Mijn heer en lieste hartge

Tag: Onverwacht bezoek

Het werk gaat voor!

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 10 februari 1680 Amerongen
Ontvangen Godard Adriaan van Reede 19 februari 1680
Lees hier de originele brief

Margaretha is nog steeds niet zeker van de postbezorging. Voor het geval er een brief van Godard Adriaan nog niet is gearriveerd, meldt ze even voor de zekerheid: de laatste brief die ze van hem heeft is nog steeds die van 24 januari. En ze hoopt dat alles in orde is.

Onverwachte gasten

Bij haar thuiskomst in Amerongen vond ze haar schoondochter met twee gasten, Vincent Adolph van Baer, heer van Brandsenburg, en zijn vrouw, Hendrina Schimmelpenninck van der Oye. Nu was Vincents eerste vrouw, Anna van den Boetzelaar, een nicht van Godard Adriaan. Het drietal was van plan om de volgende dag via Soestdijk een uitstapje naar Amsterdam te maken en ze willen graag dat Margaretha mee gaat. Maar Margaretha heeft haar eigen plannen, ze gaat niet mee. Op de terugreis zijn ze weer welkom.

Brieffragment uitstapje naar Amsterdam

[selfve en alt sijn wel is,] voorleedene dijnsdach
hier met de heer van ginckel koomende vondt
ick hier de heer en vrou van bransenburch met
de vrou van ginckel die noch hier sijn en merge
over soesdijck naer Amsterdam voor Eenen
dach wille gaen hadde gaerne dat ick meede
ginck, dan meene niet nee te gaen salse hier weer
in wachte, [en laete toekomende maendach Een]

Voor een huis met hoge ramen en luiken stopt een koets. Een man laat een vrouw uit de koets. Voor de koets staat een chique vrouw met een zwarte huik, een rode rok en witte kraag met een waaier in haar hand te wachten. Achter haar speelt een meisje met een hond. Op de trap naar de deur staat een oude man in het zwart. Hij heeft zijn hoed in de hand. Achter de koets buigen twee mannen naar elkaar. Op de voorgrond een paar kalkoenen en een haan.
Aankomst bij een landhuis, Gesina ter Borch, ca. 1661. Collectie Rijksmuseum.

Wagens, zand en modder

Komende maandag wil Margaretha verder met het werk. Ze wil extra wagens laten komen om zand te rijden. Ze wil grond afgraven bij de ‘voorste brug’, zoals Godard Adriaan heeft besloten, en die grond moet afgevoerd worden. De aarde uit de boomgaard is ook nog niet weg vanwege het weer, de wegen waren een modderpoel en daar kom je met paard en wagen niet door. Maar nu worden de dagen weer langer en Margaretha wil haar tijd goed gebruiken!

Brieffragment kwaliteit van de weg door het weer

[vandoen sal hebbe,] de aerde wt het boogaert
=ge hebbe noch niet konne laete afrijde doort
nat en vuijl weer de wech is te diep daer
kan onmoogelijck geen kar door, tis hier
alledaech seer vuijl en nat weer hebbe
weijnich vorst of naulijcks geen gehadt,

In een heuvelachtig landschap is een ingespannen paard tot zijn borst weggezakt in het water. Achter de wagen staan twee mannen te duwen, een derde man probeert het paard van de zijkant omhoog te duwen, een vierde man heeft het paard bij de leidsels en een vijfde man staat klaar om met een stok te slaan. Een tweede paard staat los naast de scene met het ingespannen paard en kijkt de andere kant op.
Landschap met een in het water vastgelopen wagen die door een groep mannen op de kant gehesen wordt, Jean Théodore Joseph Linnig, 1825-1891. Collectie Rijksmuseum.

Baantjesjacht

Ondertussen wordt er met smart gewacht op brieven van Godard Adriaan. Carel Valckenaer, de heer van Dukenburg, heeft hem al twee brieven geschreven over de kwestie van het ambt van rekenmeester, Margaretha heeft dat al eerder aan Godard Adriaan geschreven. Everard Becker was gisteren op bezoek en vertelde dat procureur-generaal Abraham van Wesel op sterven ligt en dat sommige mensen de prins al hebben gevraagd om dat ambt. Becker heeft daar zelf ook al over aan Godard Adriaan geschreven. En o ja, nog een laatste nieuwtje uit Utrecht. Daar was grote paniek door het nieuws over een uitspraak van de Franse koning, er waren zelfs mensen op de vlucht geslagen.

Brieffragment stervende Van Wezel

[doen,] den avokaet becker die gistere
met rentmeester vande domeijne hier was
seijde dat de prockereur generael weesel seer
verswackte en geen hoop van leefven hadt
datter ock waere die sijn hoocheijt om dat
Amt al aenspreecke, hij meent vande nomina
esi verseeckert te sijn, [heeft uhEd met de]

Vanitasvoorstelling: allegorie op de vergankelijkheid van het menselijk leven. Een rijk man zit in een vertrek, omgeven door zijn bezittingen, in gepeins verzonken. Zijn rechtervoet steunt op een doodskist. Schuin achter hem loert de Dood in de gedaante van een skelet, met gevleugelde zandloper in de hand, door een venster naar binnen. Op de grond een doodshoofd. Aan de muur een klok. In twee cartouches bijbelteksten die betrekking hebben op de komst van de dood en de betrekkelijkheid van al het aardse. Onder voorstelling bijbelcitaten die verwijzen naar de dood. Boven de voorstelling een citaat uit Lukas 12:20 dat verwijst naar de parabel van de rijke man, waarin wordt gewaarschuwd tegen het najagen van aardse rijkdom. Prent is gedrukt van twee blokken op twee bladen papier, aan elkaar bevestigd.
De rijke man en de dood, monogramist A.I., 16e eeuw. Collectie Rijksmuseum.

Kindervreugde

In haar vorige brief schreef Margaretha al dat ze de nieuwjaarsgeschenken voor de kleinkinderen had ontvangen, ze zaten ingesloten in de brief van 24 januari. Maar ja, toen was ze in Utrecht, dus ze kon nog niet vertellen hoe de kleinkinderen hadden gereageerd. Dat kan ze nu wel: er is duidelijk een gejuich opgegaan onder de jeugd! Ze belooft dat Fritsje en Anna zelf een bedankbriefje zullen schrijven. Blijft toch even de vraag wat de kleinkinderen met het geld zullen doen. Nieuw speelgoed kopen? Bij de snoepwinkel langs?

Afsluiting en PS kleinkinderen

[schrick wat over,] hoope dat godt ons voor
swaericheijt sal bewaere, in wiens bescher
minge uhEd beveelle blijfve

Mijn heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijff

hier is wtermaete
vreuchde met de nieuweijaere
onder onse jonckheijt geweest
met de naeste post sal frits
en Anna groote papa bedancke

Kinderkamer met drie vrouwen, waarschijnlijk moeders en geen kindermeiden. De vrouw links leert een kind lopen. De vrouw in het midden zit op een stoel en geeft haar kind de borst. De rechter vrouw heeft een kind op de arm. Twee van de kinderen dragen een valhoedje, een gevoerd hoofddeksel dat hen moest beschermen als ze vielen. Op de achtergrond staat een wieg, één kind speelt met een wagentje aan een touw, een ander heeft een stokpaard.
Kinderkamer met drie vrouwen en kinderen, Gesina ter Borch, ca. 1660 – ca. 1661. Collectie Rijksmuseum.

Een schoon gebouw

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 13 november 1676 Amerongen
Ontvangen Godard Adriaan van Reede 19 november 1676
Lees hier de originele brief

Margaretha is naar Utrecht geweest om de financiën te regelen. Kennelijk wordt Godard Adriaan betaald door zowel de Staten van Utrecht als door de Ridderschap. Van de Staten van Utrecht hebben ze nog een kwart jaarsalaris tegoed en bij de Ridderschap een heel jaarsalaris. Alleen is bij die laatste voor kerstmis niets te verwachten.

Brieffragment geld tegoed

Ameronge den
13 Novem 1676
[rec 19. dito]
Mijn heer en lieste hartge

ick ben twee dage tot wttrecht geweest om te sien
of daer Eenich gelt weegens uhEd tracktement
bij de staete daer ons maer Een vierendeel
ijaers staet te ontfange, en bij de heere Edele
daer ons nu Een vol ijaer goets is, was te
bekoome, maer te vergeefs, bij de Eerste sal
in korte wel gelt sijn, maer bij de ridder =
schap is niet voor in ijanwa of naer kors =
=mis te verwachte, [de heer van schoonouwe]

Afbeelding van het wapenschild van de provincie Utrecht voor een gekruiste bisschopsstaf en een zwaard en bekroond door een mijter. Daaronder een cartouche met de titel.
“Het Neder Sticht van / UTRECHT / bestaet uyt dese drie Leden / Het 1e. Uyt acht Gecommitteerde van de Vijf Capittelen, / Het 2e. Uyt de Edelen ofte Ridderschap, / Het 3e. Uyt de Regeerders der Vyf Steden, / maeckende te samen de Opperhoocheyt deser Provintie, welcker / namen en wapenteeckenen alhier werden vertoont.”, anoniem, 1650-1670. Collectie Het Utrechts Archief.

Bender in en moeter mee deur

Nu de nok op het dak zit, zijn er dakgoten nodig, dus Margaretha moet het lood kunnen betalen. Ze heeft een lening moeten nemen met de obligatie als onderpand. Het is heel vervelend, maar ze is er nu in en moet er dus mee door.

Eerste brieffragment lening
Tweede brieffragment lening

mij Eenich te geefve, daer bij deese ockasie
dat het huijs nu onder dack moet ick niet
naer kan wachten, want het loot moeter

sijn en pront betaelt worden, daer om dan ge –
nootsaeck ben geweest de som van twee duij
sent gul te neegoosgeere daer toe last heb
gegeefve en sal weer Een oblijgasi van
drij duijsent gulde in ostadie moeten gaen
het doet mij wel leet maer bender nu in
en moeter mee deur, [het doet mij te lee]

In een ruimte met een gewelfd plafond staat een grote toonbank, waarachter meerdere mannen staan. Aan de muur planken met daarop papieren. De toenbank staat vol met allerlei goeden, in de ruimte staan mensen te wachten. Een man met een hond legt iets op de toonbank.
Bank van lening, Willem de Keyser, 1657 – 1692. Collectie Rijksmuseum.

Oeps

Inmiddels heeft ze echter een brief van Godard Adriaan gehad, waarin hij expliciet zegt dat ze geen lening af moet sluiten. Het is natuurlijk niks voor Margaretha om niet naar haar man te luisteren. Dus nu doet het haar leeder dan leed. Er lag nog 1000 gulden bij Temminck, maar daar zou ze niet genoeg aan hebben. Bovendien is er hout vanuit Anholt onderweg en dat moet in Hamburg betaald worden. Temminck stuurt het geld naar Godard Adriaan, dus als Margaretha die 1000 gulden op zou maken, zou Godard Adriaan niets krijgen.

Brieffragment over de brief van Godard Adriaan

[en moeter mee deur,] het doet mij te lee
=der om dat ick wt uhEd aengenaeme
vande 7 deeser die heede eerst heb ontfange sien deselfve niet garen had
ick meer geltop die oblijgasie nam, dien
brief quam wat te laet ock kost ick met
de duijsent gul die onder teminck
leijt niet toe, en sal uhEd die niet konne
misse, so wij het ten holtse hout noch
te verwachte hebbe sal te hamburch
weer gelt moeten sijn, [so ick den]

Vergeelde foto met links een zeilschip met diverse masten en heel veel touwen. Het schip ligt met zijn spiegel naar de kade, aan de rechter kant ligt een loopplank. Rechts op de kade liggen gezaagde boomstammen opgestapeld. Op de achtergrond zie je vaag de haven, de kade is verhard met kasseien.
Aangemeerd schip en een lading boomstammen, anoniem, 1880 – 1920. Collectie Rijksmuseum.

Steenhouwer

Kennelijk heeft Godard Adriaan ook geschreven dat hij een steenhouwer uit Bremen naar Amerongen heeft gestuurd. Margaretha heeft nog niets van hem vernomen, maar als hij er is, zal ze alles met hem, Schut en Rietvelt overleggen. Ze zegt het niet hardop, maar waarschijnlijk hoopt ze dat dat een deel van de verwarring zal oplossen.

Eerste brieffragment steenhouwer
Tweede brieffragment steenhouwer

[weer gelt moeten sijn,] so ick den
steenhouder van breeme gesonde
verneeme noch niet sal hem ver
wachte, hierkoomende sal allesmet

hem schut die weer hier is en rietvelt over
legge, [gistere naer middach weer hier]

Verrassing!

Toen Margaretha terug kwam uit Utrecht, wachtte haar en verrassing. Ze trof niemand minder dan Zijne Hoogheid de prins van Oranje die haar bouwplaats aan het bewonderen was. Nog een geluk dat Margaretha haar Visbach bij de zieke Godertge thuis gelaten had. Ze had pas om tien uur geweten dat de prins met een klein gevolg zou komen en had hem toch een goede maaltijd voor gezet. Met zijn volle buik was hij het kasteel in aanbouw aan het bekijken en hij herhaalde maar dat het een zeer schoon gebouw is…

Brieffragment over de prins van Oranje

legge, gistere naer middach weer hier
koomende vont ick sijn hoocheijt, die smid
=daechs hier inhuijs had gegeeten niemant bij
hem hebbende als bentin1Hans Willem Bentinck ouwerker
=cke2Hendrik van Nassau Ouwerkerk en twee graefges van van nassou
het kleijne graefge met sijn broedert
het was geluck dat ick visbach
bij godertge had thuijs gelaeten, die
van sijn hoocheijts komste niet voor
smergens te tien Euren had geweeten
ick vont hem opt werck dat hij wel
door sach en seijde hem heelwel aente
staen reepeteerende wel 2 a 3 mael
dat het Een seer schoon gebou is, [hij]

Op een koffiebruin paard dat zijn knieën hoog optrekt zit een lange slanke man fier rechtop. Hij heeft lange krullen, droevige ogen en een grote neus. Hij draagt een zwarte hoed met witte veren. Een bewerkte jas en lange zwarte laarzen.
Stadhouder Willem III te paard naar links, anoniem, 1688 – 1698. Collectie Rijksmuseum.

Ontslag

Margaretha heeft zoveel pijn aan haar tanden dat het haar niet lukt om verder te schrijven. Gelukkig weet ze er nog wel een naschrift uit te persen met wat positief financieel nieuws: ze kan de metselaars ontslaan zodra de scheidbogen in de kelder klaar zijn! De dagen worden korter, dus ze doen steeds minder terwijl de daghuren gelijk blijven. Ach, en Voetius is overleden…

Tandpijn metselaars en voetsius

Eer hij van hier reedt en heel quaet weer, nu moet ick
dees Eijndige heb sulcke pijn in mijn tande
dat niet weet waer mij berge sal kan de pen
niet langer voeren blijf

uhEd getrouwe wijff
MTunor

met dit quaet weer
en korte dagen So haest de scheijt
booge geslage sijn
sal de metselaers kasseere want sij
bedrijfven weijnich
en de dachhueren
gaen om de reeckenine
loopen hooch

den heer voetsius
is is overleeden was
88 ijaeren out

Borstbeeld rechts in toga in ovaal. Een oudere man met een hoge voorhoofd en mutsje waar dunne krullen onderuit komen. Hij heeft een rechte neus, priemende ogen en een strakke mond.
Portret van Gijsbert Voet (1589-1676) hoogleraar in de theologie aan de Utrechtse hogeschool (1634-1676) Kopergravure van Joannes van Munnickhuysen, eind 17de eeuw, naar een schilderij van Nicolaas Maes uit ca.1665. Collectie Het Utrechts Archief
  • 1
    Hans Willem Bentinck
  • 2
    Hendrik van Nassau Ouwerkerk

Recente reacties

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema door Anders Norén