout…
[=lijckt opt huijs te twickel is of niet,] de sekreetaris schrijft nu weer hier beneffens wt de mont van schut en rietvelt altgeen noodich is, versoecke hier met den Eerste ant =woort op te hebbe voor al of uhEd gevallich is datse dackvensters int ooste vant dack sette dat recht opt voorburch sou koomen, en int suijden, daer de leijdecker nu Eerst aent decke weer sou gaen so haest die schoorsteen gedaen is daerse
nu aen wercke en inde toekoomende weeck klaer sal weesen, l de leste deelle die van hamburch gekoome sijn seijt schut dat so slecht sijn dat sij het schaefve naulijcks waert sijn, over sulxs sulle wij veel deellen te kort koomen,
Margaretha sluit haar brief af met de opmerkingen dat er weer gedeputeerden te velde uitgezonden worden en dat Godard Adriaan eigenlijk voor zo’n positie aan de beurt zou zijn. Kennelijk herinnert die opmerking haar aan andere politieke verwikkelingen, dus ze voegt een extra papiertje in voor een ps over de ongelooflijke staat van de Utrechtse politiek.
Tijdens het schrijven komt luitenant Kemp die bij de Slag bij Kassel aanwezig was. Toen hij uit het leger vertrok was Van Ginkel nog gezond. Kemp geeft nog een ooggetuigenverslag over de heldendaden van Margaretha’s zoon. En, minstens zo belangrijk, geeft een overzicht wie er overleden zijn. Van Ginkels kamerling Roelof Verweij is toch overleden…
ps so komt de luijtenant kemp wt het leeger seijt de heer van ginckel voorleede dijnsdach noch gesont was, en weet niet genoech te seggge in wat perijckel hij geweest is, en dat niet Een van al de generaels Persoone int ge= vecht, is geweest den graef van nassouWalraven van Nassau Usingen en webbenomJohan Thibault Webbenom stonden van verren en saechgent aen, den heer van ginckel so ijder en ock kemp seijt heeft ongemeene dinge gedaen ende vijant voor en achter hechge en ingebroocke lant vervolcht ent hooft geboode, god heeft hem wel op Een wonderbaerlijcke manier be= waert daer wij hem niet genoech voor konne dancken, roellof sijn kamerlin is doot binne ijperen gestorfven, tis met geen monde wt te spreecke hoe alle menchschen door gans hollan van veelle spreecken, de heere wil ons voort bewaere , kemp is hier gesonde om paerde voorde heer van ginkels reesgement te koopen, schaep de luijte =nant vande heer van ginckel is ock gebleeve
Slag bij Kassel, 11 april 1677, Adam-Frans van der Meulen, na 1677. Collectie Kasteel van Versailles. De Franse ‘generaalspersonen’ (op de voorgrond) staan net als die van de Republiek op een afstandje toe te kijken.
Godard Adriaans brief van de achtste is binnen en Margaretha is blij te lezen dat het zesde schip met stenen onderweg is. Waar ze minder blij mee is, is dat dit nog niet het einde is. Ze hoopt maar dat in het volgende schip écht de laatste dingen geladen worden, want de kosten voor transport lopen de spuigaten uit. Het zijn niet alleen de schepen over zee en door de binnenwateren die betaald moeten worden, alles moet ook nog met een wagen naar het kasteel.
[rec 17. dito] Ameronge den 12 meij 1677
Mijn heer en lieste hartge uhEd aengenaeme vande 8 deeser heb ick heeden tot wttrecht sijnde ontfange, dat het seste schip met hart en vloersteene op wech is, is mijn lief had gehoopt dat het leste sou geweest sijn maer sien datter noch Een staet te volgen hoope dat daer alle het resteerende in sal konne gelade worde, want de scheeps en wage vrachte loopen seer hooch, [uhEd schrijft of me]
Landschap met wagen voortgetrokken door paarden, Wenclaus Hollar, 1625-1677. Collectie Rijksmuseum.
Werklieden
Was ze de werklieden in de winter na een hele zomer en herfst echt helemaal zat, nu lijkt het aan het begin van het seizoen al mis te zijn. Godard Adriaan heeft kennelijk voorgesteld dat Margaretha met de steenhouwer Jan Prang overlegt of het voorbereiden van de dekstenen ook in Bremen kan. Jan Prang vindt het oké, maar vooral Margaretha is van het idee gecharmeerd. Het werk sukkelt maar door. Iedereen wacht op de steenhouwers en wat doet Jan Prang? Hij laat zijn knecht gewoon naar Amsterdam gaan om zijn broer uit te zwaaien die naar de Oost vaart. Ze hebben de steenhouwers toch niet uit Bremen gehaald om hier een beetje de toerist uit te hangen?
metselaer en leijdecker wachte naer de steenhouders en niet teegenstaende dat heeft ijan prang Een van sijn knechts in mijn apsensie naer Amsterdam laete gaen om sijn broer die naer oostindie vaert wtgeleij te doen, daer ick seer moei =lijck om ben tis niet anders dan of wijse van breeme hebbe laeten hier koome om haer
plaijsiers te gaen neemen, ick moet niet Een dach van hier of viendt het Een oft ander t ondeuch wort het so moe dat ickt niet seggen kan, [ick]
Het IJ voor Amsterdam, van de Mosselsteiger gezien, Ludolf Bakhuysen, 1673. Collectie Rijksmuseum.
Bruiloftsgasten
Margaretha is met Frits en Anna naar de bruiloft van de zoon van Van Beusinchem geweest. Margaretha heeft zelf nog met Luchtenburg, secretaris van de Staten van Utrecht, gesproken. Er wordt wel vergaderd, maar zonder Godard Adriaan wordt niets besloten. Ook op het feest wordt Godard Adriaan gemist, er wordt meer malen een toast op hem uitgebracht. De bruiloft gaat vanavond door, maar zonder Margaretha en de kleinkinderen, die nodig weer naar Amerongen moesten.
[wort het so moe dat ickt niet seggen kan,] ick ben deesen avont weer hier gekoomen wt het midde vande bruijloft, bender gistere den dach datse troude geweest, daer den heere beuse= =kom sijn vrou seer mee in haer schick waer =ren en niet wiste watse ons doen soude, frits heeft uhEd meet en Antge sijnder ock geweest ontfinge seer veel vrienschap, [den]
[te hooren,] den heere beusekom heeft Een heelle statelijcke bruijloft met sijn soon ge geefve en alles heel wel gemaeckt, uhE wiert daer seer gewenst en heeft men sijn gesontheijt daer verscheijde mael gedroncke , van avont i sijnder weer al de bruijlofs gaste behalfve ick met de mijne, die hier noodiger was, [de vrou van ginckel]
Schoondochter Ursula Philippota is naar het leger, waar Van Ginkel koorts schijnt te hebben. Margaretha is heel blij dat er weer pruimen haar kant op komen. Ze moet nu stoppen, want ze moet nog zoveel doen en ze lag er pas om 3 uur in en ze is krom van het reizen.
In de PS nog even snel dan: Margaretha heeft nog steeds niet gehoord of Michiel Matthias Smidts nou al bij Godard Adriaan geweest is…
hier noodiger was, de vrou van ginckel
is naert leeger, de heer van ginckel heeft twee mael de koorts gehadt wil hoop daer geen swaerder sieckte op sal volgen, verlan te hoore hoet voort met hem is, ick bedancke uhEd seer voor de pruijme die op wech sijn em Blansche voorde goede sorch die hij daer voor heeft gedraege, nu moet ick Eijdige, Eer ick Eens overal ben geweest is en heb naer gesien ist laet geworde, ock ben ick moe ben te nach ten 3 Euren te begt bedt gegaen en krom vant reijse, sal niet te min blijfve Mijn heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijff Mturnor
ick hoor wt geen van uhEd briefve of den heer boumeester al bij uhEd geweest is
Perziken, pruimen, kersen en twee insecten, Elisabeth Geertruida van de Kasteele naar Michiel van Huysum, 1818-1853. Collectie Rijksmuseum.
Margaretha kan haar geluk niet op! Ze heeft de brief ontvangen die Godard Adriaan haar op 1 mei heeft gestuurd en het ziet er eindelijk naar uit dat hij thuis komt! En er zijn genoeg zaken waar Margaretha haar man dringend bij nodig heeft.
Mijn heer en lieste hartge seedert mijne laeste aen uhEd heb ick die vande selfve vande Eerste deeser ontfange, sien met blijschap daer wt de hoope die hij heeft om sijn demissie in korte te sulle Erlange waer naer hartelijck verlange, hier sijn verscheijde dinge daer uhEd sijn ooch wel Eens bij diende te hebbe, [deselfe]
Het werk vordert gestaag
Godard Adriaan moet inmiddels de bouwmeester gesproken hebben, dus hij zal nu wel een beter beeld van de bouw hebben. Margaretha verwacht weinig van het hout uit Anholt, het is nog niet eens gehakt. De bouw vordert maar langzaam. De gewelven onder het grote salet en de torenkamer zijn ‘volkomentlijck gedaen’ en de werklui zijn nu bezig met de gewelven van de keuken. De eerste schoorsteen heeft een hardstenen lijst gekregen. De leidekker heeft de goten bekleed met lood en de naden van het dak met lood afgewerkt. Hopelijk kan hij nu verder gaan met het leggen van de leien.
Margaretha heeft de ossen die Godard Adriaan heeft gestuurd op de ‘beneedenste bolle’ laten zetten, nu het natuurgebied de Gravenbol. Daar is een ‘ongemeene schoone weij’ en dat is al te zien aan de ossen. Ze heeft Teminck nog zes ossen laten kopen, er was nog weide over. Ze hoopt dat ze met de ossen winst kunnen maken. Je hoort haar denken: elke cent is meegenomen! En ze heeft tabak laten planten. Het is groeizaam weer, maar er zijn weer beren op de weg. Het water stijgt en als dat zo doorgaat, lopen de uiterwaarden onder water. Dan moet er niet alleen voor de ossen een andere locatie gevonden worden maar ook voor het vee van andere mensen. De schippers zeggen dat het mee zal vallen en daar houdt ze zich maar aan vast.
de osse die uhEd heeft beliefve te sende gaen op de beneedenste bolle daer ongemeene scho- one weij leijt, en men al sien datse toeneeme, ick heb door teminck noch ses osse doen koope die hij mij vandaech heeft gesonde het stuck voor 46f dat niet allee mijns oordeels maer ock al diese sien heel goet koop vinde, wij hadde de weij noch over hoope de heere ons met het Een Ent ander geluck sal geefven, ick ben ock heel beesich met toeback te pooten daer wij heel schoon en groeij- saem weer toe hebbe, [maert water wast]
Tabaksplant of tabaksbloem, Anselmus Boëtius de Boodt en Elias Verhulst, 1595-1610. Collectie Rijksmuseum.
Een bruiloft bij Beusinchem
Van haar PS maakt Margaretha weer een allegaartje. Er is een bruiloft bij Beusinchem maar ze is van plan om maar één dag te gaan. Haar schoondochter, Ursula Philippota en Eleonora Sofie Bentinck gaan samen naar hun echtgenoten in het leger. En van de 3000 gulden zijn er 2000 onderweg naar Temminck in Amsterdam – maar dat wisten we al.
Je gelooft het niet! Het is Beusinchem zowaar gelukt om 3000 gulden van de Staten van Utrecht te ontvangen! Hiervan is 2000 gulden op weg naar Temminck die het klaar legt voor de wissels van Godard Adriaan. Toch kijkt Margaretha nog steeds of ze een voordelige lening kan vinden. Ze durven rentes van 6% of meer te vragen en dan willen ze ook nog goud of obligaties als onderpand!
[rec: 10. dito.] Ameronge den 5 meij 1677 Mijn heer en lieste hartge
uhEd laeste is geweest vande 28 April die ick wtt wttre heb beantwoort, seedert is hier weijnich of niet schrijfvens waerdich voorgevalle, Monseu beusekom schrijft de bekende drije duijsent gul tot wttrecht ontfange te hebbe waer van ick hem met deese post schrijfve dat hij twee duijsent gu aen teminck tot Amsterdam sal sende, waer van uhEd so veel sal beliefve te trecke als hem nodich is, ick hoope noch al Eenige peninge op intrest te sulle krijge waer toe mij hoop wort gegeefve, maer se wille al ses en ses gul en Een oort1Oord: Kwart persento2Procent hebbe en dan noch gout of oblijgasie in pant hebbe, [hier sijn vier]
Alles bij elkaar alweer 6000 gulden en dan wil het werkvolk ook nog geld. Ze klaagt niet hoor, ze schrijft het alleen maar op zodat Godard Adriaan weet waar het geld blijft!
[taelt worde,] uhEd belieft niet qualijck te neeme dat ick dit so schrijf, tis maer om dat uhEd niet vreemt sou voor koome waer het gelt blijft, [rietvelt heeft nu ondert groot salet het]
De afrekening, Arnoldus Cornelius Verhees (prent) en Berthold Woltze (ontwerp), 1878-1879. Collectie Rijksmuseum.
Werkplanning
Het gaat hard met de gewelven in de kelder! De gewelven onder de grote zaal en de torenkamer zijn klaar en nu zijn ze met de gewelven in de keuken bezig. Ze schieten zo op, omdat de metselaars niet verder kunnen met de schoorstenen, omdat ze wachten op de steenhouwers. De leidekker kan pas weer verder als er minimaal twee schoorstenen boven de dakrand uit steken. Het loopt dus niet helemaal zoals gepland.
[blijft,] rietvelt heeft nu ondert groot salet het wulfsel gans toe en onder de toorn kamer bij kanst toe ock sijnse aent wulfsel boven de keucken, al de metselaers sijn aent wulfve vande kelders sij konne aende schoorsteene niet wercke om dat de steenhouders niet ge =reet sijn, die hebbe noch tot geen Eene schoorsteen haer harteen ree doch hoope dees weeck der Een klaer te hebbe en ock de hoeck steene tot de lijst, de leijdecker ijan henderixs kan ock niet voort wercke of der moeten ten minste twee schoor =steene heel wtgehaelt en op gemaeckt sijn,
Wensdenken
Ook bij de steenoven loopt het niet zoals gepland. Het is zuur en koud weer en daardoor kunnen er geen stenen gevormd worden. Wat zou het fijn zijn als het eens ging zomeren!
Het zou ook fijn zijn als Godard Adriaan eens thuis kwam. Margaretha had niet gedacht dat hij zo lang weg zou blijven, tien maanden is hij al weg!
met dit koude en suere weer hebbe de steenovens volckere niet konne vorme, t heeft hier te nacht noch ijs gevroore, hoope het Eens soomeren sal tis goet uhEd de resteerende vloer en hartsteene heeft gekreechge die ick hier int gemoet sal sien had niet gedocht uhEd so lange sout wt geweest
sijn tis nu inde tiende maent dat deselfve van hier is gegaen, de heer wil uhEd ingesontheij weer bijt onse brenge inwiens heilige be= scherminge hem beveelle en blijf
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
Werkster op een steenfabriek, Anthon Gerhard Alexander van Rappard, 1880-1890. Collectie Rijksmuseum.
Oude tijden herleven: het wordt zo lastig om aan geld te komen dat Margaretha zelf naar Utrecht is gegaan om te kijken wat ze kan doen. Beusekom heeft dan wel weer een bewijs gekregen dat ze recht hebben op 3000 gulden, maar zie dat maar eens te innen. Hij is drie belastingontvangers langs geweest, maar nergens hebben ze een cent.
[rec. 6 dito] wttrecht den Eerste meij 1677
Mijn heer en lieste hartge
ick ben gistere hier gekoome met intensie om vanda weer naer Ameronge te gaen, ick was heel teijnde gelt daerom genootsaeckt ben hier te koomen beusekom heeft gistere de Ackiet1Acquit: Vereffening van een schuld of rekening ter som van 3000f wt den haech ontfange, maer weet noch niet waneert het gelt daer van sal konne ontfangen worde also hij al 2 a 3 ontfangers daer over heeft aengesproocke die segge heel geen gelt ter kantoor te hebbe, [daerom]
Fragment uit: Titelblad met mannen die geld uitbetalen, Bernard Picard, 1704. Collectie Rijksmuseum.
Het wordt allemaal opgepot om straks de troepen van de Hertog van Brunswijk te kunnen betalen, beweert Johan van Reede van Renswoude. Die zouden klaar staan om ten strijde te trekken. Margaretha gelooft daar niets van, want van Godard Adriaan had ze iets heel anders gehoord.
[betaelt worde] den heer van rhijnswoude2Johan van Reede van Renswoude hout seer aen om betaelline voorde subsidie aende s0 vorste van brunswijck3Rudolf August van Brunswijk-Wolfenbüttel wiens troepe so hij schrijft staen te Merscheere4marcheren hetwelck volgens uhEd laeste schrijfve qualijck kan geloofve, en uhEd best sal weeten,
Portret van Rudolf August von Braunschweig-Wolfenbüttel, Martin Benigeroth, 1680-1733. Collectie Rijksmuseum.
Olifanten
Er zit niets anders op dan kostbaarheden te verpanden. Ze denkt 5000 gulden te kunnen krijgen voor drie gouden ‘koppen’. Blijkbaar zaten daar ook olifantenfiguurtjes op, maar die heeft ze er afgeschroefd. Waar ze het over heeft is niet helemaal duidelijk, maar waarschijnlijk gaat het om onderdelen van de versierselen van de Orde van de Olifant of objecten die daar mee te maken hadden. De Deense Koning had de orde in 1659 aan Godard Adriaan verleend. Het pandhuis vraagt zes procent rente, maar daar hoopt ze vijf of vijfeneenhalf van te kunnen maken.
ick meen hier ontrent Een som van 5000f op de 3 goude koppe die ik in pantschap
moet geefven heb de olifpanten daer af ge= schroeft die ick in hande sal houden, maer sij wille al ses vant hondert hebbe ben bee= =sich om te sien oft voor 5 a 5½ kan krijge
De Deense orde van de olifant, Jacques-Evrard Bapst, 1822. Collectie Museum Louvre Parijs.
Gelderse obligatie verkopen?
Omdat er in Amsterdam en Utrecht eigenlijk geen contant geld meer te krijgen is, stelt Margaretha voor om hun Gelderse obligaties op te zeggen. De van Reedes krijgen van de Staten van Gelderland dan 16.700 gulden terug, waarmee ze dan weer hun eigen schulden en onderpanden kunnen aflossen. Dat lijkt haar een goed idee, want wat heeft het voor zin om aan de ene kant rente te betalen en aan de andere kant te ontvangen? Ze heeft weer een mooi spreekwoord: “Hij redt zich wel die het met zijn eigen doet”. Zaken doen met eigen geld werkt het best.
alst uhEd kost5zou kunnen goet vinde ick wel soude reesolveere het kapitael ter som van 16700f op de heere van gelderlant staende in tijts op te segge en van haer weerom te neeme, en daer meede al onsse oblij gaesie, en de
verpande weer in te lossen, hij redt hem wel diet met sijn Eijgen doet, want op d’eene plaets rente te geefven en of op d’an[dere] te ontfange is niet als moeijt aen vast
Allegorische rekenpenning geslagen op last van de Staten van Gelderland, 1622. Collectie Rijksmuseum.
Thuiskomst GA vertraagd
In een brief van 28 april heeft Godard Adriaan geschreven dat zijn thuiskomst toch weer vertraagd is. Margaretha had het ook van Johan Pesters gehoord. Volgens hem was het goed dat er nog een poosje iemand namens de Staten in Bremen bleef. Bovendien hadden de diplomaten van de Duitse vorsten en de keizer dat verzocht. Dat kun je de bondgenoten dan niet weigeren vond ook de raadspensionaris.
Gelukkig had Godard Adriaan ook goed nieuws. Al het resterende benodigde hardsteen ligt klaar in Bremen. Margaretha heeft een speciaal verzoek voor een extra vrachtje: als die stenen scheep gaan, zou ze ook graag honderd pond pruimen ontvangen. Ze heeft haar hele leven geen betere gegeten dan de partij die Godard Adriaan de vorige keer had gestuurd! Nu maar hopen dat het schip niet gekaapt wordt door de Fransen. Dat was namelijk gebeurd met twee schepen die tegelijk met het vijfde stenenschip uit Bremen waren vertrokken…
[gaende hebbe gesien,] tis mij ock seer lief dat de resteerende steene nu alt same tot breeme sijn, wenste als die gesonde worde dat ick noch hondert pont pruijme mochte krijge weet niet dat ick mijn leefve bee ter heb gehad als die uhEd lest heeft gesonden, den schipper die de leste steen heeft gebrocht seijt datter twee breemer scheepe die met hem van daer waeren afgevaeren vande franse sijn ge =noomen, hoope nu wij so naer het onse behoude hebbe gekreechge, dat het geene noch resteert vange lijcke wel sal overkoomen, waer meede blijfve
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff MTurnor
Eindelijk zijn er twee brieven van Godard Adriaan aangekomen! Margaretha is blij te lezen dat de brieven van zoon Van Ginkel Godard Adriaan gerustgesteld hebben.
Een goed salaris
Van Ginkel heeft ook wel pech met al die veldslagen die hij moet leveren. Het is daarom zuur dat de gecommitteerde raden van Holland hem zijn salaris als commissaris-generaal ontzegd hebben. Nou ja, ze zullen dat nu wel moeten heroverwegen.
[rec. 3 maij 1677] Ameronge den 28 April 1677
Mijn heer en lieste hartge uhEd aesgenaeme vande 21 en 24 deeser sijn mij beijde behandicht, tis mij lief uhEd tot sijn gerust =ticheijt de briefve vande heer van ginckel heeft ont fange, wel te recht is hij ongeluckich inde oor = looch ijaer op ijaer sulcke slage te hebben, en dat de gekoomiteerde raede hem dan noch sijn tracktement al komisarisgenenael sou de, disputeeren waer hart nu ick hoop sij haer sulle bedocht hebbe, [ent sijn hE laete vol=]
Kennelijk zijn de daden van Van Ginkel niet onopgemerkt gebleven, want Margaretha wordt aangesproken en ze krijgt brieven over hoe mannelijk en dapper hij was en welke wonderen hij verricht heeft. Dat schrijvende komt het zuur van dat loon kennelijk weer boven: er hoeft maar een Duitser te komen die iets eist en dan gaat dat weer voor. Margaretha moet er weer aan denken dat Willem III Van Ginkel in het bijzijn van veel mensen bedankte. En wat hield hij daar aan over? Nou ja, hij moet maar wel zijn best blijven doen, dan zal in ieder geval de Heer hem belonen en hopelijk een handje boven het hoofd houden.
[=gen,] ick weet niet of de liede mij flatteere , maer ijder seijt en schrijft mij van alle kante dat hij hem so manlijck en dapper heeft gequeeten en merveelgees1merveilles: wonderen heeft gedaen, tis ons wel vreuch te hoore, maer wat loon krijcht hij der van, laeter maer Een duijtser koome die Eits nefe hem Eijst so moet die geprefeereert worde en hij moet te ruch staen, het gedenckt mij dat sijn hoocheijt de heer van ginckel koomende vande vaert inde franse tijt, in presensie van veel mensche Ambraseerde2Embrasseren: omarmen en bedanckte
voor den dienst die hij aen den staet en hem had ge= daen , maer wat loon heeft hij daer voor ontfang nu hij moet daerom niet laete wel te doen, de heer almachtich salt beloone, en hoope ick hem in sijn heijlige bewaeringe neemen, [ick vreese al dat]
Na de belangrijke zaken rondom zoon Godard, is het tijd voor de algehele voortgang der dingen. De ossen, die ergens tussen Bremen en Amerongen lopen, mogen voortgaan, want Margaretha is er klaar voor: het gras op de benedenste ‘Bolle’, in de uiterwaarden is fris en groen.
Het vijfde schip met stenen, dat is gelicht op de Vaartse Rijn, is in Amerongen aangekomen en dat wordt nu gelost en de stenen naar het kasteel gereden.
De voortgang van de metselaars is minder: het opmetselen van de schoorstenen kost veel tijd en ze moeten vaak op de steenhouwers wachten. Gelukkig kunnen ze tijdens het wachten in de kelder helpen met de gewelven.
[in sijn heijlige bewaeringe neemen,] ick vreese al dat uhEd maer geen nieuwe komisie weer toegesonde wort om datse op uhEd versoeck sijn demisie niet en sende verlange watse doen sulle, de so gesondene ossen sien ick alle Eure int gemoete heb daer noch niet van gehoort, die koomende sulle wel schoone weijde op de beneedenste bolle vinde, het vijfde schip met vloer en hartsteen ge aende vaert gelicht sijnde is hier wel aengekoome en sijn wij nu an selfve te losse en op te rijden, t sijn seer schoone vloer steene die daer wt koomen, de metse= laers sijn noch aent wt haelle vande Eerste schoorsteen daer veel werck aen is, dan hebbe al de andere tot inde naeldt vant dack wt gemetselt en moete naer de steen houders wachte, sulle ondertusche aent wulfve vande kelders gaen, [den heer boumeester quam]
Een vrouw in werkkleding met een kruiwagen, Dirk Eversen Lons, 1622, Collectie Rijksmuseum.
Michiel Matthias Smidts
Afgelopen paasdag is de ‘bouwmeester’, Michiel Matthias Smidts, langs geweest. Smidts is bouwmeester voor de Keurvorst in Berlijn en daar kent hij Godard Adriaan van. Hij helpt vooral met de praktische zaken rondom het door de Keurvorst beloofde hout.
Smidts heeft het hele huis gezien, tot in het topje. Hij vindt het huis goed, massief en netjes gemaakt. Hij had verder niet veel te zeggen, alleen dat de deuren iets breder hadden mogen zijn. Margaretha heeft nog aan hem gevraagd hoe het met het Anholtse hout stond, maar hij zij dat dat nog niet omgehakt was. Margaretha rekent er maar niet meer op.
[kelders gaen,] den heer boumeester3Michiel Matthias Smidts quam voorlee den paesdach hier, heeft ons heel ge= bou tot int topge vant huijs gesien die uhE sal segge hoe hijt gevonde heeft, seijde mij alles wel en masijf en net gemaeckt te sijn en dat hij der niets op wist te segge, als dat volgens sijn opijnie de deuren wel wat wijder hadde behooren te sijn, die 3 voet en 3 duijm
wijt sijn rhijnlantse maet, hij was seer haestich wilde dien dach niet blijfve, ick sprack hem vant Aenholtse hout dat hij seijde noch niet gehouwe te sijn, so dat ick geloofve wij daer weijnich staet op te maecken hebbe het sijn quade kanse die so lange merren4Merren (of marren): dralen, talmen paesijnsi, [met de post]
Aan het eind van je geld een stukje maand over houden krijgt in de brieven van Margaretha een heel ander perspectief. Ook nu, vier jaar na het rampjaar, blijft het lastig geld te krijgen. Ook al heeft Margaretha het leurwerk met de assignaties en ordinanties nu uitbesteed aan Van Heteren, het blijft de gemoederen bezig houden.
De situatie is zo nijpend dat Margaretha twijfelt of ze de gouden koppen of obligaties als onderpand zal geven. Ze zeggen dat je in Amsterdam nog kan lenen tegen 5%… Zodra er geld is laat Margaretha 3000 gulden voor Godard Adriaan in Amsterdam leggen.
[deen manier of dander,] de knecht daer ick voor dees van heb geschreefve, heb ick inde haech sijnde aengenoome tot kamerlin voor uhEd
hij had belooft in 14 daege hier te koome maer verneeme hem niet ick sal eens schrijfve hoet der meede is , en voor blijfve Mijn heer een lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
Patchwork-PS
Een goede brief heeft natuurlijk minimaal één PS, deze heeft er twee en ze zijn ook weer creatief over de pagina gedrapeerd.
In de eerste het gerucht dat het leger zich alweer aan het hergroeperen is en dat ze weer aan de bak moeten. De mensen die dat advies geven blijven waarschijnlijk zelf buiten schot.
men seijt ons leeger haest weer kompleet se hebbe de het volck wt de garnesoene gelicht en de gedevaliseerde kompan daer weer in geleijt, en dat men sou sien den ongeluckige slacht te reepereere ick schrick daer aen te dencken, somen weer so Een werck beginne godt wilt haer vergeefve die sulle raet geefers sijns geloof sij haer wel butens scheuts houden
En na die PS nog de mededeling dat de twaalf ossen aangekomen zijn. Nou ja, elf. Eentje was een beetje moe dus die is in Doorn blijven liggen. Ze zijn een beetje klein, maar Margaretha laat de goede weiden gewoon hun werk doen.
naert schrijfve dees koomende ossen en sijn wel overgekoomen tot 12 stucks daer is Een tot door gebleefve die wat moede was, en ick merge sal laeten haellen, sij sijn wat kleijn maer hoope sij wel groeijen sulle sij koome altijt in heelle goede weij
Het Rampjaar lijkt weer even terug in deze brief, waar de emoties vanaf spatten: zoon Godard blijkt bij de verloren Slag bij Kassel op het nippertje aan de dood ontsnapt. Margaretha heeft een brief van hem uit Sas van Gent waarin hij eigenhandig schrijft dat hij gezond is. Zijn paard is er slechter aan toe en zijn wapenrusting is zeer beschadigd want hij is vier of vijf keer geraakt. Zo gevaarlijk was het dus! Zijn kamerling Roelof Verweij is zwaar gewond aan zijn heup en bijna alle officieren uit zijn regiment zijn dood, gewond óf gevangen door de Fransen.
[rec. 26. dito] Ameronge den 21 April 1677 Mijn heer en lieste hartge seedert mijne laeste hoope ick dat uhEd briefve van onse soon sult hebbe ontfange, die de heere sij in alle Euwijcheijt gedanck gesont wt de bataelgebataille: slag is gekoome, so ick heede wt sijn brief met Eijgener hant geschreefve ho vande 15 deeser van ontrent sas van gent geschreefve heb gesien, hij heeft 4 a 5 schuete op sijn aenhebbende wapen gekreechge en sijn paert gequetst daer aen men kan sien wat perijckelperikel: gevaar hij heeft wt gesta[en]perikel uitgestaan: gevaar doorstaan roelof verweij sijn kamerlin is door in door sijn heup gequetst meest al de offisiers van sijn reesgement sijn doot gequetst of gevange, [hij]
Kaart met de slagordes van de troepen bij de slag bij Kassel op 11 april 1677 tussen het Franse leger onder Filips I de hertog van Orleans en de prins van Oranje, Anoniem, 1677. Collectie Rijksmuseum.
Beter Goed dan Bloed verliezen
Godards compagnie is rond de dertig paarden kwijt, wat hem veel geld zal gaan kosten. Maar “beter in ’t goed als in ’t bloed” : liever je bezittingen verliezen dan je leven (of dat van je familie). Ze kunnen God niet vaak genoeg danken dat hij hun zoon zo genadig heeft gespaard. “Och, mijn liefste hartje, wat is dit voor een oorlog”, jammert Margaretha, “ waarin zo lichtvaardig met mensenvlees wordt omgesprongen”. Ze beklaagt Willem III die volgens haar misleid was. Moge God de genen vergeven die dit veroorzaakt hebben. “Och hadden wij de vrede maar”, verzucht ze, maar ze heeft weinig hoop dat die snel komt.
[reesgement sijn doot gequetst of gevange,] hij heeft weer wt sijn kompangi wel 25 a 36 paerde verlooren dat al weer groote koste voor hem sal sijn, noch beeter int goet als int bloet , wij konne godt niet genoech dancke die hem so genadelijck heef bewaert, och mijn lieste hartge wat is dit voor Een oorlooch int welcke men het mensche vleijs so licht waecht, sijn hoocheijt is te beklage die so geabuseertAbuseren: misleiden wort godt wilt haer vergeefve die oorsaeck van al dees onheijlle sijn, och hadde wij de b vreede maer sieder nu so weijnich aprehensieapprehensie: vrees, verwachting toe, [gistere is den]
Gisteren ochtend om zeven uur was er een korte ontmoeting op de Grebbedijk tussen Cornelis Tromp en raadspensionaris Fagel. De raadspensionaris was met spoed op weg naar Wezel om daar de keurvorst van Brandenburg te spreken. Tromp kwam daar net vandaan. Fagel had haast omdat de keurvorst van plan was vandaag al weer naar Berlijn terug te keren om zich bij zijn leger te voegen. Tromp maakt van de gelegenheid gebruik om naar de bouwwerkzaamheden in Amerongen te kijken. Hij wil zelf ook “aan het timmeren”. Want van Tromps huis in ’s-Graveland is net als van Amerongen na het Rampjaar weinig meer over.
[sieder nu so weijnich aprehensie toe,] gistere is den heer graef trompCornelis Tromp hier bij mij geweest hij sach ons gebou, wil ock aent timmeren hij quam van weeselWezel, vestingstad in Duitsland al waer hij met den heere keurvorst van brandenburch heef gesproockeCornelis Tromp was van 1676-1678 opperbevelhebber van de Deense vloot. Denemarken was opdat moment samen met Brandenburg betrokken in een oorlog tegen Zweden (Schonense Oorlog 1674-1679) die van meeninge was vandaech weer van weesel naer berlijn en bij sijn ArmeArmee: leger te gaen den heer raet pensionarisraadspensionaris Fagel ontmoete tromp gister merge ontrent 7 Euren op de grebbendijck die ginck om de keurvorst noch te spreecke en wilde dien avont noch tot weesel sijn, daer hij sijn tijt toe van doen hadt, [met de post van heede heb ick]
Tromp viel met zijn neus in de boter, want juist gisteren zijn Rietvelt en zijn mannen begonnen aan de gewelven onder de grote zaal. Ongelofelijk hoeveel werk het bouwen van de schoorstenen kost. Acht metselaars zijn er aan bezig. Overigens heel knap zonder elkaar in de weg te zitten. De steenhouwers werken aan het hardsteen. Eén van hen heeft een bloedzweer en moet het bed houden. Dat houdt het werk wel op, moppert Margaretha. De zakelijke bouwvrouw is weer even haar zakelijke zelf.
[geen briefve van uhEd gehadt,] Rietvelt heeft gister aende wulfsels vande kelders ondert groot salet Eerst begonne men sou niet geloofve wat werck der aende schoorstene wt te haelle vast is, daer sijn noch 8 truijfelsmetselaars (troffelen = mestselen) aen gebleefve die haer werck heel wel vinde sonder malkandere inde weech te sijn, de steenhouders wercke noch aende hartsteene tot de schoo =rsteene, prangs Eene knecht heeft Een bloetsweer Effe boven sijn ooch dat hem so inkoomedeertincommodeeren:hinderen, plagen dat hij meest te bedde leijt wenste hij wel wel waer want sien sij noch al lang werck aendie steene sulle hebbe, [ick heb noch tot het neegosiEere]
Maar het zakelijke laagje is nog maar dun, veel weidt ze verder niet uit over de feiten die ze aanstipt: er is nog geen geld (kan er aan liggen dat het Pasen was), het vormen van de stenen bij de steenoven gaat langzaam vanwege regen en wind, het vijfde schip met hardsteen is nog niet gearriveerd. Maar oh, wat is ze blij met de brief van Godard Adriaan waarin hij aankondigt dat hij misschien half mei wel thuis komt! Ze hoopt maar dat er niet weer een nieuwe opdracht tussendoor fietst. God mag geven dat zowel vader als zoon ieder op zijn tijd weer in goede gezondheid in Amerongen zullen terugkeren en ze elkaar in vreugde zullen mogen begroeten.
[sal,] ick heb met blijschap wt uhEd laeste gesien de hoop die deselfve geeft van in half meij thuijs te sijn hoop niet datter ondertusche weers Eenige nieuwe ordere of komissie sulle uhE toegesonde worde, [van heetere heeft de ordinans]
[…]
[heeft,] voort is hier alles wel, hoope de heer almachtich sal geefve uhEd en onse soon inge= =sontheijt Elck t sijner tijt bij ons sulle koome en dat wij malkaldere in vreuchde mooge ont moete, ondertusche blijfve
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
Man wordt begroet bij thuiskomst, Franciscus Bernardus Waanders, 1847. Collectie Rijksmuseum.
Vandaag een kort briefje, waarin Margaretha vooral ingaat op de Slag bij Kassel en de vorderingen aan het huis.
Slag bij Kassel
Het ontzet van Sint-Omaars, waarover Margaretha vanwege de aanwezigheid van zoon Godard aldaar in haar vorige brief nog haar zorgen heeft geuit, is mislukt. Veel meer woorden hoeft ze er niet aan vuil te maken; Godard Adriaan zal vast al wel een brief uit Den Haag hebben gekregen met alle ins en outs. Maar heeft manlief ook gehoord van de ‘groote en seer quade geruchte’? Margaretha is er helemaal van onthutst; ze was nauwelijks zichzelf meer! Op de inhoud van de geruchten gaat Margaretha helaas niet in.
dat het deseijn van sijn hoocheijt int ontset van sint omeer is misluckt sal uhEd wt den haech sijn ge schreefve, waer over hier gistere groote en seer quade geruchte liepen, dat mij niet weijnich en bekomerde en so ontstelde dat ick naulijcks mijn selve was, of noch ben
Slag bij Kassel, 1677, Robert Bonnart, naar Adam Frans van der Meulen, 1677-1699. Collectie Rijksmuseum.
Gezond en wel
Gelukkig is zoon Van Ginkel gezond en wel. Tenminste, dat heeft Margaretha via via vernomen. Ze hoopt maar dat het waar is. Ze hoopt snel meer te horen over de Slag bij Kassel.
van heeteren schrijft mij dat den heer van mom= pelijan1Armand de Caumont aen sijn vrou2Amelia Wilhelmina van Brederode schrijft het welcke sij hem heeft laete sien, dat de heer van ginckel die naer haer seggen hem heel wel heeft gequeeten noch gesont en wel te pas is daer wij godt niet genoech voor konne dancke wil hoopen het waer is, verlange seer om meerder partikulaerijteijte en seeckerheijt vant werck te hooren[, den heere schaepe heer vande]
Portret van Godard van Reede van Ginkel (1644-1703), anoniem, 1675-1699. Collectie Kasteel Middachten.
Wie zou de oorlog niet moede worden?
De majoor van het regiment van Van Ginkel is gesneuveld. Er zouden in totaal 3000 man gesneuveld zijn. Iedereen zal wel iemand missen. Margaretha hoopt dat de heer allen wil troosten. Het is toch ook wat; jaar op jaar zo veel volk verliezen. Wie zou de oorlog niet moede worden?
[vant werck te hooren,] den heere schaepe heer vande dam3Herman Schaap, die Maijoor vande heer van ginckels reesgement was is doot sijn vrou4Petronella van Tuyll van Serooskerken stelt haer als disperaet, daer 3000 man gelijck geseijt wort gebleefven is, sal Elck de sijne wel misse de heere wilse alle strooste, ijaer op ijaer so veel volck so veel te verliesen wie sou dien oorlooch niet moede worde, och och of men Eens Een goede vreede mochte beleefve, maer nu vrees ick dat
ter dit weer geen goet toe sal doen, wat salt met ons noch worden, se mooge van uhEd swaerhoofdichheijt wel spreecke datter wat swaerhoofdiger en in tijts voorsichtiger waeren sou wel goet sijn[, rietvelt is]
Voorschip, W.S. Coleman, 1859. Uit: The book of the Thames, Mr. & Mrs. S.C. Hall. Collectie British Library, afbeelding: Flickr
Vloer- en schoorstenen
Rietvelt is gelukkig weer aan de beterende hand. Maar nu is een deel van de knechten, metselaars en timmerlieden koortsig. Bijna iedereen hier wordt ziek, al herstellen ze meestal snel. Dat is maar goed ook, want het vierde schip met hardsteen is gelost en alle stenen zijn op de voorburcht geplaatst. Er moet gewerkt worden! Het leggen van de vloerstenen is een groot karwei geweest. De steenhouwers gaan nu verder met het maken van onderdelen voor de schoorstenen.
[voorsichtiger waeren sou wel goet sijn,] rietvelt is de koorts so goet als quijt, maer der sijn weer Een deel knechts so metselaers als timerlie die der aen vast sijn, meest alle mensche hier krijgense maer houder =se niet lang, nu is het vierde schipe met hartstee gelost en alde steene saeme opt voorburch geset de vloersteene int houden huijs, dat is Een groot werck aen kant de steenhouders hebbe alle daer aengearbeijt, moeten nu aent reemaecken vande stuck tot de schoorsteene [vrees noch dat rietvelt naer haer]
Zoals gezegd, houdt Margaretha het kort. Ze zit met haar hoofd bij Van Ginkel; ze is ontzettend ongerust. Ze hoopt snel zekerheid te ontvangen over zijn lot. Hij heeft in de oorlog ook wel altijd pech…
[sal wachten,] uhEd laeste vande 10 deeser heb ick met de laeste post beantwoort, en sal dees nu Eijndige verlan seer naer seeckerder tijdine vande heer van ginckel ben so ongerust dat ickt niet segge en kan die heer almachtich wil hem bewaeren hij is inde oorlooch vrij wat ongeluckich, ick blijf
Margaretha is zo dolblij dat ze de brief heeft ontvangen die Godard Adriaan haar op 10 april heeft geschreven, dat ze zich helemaal te buiten gaat qua taalgebruik. ‘Ick slacht de kindere’, schrijft ze.
Kinderen slachten?
Welja, denk je als lezer uit de eenentwintigste eeuw, heb je daarvoor zo goed voor ze gezorgd? Maar Margaretha gebruikt de taal van de zeventiende eeuw en wat ze bedoelt, is dat ze, net zoals een kind probeert te doen wat zijn ouders willen, probeert om te doen wat Godard Adriaan van haar vraagt. Ze doet haar best want dit moet echt een droomhuis worden. En er wordt al weer hard gewerkt. Rietvelt heeft negen ‘truijfels’ aan het werk gezet. Pars pro toto, moet je maar denken: truijfels zijn troffels, het gereedschap van metselaars. Alleen is Rietvelt nu wel ziek geworden dus het toezicht ontbreekt.
[rec. 19 dito] Ameronge den 14 April 1677
Mijn heer en lieste hartge heede ontfange uhEd aengenaeme van 10 deeser en is mij seer lief daer wt te sien dat deselfve genoechge neemt int geen ick hier so int Een alst ander doen, ick slacht de kindere doen mijn beste, rietvelt is met 9 truijfels int werck gekoome daer sulle noch 4 a 5 volgen, hij selfs had voor sijn aenkomste al hier de koorts meendese quijt te sijn, maer heeftse gistere weer gekreechge en vandaech meest te bedt geleechgen, hoop hijse niet lange houde sal, tsou mij anders seer qualijck koomen, [sijn volck sijn]
En dat toezicht is wel nodig vanwege een speciaal plan. Godard Adriaan heeft aan Margaretha geschreven over luiken in de plafonds en speciaal in het tongewelf van de gang op de benedenverdieping, de ‘wulfsels’. Op die manier kunnen de manden met wasgoed uit het souterrain naar de zolder gehesen worden, waar de was kan drogen. Handig, want met de zware manden over de bediendentrap, dat is geen pretje, dat beseft Margaretha ook. Alleen, een luik in de keldergewelven ziet Margaretha niet zo zitten, dat stukje kunnen de manden met natte was nog wel door het voorhuis gedragen worden. Tenzij Godard Adriaan daar andere ideeën over heeft natuurlijk.
Er wordt nu hard gewerkt aan de gewelven van het souterrain, allereerst onder het ‘groot salet’ en dan de keuken en de alkoof. Hopelijk is Godard Adriaan wel thuis tegen de tijd dat het zover is? De gewelven worden zo gemaakt dat er altijd nog luiken in geplaatst kunnen worden. Ook secretaris Van Den Doorslagh heeft met Rietvelt gesproken en ook hij doet per brief verslag van zijn gesprek over de luiken.
[=sels vande kelders gaen,] ick heb met rietvelt weege de luijcke daer uhE van schrijft gesproocke, die wel soude koomen en ock konnense inde wulfsels wel gemaeckt worde maer mijns bedunckens hoef =dense in die vande kelders niet want men Eenige swaerte hebbende die so wel doort voorhuijs inde gaelderij1Lange gang sou konne brenge en vandaer laete door
Een luijck op hijsen als door de kelders dan soot uhEd best dunckt kant geschiede, daer sal ock noch tijt van beraet toe sijn geloofve sij het ondert groot sa= let2Grote zaal Eerst sulle wulfve en dan booven de keucken en alkoobe kamer3Alcovekamer, wat nu de eetzaal is so dat ick hoope uhEd wel thuijs sult sijn Eerse aende gaelderij4Lange gang koomen, ock seijt hij de wulfsels wel so te konne slaen dat men tot alle tijde daer luijcken in sou konne maecken, [nu sijn]
Er wordt ook gewerkt aan de vloer en Margaretha is erg enthousiast over de vloerstenen die Godard Adriaan heeft gestuurd. Hij heeft ook voor de grote zaal van Middachten besteld en Margaretha verzekert hem dat vrouw Van Ginkel daar erg mee in haar schik zal zijn. Sommige vloerstenen zijn wat dunner, maar Jan Prang heeft gezegd dat ze even sterk zijn als de andere.
[tijde daer luijcken in sou konne maecken,] nu sijn wij beesich met de vloer en andere hartsteene bp die hier aengekoomen sijn op te rijden de vloersteene sijn seer schoon en groot hoope datter Etlijcke meer sulle sijn als wij van doen hebbe om alser bij onge = luck mochte gebroocke worde dat men niet verleege sij, ick ben blijde dat uhEd ock vloersteene voorde Middachtense sael heeft bestelt daer de vrou van ginckel wel meede in haer schick sal sijn en ick uhEd van haerent weechge vast voor bedanck sij weet het noch niet, de geschuerde hartsteene trappe vinde ick ock seer fraeij, somige vande vloer steene valle wat dun doch ijan prang seijt datse Even starck sulle sijn, [aengaende het gelt ge=]
Bouwen kost geld en dat blijft een zorg voor Margaretha. En omdat het ook een zorg is voor anderen, is het lastig om aan geld te komen. In Holland gaan ze weer de tweehonderdste penning heffen, een vermogensbelasting, en Margaretha vraagt zich af hoeveel wat er nog uit de bevolking te persen valt.
En er is nog een zorg. Prins Willem III is met het leger naar Yperen getrokken om Sint-Omaars te ontzetten en Van Ginkel is daar natuurlijk bij. Het kan niet anders of er zal gevochten worden met alle risico’s van dien. Margaretha uit haar zorgen aan Godard Adriaan: ‘De heer almachtich wil zijn hoo(gheid) en de heer Van Ginckel bewaeren’.
[Even starck sulle sijn,] aengaende het gelt ge= =loof dat van heeteren beesich is om ordinansi te versoecke, beusekom heb ick versocht toch sorchge tot betaelline vande selfve te wille drage, wat de rest oft te neegoosgeerende peninge belanckt sal ick sien hoet daer meede maeck, daer is seer
qualijck gelt te krijgen het schijnt de liede swaerhoof =dich sijn en wille haer van gelt niet ontblooten, met seijt dat sijn hoocheijt naer ijperen marscheert om s omeer teontsette so dat is vrees ick datter noch wel Een schermutselen om sal gaen dat mij seer bekomert de heer almachtich wil sijnhoo en de heer van ginckel bewaeren, wij beleefven droefvige tijden, in hollant is weer den twee honderste peninck voor twee mael geefvens gelt in gewillicht, hoe seet wt de liede sulle krijgen sal te besienstaen, [hoe groote papa het werck]
Het Franse leger voor Yperen (middenblad), 1678, anoniem, 1678-1699. Collectie Rijksmuseum.
Oorlogskas
De staat heeft een andere manier voor het financieren van de oorlog bedacht. Ze verwachten kennelijk dat de Spanjaarden een miljoen bijdragen. En dat is volgens Margaretha het probleem van de staat, iedereen ziet de problemen aankomen, maar zijn doen alsof hun neus bloedt. ‘En wij sijn uut gemergelt’, schrijft Margaretha, ‘och och hoe wilt met deesen bedroefden oorloch noch af loopen, den goeden god wilt ons bij staen’.
[leeft sal hij Een last voorde provinsie sijn] ,tis wel Een ongeluck voor den staet dat men noijt geen swaericheeden en Aprehendeert schoont dat mense siet koome voor datse ons op den
hals sijn, waer sou men nu Een mielijoen gelt haelle vande spaense geloof niet dat gelt te verwachten is, en wij sijn wt gemergelt, och och hoe wilt met deesen bedroefden oorlooch noch af loopen, den goeden godt wil ons bij staen in wiens heijlige bescherminge uhEd beveelle, en blijfve
Toch laat Margaretha zich niet ontmoedigen. In de PS voegt ze nog wat losse opmerkingen toe. Er zijn vier schepen met vloerstenen aangekomen en ze heeft de vracht betaald.
Natuurlijk doen de kinderen hun groeten aan ‘groote papa’. Fritsje, inmiddels 9 jaar oud, laat nog weten dat hij erg zijn best doet!
Helaas zijn twee stenen op elkaar gevallen en gebroken. Margaretha heeft ‘daer wel ome gekeefven’ maar ja, dat hielp niets.
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
ps nu hebbe wij vier scheepe met hart en vloer steene hier die ick de vrachte heb betaelt, fritsge seijt sijn best int leeren te doen meent hij vrij meer meester vant hansge sal sijn als kees otte, preesenteert neffens sijn broer godert en sijn susters sijn onderdanigen dienst aen groote papa ick moet ock segge datter twee vande grootste rouwe hartsteene trape die noch door geklooft moste sijn en voorde bruch opt voorburch soude gelecht hebe
Overdwars: int opdoen op malkandere hebbe laete valle en gebroocke sijn daer ick wel ome gekeefven heb dan dat helpt niets