Mijn heer en lieste hartge

Bewoners en familieleden: Reede van Drakestein (Hendrik Adriaan van)

Iets noodzakelijks doen?

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 16 december 1679 Amerongen
Ontvangen Godard Adriaan van Reede 25 december 1679 Berlijn
Lees hier de originele brief

Margaretha heeft de brief van de 4de december van Godard Adriaan uit Celle ontvangen. Kennelijk doen de brieven er meer dan tien dagen over. Margaretha hoopt dat haar man haar zo snel mogelijk laat weten wanneer hij in Berlijn aangekomen is.

Brieffragment brieven en reizen van Godard Adriaan

[reca. 25e xber. in Berlin]
Ameronge den
16/6 deesem 1679

Mijn heer en lieste hartge
uhEd aengenaeme vande 4 deeser is mij ter rechter
tijt behandicht, tis mij seer lief en aengenaem
de selfve tot sel in tamelijcke gesontheijt is gear
=rijveert hoope hij nu tot berlijn sal sijn aengekoome
het welcke verlange te hooren, [met mijn voor]

Ingekleurde gravure van een stad met vestingwerken. Op de voorgrond een bomenrijk gebied met een paar omheinde tuinen en een bleekveld en een bandeau met legenda. Dan een paar bastions, de gracht, de stadswal en daarachter de daken van de stad, met diverse kerken. Helemaal op de achtergrond een groot slot of paleis.
Zicht op Celle, Matthäus Merian (graveur) naar Conrad Buno, 1654. Collectie SLUB Dresden, via Deutsche Digitale Bibliothek.

Het grauwe koetspaard

Margaretha gaat er voor het gemak maar vanuit dat haar vorige brief in Berlijn op Godard Adriaan ligt te wachten, dus ze vertelt nog maar een keer uitgebreid het verhaal van het grauwe paard. Het been is nog wat dik, maar de smid zegt dat alles goed komt, dus daar hoeft Godard Adriaan zich geen zorgen over te maken.

Brieffragment over het grauwe koetspaard

[het welcke verlange te hooren,] met mijn voor
gaende die niet twijfele of uhEd sal se tot
berlijn vinden of ontfange, heb ick geschreefe
hoe dat het bewuste paert hier opt stal staet
is gesont en fris maert been noch met doecke
bewonden en vrij wat dick, doch naert
segge vande smits heeft geen noot en sal in
korte geneesen sijn, so dat uhEd nu wt die
bekomernisse is, [wat belanckt het werck hier]

Gravure van een naar links springend paard met allemaal lijntjes naar de kantlijn. Aan het eind van elk lijntje staat een cirkel met daarin een tekst.
Diagram van een bewegend paard met daarop aangegeven de zestig ziekten, anoniem, achttiende eeuw. Collectie Wellcome Collection.

Noodzakelijk

Gewoontegetrouw somt Margaretha nog even op wat er allemaal aan werk gedaan wordt rond het kasteel:

  • De ramen van de dakvensters worden gemaakt door Jacob
  • Het hout voor de schoorsteenmantels ligt in Utrecht, het schijnt droog en geschikt niet te krijgen te zijn
  • De metselaars hebben de vloer van de kelders onder de voorburcht gelegd
  • De oprijlaan is tot de eerste brug klaar (heeft ze iets meer woorden voor nodig)
  • Als het nou gaat vriezen, zullen ze de wal uit de boomgaard wegruimen

Aan het eind komt Margaretha tot de verbazingwekkende conclusie dat ze voor het eerst niet iets noodzakelijks te doen weet. Na vijf jaar bouw zou je verwachten dat dat reden zou zijn voor een feestje.

Eerste brieffragment over de werkzaamheden
Tweede brieffragment over de werkzaamheden

[bekomernisse is,] wat belanckt het werck hier
de timerlie sijn aent maecke vande dackvensters raemte
die jakop voorde seefven gul 4 stuck heeft aenge=
noomen gelijck schut van Amsterdam heeft geschree
het hout tot de schoorsteen mantels is tot wttrecht
dat drooch en bequaem is niet te bekoomen ,
de metselaers hebbe de vloere inde kelders ondert
voorburch geleijt, en sijn wt het werck gegaen,
de steech vande poort oft voorste hoomeij1Hamei: Buitenpoort, voorpoort tot de
Eerste nieuwe bruch toe is met puijn aengehoocht

en met sant overkleet, so dat die wech nu goet
is, nu sal men met het Eerste vriesent weer
de wal wt den boogaert laete rijden, voor weet
niet datter voor Eerst Eits nootsaecklijcks
te doen is, [met mijne laeste heb ick uhEd]

Tussen de twee deuren van een grote poort staat een kleuter met een wit shirt en een witte korte broek, witte sokken en zwarte schoenen. Hij heeft een witte hoed op. De deuren zijn hoog en door flinke spijkers is de versteviging aan de andere kant goed te zien. Op de deuren staan grote stekels.
Wilhelm von Ilsemann (Margaretha’s vele malen achterkleinzoon) op de oprijlaan bij de tweede poort, Ottoline Morell, 1925. Privécollectie.

Bijtertje

Margaretha heeft geen tijd voor feestjes, want Joan Carel Smissaert is nogal vasthoudend. Hij blijft bij Margaretha vragen naar de functie die inmiddels al lang vergeven is. Margaretha wil weten of Godard Adriaan nog wat voor hem wil doen. Dan weet ze of ze hem kan afwijzen of hoop mag geven.

Brieffragment over Smissaert

[te doen is,] met mijne laeste heb ick uhEd
Een brief vande heer smitser gesonden die seer
instantelijck aenhout en versoeckt met
het bewuste Amt te mooge gebenifiseert2Beneficeren: begunstigen
te worden, wenste uhEd beliefde Eens
door Een letterken te schrijfve of deselfe
daer toe inkleeneert3Inclineren: neigen of dat hij andere spee
=kulaesie4Speculatie: bespiegeling, beschouwing heeft, op dat ickt dan bij hem
smitser mach deklijneere5Declineren: afwijzen of hoop tot sijn
versoeck geefven, [waermeede Eijndige]

Pentekening met strakke lijnen van drie puppy's die elk aan een ledemaat van een lappenpop met een geruite jurk trekken. De vierde pup zit ernaast met de hoed van de pop in zijn bek.
Puppy’s spelend met een lappenpop, C. Goes, ca. 1900-1940. Collectie Rijksmuseum.

Kindergroeten en de ridderschap

Tijd om de brief af te sluiten met de groeten van de kinderen. Eigenlijk krijgt Godard Adriaan de groeten van Frits, Godertje en hun zussen, verschil moet er zijn. Tot slot het laatste nieuwtje dat Godard Adriaan waarschijnlijk al via een andere bron gehoord had: neef Hendrik Adriaan van Reede van Drakestein is lid geworden van de ridderschap. Kasteel Drakestein was na het overlijden van Hendrik Adriaans broer Gerard al verkocht vanwege schulden. Hendrik heeft de Utrechtse ridderhofstad Mijdrecht aangeschaft, waarmee hij beleend wordt. Met een ridderhofstad, een adellijke achtergrond en voldoende geld kon je toetreden tot de ridderschap.

Brieffragment met groeten en Hendrik in de ridderschap

versoeck geefven, waermeede Eijndige
blijfve

Mijn heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijff
M Turnor

frits godert
en haer susters
preesenteere
haer ootmoedige
dienst aen uhEd
dat ons Neef henderick van reede voorleede
maendach sesie int lidt van ridderschap
tot wttrecht heeft genoome sal uhEd hebbe
verstaen

In een vierkante gracht ligt een vierkant eiland met aan twee kanten bomen. Op het eiland een toren met een zadeldak waaraan een gebouw van één verdieping met twee zadeldaken gebouwd is. Op de achtergrond de kerktoren van Mijdrecht.
Het Huis te Mijdrecht, anoniem, ca. 1660-1670. Collectie Het Utrechts Archief.
  • 1
    Hamei: Buitenpoort, voorpoort
  • 2
    Beneficeren: begunstigen
  • 3
    Inclineren: neigen
  • 4
    Speculatie: bespiegeling, beschouwing
  • 5
    Declineren: afwijzen

Hortus Malabaricus

In de periode dat Margaretha en haar man in Amerongen steen voor steen hun kasteel weer opbouwden, was aan de andere kant van de wereld een achterneef van Godard Adriaan bezig met de opbouw van een misschien wel nog indrukwekkendere nalatenschap. Maar dan wel in een hele andere tak van sport: de botanie.

Een tak met grote bladeren en kleine rode vuchten.
Nati Schambu (Syzygium malaccense, Djamboe bol) uit de Hortus Indicus Malabaricus (Vol. 2), naar Pietro Foglia, 1678-1703. Collectie Minnealpolis Insitute of Art.

Hendrik Adriaan van Reede (1636-1691)

Hendrik Adriaan van Reede tot Drakestein was de jongste van de vele kinderen van Godard Adriaans achterneef Ernst van Reede tot Drakestein. Hij was een broer van Carel van Reede van Drakestein, opperschenker van de keurvorst, die overleed toen Godard Adriaan in Berlijn was. Vóór zijn vijfde verjaardag waren allebei zijn ouders al overleden, en als tiener ging hij naar zee. Hij verdiende zijn sporen bij de VOC, toen die in de jaren zestig stukje bij beetje Ceylon (Sri Lanka) en de westkust van India veroverde op de Portugezen. In 1669 werd hij commandeur van Malabar, dat grotendeels samenvalt met de huidige Indiase deelstaat Kerala. Geen gemakkelijke klus, want enerzijds moest hij voor de compagnie zorgen voor zo snel mogelijk veel winst, maar anderzijds probeerde hij ook lokale vorsten te vriend te houden. Ondertussen was de onderlinge rivaliteit tussen de regionale VOC-dienaren groot. Gelukkig had hij ook een hobby.

Voor een gordijn met op een achtergrond een wijds uitzicht staat een man met een grote krullenpruik. Hij draagt een harnas met een jabot en een degen aan een riem om zijn middel. In zijn rechterhand heeft hij een maarschalkstaf en daarmee rust hij op een tafeltje. Onder het portret de zestienkwartieren van zijn voorouders.
Portret van Hendrik Adriaan van Reede Tot Drakestein, Pieter van Gunst, 1689. Collectie Rijksmuseum

Lokale kennis

Hendrik Adriaan had grote belangstelling voor de enorme diversiteit aan inheemse plantengroei die hij overal om zich heen zag. Bij zijn residentie in Cochin liet hij een grote botanische tuin met allerlei planten uit de omgeving aanleggen. Om zowel zijn verzameling als zijn kennis uit te breiden organiseerde hij op regelmatige basis plantenexpedities door zijn eigen streek en aangrenzende gebieden. Daarbij had hij hulp van lokale geneesheren, die over de kennis van vele generaties beschikten, en van een Italiaans pater.

Gezicht op de stad Cochin, aan de kust van Malabar. Gezien van de zee, rechts een Hollandse koopvaarder, op de voorgrond enkele roeiboten. Bovenaan de plaatsnaam Couchyn.
Gezicht op Cochin aan de kust van Malabar in India, Johannes Vinckboons (toegeschreven aan), 1662-1663. Collectie Rijksmuseum.

Dat was niet alléén uit pure wetenschappelijke interesse of liefhebberij. Ook voor de VOC lagen hier kansen. Terplekke gebruik maken van medicinale planten is tenslotte een stuk efficiënter, dan dure medicijnen uit Europa laten komen. Die zijn immers feitelijk uit de zelfde ingrediënten gemaakt, maar zijn dan jaren oud door de reis via Arabische handelsroutes de andere kant op. En wie weet zat er winst in exploitatie van nog onbekende toepassingen van onbekende planten.

Uiteindelijk zou Hendrik Adriaan alle verzamelde informatie op schrift laten stellen en mét afbeeldingen in een grote 12-delige planten-encyclopedie in Nederland publiceren genaamd Hortus Indicus Malabaricus.

Drie talen

Zover was het nog niet toen Hendrik Adriaan in 1676 de slangenkuil van elkaar zwartmakende en frauderende VOC-dienaren ontvluchtte en naar Batavia vertrok. Het manuscript voor het eerste deel was wel al per schip onderweg naar Nederland, en in Batavia werkte hij samen met anderen aan de volgende delen. Toen hij in 1678 Amsterdam binnen voer, was het eerste deel net verschenen.

Tekening van een tak met doornige zijtakken met blad en daaraan bloemen en bessen. Rechts in de bovenhoek de namen in latijns schrift en aziatische handschriften.
Mail-anschi (Lawsonia inermis, henna), Joannes Commelin, 1678. In: Hendrik van Reede van Drakestein, Hortus Indicus Malabricus Vol. 1, 1678. Rechts boven de naam van de plant in het Latijn, Malayalam, Arabisch en Sanskriet.

Bij de afbeeldingen stonden de namen van de planten in drie talen: Latijn, Bramaans en Malayalam, de taal die aan de westkust van India gesproken werd. Als extraatje stond de Malayalamse naam ook nog eens in het Arabisch genoteerd. Als waarborg van echtheid en het wetenschappelijke gehalte schreven de vier belangrijkste meewerkende arts-plantkundigen, Itty Achudan, Appu Bhatt, Ranga Bhatt en Vinayaka Pandit, eigen voorwoorden in het Bramaans en Malayalam1J. Woodward, Hortus Malabaricus: A Botanical and Linguistic Treasure – Magdalen College. De eerste twee delen droeg Hendrik Adriaan op aan hoge VOC-bestuurders, maar de derde aan de eigen koning van Cochin.

Op een troon zit een vrouw (ceres?) met een hark in haar hand. Rechts van haar presenteren Afrikaanse jonge mannen verschillende planten.
Ontwerp voor het titelblad van ‘Hortus Indicus Malabaricus’, deel III, van H.A. van Rheede tot Draakesteyn, Gerard de Lairesse, 1673-1678. Collectie Rijksmuseum.

Heer van Mijdrecht

Gedurende zijn verblijf in Nederland verwierf Hendrik Adriaan de heerlijkheid Mijdrecht en kreeg daardoor het recht om zitting te nemen in de Staten van Utrecht. Zou hij zijn Amerongse achterneef vaak ontmoet hebben? We weten het niet, maar het vijfde deel van de Hortus Malabaricus, dat verscheen in 1685, is opgedragen aan Godard Adriaan. Andere delen zijn ook opgedragen aan (aangetrouwde) familieleden, waaronder… neef Welland.

Meer uit te wisselen had Hendrik Adriaan met Joan Huydecoper, de kleurrijke eigenaar van huis Goudestein in Maarssen. Deze stads- en VOC-bestuurder was mede-oprichter van de Hortus Botanicus in Amsterdam, die in 1682 opende. Het contact met Hendrik Adriaan zou de Amsterdamse Hortus in later jaren veel nieuwe planten opleveren.

Enkele mannen bestuderen planten aan een tafel. De oude zittende man schrijft in een boek. Rechts draagt een man een mand met planten. Door de ramen zicht op een tuin en een landhuis.
Botanicus, Cornelis Ploos van Amstel naar Gerbrand van den Eeckhout, 1779. Collectie Rijkmuseum.

De laatste reis

Hendrik Adriaan vertrok in 1685 weer voor de VOC richting India. Hij moest orde op zaken gaan stellen in vestigingen waar meer voor eigen gewin werd gehandeld dan voor de compagnie. Een hoofdpijndossier, waarbij hij tenslotte in 1691 door ziekte werd geveld en het loodje legde. Aan boord van zijn schip overleed hij, overigens in hetzelfde jaar als Godard Adriaan. Zijn geadopteerde dochter Francine regelde een vorstelijke begrafenis in Surratte, waar zijn schip naar op weg was geweest.

De begrafenis van Hendrik Adriaan Baron van Rheede tot Drakestein te Surat ijn India, januari 1692. Begrafenisstoet buiten de stad met een lijkwagen getrokken door vier ossen. Erboven staat: Lyk-Statie van de Heer Hendrik Adriaan van Rheede, Heer van Meydrecht, etc. Gestorven den 15 December 1691 en ter Aarde bestelt op Suratte in Januari 1692
Begrafenis van Hendrik Adriaan van Rheede tot Drakestein, 1692, Jan Luyken, 1692-1693. Collectie Rijksmuseum.

Nalatenschap

De afwikkeling van de erfenis had voor Francine nog een vervelend staartje. Terug in Nederland wilde ze, zoals haar vader in zijn testament had vastgelegd, een legaat van 2000 gulden overmaken aan de kleinkinderen van diens overleden zus Agnes. Helaas… Wie kruiste haar pad als voogd voor de kleinkinderen, en eiste voor hen de vollédige erfenis (ca. 50.000 gulden plus Mijdrecht) op? Juist…, neef Welland. Het eindigde ermee dat de kleinkinderen door het Hof van Utrecht in 1697 het huis te Mijdrecht toegewezen kregen, mét bijbehorende titel, en Francine haar vaders geld. Met haar man Anthony Karel van Panhuysen kocht ze in 1699 Huis te Vliet in Lopikerkapel, waar ze tot haar dood in 1731 zou wonen2Heniger, J. Hendrik Adriaan Van Reede Tot Drakenstein (1636-1691) And Hortus Malabaricus (Rotterdam 1986), p. 87-90.

De meest duurzame en waardevolle erfenis is natuurlijk de Hortus Malabaricus gebleken. Linaeus gebruikte het als basis voor de naamgeving van Zuid-Aziatische planten in zijn classificatiesysteem en tot ver in de negentiende eeuw bleef het een referentiewerk voor botanici. In 2009 leidde de Engelse vertaling in zuid India tot de herontdekking en herwaardering van de lokale plantenkennis die de oorspronkelijke bron is geweest3R. Shetty, Hortus Malabaricus: How the garden of Malabar travelled the world | Garland Magazine. Op Kasteel Amerongen is helaas geen exemplaar van het boek aanwezig.

Ingekleurde gravure van een tak met daaraan een grote witte kelkbloem en twee kleinere, groene, stekelige vruchten. In de rechterbovenhoek de naam in vier handschriften.
Hummatu (Datura Metel) uit de Hortus Indicus Malabaricus (Vol. 2), naar Pietro Foglia, 1678-1703. Collectie Minnealpolis Insitute of Art.

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema door Anders Norén