Margaretha Turnor

Mijn heer en lieste hartge

Een nieuw regeringsreglement voor Utrecht

April 1674: de wilgen lopen uit, vogels bouwen hun nest. De Fransen zijn al weer vijf maanden weg, de gijzelaars zijn teruggekeerd en hebben de sneeuw van hun ongewenste winterse reis van zich afgeschud. Maar Utrecht is niet in een feeststemming: de provinciekas is leeg, en die van de steden ook. Bovendien is de militaire bezetting van de Fransen meteen in november afgelost door een Hollandse bezetting van de Staten-Generaal. Als vermeende “sleuteldragers” zijn de Utrechters uit de Unie gezet en onder curatele gesteld.

Een waaier die beschilderd is met een slinger van veel gekleurde bloemen en vruchten met in het midden een medalion twee spelende naakte kinderen met een bloemenkrans die de lente voorstellen
Waaier met lente-en oogstfestoenen en daartussen een medaillon met spelende kinderen, anoniem, ca. 1700. Collectie Rijksmuseum Met gedicht: ‘De lieve lente wil ons schoone bloemen geven, de oegst schenckt nutter vrucht/ men kan van reuk niet/ leven’

Een nieuwe lente, een nieuwe wind

Maar dan lijkt er toch verandering te komen: prins Willem III komt naar Utrecht. Zal Utrecht haar oude soevereiniteit terugkrijgen? Dat alle oude regenten op hun eigen kussen terug kunnen keren, verwacht eigenlijk niemand. Om de Utrechtse goede wil te tonen is de Statenkamer aan het Janskerkhof van binnen en van buiten versierd met fris lentegroen en oranje linten. Veel helpt het niet: ter gelegenheid van de komst van de prins worden zes van de acht geëligeerden1sinds de reformatie adellijke vervangers van de geestelijke stand vervangen. Zeven leden van de ridderschap en 25 van de 40 vroedschapsleden van de stad Utrecht ondergaan hetzelfde lot.

Een rij mannen en vrouwen in 17e eeuwse kleding, met hoeden en schorten, worstelend tegen de wind, achteruit en vooruit lopend,  getekend in zwart wit
In de wind lopende figuren op een rij, Harmen ter Borch, 1648. Collectie Rijksmuseum

Kleine steden vergeten

De stadsbesturen van de kleinere steden heeft men nota bene over het hoofd gezien. Maar ook zij zullen de dans niet ontspringen. Overal wordt het gros van de oude ambtsdragers vervangen door nieuwe. Er komen zelfs nieuwelingen van buiten de provincie. Al snel gaat het gerucht gaat dat sommigen de weg moeten vragen naar de stadhuizen en de Statenkamer!

Schilderij van een hoge, versierde zaal. Doordat de twee lange zijden schuin naar binnen lopen ontstaat de indruk van een podiumtoneel. Aan het plafond hangt een opvallend groot, wit doek waarop op de bovenste rij drie familiewapens zijn afgebeeld. Daaronder een rode decoratie in de vorm van een zeer grote vlinder met in het midden een familiewapen, daarboven de helm en schouders van een harnas en vastgehouden door twee bovenste helften van harnassen. Het wapen in het midden heeft in de linkerbovenhoek een leeuw, van de zijkant gezien. Aan beide zijden van de 'vlinder' zijn decoraties aangebracht van soldatentrommels en trompetten, onder elkaar. Onder dit doek, in de achterzijde van de zaal, is een doorgang naar een achtergelegen ruimte. De doorgang is versierd door een soort triomfboog met in het midden hetzelfde familiewapen als in het midden van de 'vlinder'. Midden boven de triomfpoort hangt een wimpel. De achterzijde is beschilderd met beneden bomen en boven water met schepen. Ervoor staan aan beide zijden twee borstbeelden op sokkels. De zaal heeft een houten plafond, dat gedeeltelijk te zien is omdat het doek ervoor hangt. Op de grond liggen zwart-wit plavuizen. De beiden zijwanden hebben tot ongeveer een derde lambrisering. Daarboven is het lichtgekleurd. De rechtermuur heeft in het midden een hoge nis, gelijkend op een deur met erin een harnas ten voeten uit. Daarboven zijn eenzelfde soort versieringen aangebracht als op het doek. In de linkermuur zijn eerst een deur en dan drie tot het plafon reikende nissen aangebracht. In de nissen bevinden zich eveneens decoraties met helmen. In de zaal zijn twee groepen in 17de eeuwse kledij gestoken mannen. Rechtsvoor tegen de muur staan drie mannen in overwegen rode kleding met een zwarte hoed op met elkaar te praten. De belangrijkste groep van zes mannen staat bij de deur in de linkermuur. Drie zijn in het zwart gekleed, drie in kleurrijkere kleding. Ze dragen bijna allemaal witte halsdoeken. Ze hebben krullend haar tot op de schouders, waarschijnlijk pruiken. Twee van hen dragen een hoed.
Ontvangst van Prins Willem III in 1674 in de Statenkamer van Utrecht ter gelegenheid van zijn aanstelling tot erfstadhouder. Collectie: Centraal Museum

Macht van de stadhouder

Maar een stuk heftiger dan de vervanging van een heleboel regenten in één keer, is de invoering van een nieuw regeringsreglement. De macht van de stadhouder bij het benoemen van nieuwe regenten in de toekomst wordt volgens dat reglement veel groter dan deze ooit geweest is. Elk jaar opnieuw moeten vroedschapsleden hopen op hun herbenoeming. Bij de geëligeerden is dat elke drie jaar. Het is dus de kunst om in de gunst van de prins te blijven, die tijdens zijn bezoek ook wordt benoemd tot erfstadhouder. Theoretisch zouden de nieuwbenoemde statenleden tégen het regeringsreglement kunnen stemmen. Helaas was er geen tijd om het goed te lezen en zijn ze veel te bang dat Utrecht alsnog uit de Unie wordt gegooid. Zover zou het echter nooit gekomen zijn. Willem heeft Utrecht veel te hard nodig als tegenwicht tegen Holland in de Staten-Generaal.

Exit Welland, Wulven en Van Weede

De oude heer van Renswoude wordt president van de Staten als geheel. Onder degenen die het veld moeten ruimen zitten, niet geheel onverwacht, neef Welland, de heer van Wulven, en de heer van Weede van Dijkveld. Aan de loyaliteit van Godard Adriaan wordt echter niet getwijfeld. Hij behoudt zijn plek in de ridderschap. Sterker nog: zijn plaats is vast geserveerd voor zoon Godard, mocht vader komen te overlijden! Margaretha mag tevreden zijn, de trouwe diensten aan de Staten-Generaal en ook aan de prins zijn niet voor niets geweest. Godard Adriaan betreedt samen met Renswoude en burgemeester Nellesteyn het bordes als het nieuwe regeringsreglement voor Utrecht op 16 april 1674 wordt afgekondigd door raadspensionaris Fagel.

Schilderij van een groot, rood bakstenen gebouw met een donker, schuin dak. Het gebouw beslaat driekwart van het schilderij, Rechtsachter het gebouw is een ander gebouw te zien in lichter gekleurd baksteen met aan de rechterkant een trapgevel. Aan de bovenkant is een bewolkte lucht geschilderd. Het rood bakstenen gebouw heeft op de bovenste verdieping vier vierkante ramen in vieren gedeeld. Daaronder bevindt zich een rijk versierde entree lichtgekleurd steen. Boven de deur is een afbeelding van een leeuw op zijn achterste poten en een beer ??? te zien. Daarboven een niet te lezen tekst. Daar weer boven een halve ovaal met een grote schelp erin. Naast de deur zijn links en rechts hoge rechthoekige ramen waarvan de onderste helft bedekt is met een grote decoratie in de vorm van de initialen W en H ineen met daarboven een kroon. Boven de ramen zijn er driehoekige stenen decoratie. Aan de linkerkant is nog een gedeelte van een raam te zien. In de deuropening staan twee mannen in zwarte 17de eeuwse kleding op een bordes. Voor het bordes een stenen trap van vier treden met aan beide zijkanten leuningen. Voor het huis staan verschillende groepjes met mensen, voornamelijk mannen, sommigen in zwarte anderen in kleurrijker kleding en bijna allemaal met een hoed op. Linksvoor staat een rijtuig en iets meer naar het midden een hond.
Afkondiging van het nieuwe regeringsreglement te Utrecht vanaf de trap op het Janskerkhof, 16/26 april 1674, anoniem, 1674. Collectie: Centraal Museum Utrecht.

Hout!

Er blijven brieven van Michiel Mattheus Smidts binnen komen. Hij houdt zich niet bezig met het ontwerp van het huis, maar hij is de praktische schakel tussen Godard Adriaan en de keurvorsten van Brandenburg en van Saksen. Voor zijn rol aan het hof van de keurvorst van Brandenburg was hij in veel gevallen ook verantwoordelijk voor de logistiek rondom de levering van bouwmaterialen. Dat is ook de rol die hij nu op zich neemt.

Hij schrijft dat hij er voor zal zorgen dat er bomen geleverd worden die groot genoeg zijn, Godard Adriaan moet maar aangeven wat hij nodig denkt te hebben. Hij zal ook voor het vervoer naar de Republiek zorgen. Dit betekent dat de boomstammen via de Elbe naar Hamburg vervoerd zullen worden, en dat ze van daar verder gaan over de Wadden en de Zuiderzee naar Amsterdam.

Een brede rivier met op de achtergrond de grote kerk van Dordrecht. Links voor twee mannen op een vlot van gigantische boomstammen. Rechts een roeibootje en voor het vlot twee zeilbootjes.
Vlotter voor Dordrecht, Albert Cuyp, 17de eeuw. Collectie Städelmuseum Frankfurt am Main.

Vlotterij

Het vervoer van boomstammen gebeurde eigenlijk altijd over water. Bomen werden samengebonden tot vlotten en die vlotten werden dan stroomafwaarts meegenomen. Vaak had één bemand vlot ook meerdere onbemande vlotten bij zich. De vlotterij is door Unesco benoemd tot immaterieel cultureel erfgoed. In Hamburg werden de stammen dan overgeladen op een schip en van via de Waddenzee en de Zuiderzee naar Amsterdam vervoerd. Daar worden de balken vervolgens tot planken gezaagd.

Op de achtergrond een stad met diverse kerktorens. Op de voorgrond water met verschillende schepen.
Hamburg vanaf de Elbe gezien, Elias Galli, 1680. Collectie SHMH Museum für Hamburgische Geschichte. Rechts voor ook een vlot met boomstammen.

Zagerij

Het zagen van een boom tot planken (of balken) kon wel dertig dagen duren. In 1592 combineert Cornelis Corneliszoon een krukas met een windmolen, waardoor hij van de draaiende beweging een horizontale of verticale beweging kan maken. De verticale beweging wordt gebruikt voor een raam met verschillende zaagbladen. De horizontale beweging wordt gebruikt om stammen met een slede door door dat raam te transporteren. Zo ging het zagen van planken opeens veel sneller. En zo is de houtzaagmolen geboren.

Een boomstam ligt op een bok. Op de boomstam staat een man en er staat een man op de grond. Ze houden elk een kant vast van een zaag met drie zaagbladen.
Twee mannen aan het zagen, Frans, 17e eeuw. Collectie Städelmuseum, Frankfurt am Main

Houtzaagmolens

Met de snelle groei van Amsterdam in de 17de eeuw, kwam er ook veel industrie naar de stad. De beroepen die gevaarlijk waren bijvoorbeeld vanwege brandgevaar (pottenbakkers, loodgieterijen, visrokers), stinkende bedrijven (leerlooierijen, azijnmakers, vetsmelterijen) en gevaarlijke stoffen (buskruitmolens, blekerijen, zoutketen). Kregen elk hun eigen plek en werden van woonwijken gescheiden of echt buiten de stad geplaatst. Daarna had de industrie die door windmolens aangedreven werd, ruimte nodig die in de stad niet beschikbaar was. In de jaren dertig van de 17de eeuw wordt buiten de stad de Zaagmolensloot aangelegd (ongeveer waar nu de Albert Cuyp is, ter hoogte van het Sarphatipark). In de jaren zeventig wordt waar nu het Museumplein is (van het Rijksmuseum tot het Stedelijk Museum) de Mennonietensloot aangelegd, waar ook verschillende molens komen.

Kaart van twee sloten evenwijdig aan elkaar met op regelmatige afstand molens ingetekend met daarbij een onleesbaar handschrift. Rechts Staan drie kolommen, in de eerste kolom het soort molen (korenmolen of zaagmolen), in de tweede kolom de naam van de eigenaar en in de derde kolom de naam van de molen.
Kaart van de Mennonietensloot, gegraven in 1669, waarop acht molens ingetekend staan. Het molentype, de naam van de molen en de namen van de eigenaren zijn vermeld, 1668/1669. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Jan Visser

In haar brieven moet Margaretha een paar keer de molenaar van de zaagmolen betalen en ze noemt dan de naam Jan Visser. Rechts boven in de hoek van de kaart van de Mennonietensloot worden molenaars met hun molen genoemd. De naam Jan Visser komt twee keer voor: bij De Jonge Visscher en bij de Veerzaagmolen. De Veerzaagmolen was een kleinere molen die ook in de buurt van de Mennonietensloot stond. Omdat de andere molens aan de Mennonietensloot wat betreft de wind die ze vingen last hadden van de Veerzaagmolen, is deze in 1686 afgebroken en vervangen door De Jonge Visscher. Het hout voor Kasteel Amerongen is dus hoogstwaarschijnlijk op het Museumplein ter hoogte van het Stedelijk Museum gezaagd.

Een sloot, met op de voorgrond eendjes. Aan de rechterkant van de sloot staan drie molens op rij. Bij de eerste molen zien we duidelijk ook het woonhuis en de schuurtjes. Na de eerste molen gaat er een hoog bruggetje over de sloot. Achter de molens staan woonhuizen. Op de linker oever van de sloot staat een knotwilg.
Molens “de Oranjeboom”, “de Zwaan”, en “de Jonge Visscher”, Cornelis Pronk, 1741. Collectie Amsterdams Archief.

Naar Amerongen!

Vanaf begin 1674 maakt de familie aanstalten om terug te keren naar Amerongen. Ze moeten dan wel een plaats hebben om te verblijven, want van hun kasteel is weinig over. Kennelijk is er al geïnformeerd, want Jan Quint schrijft dat het huis van Joost Cornelis zou kunnen helpen. Hij stelt echter voor het huis van de Drost te huren, want die ziet hij voorlopig nog niet terug komen.

We weten niet waar de familie uiteindelijk onderdak gevonden heeft. Ook tijdens de bouw is niet duidelijk waar ze verblijven. Wat we nu het Drostehuis noemen in Amerongen is pas in 1675 gebouwd. Dus ook ‘het huis van de Drost’ biedt niet veel info.

Een plattegrond in vogelvlucht met rechtsboven de kerk en een paar huizen. Boven de kerk staat Amerongen. Uit het dorp komt een weg en vanuit die weg kom je bij een huis met een gracht er omheen, Kasteel Amerongen. Tussen het kasteel en de weg zie je duidelijk twee delen: een deel met gras en een deel met bomen. Rechts onder het dorp staat een groep bomen met daarin verscholen een huis (Lievendaal).
Het dorp Amerongen met het oude Kasteel Amerongen links en rechts tussen de bomen Kasteel Lievendaal. Fragment uit een kaart van enige percelen land gelegen in de Allemanswaard onder Amerongen en Elst, 1597 van J.R. van den Berch, 1597. Collectie Archief Domkapittel Het Utrechts Archief.

Huurkasteel

Tot in de vorige eeuw gaat in de familie het verhaal dat Margaretha het kasteeltje Lievendaal gehuurd heeft. Het lastige is dat we niet precies weten hoe dat er op dat moment uit zag. In 1646/1647 tekende Roelant Roghman veel kastelen en toen was Lievendaal een ruïne. Zoals Roghman het getekend heeft was het zelfs niet deels bewoonbaar. Lievendaal is op dat moment in bezit van Dirck van Eck van Panthaleon en het wordt pas in 1688 door Godard Adriaan en Margaretha gekocht.

Tekening van een ruïne in een "gracht" (meer een plas water). Het huis heeft geen dak meer en alleen de buitenmuren lijken nog overeind te staan. Op de achtergrond bomen en links staat een soort boerderij.
Kasteel Lievendaal bij Amerongen, Roelant Roghman, van na 1647 tot voor 1692. Collectie Teylersmuseum

Toch is het idee om een kasteel te huren niet vreemd. Het was niet ongebruikelijk dat een kasteel (tijdelijk) door de eigenaars verhuurd werd. Begin 17e eeuw was bijvoorbeeld Kasteel Amerongen verhuurd aan de familie De Coninck die een nieuwe onderkomen aan de LangbroekerweteringOpent PDF aan het bouwen waren. Zelf woonde de familie toen op Molensteyn, ook aan de Langbroekerwetering.

In 1674 waren in de directe omgeving van Amerongen meerdere kastelen, kasteeltjes en versterkte huizen te vinden. Naast Lievendaal vond je in en rond Amerongen bijvoorbeeld Zuylestein, Bergestein, Wayestein, Royestein en Natewisch. Natewisch bestaat nog steeds en je kan het vanaf de dijk van Amerongen naar Wijk bij Duurstede zien liggen.

Eigen huizen

Naast huur had de familie zelf natuurlijk ook allerhande onroerend goed in en rond het dorp. Dat werd normaal gesproken verpacht, maar na het Rampjaar was alles anders. We weten dat tijdens het Rampjaar het dorp leeg gelopen was. Wie kwamen er terug en wie niet? Wie had er überhaupt nog geld om een huis te huren of een boerderij te pachten?

Een aanwijzing dat ze mogelijk in één van hun eigen woningen getrokken zijn, staat in een brief van 14 februari 1680. Ze kan de bouwerij van Joost van Ommeren, waar ze gewoond hebben, niet verhuren.

Brieffragment waarin Margaretha aangeeft in de bouwerij gewoond te hebben

[=eren,] de bouwerij oft huijs van joost van omeren
daer wij gewoont hebbe te kan ick noch niet verhu
=eren [ock de bolle niet daer so weijnich voor ge=]

Een bouwerij is een boerderij of alles wat men nodig heeft om boerenbedrijf te voeren. Op 3 maart 1673 schreef Margaretha al aan haar man dat de Fransen het huis van Joost van Ommeren hadden laten staan. Dus wellicht zijn ze daar voorlopig in getrokken. Overigens schrijft ze dan ook dat ze het huis van de drost ook gered hebben.

Mejuffrouw A.W.J. Mulder

Een belangrijke bron voor dit blog en sowieso voor Kasteel Amerongen is het boek dat Mejuffrouw Mulder schreef over Kasteel Amerongen. Het werd in 1949 uitgegeven en de Vrienden van Kasteel Amerongen hebben in 2015 een herziene tweede druk gerealiseerd. Mejuffrouw Mulder heeft in de Tweede Wereldoorlog toegang gehad tot het huisarchief en veel met de toenmalige bewoners van het kasteel gesproken. Zij is ook degene die de de mondelinge overlevering gekoppeld heeft aan het fragment in de brief van Margaretha.

Krantenfoto van vier mensen voor een kast met borden. Links een oudere heer met een vlinderstrikje, daarnaast een jonge vrouw met kort donker haar in een zwart jurkje, dan een man in pak met een bril op en helemaal rechts een gezette dame met opgestoken haar en een bril op. In haar hand heeft ze een papier.
Mejuffrouw A.W.J. Mulder helemaal rechts op de foto. Foto naar aanleiding van de Juliana van Stolberg herdenking in het Oranje Nassau museum, waar zij conservatrice was. Bron: Het Vaderland 11 september 1956

Eén vijand minder

Op 19 februari 1674 werd de Tweede Vrede van Westminster gesloten. Eindelijk was de vrede waar Margaretha zo naar had verlangt daar. Althans…

Grof geschut

De in augustus 1673 gevormde Quadruple Alliantie maakte van de Hollandse Oorlog een Europese oorlog. De Republiek bracht nu grof geschut mee naar de onderhandelingstafel. Wilde de Zonnekoning praten over vrede? Prima, maar dan kregen de nieuwe bondgenoten van de Republiek óók een stoel aangeboden. De Franse onderhandelaars konden hier niet mee akkoord gaan, en in de herfst van 1673 leek het er zelfs even op dat de Keulse Vredeshandel in zijn geheel zou worden afgebroken.

Met het Franse voorstel om een deel van de generaliteitslandenDe gebieden die wel bij de Republiek hoorden, maar geen stem hadden in de Staten Generaal en bestuurd werden door de Raad van State. Dit waren voornamelijk katholieke gebieden, vooral (rondom) het huidige Noord-Brabant en Limburg. af te staan óf Spanje te overtuigen een aantal plaatsen aan Frankrijk af te staan, gingen de geallieerden niet akkoord. Vervolgens lieten de Fransen niets meer van zich horen. Toch gingen de onderhandelingen door. Niet met Frankrijk en niet in Keulen, maar met Engeland in Londen.

Meij 16 1673 arriveeren de Sweedse Mediateuren tot Aaken de bestemde Handelplaats alwaar den 18 dito haar Ho Moge Gevolmachtigde Solemneel worden ingehaalt. Fragment uit De vrede van Westminster, 1674, Romeyn de Hooghe, 1674. Collectie Rijksmuseum

Junij 6, 1673 deden de Franse ministors tot keulen haar publijke intreden en vervolgens de sweedse Engelse en Nederlandse Gesanten om in het Comvent der Carmeliten de Tractaten aan te vangen. Fragment uit De vrede van Westminster, 1674, Romeyn de Hooghe, 1674. Collectie Rijksmuseum

De Kuelse Handelinge zijnde sonder gevolg depecheren haar Ho Mog. d ordres aan den Marq. del Fresno Spaans afgesant tot Londen om van een seperate Vrede te handelen. Fragment uit De vrede van Westminster, 1674, Romeyn de Hooghe, 1674. Collectie Rijksmuseum

De weg naar vrede

De overwinningen op zee in de zomer van 1673 en de veroveringen van Naarden en Bonn, had de Republiek bepaald geen windeieren gelegd. Een invasie op de Hollandse kust was er in het tweede oorlogsjaar wederom niet gekomen, en de Fransen moesten de Republiek noodgedwongen ontruimen. Het wapengekletter had de weg naar vrede vrijgemaakt.

Geen geld meer voor Karel

Karel II werkte met Lodewijk XIV samen om het katholicisme en absolutisme in Engeland te herstellen. Deze opvatting had zich in de hoofden van veel Engelsen genesteld. Dat de broer van de koning, de hertog van York, in september met een katholieke vrouw was getrouwd en de bruidsschat door de Zonnekoning was betaald, hielp bepaald niet mee. Daarnaast zagen de Engelsen een oorlog tegen Spanje — die er ongetwijfeld zou komen nu bondgenoot Frankrijk de oorlog aan Spanje had verklaard — niet zitten. Het Engelse parlement weigerde nog langer geld beschikbaar te stellen voor de oorlog tegen de Republiek. De Spaanse ambassadeur in Engeland, markies Del Fresno, bemiddelde tussen de partijen en op 19 februari 1674 werd de vrede beklonken.

De Marques del Fresno als Gevolgmagtigde van desen staat sluijt met de Engelse Heeren Commissarisen den 19 Febr 1674 den Vrede tusschen Engelandt en de Vereenigde Provincien. Fragment uit De vrede van Westminster, 1674, Romeyn de Hooghe, 1674. Collectie Rijksmuseum

De koning verklaart in sijn Parlament dat volgens der selver advijs den Vrede met de Heeren Staten Generael geslooten heeft. Fragment uit De vrede van Westminster, 1674, Romeyn de Hooghe, 1674. Collectie Rijksmuseum

De Vreede wort aan de Hr Staten en Sijn Hooght gebootschapt beswoorden geratificeert en gepubliceert. Fragment uit De vrede van Westminster, 1674, Romeyn de Hooghe, 1674. Collectie Rijksmuseum

Niet veel later, respectievelijk op 22 mei en 11 april, verlieten ook Münster en Keulen de Franse partij. En Frankrijk? De oorlog verplaatste zich na de ontruiming van de Republiek naar de Zuidelijke Nederlanden. Het duurde nog vier jaar voordat de Vrede van Nijmegen een einde maakte aan de Hollandse Oorlog.

In het midden een gracht met daarop een ponton met een draak die vuur spuwt. Op de gracht een paar bootjes. Op de kade staan stellages met pektonnen te branden. Daarboven in een lauwerkrans de Vrede, de Hollandse Leeuw en twee provinciemaagden. Links en rechts de Overwinning en de Faam met medaillons met portretten van de belangrijkste personen.
Fragment uit Vreugdevuren te Den Haag bij de Vrede van Westminster, 1674, Isaac Sorious, 1674. Collectie Rijksmuseum

De bouwmeester: Michiel Mattheus Smits

In de tijd dat Godard Adriaan in Berlijn aan het hof zat, heeft hij waarschijnlijk een tijdje in huis gewoond bij Michiel Mattheus Smits, hofarchitect van de Keurvorst. Smits kwam oorspronkelijk uit Breda en werkte al sinds 1652 in Berlijn. Als Godard Adriaans neef Carel van Reede van Drakestein, opperschenker van de keurvorst, in Berlijn overlijdt, werken Michiel en Godard Adriaan nauw samen om de nalatenschap te regelen.

Portret van een man die ons zijdelings aankijkt. Hij draagt een jas met knoopjes en een strik op zijn schouder. Hij heeft een kanten sjaaltje om. Hij heeft lang haar met een slag en een brede maar dunne snor. Onder het portret staat Michael Mathias Smidts Serenissimi Electoris Brandenburgici Frerici Guilelmi Magni Architectus.
Michael Matthias Smidts (1626 – 1692) door Jacques Vaillant, 1685. Collectie: Stadtmuseum Berlin © Repro: Michael Setzpfandt Berlin

De brand

Als het kasteel op 21 februari 1673 in brand gestoken wordt, zit Godard Adriaan in Minden. Hij schrijft Smits op 23 maart 1673, hij gaat er dan vanuit dat Smits al wel gehoord heeft van de brandstichting in Amerongen. Hij schrijft dan ook dat hij hoopt dat de Keurvorst hem kan helpen met hout, want daar zal hij tijdens de bouw flink wat van nodig hebben.

In mei 1673 reist Smits naar de Republiek en mogelijk heeft Godard Adriaan hem verzocht een kijkje te nemen. Het is niet duidelijk of hij in Amerongen geweest is. Wel geeft Godard Adriaan hem een introductiebrief mee voor de heer van Zuylen, die in Utrecht gebleven is. Smits gaat zeker bij Margaretha langs in Den Haag. Helaas is Margaretha zeer summier over de inhoud van hun gesprek. Ook later tijdens de bouw zal Michiel Mattheus Smits nog een paar keer langs komen. In haar brieven aan Godard Adriaan noemt Margaretha Smits ‘de bouwmeester’.

Tekening van een hoge kruiskerk met een kleine toren in het midden. In de hoeken van het kruis zijn lagere gebouwtjes geplaatst. Rondom de kerk lopen veel mensen en op het terrein staat een losse klokkenstoel met drie klokken.
Die Dorothea Kirche in der Neustadt bei Berlin, Johan Stridbeck, 1690. Collectie: Staatsbibliothek zu Berlin. Afbeelding uit zijn schetsboek ‘Die Stadt Berlin im Jahre 1690’. Smits heeft de kerk ontworpen, woonde er vlakbij en werd uiteindelijk begraven.

De herbouw

Het is de vraag of Smits zich daadwerkelijk met de architectuur van het nieuwe huis bemoeid heeft. Tijdens de brand zat Godard Adriaan al niet meer in Berlijn en daarna is hij in Den Haag. Het kan natuurlijk de Smits bij zijn bezoeken aan de Republiek langs geweest is en onder het genot van een glas wijn meegedacht heeft, maar zeker weten doen we dat niet.

Smits heeft wel een belangrijke rol gespeeld bij het hout dat Godard Adriaan van de Keurvorst kreeg. Niet alleen hield hij de vinger aan de pols bij de Keurvorst, maar hij regelde ook het vervoer naar de Republiek.

Plattegrond in vogelvlucht van Berlijn. Duidelijk is de bastionstructuur van de stad en de Spree die de stad in tweeën deelt. Links op de voorgrond een nieuw bastion: Dorotheenstadt.
Residentia Electoralis Brandenburgica : Quam arte optica Curate delineavit, calamo Iussuq. Clementissimo aeri incidit et Sereniss. ac Potentiss. Princ. ac Dno. Dno. Friderico III. Cum gratia et privilegio Sereniss. Principis Elect. Brandenb. Johann B. Schultz, 1688. Collectie: Staatsbibliothek Berlin. Op het bastion links op de voorgrond helemaal links staat de Dorotheenstädtische Kirche. Hier woonde Smits tegenover. (Het is zeker de moeite waard om op de link te klikken en de kaart goed te bekijken!)

Meer informatie over de activiteiten over Michiel Mattheus Smits in Berlijn in ‘Michiel Matthijsz Smids (Rotterdam 1626-Berlijn 1692). Keurvorstelijk bouwmeester in Brandenburg’ van Gabri van Tussenbroek in Bulletin KNOB 103 (2004).

Meer informatie over Michiel Mattheus Smits en Breda in ‘Michiel Mattheus Smits, een Bredase bouwmeester in dienst van de keurvorst van Brandenburg (1626-1692)’ door A.J.M. van Dun in Jaarboek De Oranjeboom 63 (2010).

Gijzelaars nog vast

Ondertussen in de vestingstad Rees….hebben de twintig Utrechtse gijzelaars geen prettige jaarwisseling gehad. Begin januari 1674 zitten ze daar nog steeds nadat ze door de Fransen eind november waren meegenomen. Onder hen is Adriaen van Rossem, een neefAdriaan van Rossem, zoon van Sara van Reede van Nederhorst van Godard Adriaan. De eerste weken hebben ze ondanks alle ongemakken eigenlijk weinig te klagen gehad. Ze hebben zowaar af en toe onder begeleiding het fort mogen verlaten om het stadje Rees zelf aan de overkant van de Rijn te bezoeken. Maar tegen kerst wordt de Franse intendant Louis Robert ongeduldig.

Kaart waarin in het midden horizontaal een rivier loopt: Rhenus Flv. De Rhyn. Op de rivier varen vier zeilbootjes. Boven de rivier ligt een grote vesting met niet alleen wallen en gracht, maar nog uitgebreidere vesting werken. Aan de andere kant van de rivier ligt eeen kleinere vesting.
Plattegrond van de versterkingen van Rees, 1651. Collectie Scheepvaartmuseum Amsterdam S.1034(15) kaart 123. De gijzelaars zitten in de vesting aan de zuidkant van de rivier.

De duimschroeven gaan aan

Robert is geïrriteerd omdat na een maand het totale bedrag dat Utrecht moet betalen nog steeds niet binnen is en de gijzelaars beginnen te klagen. Tijd om de duimschroeven aan te draaien: geen uitstapjes meer, een toontje lager zingen, en verdere beperkingen zullen volgen als er binnen acht dagen niet wordt betaald. Geschrokken schrijven de gevangenen kort achter elkaar twee brandbrieven naar Utrecht. Dat heeft effect: het tijdelijke provinciebestuur doet met steun van de Staten Generaal meteen een extra dringende oproep tot betaling bij de burgers.

Tekst op plakkaat: 
Notificatie, aanmaninge ende waerschouwinge
Alsomen bericht werd dat de Ostagiers, die by de Fransche van hier gevanckelijck zijn wegh gevoert, seer hard worden gedreycht vanden Intendant, in-gevalle ' restant vande beloofde Taux en Branschattinghe niet promptelijck worde voldaan, ende men seer beducht is dat door die strickte detentie eenige van dien (zijnde van swacke dispositie, of hoogen ouderdom,) tot sieckte ende meerder swaricheydt sullen vervallen, indien niet spoedichlijck sulcx werde voor-gecomen door op-brenginge van penningen, of verpandinghe van Ju-
Plakkaat van de Staten van Utrecht Collectie Het Utrechts Archief (“Ostagiers” zijn gijzelaars)

Bovendien worden beide brieven gepubliceerd, met een extra aanbeveling door provinciesecretaris Quint.

De tekst is te lang om hier helemaal weer te geven. Links de brief van secretaris Quint, rechts de brief van de gijzelaars, ondertekend door J. Lodestein.
Brief van de gijzelaars van 23 december/2 januari met bijbehorende aanbeveling door secretaris Quint gepubliceerd 29 december/8 januari. Collectie Het Utrechts Archief (klik op link voor grotere, beter leesbare versie)

Zilverwerk

Voor gegoede burgers die zeggen geen contant geld te hebben, kan het bestuur het niet leuker maken, maar wel makkelijker: eigenaren kunnen alle soorten bewerkt zilver (en andere kostbaarheden) in onderpand geven tegen een rente van 6 procent. Het zilver zal goed worden bewaard.

De ronde, gewelfde schaal rust op een standring en heeft een brede rand, opgebouwd uit acht gezwenkte knerren met weke, knekel-achtige omlijstingen. Iedere kner is gedreven met een grote bloem. Vanaf middenonder zijn kloksgewijs weergegeven driemaal een tuinanemoon, een trompetnarcis, een tulp, tweemaal een tuinanemoon en een lelie. In het middenveld is een scène weergegeven van twee in een landschap zittende jongetjes die samen uit een schaaltje drinken.
Zilveren plooischotel met gedreven bloemen, toegeschreven aan Nicolaas Hoyer , 1661. Collectie Rijksmuseum
Tekst over de oproep voor het losgeld
Fragment uit de begeleidende oproep van secretaris Quint bij een brief van de gijzelaars 16/26 december 1673. Collectie Het Utrechts Archief

(…) tot lossinge vanals losgeld voor die hare Broederen/ of anders aenstonts te willen over leveren aen hem ‘t gemaecktebewerkte Silver/ om daer op na de weerdijetaxatie van dien te leenen penningen ten fine voorsz met het hier voor genoemde doel(…)

Ende sal dan Silver-werck getrouwelijck worden bewaert ende versegelt op seker plaetse totte aflossinge toe: de welcke op het alder-yverste zal worden beharticht.

Dag des Oordeels

Een beetje psychologische druk wordt daarbij niet geschuwd. In de oproep staan bijbel-citaten om de burgers tot vrijgevigheid aan te zetten. Wie een gevangene bezoekt of bevrijdt, helpt daarmee eigenlijk God zelf. Als je op de dag des oordeels nog rijkdommen in huis hebt die je blijkbaar niet hebt ingezet om je broeders te helpen, zal dat zeker niet in je voordeel werken.

Tekst met de verwijzing naar Christus

Een ygelijck neme dit doch ter harten / Opdat niet in den dag des Oordeels dat Silverwerck tegen ons getuyge /
Ende d’HeereChristus segge ick ben in gevanckenisse geweest en gy heb my niet besocht / Dit gelieven de Schouten hare Buurten op ‘t ernste aen te dragenDe schouten wordt verzocht dit in hun wijken zo ernstig mogelijk aan te bevelen

Een man brengt een gevangene eten. De gevangene zit op een steen in een donkere ruimte en is met een ketting vastgemaakt. De bezoeker komt met een lantaarn en strekt zijn hand uit om de gevangene te begroeten.
De gevangenen bezoeken, Gerrit de Broen (I) (mogelijk), naar Jan Luyken, in of na 1695 – ca. 1740 Collectie Rijksmuseum

Verlost

Deze tactiek helpt, al zal ook de beloofde 6 procent rente (die later nog jaren via een hoofdelijke belastingomslag moet worden afbetaald) een rol hebben gespeeld. Op 2 februari is er een bedrag van 330.436 gulden bijeengebracht. Een konvooi met 200 paarden en ruiters brengt het naar Arnhem. Een dag later kan een opgeluchte Utrechtse delegatie haar stadsgenoten in de armen sluiten.

Bezorgde moeder

DatumPlaats
Geschreven3 januari 1661Amerongen
Geadresseerde:
Constantijn Huygens
Ontvangen13 januari 1661
Lees hier de originele brief

De brief die Margaretha Turnor op 3 januari 1661 schrijft, is haar vroegst bekende brief. Ze schrijft hem niet aan haar man, maar aan Constantijn Huygens, heer van Zuilichem.

De Spaanse missie

Waarom schrijft Margaretha aan Constantijn Huygens? Daarvoor moeten we terug naar oktober 1660. Op dat moment vertrok namelijk de eerste officiële Staatse missie sinds de Vrede van Münster in 1648 naar Spanje. Het doel van de missie is om koning Filips IV geluk te wensen met het huwelijk van zijn dochter Maria Theresia met de Franse koning Lodewijk XIV. Het huwelijk is een bezegeling van de in 1659 tussen Spanje en Frankrijk gesloten Vrede van de Pyreneeën. Met het overbrengen van die gelukswensen wil de Republiek uiteraard een hoger doel bereiken, namelijk het hernieuwen van een aantal eerder gemaakte afspraken op het gebied van staatszaken.

Een elegant gezelschap staat in een kerk voor het altaar. In het midden een bisschop die de infante Maria Theresia van Oostenrijk, gekleed in een hermelijnen mantel met fleur de lis en Lodewijk XIV, gekleed in een mantel met het Maltezer kruis, trouwt. Voor hun een tafel met twee stoelen die ook bekleed zijn met fleur de lis.
Edmé Jeaurat (naar Charles le Brun), Het huwelijk van Maria Theresia, dochter van Filips IV van Spanje in 1660, 1731. Collectie Scottish National Gallery Of Modern Art (Modern Two) (Print Room)

In het gevolg van Godard Adriaan

Eén van de drie ambassadeurs die op 3 december 1660 in Madrid gearriveerd is, is Godard Adriaan van Reede. Hij wordt niet alleen vergezeld door zijn 16-jarige zoon, Godard van Ginkel, maar ook door Lodewijk Huygens, de zoon van Constantijn. Voor beide zonen geldt de missie als onderdeel van hun opvoeding. De inmiddels 29-jarige Lodewijk spreekt Spaans en kan dus af en toe optreden als vertaler, maar heeft verder geen officiële taak en wordt ook niet betaald. Maar ach, vader Huygens was allang blij dat zijn derde zoon mee kon op deze gezantschapsreis. Misschien hoefde hij dan niet langer in de schaduwen van zijn succesvolle oudere broers, Constantijn jr. en Christiaan, te staan.

Portret ten voeten uit van een jonge man in een harnas en hoge leren laarzen. Hij heeft langkrullend haar en draagt om zijn nek een sjaaltje.
Godard van Reede van Ginkel, Jurjen Ovens, 1661. Collectie Kasteel Amerongen.

Afscheid nemen bestaat niet

Lodewijk Huygens had veel vrije tijd en hield al sinds het begin van de reis een dagboek bij. Het dagboek is bewaard gebleven. Daardoor weten we onder meer dat Margaretha haar gezin in oktober 1660 tot aan het vertrek van het gezantschap vanuit Hellevloetsluis heeft vergezeld. Onderweg van Den Haag naar Hellevoetsluis speelde het gezelschap, onder wie Lodewijk, een kaartspelletje. Het afscheid viel zowel de vertrekkenden als de achterblijvers zwaar, aldus Lodewijk: er vloeiden veel tranen. Maar Lodewijk beschrijft een saillant detail. Probeerde Godard van Ginkel zich groot te houden tegenover zijn reisgenoten? Volgens Lodewijk huilde Godard namelijk tranen met tuiten wanneer hij in de richting van zijn moeder keek, maar lachte hij smalijk wanneer hij zich omdraaide naar zijn reisgezelschap.

Alvorens verder te gaan kan ik me niet bedwingen om hier hier nog een nogal zeldzaam en vermakelijk voorval in herinnering te brengen dat plaatsvond bij het vertrek van mevrouw Van Amerongen. Het was namelijk zodat als mijnheer Van Ginckel haar zoon, een edelman met een nogal vrolijk karakter, naar de ene kant keek om afscheid van zijn moeder te nemen, dan zag hij haar samen met haar nichtje staan huilen. Ik had zo even al verteld dat ze dat deden Keek hij naar de andere kant, dan zag hij zijn metgezellen van wie dat soort afscheid misschien niet zo hoefde. Op hetzelfde moment dat hij van de ene naar de ander kant keek, deed hij dan hen en dan ons na. Draaide hij zich nar de zijde van zijn moeder, dan huilde hij namelijk tranen met tuiten en op hetzelfde ogenblik dat hij zich naar ons keerde, begon hij minstens zo smakelijk lachen. Hij deed dat iedere keer als hij zich van de een naar de ander wendde zonder dat hij zichzelf daarbij in de hand had.

Maurits Ebben (red.), Lodewijk Huygens’ Spaans journaal. Reis naar het hof van de koning van Spanje, 1660-1661 (Zutphen, 2005).
Families zwaaien naar de vertrekkende schepen, op de voorgrond het verwelkomen van de teruggekeerde familieleden en geliefden. Bedrukt op achterzijde met tekst in het Nederlands.
Afscheid en terugkeer op de kust, Willem Basse, 1632 – 1634. Collectie Rijksmuseum

De thuisblijvers

Margaretha Turnor en Constantijn Huygens delen hetzelfde lot: ze zijn thuisblijvers en moeten hun zonen missen. Uit haar brief van 3 januari 1661 blijkt dat Margaretha reageert op een eerdere brief van Huygens. Blijkbaar heeft de heer van Zuilichem haar al eerder een brief geschreven, misschien onderhielden ze al langer een briefwisseling en is alleen deze brief bewaard gebleven. Hoe het ook zij, de thuisblijvers hebben elkaar opgezocht en vertrouwen hun zorgen aan het papier en aan elkaar toe.

Omdat Margaretha herhaalt wat ze in een ontvangen brief van Constantijn gelezen heeft, weten we ongeveer wat er in die brief gestaan moet hebben. Er stond waarschijnlijk iets in over het verloop van de reis, want Margaretha is er zeer content mee te horen dat de reis niet over ‘de bergen en kwade wegen’ was gegaan. Constantijn had zijn lotgenoot met zijn woorden gerustgesteld.

Brieffragment over Margaretha's zorgen.

uEd schrijfvens is mij seer wel behandich
waer voor uEd hoochlijck bedancke te
meer doordien die mij heel wel te pas
quam, als de kontreije in spange diede
heere Ambassadeurs moeste passeere
niet kenende was ick seer bekomert
en aprehendeerde de reijs overde berge
en quade weege van die seer, waer
van uEd mij het kontrarije door deselfs
schrijfve beliefde te segge, heeft mij een
=nige gerustheijt gegeefve, [sedert heb]

Bekwaam en modest

Margaretha deelt ook een aantal complimenten uit. Ze schrijft haar lotgenoot dat Godard Adriaan in een brief heef laten weten ‘zeer gelukkig’ te zijn met het gezelschap van Lodewijk Huygens; de zoon van Constantijn is zeer ‘bekwaam en modest’.

Zou Margaretha hopen dat haar lotgenoot in een volgende brief complimenten aan Godard Adriaan uitdeelt? We zullen het helaas misschien wel nooit weten, want er zijn – zover bekend – geen andere brieven van Margaretha aan Constantijn Huygens bewaard gebleven.

Brieffragment over de compliment van Godard Adriaan over Lodewijk Huygens

[schrijfve heeft besocht,] vint sich
doort geselschap van men heer uEd
soon geluckich want kan mij niet genoech
scrhrijfve van sijn Ed bequ
=aem en modest leefven[, seijt ock]

Een schilderij met zes cartouches. In het midden een oudere man, Constantijn Huygens. Hij heeft een spits gezicht met een snor en een klein baardje. Hij heeft donker halflang haar met veel volume. Hij is in het zwart gekleed met een kantenkraag. Zijn linker hand houdt hij voor de borst, waardoor je het kanten manchet ziet. Om zijn middelvinger draagt hij een ring. Midden boven een portret van een jong meisje, Constantijns dochter Suzanna, in een wit jurkje en een wit kapje op. Op het jurkje zitten roze strikjes en op het kapje een roos. De andere vier cartouches zijn voor de vier zoons. Links boven Constantijn jr., rechts boven Christiaan, links onder Lodewijk, rechts onder Philips. Afgezien van Philips dragen de jongens donkerbruin met een witte kraag. Philips draagt een groen fluwelen cape en een baret met een witte veer. Tussen de cartouches zijn in bruin putti en vruchten geschilderd. Op een schild onderaan het schilderij staat ECCE / HÆREDITAS / DOMINI. / Anno. 1640
Adriaen Hanneman Portret van Constantijn Huygens (1596-1687) en zijn vijf kinderen, 1640, Adriaen Hanneman. Collectie Mauritshuis.

Oom Dirk Adolf

Toen de Fransen nog uitgebreid in Utrecht en Gelderland zaten, schreef Margaretha dat het goed ging met oom Van Reede in Wijk bij Duurstede. Op 22 december 1674 overlijdt Dirk Adolf in Wijk bij Duurstede, hij is dan 74 jaar.

Portret

Wat bijzonder is, is dat er op zijn doodsbed een portret van hem gemaakt is en dat dat portret bewaard gebleven is. Het portret is niet in Wijk bij Duurstede of Amerongen, maar het is in bezit van de Heilige Suitbertus parochie in Culemborg. Hoe het portret in Culemborg terecht gekomen is, is niet met zekerheid te zeggen.

Een man met gesloten ogen, een snot en een paar dagen baardje. Op zijn hoofd een zwarte kap waar grijze krullen onderuit steken. Om zijn nek een lichtblauwe stola met een rode rand. De kleding eronder is wit. Aan de rechter een opengetrokken blauw gordijn. Rechts in de hoek staat
RP Theod: Reede
M 1674 12 Dec
Art: 74 MIS 41
Dirk Adolf van Reede op zijn doodsbed 12 december 1674 op de leeftijd van 74 jaar. Collectie: Parochie H. Suitbertus, Culemborg

Katholiek

Dirk Adolf is de derde zoon van Frederik van Reede, de grootvader van Godard Adriaan. Waarom weten we niet, maar hij bekeert zich tot het katholicisme. Als hij 33 is wordt hij pater jezuïet in Wijk bij Duurstede. In Wijk bij Duurstede was het enthousiasme voor het nieuwe geloof niet erg groot is, maar de meeste bestuursfuncties werden wel door protestanten uitgevoerd. Uiteraard waren de protestante predikanten niet blij met de activiteiten van Dirk Adolf in hun stad. En ze beklagen zich regelmatig bij het stadsbestuur. Dat belooft altijd wat te doen, maar doet dat uiteindelijk nooit.

Links een blauw wapen met een gele adelaar met wijd opengeslagen vleugels. Rechts een groen wapen met drie witte bloemen. Eronder staat Jan van Oostrum - Moersbergen.
De wapens van Jan Van Oostrum (zoon van neef Johan) en Kasteel Moersbergen. Uit: Handschrift met afbeeldingen van de ridderhofsteden in het Nedersticht, voorafgegaan door pagina’s met afbeeldingen van de wapens van de vijf Utrechtse kapittels, van de vijf steden, van de ridderhofsteden en hun bezitters en van verschillende onbekende wapens en wapenbekroningen, ca 1660. Collectie Het Utrechts Archief

De Van Oostrums

Het zal Dirk Adolf zeker geholpen hebben dat hij van die belangrijke familie Van Reede is. En die familiebanden liepen door tot in bestuurlijk Wijk bij Duurstede. In Wijk bij Duurstede waren twee van nichtjes van vaders kant, getrouwd met Willem en Johan van Oostrum, twee neven van moederskant, en schouten van het stadje. Als Dirk Adolf in Wijk bij Duurstede aankomt, is Johan al overleden, maar Willem kan hem tot 1639 de hand boven het hoofd houden. Wellicht kan ook zijn broer Godert dat, die tot 1641 Heer van Amerongen is.

Vasthoudend

Dirk Adolf heeft het niet makkelijk gehad, altijd had hij te maken met tegenwerking van de protestanten. Toch kan hij op 22 december 1674 terug kijken op een succesvol leven. In 1630 waren circa 400 van de 2700 inwoners van Wijk bij Duurstede katholiek en dat is in 1657 opgelopen tot 1200 van 2350 inwoners (alle aantallen zijn schattingen, ook de bevolkingsaantallen). Daarnaast was pater Van Reede actief in een breed omliggend gebied: hij bestreek het hele gebied tussen Wijk bij Duurstede en Bunnik. De kleinzoon van neef Johan zou in Molenstein in Langbroek een schuilkerk starten, die hij in 1672 moest sluiten.

Een gebouw bestaand uit drie geveltjes die van rechts naar links steeds kleiner worden. Recht heeft een trapgevel aan de achterkant, twee ramen op de lange kant een normale daklijst voor, maar er staat wel een zeskantige toren waarvan de punt net boven het dak uitsteekt. Het tweede gebouw heeft ook een trapgevel, maar staat verborgen achter een boom. Helemaal links een gewone daklijst. Op de voorgrond een met een heg omsloten tuin met bomen en een moestuin.
Gezicht op het huis Molenstein aan de Langbroekerwetering te Rijsenburg, L.P. Serrurier naar Cornelis Pronk, 1730. Collectie Het Utrechts Archief.

Jezuïeten

Dirk Adolf overlijdt in Wijk bij Duurstede en wordt bijgezet in het graf van de Van Oostrums. Wie de opdracht gegeven heeft voor het bijzondere portret weten we niet.

Na het overlijden van Dirk Adolf verandert de houding van de inwoners van Wijk bij Duurstede jegens jezuïeten. Nieuwe jezuïeten worden weg gejaagd. Mogelijk is daarom het portret in veiligheid gebracht. In Culemborg waren sinds 1628 jezuïeten gevestigd. Zij maakten veel gebruik van klopjes: katholieke vrouwen die hun leven aan het geloof wijden, zonder in een klooster in te treden. De klopjes kregen hun naam van het kloppen op de deuren van katholieken als er een religieuze bijeenkomst was. Deze Culemborgse klopjes maakten volgens de classis van de gereformeerde kerk ook de buurt rond Wijk bij Duurstede onveilig. Waarschijnlijk werkte Dirk Adolf dus samen met de Culemborgse jezuïeten. Mogelijk is het portret in opdracht van hen gemaakt of is het door de familie ter bewaring aan hen gegeven vanwege het anti-jezuïtische sentiment in Wijk bij Duurstede.

Vorst Maurits

Portret tot de knieën van een kalende man met grijzig haar tot in zijn nek. Hij heeft een flinke snor een kneveltje. Hij leunt met zijn rechterarm op een pilaar en in zijn hand houdt hij een brief. Links heeft hij een handschoen aan en hij heeft zijn hand in zijn zij. Onder een zwarte overjas draagt hij een harnas met daaroverheen een blauwe sjerp en een Johanniter(?) kruis. Op de achtergrond een symmetrische tuin met vijvers een half rondlopende galerij en aan het eind van de lange zichtlijn een huis.
Jan de Baen, Portret van Johan Maurits (1604-1679), graaf van Nassau-Siegen, 1668-1670. Collectie Mauritshuis.

Eind december 1673 en begin januari 1674 schrijft Godard Adriaan aan verschillende mensen dat hij Vorst Maurits (Johan Maurits van Nassau Siegen) tot zijn architect benoemd heeft. Hij is er blij mee! Of Johan Maurits van Nassau Siegen inderdaad de architect is geweest zoals we dat nu bedoelen is de vraag. Toch heeft Johan Maurits waarschijnlijk wel een vinger in de pap gehad bij de bouw.

Het Mauritshuis

Wat betreft zijn bouwactiviteiten is Johan Maurits in Nederland vooral bekend vanwege het Mauritshuis, maar hij bouwde ook in Kleef en legde daar onder andere de tuinen aan die nog steeds bekend zijn. Die staan op de achtergrond van het portret dat Jan de Baen van hem maakte.

Het was op zich niet vreemd dat een man van hoge adel zich met architectuur bezig hield. Dit werd als een positief onderdeel van de opvoeding gezien. Voor de bouw van het Mauritshuis had hij architect Jacob van Campen (van het Paleis op de Dam) ingeschakeld, die voor het interieur geassisteerd werd door Pieter Post. Pieter Post zal later voor Johan Maurits de Sonnenburg ontwerpen. De Sonnenburg ligt in een deel van Brandenburg wat nu in Polen ligt.

Een strakke tekening van de voorgevel van het Mauritshuis. Twee verdiepingen hoog, zeven ramen breed. In het midden een deur met een trap van twee kanten. De middenste drie ramen en de deur zitten in een midden-risaliet met een timpaan. Op het dak staan twee schoorstenen.
Ontwerp van de voorgevel van het Mauritshuis, P. Post, 1715. Collectie Haags Gemeentearchief, gr. B 202.

Maurits Post, Johan Maurits en Amerongen

Johan Maurits wordt de peetvader van Posts zoon Maurits. Ook Maurits Post werkt nauw samen met Johan Maurits, onder andere aan de tuinen van het Mauritshuis, in Siegen en van de stadhouderlijke residentie in Kleef. Als Kasteel Amerongen in vlammen op gaat leeft Pieter Post al niet meer. Het is niet helemaal na te gaan wie precies wat bedacht heeft bij het ontwerp van het nieuwe kasteel. Zeker is dat Johan Maurits een belangrijke adviserende rol had. Mogelijk heeft Maurits Post een (paar) eerste ontwerp(en) gemaakt. Over de architect en het ontwerp van Kasteel Amerongen later meer.

Nog meer verwoesting

Na de brand in februari 1673 stonden er nog muren overeind. Op 9 juni 1673 schrijft Margaretha al over verdere verwoestingen. Daarmee is het leed nog niet geleden. In september 1673 wordt Amerongen weer geplunderd.

Margaretha op stap met Blanche

Op 23 november 1673 schrijft Godard Adriaan aan EllerWolfgang Ernst zu Lauerbach dat hij met zijn schoondochter en de vijf kleinkinderen in Den Haag is, Margaretha is met Godard Adriaans secretaris Izaäk de Blanche op weg naar Amerongen om de verbrande en geruïneerde goederen weer in bezit te nemen. De Fransen zijn vertrokken, dus de familie kan weer aan de herbouw gaan denken.

Links een onderdeel van een muur. Rechts een vervallen muur.
Vervallen muur, Adrianus Eversen, ca. 1828 – 1897. Collectie Rijksmuseum

Het is niet helemaal zeker of ze ook in Amerongen geweest zijn. Helaas gaat ook het vertrek van de Fransen uit Utrecht niet zonder slag of stoot: begin december trekken de troepen door Amerongen. Zij geven de nog staande muren een zetje en stoten ze om. Godard Adriaan heeft het in een brief aan Le MaireJacob le Maire, staats resident in Denemarken in Kopenhagen over 150.000 gulden schade. In december is Margaretha weer met Blanche op weg naar Amerongen. Naast het bezoek aan de ruïne staat een bezoek aan de “predicatie” in de Andrieskerk op het programma.

De Andrieskerk

De Andrieskerk is ook niet ongeschonden door het Rampjaar heen gekomen. De kerk staat weliswaar nog fier overeind, maar de Fransen hebben wel alle kerkbanken verwijderd en onder andere gebruikt als aanmaakhout voor het in brand steken van het kasteel. Een maand na deze actie van de Fransen werden er alweer diensten gehouden in de kerk.

Links boven een kale beukentak met nog wat bruine bladeren. In de tuin allemaal kale bomen. Recht voor de kale fruitbomen, links de muur met daartegenaan het leifruit. In de verte in de zon tegen de donkere wolkenlucht de toren van de Andrieskerk.
De Andrieskerk vanuit de tuin van Kasteel Amerongen, 2020. Foto: Annemiek Barnouw

Nog steeds niet veilig

In het voorjaar van 1674 komt er nog een bericht van dorpsgenoot Jan Quint. Hoewel het gebied niet meer door de Fransen bezet is, is het nog steeds niet veilig. Er wordt nog steeds geplunderd en gebrand en Ingen (dorp aan de overkant van de Nederrijn) is wederom gebrandschat.

Er moet nog heel wat water door de Nederrijn stromen voor de herbouw daadwerkelijk van start kan gaan.

De prent bestaat uit drie aparte voorstellingen. Op de achtergrond staat een stad in brand en aanschouwt een heerser zijn legertroepen. Op het middenplan wordt een boerderij geplunderd, het vee gedood en de waterputten geledigd. Op de voorgrond bewaken een hond en een haan een kar met roversbuit in plaats de boerderij. Links op de voorgrond doen soldaten het werk van boeren: een soldaat strooit graan voor de kippen, een jonge schildknaap slacht een van de kippen en twee soldaten dorsen het koren. De prent heeft een Duits opschrift dat het volk waarschuwt voor slechte leiders. In de marge een onderschrift met drie Duitse teksten over de verschillende voorstellingen van deze omgekeerde wereld.
Allegorie op oorlog, Johann Sadeler (I), naar Jost Amman, 1579 – 1595. Collectie Rijksmuseum

Pagina 2 van 20

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén