Margaretha is al helemaal gewend aan de nieuw gehanteerde kalender; ze noteert nog slechts één datum bovenaan haar brief. Waar ze haar vorige brief nog met de Duitse post heeft gestuurd, kiest ze nu weer voor de diensten van Franco Bisdomer. Veel heeft ze echter niet te vertellen, dus het wordt een relatief korte brief.
Ameronge den 8 deesem 1679 Mijn heer en lieste hartge uhEd meesiefve vande 27 novem wt minde heb ick voorleedene dijnsdach met de duijtse post noch beantwoort, nu gaet dees weer met bisdomer[, het grauwe koetspaert]
Het paard waar Margaretha al een aantal keer over geschreven heeft, is inmiddels van Utrecht naar Amerongen gebracht. Volgens ‘de meester’, vermoedelijk de stalmeester, zou het paard best op reis kunnen. Maar Margaretha is het niet eens met zijn oordeel; het been van het dier is nog hartstikke dik en gezwollen. Ze denkt dat het geen goed idee is. Conform de wens van haar echtgenoot, houdt ze het dier voorlopig in Amerongen en laat ze het zo goed mogelijk verzorgen.
[met bisdomer,] het grauwe koetspaert is van wttrecht hier gebrocht en hoewel beuse kom schrijft dat de meester die daer over gegaen heeft seijt dat men het sou konne versende so weet niet oft bequaem is want het been noch seer dick en geswolle met doecke bewonden is, ick salt vol gens uhEd ordere hier houde en so veel laete koestere als doenlijck sal sijn
Margaretha hoopt dat Godard Adriaan bijna op zijn bestemming is aangekomen; ze hoopt snel te horen of hij inderdaad in Berlijn is gearriveerd.
[en verswackt seer,] ick hoope uhEd nu sijn swaerste reijs sal voltrocken hebbe ende nu haest te berlijn sijn het welcke ver lange te hoore[, hier konne wij met dit vochte]
Door het natte weer is de grond te drassig om aarde uit de boomgaard te vervoeren. Gelukkig konden de metselaars wel aan de slag; ze zijn nu begonnen aan de vloeren in de kelder onder de voorburcht. Waarschijnlijk is dit werk aanstaande dinsdag klaar. Vervolgens zullen ze beginnen aan het aanleggen van de riolering in het brouwhuis, de stal en het washuis. Het in één zin noemen van het brouwhuis, de stal en het washuis, is niet zo vreemd. Op landgoederen werden de ruimtes voor het brouwen van bier en het wassen van kleding en overig textiel vaak onder hetzelfde dak gebouwd. Ze hadden immers vergelijkbare voorzieningen nodig: veel water, grote kuipen, kookketels en een stookplaats.
[lange te hoore,] hier konne wij met dit vochte weer niet noch geen Aerdt wt den boogaert rijden, de metselaers sijn aent legge
vande vloere inde kelders ondert voorburch daer geloofve dats en dijnsdach toekoome nde sulle gedaen hebbe, en dan aent maecke van reeijoolle1riolen int brouhuijs de stal ent washuijs gaen[, daermee]
Joan Carel Smissaert heeft wederom een brief gestuurd. De sollicitant wil graag weten of hij nog kans maakt op de felbegeerde positie van rekenmeester. Margaretha zal zijn brief doorsturen aan Godard Adriaan, zodat hij kan bepalen of hij Smissaert de positie gunt of niet. Laat het maar weten, schrijft Margaretha, dan regel ik de rest wel.
hier meede neffens gaen Een meesiefve vande heere smitser die seer verlanckt te weeten of hij noch hoop tot het bewuste Amt heeft, versoecke mij maer door Een letterken te schrij hoet daer meede bij uhEd leijt salt naer deselfs gevalle wel meenaes geer, en blijf
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff MTurnor
Godard Adriaan is weer vertrokken. Bij zijn tussenstop in Middachten heeft hij Margaretha al geschreven, maar nu is hij écht weg. Margaretha begint met een korte reactie op zijn brief: de brief van Temminck in de bijlage maakt duidelijk waarom hij niet reageerde op de eerdere brief van Godard Adriaan en Margaretha verwacht secretaris Doorslagh morgen met het geld uit Utrecht. Kennelijk hoeft Margaretha er niet aan te wennen dat haar man er niet is, het is gelijk ‘business as usual’.
[rec. a Bilefelt. den. 24. 9ber] Ameronge den 11 Novem 1679
Mijn heer en lieste hartge
uhEd aengenaeme van Middachte op deselfs vertreck geschreefve heb ick ontfange, wt dees neefens gaende sal uhEd sien doorsaeck waer= =om teminck uhEd schrijfvens niet Eer heeft beantwoort, het gelt verwachte ick deesen avont met de seeckreetaris deurslach die naer wttrecht is, [ijan prang die de hartstee]
’t Huis Middagten van vooren door de voorpoort te zien, Hendrik Spilman, naar Jan de Beijer, 1745 – 1792 (fragment van twee afbeeldingen van Middachten). Collectie Rijksmuseum.
De steenhouwer
Ook al zijn we twee jaar verder dan de laatste brief: de steenhouwers en metselaars zijn nog steeds bezig. Jan Prang lijkt nog steeds dekstenen voor de schoorsteen te hakken, alleen zijn ze nu voor de schoorstenen van een de paviljoens. Daarnaast heeft hij de goten van de brug gedaan en hij heeft de kommen om de pijpen van de fonteinen neergelegd. Het enige dat hij nog moet maken, is de deksteen voor de schoorsteen van het tweede paviljoen, maar dat gaat hem niet lukken. Het weer is zo slecht dat hij terug wil naar Bremen. Waarschijnlijk voor het echt winter wordt, want dan wordt reizen zwaar. Er was in de zeventiende eeuw nog maar hier en daar een enkel stukje weg geplaveid. Met regen werd het dus een modderboel en als het dan ging vriezen dan was de weg een keihard kraterlandschap.
[naer wttrecht is,] ijan prang die de hartstee tot de Eene pavelijoen tot de schoorsteen ge daen en gereet heeft, alsmeede de goote op de bruch gehouwe, de kome omde pijpe vande vonteijne heeft hij loos geleijt, so dat aen sijn werck niet meer resteert alst hartseen tot de tweede pavelijoen op die schoorsteen, die hij ongedaen moet laete derfvende doort harde weer niet langerhier blijfve, is van meenin merge te vertrecke ick sal hem be= taelle en dan laete met sijn volck gaen
De kom die om de pijp van de fontein zit in het onderhuis van het kasteel. Bovenop de kom ligt perspex waarop de bloemen staan, eigen foto.
De metselaars
Ook de metselaars zitten niet stil. Zij zijn met de pilaren bij de brug bezig, de nissen daarin vullen ze met kalk uit Segeberg (Duitsland). De kalk die daar vandaan komt, is eigenlijk geen kalk, maar gips en daardoor heel fijn om te verwerken. Margaretha hoopt dat ze vanavond de vloer van de stallen af kunnen maken, die bestaat uit klinkers die op hun kant liggen.
de metselaers hebbe de pijlaers vane bruch opt Eerste voorburch voort op gemetselt
en de hartsteene daer op geleijt en de nisse met seegerberger kalck geplaestert, hoop sij van avont de vloer inde stal met klin= =ckert op haer kant sulle geleijt en gedaen krijgen, [ick heb vandaech twee osse het Een]
De stallen met aan weerszijden de paviljoens, eigen foto.
Het paterstuk
Ondertussen zit Margaretha ook niet stil. Ze heeft twee ossen geslacht: één van de ossen die uit Denemarken was gekomen en één die ze zelf gefokt had (eigen foxsel). Die os die ze zelf gefokt heeft is de beste die ze ooit gehad heeft. Ze zal het paterstuk voor Godard Adriaan bewaren.
Het paterstuk was een vierkant stuk vlees met een deel van de ruggengraat en de ribben. Het heette het lekkerste stuk vlees van het rund te zijn. Dit stuk werd bewaard voor de pater of de mater van het klooster, vandaar het paterstuk.
Om paterstukken te bewaren werden ze gerookt. Eerst werden ze gepekeld. Pekelen gebeurde met een combinatie van twee delen zout en één deel suiker. Voor het paterstuk werd vaak bruine suiker gebruikt. Hierna werden ze in de rook gehangen. Door dit proces kon je het paterstuk een paar jaar goed houden. Als Margaretha dit paterstuk voor Godard Adriaan wilde bewaren, had ze dat ook wel nodig. Gelukkig weet ze dat nog niet.
[krijgen,] ick heb vandaech twee osse het Een van ons Eijgen foxsel sijnde Een 3 ijaerijge os en Een deense die ickt voorleede somer heb gekocht geslacht, ons leefven hebbe wij geen beest so doorwasse en vet gekocht noch geslacht als dien drije ijaerijge en ons Eijgen foxsel is, de an is ock heel goet maer heeft niet bij de voorseijde, wenste uhEd die had moogen helpen nuttigen sal de paterstucke voor selfve bewaeren
Tijd om er een eind aan te breien. Ze hoopt dat Godard Adriaan inmiddels bij de bisschop van Münster1Ferdinand von Fürstenberg is en ze bidt voor zijn (Godard Adriaan’s) geluk. Geen groeten van de kleinkinderen deze keer.
[geseijt heeft, nu den tijt salt leeren,] ick
verlange te hooren dat uhEd bij den heere bischop van Munster gearijveert is in middels god bidde voor deselfs geluck en voorspoet blijfve Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
Panorama van Münster, Pieter Nolpe, naar Johannes van Alphen, 1648 – 1653. Collectie Rijksmuseum.
Het Rampjaar lijkt weer even terug in deze brief, waar de emoties vanaf spatten: zoon Godard blijkt bij de verloren Slag bij Kassel op het nippertje aan de dood ontsnapt. Margaretha heeft een brief van hem uit Sas van Gent waarin hij eigenhandig schrijft dat hij gezond is. Zijn paard is er slechter aan toe en zijn wapenrusting is zeer beschadigd want hij is vier of vijf keer geraakt. Zo gevaarlijk was het dus! Zijn kamerling Roelof Verweij is zwaar gewond aan zijn heup en bijna alle officieren uit zijn regiment zijn dood, gewond óf gevangen door de Fransen.
[rec. 26. dito] Ameronge den 21 April 1677 Mijn heer en lieste hartge seedert mijne laeste hoope ick dat uhEd briefve van onse soon sult hebbe ontfange, die de heere sij in alle Euwijcheijt gedanck gesont wt de bataelgebataille: slag is gekoome, so ick heede wt sijn brief met Eijgener hant geschreefve ho vande 15 deeser van ontrent sas van gent geschreefve heb gesien, hij heeft 4 a 5 schuete op sijn aenhebbende wapen gekreechge en sijn paert gequetst daer aen men kan sien wat perijckelperikel: gevaar hij heeft wt gesta[en]perikel uitgestaan: gevaar doorstaan roelof verweij sijn kamerlin is door in door sijn heup gequetst meest al de offisiers van sijn reesgement sijn doot gequetst of gevange, [hij]
Kaart met de slagordes van de troepen bij de slag bij Kassel op 11 april 1677 tussen het Franse leger onder Filips I de hertog van Orleans en de prins van Oranje, Anoniem, 1677. Collectie Rijksmuseum.
Beter Goed dan Bloed verliezen
Godards compagnie is rond de dertig paarden kwijt, wat hem veel geld zal gaan kosten. Maar “beter in ’t goed als in ’t bloed” : liever je bezittingen verliezen dan je leven (of dat van je familie). Ze kunnen God niet vaak genoeg danken dat hij hun zoon zo genadig heeft gespaard. “Och, mijn liefste hartje, wat is dit voor een oorlog”, jammert Margaretha, “ waarin zo lichtvaardig met mensenvlees wordt omgesprongen”. Ze beklaagt Willem III die volgens haar misleid was. Moge God de genen vergeven die dit veroorzaakt hebben. “Och hadden wij de vrede maar”, verzucht ze, maar ze heeft weinig hoop dat die snel komt.
[reesgement sijn doot gequetst of gevange,] hij heeft weer wt sijn kompangi wel 25 a 36 paerde verlooren dat al weer groote koste voor hem sal sijn, noch beeter int goet als int bloet , wij konne godt niet genoech dancke die hem so genadelijck heef bewaert, och mijn lieste hartge wat is dit voor Een oorlooch int welcke men het mensche vleijs so licht waecht, sijn hoocheijt is te beklage die so geabuseertAbuseren: misleiden wort godt wilt haer vergeefve die oorsaeck van al dees onheijlle sijn, och hadde wij de b vreede maer sieder nu so weijnich aprehensieapprehensie: vrees, verwachting toe, [gistere is den]
Gisteren ochtend om zeven uur was er een korte ontmoeting op de Grebbedijk tussen Cornelis Tromp en raadspensionaris Fagel. De raadspensionaris was met spoed op weg naar Wezel om daar de keurvorst van Brandenburg te spreken. Tromp kwam daar net vandaan. Fagel had haast omdat de keurvorst van plan was vandaag al weer naar Berlijn terug te keren om zich bij zijn leger te voegen. Tromp maakt van de gelegenheid gebruik om naar de bouwwerkzaamheden in Amerongen te kijken. Hij wil zelf ook “aan het timmeren”. Want van Tromps huis in ’s-Graveland is net als van Amerongen na het Rampjaar weinig meer over.
[sieder nu so weijnich aprehensie toe,] gistere is den heer graef trompCornelis Tromp hier bij mij geweest hij sach ons gebou, wil ock aent timmeren hij quam van weeselWezel, vestingstad in Duitsland al waer hij met den heere keurvorst van brandenburch heef gesproockeCornelis Tromp was van 1676-1678 opperbevelhebber van de Deense vloot. Denemarken was opdat moment samen met Brandenburg betrokken in een oorlog tegen Zweden (Schonense Oorlog 1674-1679) die van meeninge was vandaech weer van weesel naer berlijn en bij sijn ArmeArmee: leger te gaen den heer raet pensionarisraadspensionaris Fagel ontmoete tromp gister merge ontrent 7 Euren op de grebbendijck die ginck om de keurvorst noch te spreecke en wilde dien avont noch tot weesel sijn, daer hij sijn tijt toe van doen hadt, [met de post van heede heb ick]
Tromp viel met zijn neus in de boter, want juist gisteren zijn Rietvelt en zijn mannen begonnen aan de gewelven onder de grote zaal. Ongelofelijk hoeveel werk het bouwen van de schoorstenen kost. Acht metselaars zijn er aan bezig. Overigens heel knap zonder elkaar in de weg te zitten. De steenhouwers werken aan het hardsteen. Eén van hen heeft een bloedzweer en moet het bed houden. Dat houdt het werk wel op, moppert Margaretha. De zakelijke bouwvrouw is weer even haar zakelijke zelf.
[geen briefve van uhEd gehadt,] Rietvelt heeft gister aende wulfsels vande kelders ondert groot salet Eerst begonne men sou niet geloofve wat werck der aende schoorstene wt te haelle vast is, daer sijn noch 8 truijfelsmetselaars (troffelen = mestselen) aen gebleefve die haer werck heel wel vinde sonder malkandere inde weech te sijn, de steenhouders wercke noch aende hartsteene tot de schoo =rsteene, prangs Eene knecht heeft Een bloetsweer Effe boven sijn ooch dat hem so inkoomedeertincommodeeren:hinderen, plagen dat hij meest te bedde leijt wenste hij wel wel waer want sien sij noch al lang werck aendie steene sulle hebbe, [ick heb noch tot het neegosiEere]
Maar het zakelijke laagje is nog maar dun, veel weidt ze verder niet uit over de feiten die ze aanstipt: er is nog geen geld (kan er aan liggen dat het Pasen was), het vormen van de stenen bij de steenoven gaat langzaam vanwege regen en wind, het vijfde schip met hardsteen is nog niet gearriveerd. Maar oh, wat is ze blij met de brief van Godard Adriaan waarin hij aankondigt dat hij misschien half mei wel thuis komt! Ze hoopt maar dat er niet weer een nieuwe opdracht tussendoor fietst. God mag geven dat zowel vader als zoon ieder op zijn tijd weer in goede gezondheid in Amerongen zullen terugkeren en ze elkaar in vreugde zullen mogen begroeten.
[sal,] ick heb met blijschap wt uhEd laeste gesien de hoop die deselfve geeft van in half meij thuijs te sijn hoop niet datter ondertusche weers Eenige nieuwe ordere of komissie sulle uhE toegesonde worde, [van heetere heeft de ordinans]
[…]
[heeft,] voort is hier alles wel, hoope de heer almachtich sal geefve uhEd en onse soon inge= =sontheijt Elck t sijner tijt bij ons sulle koome en dat wij malkaldere in vreuchde mooge ont moete, ondertusche blijfve
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
Man wordt begroet bij thuiskomst, Franciscus Bernardus Waanders, 1847. Collectie Rijksmuseum.
Margaretha is zo dolblij dat ze de brief heeft ontvangen die Godard Adriaan haar op 10 april heeft geschreven, dat ze zich helemaal te buiten gaat qua taalgebruik. ‘Ick slacht de kindere’, schrijft ze.
Kinderen slachten?
Welja, denk je als lezer uit de eenentwintigste eeuw, heb je daarvoor zo goed voor ze gezorgd? Maar Margaretha gebruikt de taal van de zeventiende eeuw en wat ze bedoelt, is dat ze, net zoals een kind probeert te doen wat zijn ouders willen, probeert om te doen wat Godard Adriaan van haar vraagt. Ze doet haar best want dit moet echt een droomhuis worden. En er wordt al weer hard gewerkt. Rietvelt heeft negen ‘truijfels’ aan het werk gezet. Pars pro toto, moet je maar denken: truijfels zijn troffels, het gereedschap van metselaars. Alleen is Rietvelt nu wel ziek geworden dus het toezicht ontbreekt.
[rec. 19 dito] Ameronge den 14 April 1677
Mijn heer en lieste hartge heede ontfange uhEd aengenaeme van 10 deeser en is mij seer lief daer wt te sien dat deselfve genoechge neemt int geen ick hier so int Een alst ander doen, ick slacht de kindere doen mijn beste, rietvelt is met 9 truijfels int werck gekoome daer sulle noch 4 a 5 volgen, hij selfs had voor sijn aenkomste al hier de koorts meendese quijt te sijn, maer heeftse gistere weer gekreechge en vandaech meest te bedt geleechgen, hoop hijse niet lange houde sal, tsou mij anders seer qualijck koomen, [sijn volck sijn]
En dat toezicht is wel nodig vanwege een speciaal plan. Godard Adriaan heeft aan Margaretha geschreven over luiken in de plafonds en speciaal in het tongewelf van de gang op de benedenverdieping, de ‘wulfsels’. Op die manier kunnen de manden met wasgoed uit het souterrain naar de zolder gehesen worden, waar de was kan drogen. Handig, want met de zware manden over de bediendentrap, dat is geen pretje, dat beseft Margaretha ook. Alleen, een luik in de keldergewelven ziet Margaretha niet zo zitten, dat stukje kunnen de manden met natte was nog wel door het voorhuis gedragen worden. Tenzij Godard Adriaan daar andere ideeën over heeft natuurlijk.
Er wordt nu hard gewerkt aan de gewelven van het souterrain, allereerst onder het ‘groot salet’ en dan de keuken en de alkoof. Hopelijk is Godard Adriaan wel thuis tegen de tijd dat het zover is? De gewelven worden zo gemaakt dat er altijd nog luiken in geplaatst kunnen worden. Ook secretaris Van Den Doorslagh heeft met Rietvelt gesproken en ook hij doet per brief verslag van zijn gesprek over de luiken.
[=sels vande kelders gaen,] ick heb met rietvelt weege de luijcke daer uhE van schrijft gesproocke, die wel soude koomen en ock konnense inde wulfsels wel gemaeckt worde maer mijns bedunckens hoef =dense in die vande kelders niet want men Eenige swaerte hebbende die so wel doort voorhuijs inde gaelderij1Lange gang sou konne brenge en vandaer laete door
Een luijck op hijsen als door de kelders dan soot uhEd best dunckt kant geschiede, daer sal ock noch tijt van beraet toe sijn geloofve sij het ondert groot sa= let2Grote zaal Eerst sulle wulfve en dan booven de keucken en alkoobe kamer3Alcovekamer, wat nu de eetzaal is so dat ick hoope uhEd wel thuijs sult sijn Eerse aende gaelderij4Lange gang koomen, ock seijt hij de wulfsels wel so te konne slaen dat men tot alle tijde daer luijcken in sou konne maecken, [nu sijn]
Er wordt ook gewerkt aan de vloer en Margaretha is erg enthousiast over de vloerstenen die Godard Adriaan heeft gestuurd. Hij heeft ook voor de grote zaal van Middachten besteld en Margaretha verzekert hem dat vrouw Van Ginkel daar erg mee in haar schik zal zijn. Sommige vloerstenen zijn wat dunner, maar Jan Prang heeft gezegd dat ze even sterk zijn als de andere.
[tijde daer luijcken in sou konne maecken,] nu sijn wij beesich met de vloer en andere hartsteene bp die hier aengekoomen sijn op te rijden de vloersteene sijn seer schoon en groot hoope datter Etlijcke meer sulle sijn als wij van doen hebbe om alser bij onge = luck mochte gebroocke worde dat men niet verleege sij, ick ben blijde dat uhEd ock vloersteene voorde Middachtense sael heeft bestelt daer de vrou van ginckel wel meede in haer schick sal sijn en ick uhEd van haerent weechge vast voor bedanck sij weet het noch niet, de geschuerde hartsteene trappe vinde ick ock seer fraeij, somige vande vloer steene valle wat dun doch ijan prang seijt datse Even starck sulle sijn, [aengaende het gelt ge=]
Bouwen kost geld en dat blijft een zorg voor Margaretha. En omdat het ook een zorg is voor anderen, is het lastig om aan geld te komen. In Holland gaan ze weer de tweehonderdste penning heffen, een vermogensbelasting, en Margaretha vraagt zich af hoeveel wat er nog uit de bevolking te persen valt.
En er is nog een zorg. Prins Willem III is met het leger naar Yperen getrokken om Sint-Omaars te ontzetten en Van Ginkel is daar natuurlijk bij. Het kan niet anders of er zal gevochten worden met alle risico’s van dien. Margaretha uit haar zorgen aan Godard Adriaan: ‘De heer almachtich wil zijn hoo(gheid) en de heer Van Ginckel bewaeren’.
[Even starck sulle sijn,] aengaende het gelt ge= =loof dat van heeteren beesich is om ordinansi te versoecke, beusekom heb ick versocht toch sorchge tot betaelline vande selfve te wille drage, wat de rest oft te neegoosgeerende peninge belanckt sal ick sien hoet daer meede maeck, daer is seer
qualijck gelt te krijgen het schijnt de liede swaerhoof =dich sijn en wille haer van gelt niet ontblooten, met seijt dat sijn hoocheijt naer ijperen marscheert om s omeer teontsette so dat is vrees ick datter noch wel Een schermutselen om sal gaen dat mij seer bekomert de heer almachtich wil sijnhoo en de heer van ginckel bewaeren, wij beleefven droefvige tijden, in hollant is weer den twee honderste peninck voor twee mael geefvens gelt in gewillicht, hoe seet wt de liede sulle krijgen sal te besienstaen, [hoe groote papa het werck]
Het Franse leger voor Yperen (middenblad), 1678, anoniem, 1678-1699. Collectie Rijksmuseum.
Oorlogskas
De staat heeft een andere manier voor het financieren van de oorlog bedacht. Ze verwachten kennelijk dat de Spanjaarden een miljoen bijdragen. En dat is volgens Margaretha het probleem van de staat, iedereen ziet de problemen aankomen, maar zijn doen alsof hun neus bloedt. ‘En wij sijn uut gemergelt’, schrijft Margaretha, ‘och och hoe wilt met deesen bedroefden oorloch noch af loopen, den goeden god wilt ons bij staen’.
[leeft sal hij Een last voorde provinsie sijn] ,tis wel Een ongeluck voor den staet dat men noijt geen swaericheeden en Aprehendeert schoont dat mense siet koome voor datse ons op den
hals sijn, waer sou men nu Een mielijoen gelt haelle vande spaense geloof niet dat gelt te verwachten is, en wij sijn wt gemergelt, och och hoe wilt met deesen bedroefden oorlooch noch af loopen, den goeden godt wil ons bij staen in wiens heijlige bescherminge uhEd beveelle, en blijfve
Toch laat Margaretha zich niet ontmoedigen. In de PS voegt ze nog wat losse opmerkingen toe. Er zijn vier schepen met vloerstenen aangekomen en ze heeft de vracht betaald.
Natuurlijk doen de kinderen hun groeten aan ‘groote papa’. Fritsje, inmiddels 9 jaar oud, laat nog weten dat hij erg zijn best doet!
Helaas zijn twee stenen op elkaar gevallen en gebroken. Margaretha heeft ‘daer wel ome gekeefven’ maar ja, dat hielp niets.
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
ps nu hebbe wij vier scheepe met hart en vloer steene hier die ick de vrachte heb betaelt, fritsge seijt sijn best int leeren te doen meent hij vrij meer meester vant hansge sal sijn als kees otte, preesenteert neffens sijn broer godert en sijn susters sijn onderdanigen dienst aen groote papa ick moet ock segge datter twee vande grootste rouwe hartsteene trape die noch door geklooft moste sijn en voorde bruch opt voorburch soude gelecht hebe
Overdwars: int opdoen op malkandere hebbe laete valle en gebroocke sijn daer ick wel ome gekeefven heb dan dat helpt niets
Er is nauwelijks tijd voor een inleiding, het is tijd voor actie.
Mannen…
Het schip met hardsteen dat in Utrecht aangekomen is, licht te diep om helemaal naar Amerongen door te varen. Het schip ligt namelijk wel vijf voet diep en op de rivier staat er nauwelijks vier voet water. Moeilijk, moeilijk. De schipper is met de knechts van de steenhouwer naar Amerongen gekomen om het allemaal eens goed te bekijken. Volgens mij vindt Margaretha het allemaal maar onzin, want ze stuurt ze terug naar de vaart om alles nog eens goed te bekijken en anders een deel van de stenen in een klein bootje over te laden en achter het grote schip te hangen. Probleem opgelost.
[laeste die vande 20 dees is geweest beantwoort,] soedert is het Eerste schip met de hartsteene en verdere in ladine aende vaert gekoome beijdede knechts van ijan prang sijn giste =re hier geweest met de schipper die vreesde met sijn volle laedine niet hier te sulle konne koome ver midts so hij seijt hier op de revier naulijxs 4 voet water is en dat sijn schip met sijn volle ladine wel 5 voet diep gaet, ick heb vandaech de see =kreetaris met beijde de knechts van ijan prang naer de vaert gesonde om op alles klaere inspexsi te neeme, en des noots sijnde, Eenige vande rouwe hartsteene wt te lichte en in Een boottge of kleijn vaertuijch achter aent schip te laeten volgen, [voort]
Margaretha hoopt dat de andere schepen nu ook aangekomen zijn aan de Vaart, want de secretaris is daar nu toch en die zal dan in ieder geval orde op zaken kunnen stellen. Ze hoopt het eigenlijk ook omdat ze zich zorgen maakt over de andere schepen: het is zulk slecht weer…
[ordere op alles te stelle,] ick hoope daer nu noch meer scheepe sulle aengekoome sijn en dat de seekreeta =ris daer sijnde, met Eene ordere, op deen en dande sal konne stelle, ick sal blijde sijn als dandere scheepe almeede hier int lant sonder ongeluck sulle sijn ge arijveert want t heeft en is waer onweer en tempeest geweest dat mij seer bekomerder [het is mijn lief uhE]
Storm op zee; een schip wordt getroffen door onweer, Lorenz Adolph Schönberger, 1799. Collectie: Albertina Wenen.
Metselaars
Rietvelt is net weer weg en zoals verwacht heeft Margaretha haar plannen door gezet. Of Rietvelt het met haar eens was of dat ze hem moest overtuigen, vertelt haar brief niet. Wat fijn is dat ze nu concreet gemaakt hebben hóe ze aan de schoorstenen en gewelven gaan beginnen. Eerst komen er drie tot zes opperlieden om ter voorbereiding kalk klaar te maken, daarna komen er tien tot twaalf metselaars om aan het werk te gaan. Margaretha is zelf ook druk met de voorbereidingen, zodat ze zometeen ook echt gelijk aan het werk kunnen.
Trofee met metselaarsgeerdschap, Johannes of Lucas van Doetechum, 1572. Collectie Rijksmuseum.
[en sal dan ock wt geleijt sijn,] rietvelt is weer naer Amsterdam, sal int lest vande toekoomende weeck 3 a 6 opperlie om bij proovijsie kalck te bouwe sende, en selfver acht dage daer naer met 10 a 12 metselaers knechts of truijfels te volgen om dan aent werck te gaen en te gelijck de schoorsteene diet noodichste werck is wtte haelle en aende wulfsels vande kelders te be ginne, ondertusche ben ick nu beesich om alle gereetschappe te maecken en de behoeftich= =heede tot het werck bij de hant te brenge, [in]
Zand
Het enige dat lastig is om voor te bereiden is de hoeveelheid kalk en zand. Rietveld heeft gezegd dat hij HEEL VEEL nodig heeft voor de gewelven. Maar waar moet ze dat vandaan halen? Toen ze de vijver (wij noemen dat de gracht) had laten uitgraven heeft ze ernaar laten graven, maar het lag zo diep, dat ze er niet bij kwamen. Ook hiervoor heeft Margaretha gelukkig weer een oplossing gevonden. Ze haalt het zand van de Amerongse berg! In die tijd was dat voor een groot deel heideachtig landschap met een goede zandgrond. Nu ligt er een prachtig bos, maar eronder nog steeds die zandgrond. Ze heeft Rietvelt naar de berg gestuurd en die vond dat het heel goed zand was. Er wordt door arbeiders al vast gegraven en dan kan ze maandag wagens gaan laten rijden om het naar het kasteel te brengen.
[=heede tot het werck bij de hant te brenge,] in sonderheijt het sant tot de kalck ende wulfsels vande kelders daer rietvelt seijt Een groote quantiteijt toe van doen te hebbe, het welcke hier bij de hant niet meer datter bequaem toe is, te vinde is, ick heb der al int voltrecke vande nieuwe vijfver naer laete graefve maert sant leijt daer so diep dat ment niet kan bekoomen, waerom ick gereesolveert1Resolveren: Besluiten ben toekoomende maendach 15 a 16 bee wagens te laete rijde en so veel laeijers
te laete koome en sien so Een houde of twee voer sant vande berch te laeten haelle ent bijt werck neer te legge, ick heb rietvelt aende berch gesonde omt sant te besien die gseijt het daer heel goet en beeter is als dat wij verwerckt hebbe, ick heb der nu al twee dage 4 arbeijders gehadt die sant vast wt schiete ehEd sou niet geloofve wat al werck hier dagelijcks voor valt en wat de arbeijders kosten, [die knecht daer ick uhEd voor]
Margaretha komt nog een keer terug op de jongeman die kamerling wilde worden. Ze schrijft alsof het in een vorige brief stond, maar Godard Adriaan moet echt even zoeken in zijn archief. Ze noemde hem op 6 oktober 1676…. Nou, die Dulckes is nog eens langs geweest en hij heeft gevraagd of hij naar Bremen mag komen. Margaretha overlaadt de arme jongeman met superlatieven. Zou hij echt zo goed zijn, vindt Margaretha hem gewoon heel erg leuk of vindt ze dat Godard Adriaan toe is aan een extra kamerling? Waarschijnlijk het laatste. Hij is kort van persoon (klein manneke), maar slim en actief. En als kers op de taart schrijft hij heel netjes! Godard Adriaan moet maar laten weten wat hij belieft.
[en wat de arbeijders kosten,] die knecht daer ick uhEd voor dees van heb geschreefve die bij de peninmeester Adrijchem woont is heede geweest versoeckt noch bij uhEd als kam =merlin te mogge sijn en te weeten of hij hem op uhEd dienst sou mooge verlaeten of dat hij te breeme bij uhEd mochte koo men, hij wort seer gepreesen heeft heelle goede mijnen is kort van Persoon maer schijnt verstant te hebbe en acktijf te sijn, uhEd belieft Eens te overdencke of niet geraetsaem is hem aen te neemen want als uhEd thuijs komt sal Een kamerlin moeten hebbe en hij schrijft sose g segge Een heele goede hant, men kan altijt so op sijn slach niet komen sal uhEd beliefve hier op met de naeste post verwachte en blijfve Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff MTurnor
De postbode heeft het er maar druk mee! Margaretha heeft de brief van 13 maart ontvangen en ze begrijpt daaruit dat er al minstens drie schepen, misschien zelfs vier, met ‘hartsteene en vloersteene’ naar Amerongen onderweg zijn.
[rec. 25. dito] Amerongen den 20 maert 1677
Mijn heer en lieste hartge heeden ontfange ick uhEd schrijfveens vande 13 deeser waer wt sien dat het 3 en mischien het 4de schip met hartsteene en vloersteene op wech sijn om herwaerts te koome de heere wilse alle Een behoude reijs geefve ense sonder ongeluck laette over koome
Van stenen en ossen
Als die schepen met stenen nu maar veilig aankomen! Het heeft gestormd en naar Margaretha’s idee hadden de eerste twee er toch al moeten zijn. Margaretha hoopt zo snel mogelijk alle stenen in huis te krijgen zodat er aan de vloeren kan worden begonnen.
ick hoor noch vant Eerste of tweede schip niet die al dees quade storme hebbe wtgestaen dat mij bekomert en naer mijn gissine moste die alle beijde al hier te lande sijn, ick had wel gewenst wij al de vloersteene meede hadde konne krijge dan hoope die der nu noch ontbreecke te sulle volgen, [uhEd beliefve ock Eens te schrijfve of wij]
Van de vloerstenen naar de ossen, het is wel even iets anders. Godard Adriaan heeft kennelijk toegezegd dat hij vanuit Bremen magere ossen naar Amerongen zou sturen als vetweiders. Als dat niet lukt, moet Margaretha meer schapen kopen om vet te weiden. Die weilanden moeten tenslotte wel wat opbrengen!
[volgen,] uhEd beliefve ock Eens te schrijfve of wij staet sulle konne maecke op magere osse die uhEd daer soude koopen, anders soudt ick hier meer schape moete in koopen om vet te weijden, [het is hier noch heel onstuijmich weer]
Ondertussen is het nog ‘heel onstuijmich weer’ en het enige positieve dat over het weer te melden is, is dat het niet meer vriest. Aan metselaars inhuren begint ze op deze manier nog niet, ze vragen veel geld, ze doen niets anders dan in hun handen blazen vanwege de kou en ze maken korte dagen. Naar Margaretha’s idee begint de werkdag voor een metselaar voor zes uur ’s morgens en eindigt die na zes uur ’s avonds. Ze had het geluk dat er nog geen vakbonden bestonden in de zeventiende eeuw.
Voordat Margaretha mensen inhuurt, moet ze, zo schrijft ze aan Godard Adriaan, ‘met mijn beurs te rade gaan’. Uiteindelijk bepaalt de portemonnee hoeveel werk er verricht kan worden want de bouwvakkers moeten ‘geduerig gelt hebbe zij willen niet eenen dach wachte’. Bij de steenoven wordt al gewerkt, er is nogal wat schade door het hoge water.
[weijden,] het is hier noch heel onstuijmich weer alle daege schoon dat het niet meer vriest, de metselaers wille groote dachhuere hebbe en alst so kout is doense niet als in haer hande blaesen, sij konne ock s mergens niet voor ses Euren aent werck koome en scheijde daer savants ten sesten weer wtt, ick heb rietvelt ontboode als hij komt sal alles met hem over leggen
ick moet ock met mijn beurs te rade gaen want als dat volck int werck is moetense geduerich gelt hebbe sij wille niet Eenen dach wachte, [men is]
En wanneer komt Godard Adriaan nu eens thuis? Ze heeft het aan de prins gevraagd en die beloofde haar dat hij naar Kleef zou gaan om daar met de keurvorst te spreken maar inmiddels heeft Margaretha gehoord dat hij bij Arnhem is omgekeerd omdat de keurvorst niet in Kleef was. Hij is waarschijnlijk naar het ‘randevoes’ van het leger gegaan en Van Ginkel is vandaag vanaf Middachten ook naar het leger vertrokken. Van Ginkel had graag zijn vader gesproken voordat hij vertrok. Margaretha wenst hem alle goeds toe inclusief de bescherming van engelen.
nu ick hoope uhEd daer teegen weer thuijs sal sijn met de laeste post heb ick uhEd geschreefve het antwoort dat sijn hoocheijt mij gaf op de vraech die ick hem weegen uhEd verblijf of t huijskoome heb gedaen, hij meende van hier naer kleef te gaen om met den heere keurvorst te spreecke, maer hoore hij van Aernhem weerom gekeert is moet daer of daer ontrent gehoort hebbe dat de keurvorst noch daer niet en was, nu sal hij al naert ran =devoes van ons leeger sijn, de heer van ginckel die geloofve ick dat vandaech van Middachte naert leeger vertreckt, hij had ock wel gewenst uhE voor sijn vertreck te spreecken, de heere wil hem
bewaere en door sijn heijlige Engelen geleijde, [tis voorwaer]
Ten strijde
Terwijl de mannen zich opmaken voor hetzij een fysiek hetzij een diplomatiek strijdperk, voert Margaretha haar eigen gevechten, met geld en met water. Er is geld nodig voor turf om de steenoven te stoken en hoe eerder ze die turf kan kopen, hoe minder ze hoeft te betalen. Bij alle zorgen om de financiën komen ook nog de zorgen over het water. Er is veel sneeuw gevallen aan de bovenloop van de Rijn en dat gaat allemaal langs komen. Maar Margaretha houdt goede hoop: ‘de heer – hoope ick – salt in alles ten beste schicke’.
[het daer nu niet lange meer sal dueren,] ick verlange naer deselfs komste te meer om te overslaen waer het gelt dat wij deese soomer weer tot het werck van noode hebbe vandaen sal koome dat mij bekomert dit ijaer salt ons noch seer swaer valle, daer naer kan ment met gemack doen maer nu moet het noch sijn voort ganck hebbe, tot de steenoven hebbe wij het voorleedene ijaer ontrent de 1800f aen turf gehadt ent ijaer te vooren doen wij maar 9 monde1maanden hebbe gebacke hadde wij 2100f aen turf en nu hebbe wij 14 monde gestoockt, is nu den turf noch beeter koop dat sal ons heel wel koome en hoe wij die vroechger laete koome hoe wij minder onkoste hebbe te verwachte, so vant laege water als ander maer dan moeter ock ten eerst so veel gelt sijn, en ick aprehendeer2Apprehenderen: vrezen seer weer Een hooch water vermidts der boove int lant so veel sneuw is gevallen, de heer hoope ick salt in alles ten beste schicke, inwiens heijlige bescherminge uhEd beveelle en blijfve
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
De brief van Godard Adriaan van 10 maart jl. heeft Margaretha op 14 maart deels beantwoord. Ze had haast – de postbode stond ongeduldig te wachten – dus het is een kort briefje geworden. Nu heeft ze de tijd om uitgebreider antwoord te geven. Maar niet voordat ze het laatste nieuws heeft behandeld.
De prins is te laat
Margaretha is al een tijdje wakker. Ze stond om acht uur ’s ochtends klaar om prins Willem III te verwelkomen. De prins heeft haar deze morgen rond zes uur laten weten dat hij rond acht uur langs wilde komen voor een ontbijtje – waarschijnlijk heeft hij een bode gestuurd –, maar om elf uur was hij er nog steeds niet! Als de prins dan tegen het middaguur arriveert, blijkt de vertraging allemaal de schuld te zijn van admiraal Cornelis Tromp, die de prins op Soestdijk een bezoek heeft gebracht. Zouden ze tot in de vroege uurtjes gepraat hebben over Tromps avonturen op de Deense zeeën of de bouw van zijn nieuwe buitenplaats? Of zouden ze een paar glaasjes te veel hebben gedronken…? Margaretha gaat er verder niet op in. En ach, de prins is er eindelijk, en daar gaat het om.
deesen merge ontrent ses Euren liet sijn hoocheijt mij segge teegens acht Euren hier te sulle sijn om wat te ontbijten, heeft te nacht op soesdijck geslaepe daer den nieuwe graef tromp1Cornelis Tromp. In december 1677 is hij door Christiaan V van Denemarken verheven tot graaf van Sölvesborg (Zweden). Sindsdien noemden hij en zijn vrouw Margaretha van Raephorst zichzelf ‘graaf en gravin van Syllisburg’. bij hem quam, en oorsaeck was dat sijn hoocheijt Eerst ontrent Elf Euren hier quam, en dat metter haest, met intensie om deesen avont noch te kleef te sijn om den heere keurvorst te spreecke, so hij daer is, so niet daer hij geen seeckerheijt van had maer hoopte het tot Aernhem te hooren, wilde sijn hooc deesen avont weer tot renckom2Renkum sijn om so voort naert randevoes en inde kampan te gaen, so hij voort naer kleef gaet, gaet hij van daer op de graef3Grave en breeda, hij scheen seer begeerich te sijn den heere keurvorst te spreecken[, en so ick int verschiet hoorde]
Man en vrouw bij een tafel4Ik zie het helemaal voor me, Margaretha aan tafel, bezig met een brief, ongeduldig aan het wachten, en Willem III die veel te laat komt binnenwandelen alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, Abraham Dircksz. Santvoort, 1666. Collectie Rijksmuseum.
Schoonse Oorlog
En toch… Te laat komen is één ding, maar dan heeft de prins ook nog eens haast! Willem III wil vanavond nog richting Kleef – hemelsbreed zo’n 60 kilometer verwijderd van Amerongen – om de keurvorst te woord te staan. Het is blijkbaar erg belangrijk om Friedrich Wilhelm zo snel mogelijk te spreken. Dit heeft alles te maken met de Schoonse Oorlog, een strijd die uitgevochten werd op land en op zee en grotendeels samenviel met de Hollandse Oorlog. Brandenburg was sinds het voorjaar van 1674 onderdeel van de Quadruple Alliantie, terwijl Zweden partij had gekozen voor Frankrijk. De aartsrivaal van Zweden, Denemarken, werd gesteund door de Republiek. De opperbevelhebber van de Deense vloot kwam uit de Republiek: admiraal Cornelis Tromp.
De gecombineerde Deense en Hollandse vloten verslaan de Zweedse vloot bij Öland, 1676, Romeyn de Hooghe (mogelijk), 1676. Collectie Rijksmuseum.
Tussen neus en lippen door vertelt Willem III dat Tromp niet veel goed nieuws had meegebracht uit Denemarken. De Zweden boeken enige successen, en men vreest dat de Fransen Valencijn (Valenciennes) definitief zullen veroveren voordat het ontzettingsleger ter plaatse is. De Henegouwse stad wordt al sinds november 1676 belegerd. Margaretha hoopt, zoals ze al zo vaak heeft gehoopt, dat het God de Heere en prins Willem III lukt om het land en ons allen te bewaren…
[te spreecken,] en so ick int verschiet hoorde had tromp niet veel goede tijdine meede ge brocht maer geseijt dat de sweede voort ginge met haer progresse inde kampange te doen, veelle hier vreese dat de franse valenschien5Valencijn, Valenciennes
wech sulle hebbe eer ons volck ter deegen opt ran devoes6rendez vous is, de heere wil sijn hoocheijt ons lant en al het onse bewaere[, de graef van hoorn blijft met]
[, ]ick vraechde sijn hoocheijt of uhEd nu al ordere had om apseluijt thuijs te mooge koome, hij seijde neen maer dat het nu Evenwel niet lange sou dueren of deselfve sou daer toe ordere krijgen
Vervoer van bouwmaterialen
Na bijna anderhalf kantje volgeschreven te hebben, komt Margaretha er eindelijk aan toe om de brief van Godard Adriaan van 10 maart wat uitgebreider te beantwoorden. Temminck heeft de 3000 gulden ontvangen.
[, ]uhEd aengenaeme vande 10 deeser heb ick met de laeste post vermidts die hier stondt en wachte met der haest ten deelle beantwoort, sal dan nu voort seggen dat ick niet twijfele of teminck sal uhEd hebbe geschreefve dat hij de 3000 f ten volle heeft ontfa die hem voorleedene donderdach door beusekom sijn gesonde, [nu sal ick de scheepe met hartsteen]
Binnenkort verwacht Margaretha de schepen met hardsteen. Tenminste… Het heeft wel flink gestormd. Margaretha hoopt er maar het beste van. Ze heeft aan de Utrechtse tolmeesters gevraagd haar zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen wanneer de schepen aankomen. Het hout dat de hele winter aan de vaart heeft gelegen, moest bij Remmerden gelost worden. Naast dat dit onhandig was, was het ook nog eens hartstikke duur. Hopelijk gaat het met het hardsteen beter. De turf voor de steenoven is van latere zorg, al denkt Margaretha er wel al over na. Schipper Jan Jansen uit Groningen kan haar vast wel vertellen waar ze de goedkoopste turf kan kopen.
[sijn gesonde,] nu sal ick de scheepe met hartsteen verwachte sij hebbe naer mijn gissine wel voorde wint gehadt maer Een groote storm, dat mij bekomert en verlange te hoore dat die behoude hier te lande moogen aengekoome sijn, ick heb te wttrecht op den tol last gegeefve dat so haest sij se verneemen het mij ter Eerste sulle laeten weeten ick sal de seekreetaris dan aende vaert bij haer sende om haer tot de minste koste te rechte te helpen ondertuschen hoope ick dat water dat nu weer sterck aent valle is, so veel wech sal valle dat men te wiel of Elst sal konne losse, het leste schip dat al de winter aende vaert met hout voor
ons geleechge heeft, hebbe wij te remerde moete lossen dat niet alleen ongemacklijck maer ock kostelijck voor ons valt, so haest de scheepe koome salmen sijn best doen, omse los te maecke en sal ick haer vrachte betaelle, sal blijde sijn dat al de steen hier voor uhEd vertreck van breeme is, so heefter niemant Eenige talmerij meede, voorde turf tot de steen oven sal ick wel in tijts sorchge dragen en met de schipper ijan ijanse van greuninge daer van spreecken waer die so goede koop sou ons heel wel koomen, ick sal daer niet in versuijme[, hoope als uhEd weer vande]
Margaretha wil ook weer snel met Rietvelt om de tafel gaan zitten. De daglonen voor werklieden zijn momenteel ontzettend hoog, maar de metselaars moeten binnenkort weer aan de slag. Ze wil met Rietvelt kijken hoeveel metselaars er nodig zijn.
[so kout is bedrijfvense niet] en de dachhuere loope seer hooch het voorleedene ijaer heb ick alleen aen metselaers en operliedens dach huere al over de 8000f betaelt, ick schrijf nu aen rietvelt dat hij Eens overkomt om met hem vant werck te spreecken en te over legge met hoe veel truijfels men weer beginne sal, en voorts datter toe hoort ,
Oja, Willem III heeft vandaag tijdens het ontbijt gezegd dat Zeist en Driebergen, waar Willem Adriaan van Nassau-Odijk heer van is, een hoge jurisdictie, een hoge heerlijkheid, zouden worden. Willem III liet duidelijk blijken het daar niet mee eens te zijn. Hij vond het onzin dat ‘in sulcken kleijne provinsie alles so tot hoochge sjurijdixsie’ wordt gemaakt, maar het was allemaal buiten hem om gegaan. Margaretha dacht dat de prins zélf Nassau-Odijk gerecommandeerd had, maar dat bleek niet te kloppen. Willem III antwoordde dat hij slechts had gesproken over een middelbare jurisdictie…
sijn hoocheijt vandaech aen tafel sittende quamme te spreecke vande heer van oudijck7Willem Adriaan van Nassau-Odijk, dat hij seijst en
driedtberge tot Een hoochge sjuridixsi8Hoge jurisdictie, ofwel Hoge Heerlijkheid sou hebbe, het welcke sijn= hoocheijt apsoluijt in proobeerde en seij dat seet niet hoorde te doen in sulcken kleijne provinsi alles so tot hoochge sjurijdixsie te maecken wat de provinsie weesen sou, maer dat sijt buijten hem doen en haddens derhem kenisse van gegeefve dat hijt sou teegen gesproocken hebbe, ick seij dat sijt ten respeckte vande heer van oudijck sulle daen om sijn hoochs wil die ick meende het ge reeckomandeert te hebbe, hij seijde neen niet tot Een hoochge sijurijsdixsi maer wel tot de middele sjurijsdixsi, so dat hijt apseluijt seijde te in proobeere, al hiermeede blijfve Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
Slot Zeist, Hendrick Hulsbergh (vermeld op object), ca. 1679 – 1729. Collectie Rijksmuseum.
Een kist vol suiker
Nadat Margaretha haar brief heeft ondertekend, schiet haar nog iets te binnen. Suiker! Godard Adriaan heeft gezegd dat de kleinkinderen suiker met wijn moeten drinken om sneller van de hoest af te komen, dus nu zijn alle kinderen spontaan aan het hoesten. Godard Adriaan mag wel een hele kist vol suiker meebrengen…
Meisje bij een kinderstoel (waarop wat suiker ligt), Govert Flinck, 1640. Collectie Mauritshuis
Ze kan het niet laten om in haar slotwoord een sneer uit te delen aan Cornelis Tromp en diens vrouw Margaretha van Raephorst, die recent door de Deense koning tot graaf en gravin zijn verheven. Volgens Margaretha past het haar ‘als een ring in een varkensneus’, haar versie van ‘als een vlag op een modderschuit’.
al onse kinderkens bedancke uhEd seer dat hij so goede sorchge voor haer draecht, maer nu groote papa seijt dat se suijcker de wijn moete drincke alsij hoeste mach hij wel Een heelle kist met suijcker mee brenge want nu alle gaer hoeste sonde op te houde graef trom, met sijn gemaelin sijn met haer graefschop wel verheefve dat haer genade past als Een ring in Een sonde komperaesie9Vergelijking, verckens neus
Portret van Margaretha van Raephorst (1625-1690), Jan Mijtens, 1668. Collectie Rijksmuseum.
1
Cornelis Tromp. In december 1677 is hij door Christiaan V van Denemarken verheven tot graaf van Sölvesborg (Zweden). Sindsdien noemden hij en zijn vrouw Margaretha van Raephorst zichzelf ‘graaf en gravin van Syllisburg’.
2
Renkum
3
Grave
4
Ik zie het helemaal voor me, Margaretha aan tafel, bezig met een brief, ongeduldig aan het wachten, en Willem III die veel te laat komt binnenwandelen alsof het de gewoonste zaak van de wereld is
Bij het voorjaar horen twee dingen: de voorjaarsschoonmaak en te bedenken wat je kan gaan doen als het eindelijk beter weer is. Over de voorjaarsschoonmaak schrijft Margaretha niets, maar in deze brief worden plannen gemaakt, plannen in de war gestuurd en plannen op losse schroeven gezet.
Vervroegde campagne
Margaretha zit bovenop het nieuws: toen Zijn Hoogheid bij haar at, wist de post hem in Amerongen te vinden. Er werden twee brieven uit Brabant voor hem bezorgd. Het nieuws was niet goed: de Fransen hebben Valenciennes omsingeld en St. Omaars belegerd. Hierdoor zal het leger eerder in actie moeten komen dan gepland en de Prins zegt tegen Van Ginkel dat hij er vanuit moet gaan dat hij binnen vijf à zes dagen moet vertrekken. Margaretha haalt weer aan dat Utrecht een jaar achter is met het betalen van de troepen en dat die arme mannen nu toch weer op campagne moeten.
Ameronge den 7 maert 1677
[rec: 11. dito]
Mijn heer en lieste hartge
gistere heeft sijn hoocheijt hier weer bij mij gegeeten en was heel wel te vreede, hier sijnde quaemender twee poste wt brabant hem vinde die briefve brochten meldende dat valanschein1Valenciennes (Noord-Frankrijk), oude Nederlandse naam is Valencijn vande franse berent en sint omeer2Sint-Omaars (in de buurt van Calais) geblockeert is, dat onse kampan so seer verhaest dat sijn hoocheijt aende heer van ginckel seijde dat hij staet most maecken om in 5 a 6 dage naert leeger te gaen sonde Eenich wt stel dat hem wel qualijck sal koomen, en meest al de meeliesi hoet met de betaeline vande kompangie tot wttrecht sal gaen staet te besien die sijn nu Een vol ijaer ten achteren, [en daer wort]
Over geld gesproken, ook de kosten voor het houtvestersambt van Gijsbert Jan van Hardenbroek schieten haar in het verkeerde keelgat. Bovendien is er ook nog onenigheid tussen de Staten en de stad. En over baantjes gesproken, Van Beusichem was er gisteren en die maakte plannen voor zijn zoon. Hij presenteerde zijn zoon aan Van Ginkel te vragen of hij misschien mee kon het leger in. Bovendien vroeg hij of Van Ginkel bij Zijn Hoogheid een goed woordje zou willen doen voor de zoon van zijn broer. De broer is schout van Benschop, maar kennelijk niet heel competent. Als nou zijn zoon schout kan worden, dan wil de broer wel afstand doen van het ambt.
[van gesproocken wort,] beusekom3Nicolaas van Beusinchem was gisteren ock hier quam sijn soon godert aende heer van ginckel preesenteere om met hem naert leeger
te gaen en ock te versoecke dat de heer van ginckel sijn hoocheijt wou reeckomandeere sijn so broers soon tot het schout Amt van benschop het welck sijn broer als hijt op sijn soon kost krijge door sijn inpatentheijt4Patent: Op uitnemende wijze, uitstekend. wilde afstaen dat de heer van ginckel aengenoomen heeft te doen, [beuse]
Van Beusinchem was er natuurlijk niet alleen voor zijn zoon, zijn broer en de zoon van zijn broer, maar ook om de financiën van de familie te bespreken. Het blijft lastig om van alle partijen geld los te krijgen. Maar Van Beusichem heeft een deel van het geld van de Ridderschap binnen, dat houdt Margaretha. De rest wil ze ook, want als de bouw weer van start gaat, zal ze geld nodig hebben.Uit een andere bron, het is niet helemaal duidelijk welke, is 3000 gulden gekomen en die heeft Van Beusinchem naar Amsterdam gestuurd, naar Temminck. Hij houdt dat geld bij zich, zodat Godard Adriaan dat via een wissel op kan nemen.
[het voorleede ijaer heeft gekreechge,] waer toe so beusekom seijt de ordinansi5Ordinantie: verordening onhande is om op gemaeckt te worden, kost ick dat gelt noch krijge so waer ick voor Eerst wat ontset6Ontzetten: Helpen, verlichten , want als wij nu weer aent wercke gaen salder weer gelt moeten sijn, h de 3000f heeft beusekom ock ontfange en sal die merge aen teminck sende die uhEd dan trecke kont tot sijn beliefve, [ick heb nae]
Voor het weer opstarten van de bouw moet Margaretha ook plannen maken. Om te beginnen heeft ze turf nodig om de steenoven weer te kunnen branden. De dagen zijn nu nog te kort om de metselaars weer in te huren. De daghuur is een vaste prijs en met een korte dag wordt dat per gewerkt uur wel erg duur. Margaretha kan al wel bedenken wat ze zometeen, over een week of twee, kunnen gaan doen. Ze kunnen de gewelven in de kelders gaan maken en de schoorstenen verder optrekken. Dan kan de leidekker ook van start.
[tuschen beijden,] ock sijn de dage noch seer kort dat mij doet ont sien noch weer aent metse= =len te gaen, maer maeck staet teegens het lest of voort wtgaen vandeese maent dat noch ontrent om veertien dage te doen is rietvelt met sijn volck weer te laete koome en der dan weer wat starck aen te valle want hij sal sijn volck aent wulfve vande kelders en aent wt en op haelle vande schoor =steene beijde te gelijck moeten sette om dat den leijdecker niet sou wachte de schoorstee moeten wt het dack sijn Eer hijt leijdack op die kant kan legge [ick had gehoopt]
Rome, San Carlo alle Quattro Fontane, gewelf en dakspant, Bernardo Castelli Borromini en Fransesco Borromini, tweede helft 17de eeuw. Collectie: Albertina, Wenen.
Thuiskomst
En voor alle plannen zou het ook wel fijn zijn als Godard Adriaan thuis zou komen. Margaretha heeft Prins Willem ernaar gevraagd, maar hij antwoordde ontwijkend: ja, maar… Hij had de keurvorst nog niet gesproken, want die was ziek, maar Godard Adriaan zou thuis komen. Margaretha heeft dit eerder meegemaakt, dus ze vroeg door: had de prins al opdracht gegeven? Het antwoord was dat hij Godard Adriaan zou schrijven. Margaretha moet nog maar zien wat ervan komt.
[op die kant kan legge] ick had gehoopt van sijn hoocheijt te verstaen uhEd t huijs koomen die ick daer naer vraechde en mij seijde den heere keurvorst niet gesien te hebbe vermidt hij onderweege was door sijn indispo siesie blijfe legge, maer seijde uhEd thuijs sou koome waer op ick vraechde of uhEd al ordere daer toe had hij seijde ijae maer geli= miteert dan dat hij uhEd soude schrijfve wat hier nu op sal volge staet te verwachte
Gelukkig zit Godard Adriaan ook niet stil, hij heeft ervoor gezorgd dat de hardstenen trappen en lijsten van den schoorstenen bijna klaar zijn. Die komen dus dan naar Amerongen. Dat is mooi, want die zal Margaretha nodig hebben. Zoals wel vaker eindigt ze met wat lief en leed uit de omgeving. De oude Temminck in Hamburg is overleden. Waarschijnlijk de vader van de Amsterdamse Temminck. Het jammert Margaretha weer zeer.
wt uhEd vanden 27 febrijwa sien dat de hartsteene
trappe al gereet sijn dat heel goet is, hoope dat de lijste tot de schoorsteene ock haest gereet sulle sijn want alse aen dat werck gaen sullense die van doen hebbe, hiermeede blijfve
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor teminck schrijft mij van Amsterdam dat den goede ouden teminck tot hamburch overleeden is dat mij seer jamert ija meer als ick geloof sijn Eijgen kindere doet
Dans van de Dood, Gesina ter Borch, naar Hans Holbein de jongere, 1643-1687. Collectie Rijksmuseum.
1
Valenciennes (Noord-Frankrijk), oude Nederlandse naam is Valencijn
Er zijn twee brieven van Godard Adriaan bezorgd! Wel allemaal een dag later dan gewoonlijk. Margaretha vermoedt dat de postbezorging langer duurt vanwege het vriesweer. Ondanks de vorst is het mooi en bovendien droog weer. Fijn, dan kunnen de werklieden tenminste doorwerken aan de dakgoten.
beijde uhEd aengenaeme vande 2 en 5 deeser heb ick ont fange, de briefve koome nu alle Een dach laeter alse pleechge1Plegelijk: in overeenstemming met gewoonte of gebruik, gewoon, gebruikelijk geloof het door de vorst toekomt, het vriest hier sterck doch is schoon en drooch weer dat hier op ons werck te weete int legge vande gooten ent soudeere2Solderen vande selfve datse vandaech hebbe begonne te doen heel wel komt en naer wensch is[, so heeft het]
Goddelijke zegen
Margaretha is erg dankbaar voor het mooie weer dat ze tot nu toe hebben gehad. Uiteraard moet God daarvoor bedankt worden. Margaretha bidt dat God nog even doorgaat met het geven van zijn Goddelijke zegen.
[te doen heel wel komt en naer wensch is,] so heeft het weer ons op alles tot deeser Eure toe gedient daer wij godt niet genoech voor konne dancke, en bidde dat hij daer voort sijnen godlijcke seegen toe wil geefe
Oude vrouw in gebed, bekend als ‘Het gebed zonder end’, Nicolaes Maes (1634–1693), olieverf op doek, ca. 1656. Collectie Rijksmuseum.
Liever kwijt dan rijk
Margaretha begint al die werklieden om zich heen ook wel een beetje zat te worden. Gelukkig zijn de timmerlieden en metselaars nu klaar. De timmerlieden had ze gisteren nog even aan het werk gezet. Al het hout moest bij elkaar gebracht en ergens opgeslagen worden. Margaretha heeft, op advies van Schut, de opdracht gegeven om het hout op de plekken neer te leggen waar het uiteindelijk moet komen te liggen. Dat is trouwens niet veel meer, dat hout. Er is zóveel voor de kap gebruikt! Maar nu zijn alle werklieden weg, en dat vindt Margaretha geen enkel probleem.
al de metselaers en timerlie hebben haer afscheijt en sijn afbetaelt, de metselaers al inde voorleedene weeck en de timerlie gistere, ick heb ock alt hout dat overich is van alle kanten bij Een laete brenge en in goede bewaerine laete legge, dat niet veel is, uhEd sal hem verwonderen datter so weijnich hout over is maert tis ongelooflijck wat hout der tot de kap gegaen is, alde deelle heb ick opt huijs Elck daerse legge moete laete brenge en legge, schut oordeelt datse daer beeter drooge sulle als onder de loots
en men kander sich nu noch mee van diene met over de booven kamers met gemack te konne gaen, ick kan niet segge hoeblijde ick ben al dat volck voor deese tijt vande hals quijt te sijn3Hoogstwaarschijnlijk bedoelt Margaretha hiermee het tegenovergestelde van de uitdrukking ‘iemand op de hals hebben’ (met iemand opgescheept zitten). Ofwel: ze is blij dat ze van de werklieden verlost is ben die gaste wel moede
Kelders onder de voorburcht
Schut is bezig onder meer de grachten te ontwerpen. De tekeningen krijgt Godard Adriaan binnenkort opgestuurd. Godard Adriaan heeft blijkbaar ook zijn mening gegeven over de kelders onder de voorburcht. Wat hij daar precies over geschreven heeft is onbekend, maar Margaretha is er in ieder geval erg mee in haar nopjes. Maar ze houdt nog wel een grote slag om de arm. Door het verhogen van de voorburcht zouden ze kelders namelijk wel waterdicht blijven, maar zouden de grachten en de ‘hoofve’, waarschijnlijk de binnenplaats, aanzienlijk lager komen te liggen. En dat zou problemen kunnen opleveren. Gelukkig heeft het geen haast; er hoeft niet op stel en sprong een beslissing genomen te worden.
hij schut is beesich om de teijckenin vande singels ent verdere te maecke het welcke uhEd met de naeste post sal toegesonde worde, uhEd konsiderarsie4Consideratie: overweging weegens de kelders ondert voorburch gevalle mij heel wel, maer vrees daer noch al speekulaesie5Speculatie: beschouwing op sule valle somige meene alst voorburch so veel gehoocht wort dat de kel= =ders die der onder soude koome water vrij sulle sijn, dat het Een mistant door dien de singels de hoofve ende steech so veel lager sou koome, sal geefven, dan daer is noch geen haest bij[, hoope uhEd Eerme]
Kasteel Beverweerd vanuit het zuiden, Cornelis Pronk, 1731. Collectie Het Utrechts Archief. De voorburcht lag altijd voor het kasteel, maar achter de poort. Aan de voorburcht lagen belangrijke bijgebouwen zoals bijvoorbeeld de stallen. Op deze tekening van Kasteel Beverweerd zie je links het kasteel en via de brug kom je op een ommuurd terrein met wat gebouwen: de voorburcht.
Hardsteen
Voordat Margaretha overgaat op een ander onderwerp, moet ze nog één ding kwijt over de bouw van het huis: het is fantastisch dat Godard Adriaan het hardsteen heeft aanbesteed en volgens de werkbazen was het ook nog eens heel goedkoop! Ze hoopt wel dat de opdracht van Godard Adriaan niet verlengd wordt; hij moet eens met eigen ogen zien hoe het loopt met de (her)bouw van zijn voorouderlijk huis.
[dan daer is noch geen haest bij,] hoope uhEd Eerme so verkomt weer hier en bijt werck sal sijn, dat uhEd de hartseen so trape als ander heeft aenbesteet is heel goet, en so de baesen hier oordeelen heel goet koop, dat uhEd weer nieuwe ordere sijn toe gesonde hoope niet dat de komissie sal verlenge want voorde soomer deselfve wel Eens sal diene hier te sijn[, bij ockasie dat de fabrijckmeester]
De een z’n dood is de ander z’n brood
Architect Daniël Stalpaert is overleden. Of Margaretha hem persoonlijk kende is niet bekend. Waarom stelt ze Godard Adriaan dan op de hoogte van zijn dood? Omdat Schut heeft gevraagd of Godard Adriaan een brief wilde sturen aan Gillis Valckenier, één van de burgemeesters van Amsterdam, om Schut aan te bevelen. Stalpaert was namelijk stadsarchitect van Amsterdam – een functie die speciaal voor hem gecreëerd was, en die Schut héél graag wilde overnemen. Margaretha verwijst naar de functie als ‘fabrieksmeester’, een benaming die voortkomt uit de naam van het stedelijk bouwbedrijf in de 17de eeuw: stadsfabriek. Schut aast dus op, zoals we het tegenwoordig zouden noemen, een functie als Hoofd Publieke Werken. Het mocht uiteindelijk niet baten; de functie bleef vacant. Pas in 1746 werd er weer iemand aangesteld als stadsarchitect van Amsterdam.
[hier te sijn,] bij ockasie dat de fabrijckmeester van Amsterdam genaemt stalpert6Daniël Stalpaert doot is ver= soeckt onse Meester henderick schut dat uhE hem door Een brief aende burgemeester valckenier7Gillis Valckenier
beliefde te reeckomandeere tot de vakante plaets van fabrijckmeester van die stat geloof het hem wel diene sal en kan tot noch toe niet sien of hij is Een vroom Eerlijck man
Neef Welland heeft een brief aan Godard Adriaan verstuurd en heeft de inhoud kennelijk met Margaretha gedeeld. Margaretha is er nog al ontdaan van, al wordt niet duidelijk waarom. Ze begrijpt niet hoe een man van aanzienlijke stand zo diep kan zinken. Ze vreest dat ze nu wel moet geloven wat er over hem gezegd wordt, namelijk dat hij het meeste van zijn verstand uit boeken heeft. Wat neef Welland ook heeft geflikt, Margaretha had het nóóit van hem verwacht. Ze hoopt dat hij zich bedenkt en dat hij de goede raad die hij krijgt opvolgt.
nu moet ick segge in lange ijaeren niet meer ge= supreeneert8Supprimeren (?): Verdrukken te sijn als in den brief vande heer van wellant aen uhEd geschreefven, ist mooge= lijck dat Een man van kondijsie9Conditie: Van aanzienlijke stand tot sulcken ver val kan koomen, hier wt sou ick wel moete geloofe het geene van hem geoordeelt wort dat is dat sijn meeste verstant dat hij heeft hij wt de boecken halt ick beken Evenwel dit van hem noijt verwacht te hebben had altijt gedocht hij meer Ambijsie had nu sien ick wij op geen vriende Eenige staet konne maecken, doch wil noch hoope hij hem sal bedencke en goeden raet volgen[, de heer van ginckel die]
Uil met bril en boeken, Cornelis Bloemaert (II) (vermeld op object), ca. 1625. Collectie Rijksmuseum.
Het salaris van Van Ginkel
Zoon Van Ginkel ligt overhoop met de Gecommitteerde Raden van Holland; ze willen Van Ginkel niet het geld geven waar hij als commissaris-generaal recht op heeft. Ze betwisten zelfs de Staat van Oorlog! Hij is naar Den Haag vertrokken om te eisen waar hij recht op denkt te hebben. Hij neemt ook een door Godard Adriaan aan Welland gerichte brief mee. Als hij dan toch in de Hofstad is, kan hij die brief mooi persoonlijk aan Welland overhandigen. Margaretha is erg benieuwd naar diens reactie. Dan nog even terug naar het salaris van Van Ginkel: zoonlief heeft via via gehoord dat raadpensionaris Fagel er debet aan is dat hij tegengezeten wordt. Margaretha heeft hem aangeraden Gebrandt Sas van den Bossche in de arm te nemen. Ze maakt zich wat zorgen om de daadkrachtigheid van haar zoon.
[t qaelijcks koomen,] de heer van ginckel is ver witticht dat den heere raet pensionaeris hem in sijn verkreegene tracktement soude teegen sijn, het welcke niet kan geloofven, doch heb hem geraede dat hij den heere sas10Gerbrandt Sas van den Bossche inde arm soude neeme en voort alle meddelen11Middelen die te be dencke sijn soude gebruijcke, dit moet voorde komste van sijn hoocheijt die noch in seelant is afgedaen worde, wat aengaet het traech schrijfve vande heer van ginckel daer heeft uhE gelijck in, ick secht hem dickmaels, ock schijnt dat hij wat schu schrupeloos12Schrupeloos: twijfelmoedig is om sijn hooch in somige saecke veel aen te spreecke of moeijlijck mee te valle[, het wil met den]
Godard van Reede, Graaf van Athlone enz. Veldmaarschalk der Vereenigde Nederlanden, Jacob Houbraken, 1749-1754. Collectie Kasteel Amerongen. Meer over deze prent.
1
Plegelijk: in overeenstemming met gewoonte of gebruik, gewoon, gebruikelijk
2
Solderen
3
Hoogstwaarschijnlijk bedoelt Margaretha hiermee het tegenovergestelde van de uitdrukking ‘iemand op de hals hebben’ (met iemand opgescheept zitten). Ofwel: ze is blij dat ze van de werklieden verlost is
Margaretha is dolblij: ze heeft maar liefst twee brieven van Godard Adriaan ontvangen! Ze is blij om te horen dat steenhouwer Jan Prang aangekomen is in Bremen. Maar wat vindt Godard Adriaan nu van de tekeningen? Margaretha zit te wachten op antwoord.
Ameronge den 2 deesem 1676 [rec. 7. dito 1676] Mijn heer en liest hartge
gister heb ick uhEd aengenaeme vande 25 en vandaech die vande 28 pasato ontfange, tis mij lief ijan prang wel is overgekoomen, nu verlanckt mij hoe uhEd al het overgesondene so teeckenine als ander aenstaet, en wat daer op sal reesolveere, [aengaende het verhoochge]
Druk, druk, druk
Bovendien ze wil aan de slag met de groentetuin. Ze wil de koolhof ophogen met aarde en zand en Van Ginkel wil daar ook nog fruitboompjes poten. Het werk aan het kasteel vordert. De metselaars zijn klaar met de bogen in de kelder maar de timmerlieden hebben nog wel een paar dagen werk. Het lood is aangekomen en de leidekker is bezig om het in de goten te leggen. Het werd hoog tijd.
[op sal reesolveere,] aengaende het verhoochge vande kool hof achter den bloem hof, soot sulcken vriesent weer blijft sulle wij met den Eerste daer aengaen en sant en Aerdt daer in laete brenge, de heer van ginckel heeft geseijt te wille sien dat hij Eenige vande kleijne fruijt boomtges die hem toegeseijt sijn, te krijge om daer in te pooten, de metselaers sijn gisteren alle wt ons werck gegaen hebbende al de scheijt boogen inde kelders gemaeckt dat Een groot werck wt de weech is, de timmerli hebbe noch wel acht dage werck, ijanhenderixs
den leijdecker is aent legge vant loot inde goote dat hooch tijt is gedaen te sijn, [gistere is]
Maar er zit Margaretha iets dwars, een heel ander onderwerp: de molen. De molenaar heeft schulden en hij moet de molen verkopen. De schuldeiser wil de molen laten veilen, maar Margaretha wil liever zelf bepalen wie de volgende molenaar wordt. De molenaar vraagt er vierduizend gulden voor. Een beetje veel, vindt Margaretha, hij heeft er zelf indertijd 700 gulden voor betaald. Goed, sinds die tijd is er wat aan vertimmert en hij heeft er een huis en een rosmolen bij gebouwd, maar zoveel bijzonders is dat nu ook weer niet. Margaretha heeft er drieduizend gulden voor geboden, dat is het wel waard, maar waar haalt ze het geld vandaan? Moeten ze een obligatie verkopen? Zou Godard Adriaan per omgaande zijn ‘sentimente’ op dit punt kunnen laten weten?
[dat hooch tijt is gedaen te sijn,] gistere is onse moolenaer hier bij mij geweest die seijt de moolen niet te konne houden ock heef kor= =neelis verweij die in verwin en wilse te koop veijlle tensijse uhEd niet wt de hant be= liefde te koope, nu de moolenaer preesen= =teertse ons te verkoope maer Eijster vier duijsent gul voor ick seij als hijder drij duijsent gul voor hadt dat hij heel wel toe sou koomen, die heeft hij der voor gelooft, en daer maer seeven hondert gul op betaelt , nu heeft hij der aen getimert Ent huijs dat niet veel bijsonders is geset ock de rosmoole so dat mijns oordeels alsmense voorde drije duijsent gul kost krijge het niet te dier sou sijn, maer waer koome wij aentgelt of most oblijgasie verhandelen, uhEd be= =lieft sijn gedachte hier Eens op te laete gaen en sijn sentimente met den Eerste te laeten weeten, [ick ben teegenwoordich]
Gezicht op het dorp Amerongen uit het noorden. A. Rademaker, ca 1725, gemaakt naar een voorbeeld uit 1620. Collectie Het Utrechts Archief.
Worst
Margaretha springt werkelijk van de hak op de tak in haar brief. Ze heeft varkens geslacht. Vier varkens die ze zelf heeft gemest en twee ‘eijckel verckens’, varkens die in het bos hun voedsel (zoals eikels) hebben gezocht. Ze is heel tevreden over zichzelf: het is haar beter afgegaan dan hopman Blanche. De kleindochters Pootge (Salomé Jacoba van drie) en Niera (Reiniera van vier) zijn al druk bezig met het maken van worst voor ‘groote papa’. Hij moet nu maar eens snel thuiskomen!
[te laeten weeten,] ick ben teegenwoordich ock int slachte van verkens heb vier van
ons Eijge gemeste en twee Eijckel verckens gesla die alle ses heel suijver en klaer gevalle sijn so dat mij slachte beeter als die vande heer hoop man1Hopman: Bevelhebber van zekere afdeeling (een vendel of compagnie) krijgsvolk of schutters: kapitein. Ze geeft Blanche regelmatig verschillende titels: Kapitein, Monsieur en nu Hopman… Zou ze Blanche gekscherend de bevelhebber van Godard Adriaan noemen? blansche2Isaäc de Blanche, in dienst van Godard Adriaan geluckt sijn, pootge en niera maecken al worst voor groote papa maer segge dat hij haest thuijs moet koomen, [Antge kijft op de groote bach]
Interieur met een vrouw die worst maakt, Jacques-Philippe Le Bas, 1747. Collectie: Rijksmuseum
Drukke kleintjes
Antge (Anna van zeven) is boos omdat ze kousen voor ‘groote papa’ wil breien maar ze heeft geen voorbeeld voor de juiste maat. Nu ze geen kousen kan breien, is ze van plan om een brief te schrijven aan ‘groote papa’. Hopelijk is hij daar ook tevreden mee. Het is duidelijk: Margaretha geeft haar kleindochters een opvoeding waarmee ze van alle markten thuis zijn. En misschien moeten ze ook wel helpen omdat Margaretha anders geen tijd heeft om brieven te schrijven. Fritsje is nog op Middachten dus Margaretha heeft geen nieuws over hem. De kleine Godertje is gezond en groeit goed, maar hij draagt een ‘bant’ om te genezen van zijn breuk en Margaretha is de enige die de ‘bant’ mag verschonen. Baby Agnes brengt ook de winter bij haar grootmoeder door en ze groeit als kool.
[koomen,] Antge kijft op de groote bachSophia Visbach, trouwe huishoudster van Margaretha dat sij haer geen hoosHoos: Min of meer nauw sluitende, langere of kortere bedekking van het been. van groote papa heeft gegeefve om naer te breije, hoopt teegens nieuwe ijaer Een brief aen groote papa te schrijfve daer sijt weer mee goet meent te maecken, hoet met fritsge gaen sal weet ick niet die is noch op Middachten, godertge is heel gesont en fris groeijt seer maer is wat vast inde bant die hem noijt af of aen gedaen wort om te verschoone als in mijn preesensie hoope hij met godts hulpe haest sal geneese, het jonste kint dat Angnis genaemt is naer de oude vrou van MeuweAgnes van Westerholt, grootmoeder van moeders zijde van Ursula Phlippota de groot moeder van vrou van ginckel gelijck uhEd int eerst van haer geboorte heb
geschreefve, groeijt ock heel wel, de heere wilse alle in sijne vreese laeten opwasse, [sijn]
Een meisje leert haar zusje breien Petrus Johannes Arendzen (vermeld op object), 1856 – 1900. Collectie Rijksmuseum.
Winter
Het gaat een koude winter worden. Margaretha laat alle dagen bijten in het ijs in de gracht hakken zodat de vissen het overleven. Maar ‘al wat God belieft moete wij verwachte’. En op die berustende noot besluit Margaretha haar brief.
[naer Middachte,] het vriest hier sterck ick laet alledaechge inde grafte bijten om de vis te behoude, soot schijnt mochten Wij wel Een harde winter hebbe, al wat god belieft moete wij verwachte, inwiens heijlige bescherminge uhEd beveelle en blijfve Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor vrou van
Landschap met figuren die een wak maken op een bevroren vaart, Andreas Schelfhout, ca. 1825 – ca. 1829. Collectie Rijksmuseum.
1
Hopman: Bevelhebber van zekere afdeeling (een vendel of compagnie) krijgsvolk of schutters: kapitein. Ze geeft Blanche regelmatig verschillende titels: Kapitein, Monsieur en nu Hopman… Zou ze Blanche gekscherend de bevelhebber van Godard Adriaan noemen?