Een leger in de 17de eeuw was toch wat anders dan een leger nu. Om de verhalen over Van Ginkel, het Rampjaar en de Glorious Revolution te kunnen volgen, is het goed om je een beetje te verdiepen in de legeronderdelen, de leiding van het leger en wat voor functies (jonge) adellijke heren hadden.
De organisatie van het leger
Het leger bestaat uit infanterie (voetvolk), cavalerie (ruiters) en artillerie (kanonnen en ander zwaar geschut). Zowel de infanterie en cavalerie zijn onderverdeeld in regimenten, permanente administratieve eenheden en bataljons, tactisch zelfstandige eenheden. Vaak bestond één regiment ook maar uit één bataljon: de termen worden dan ook soms door elkaar heen gebruikt. Bataljons waren dan weer onderverdeeld in compagnieën. De hoeveelheid mannen die in een bataljon zat varieert sterk, vaak ook omdat het lastig was om genoeg soldaten te werven om een bataljon volledig te vullen.

Buitenlandse soldaten
Ongeveer de helft van alle soldaten in het Staatse Leger kwam niet uit de Republiek. Buitenlandse huurlingen werden aangenomen om de infanterie of cavalerie aan te vullen. Hoge posities in het leger worden soms gegeven aan leden van de buitenlandse adel. Jean Barton de Montbas, bijvoorbeeld, was een Franse markies die in Staatse dienst benoemd werd tot commissaris-generaal. En Johann Bernard Prott vocht bijvoorbeeld eerst vóór de bisschop van Münster en later tegen hem.
De generale staf
De hoogste leiding van het Staatse Leger is de generale staf. Deze hoge officieren zijn aanwezig bij vergaderingen van de krijgsraad en nemen de belangrijkste besluiten. De opperbevelhebber van het leger is de kapitein-generaal der Unie, Prins Willem III van Oranje. De kapitein-generaal is in dienst van de Staten-Generaal. Op gelijke voet met hem staan dus de gedeputeerden te velde. Dit zijn afgezanten van de Staten-Generaal die toezien op de kapitein-generaal. De gedeputeerden staan Willem III ter zijde met advies en mogen in geval van nood de beslissingen van Willem III overstemmen of zelf het commando overnemen. Tijdens het Rampjaar zijn er zes gedeputeerden te velde. Dit zijn onder anderen de heren Jasper Schade van Westum, Hiëronymus van Beverningh en Adolph Hendrik Ripperda.
Onder de kapitein-generaal vindt men de veldmaarschalken. In het Stadhouderloze Tijdperk, toen er ook geen kapitein-generaal was, was dit de hoogste rang in het leger. Johan Maurits van Nassau-Siegen, Georg Frederik van Waldeck-Eisenberg en Paulus Wirtz, baron van Ornholm vervullen deze rol tijdens het Rampjaar.


Aansturing van de legers: de generaals
Onder de veldmaarschalken komen de generaals. Deze sturen de legers aan. In Margaretha’s brieven komen we titels tegen als luitenant-generaal, commissaris-generaal en generaal-majoor. Wat die titels precies inhouden is niet helemaal duidelijk omdat het leger niet zo georganiseerd is als een modern leger. Ook betalen de gewesten vaak zelf voor troepen en benoemen ze soms zelf personen in bepaalde functies. Voor de generaals zelf waren de verhoudingen wel duidelijk en daar konden ze onderling nogal over kibbelen.
Onder de generaals tijdens het Rampjaar vinden we:
- Ludolf van Steenhuizen: luitenant-generaal
- Walrad van Nassau-Usingen: luitenant-generaal
- Johan van Welderen: luitenant-generaal
- Jean Barton de Montbas: commissaris-generaal
- Frederik van Nassau Zuylestein: generaal van de infanterie
- Graaf de Louvigny: generaal van de cavalerie

Lage officieren
Wanneer we kijken naar de rangen onder de generale staf wordt een zekere hiërarchie duidelijk. De kolonel heeft het commando over een regiment. Dit is de positie die Godard van Reede – Ginkel heeft in 1672. Onder de kolonel komt de luitenant-kolonel, de vervanger van de kolonel wanneer deze niet tot leiden in staat is. Daarna komt de majoor.
Aan het hoofd van een compagnie staat de kapitein (bij de infanterie) of de ritmeester (bij de cavalerie). De kapitein werft troepen, betaalt de soldij uit en neem veel andere alledaagse taken waar. Indien de kapitein afwezig is neemt de luitenant voor hem waar. De derde officiersrang in een compagnie is de vaandrig (infanterie) or de kornet (cavalerie), de vaandeldragers. Vaak is dit de officiersrang die een adellijke jongeman krijgt wanneer hij begint in het leger.
Andere rangen
Voor het dagelijks reilen en zeilen van een compagnie zijn ook een aantal andere rangen ingesteld. De wachtmeester of schrijver heeft de functie van secretaris of assistent van de officieren. De zoetelaar is geen militair maar een burger, die zorgt voor de bevoorrading van de troepen. De tamboer (infanterie) or de trompetter (cavalerie) geeft bevelen aan met hun instrument en dient ook vaak als boodschapper wanneer met de vijand gesproken moet worden. De sergeant drilt de troepen en tenslotte geeft de korporaal leiding aan kleine groepjes soldaten.










