De brieven van Margaretha Turnor

Tag: Vis

Weinig geld, veel vis en nog meer thee

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 6 oktober 1680 Amerongen
Ontvangen Godard Adriaan van Reede 13 oktober 1680
Lees hier de originele brief

Na alle ziekte-periekelen in haar direkte omgeving, is Margaretha erg blij in Godard Adriaans brief van 25 september te lezen dat hij gezond is. Er doen namelijk allerlei geruchten de ronde dat in het oosten en zuiden een besmettelijke ziekte rondwaart, maar uit zijn brief maakt ze op dat dat in ieder geval (nog) niet in Berlijn is.

Brieffragment besmettelijke ziekte

rec. 13e. october

Amerongen den 6
fe ockto 1680

Mijn heer en lieste hartge
wt uhEd aengenaeme vande 25 septem sien ick met blijschap de
kontiniwasie1continuereing, voortzetting van deselfs gesontheijt daer dagelijcks naer
verlange te meer om dat men hier so seer roept vande kons
tesgeuse2contagieuse: besmettelijke sieckte die die boven int lant en ock tot of on=
=trent berlijn reneert3regneren: woeden, heersen , dat mij seer soude bekomeren ten
waere ick wt uhEd briefve niet kan sien tot berlijn Eenige
quade sieckte is , de heer almachtich wil deselfve bewaere
en in gesontheijt weederom bij ons en het sijne brenge, [de]

Magnifiek onthaal

Over de geweldige ontvangst (het “magnifiek onthaal”) die Willem III in Celle heeft gekregen, heeft Godard Adriaan vast al uitgebreid gehoord van hun zoon en anderen. Ze zou willen dat Godard Adriaan zijne hoogheid ook eens een keer zo groots zou mogen ontvangen. Dan zou hij allerlei nuttige dingen met hem kunnen bespreken. Maar zelfs al zou hen die gunst ten deel vallen, dan zou het financieel waarschijnlijk niet veel opleveren. Vast veel goede woorden, maar daar van “kan je niet naar de markt”, daar koop je niks voor.

Brieffragment Willem III in Duitsland

[en in gesontheijt weederom bij ons en het sijne brenge,] de
overkomste van sijn hoocheijt tot sel4Celle ent manifijck onthael5grootse ontvangst
aldaer sal uhEd hebbe wt het schrijfve vande heer van
ginckel en andere hebbe gehoort, ick wenste deselfve Een
keer bij sijn hoocheijt mochte doen om met hem so vant Een
alst ander te spreecke, hoewel vreese het tot de betael
=line niet veel sal doen sal wel goede woorde geefve, da
=men niet mee te mart kan gaen , [van heetere schrijft]

Links de achterkant van de Mariakerk op het plein allemaal marktkramen opgebouwd van stokken en doeken.
Markt op de Mariaplaats te Utrecht, Herman Saftleven, 1619 – 1685. Collectie Rijksmuseum.

Geldnood al om

Over kopen gesproken: het verzoek om aanvullende geldmiddelen voor de provincies schijnt wel in de Raad van State te zijn behandeld volgens Van Heteren, maar de uitkomst is nog niet ontvangen bij de Staten van Utrecht en Margaretha heeft er weinig vertrouwen in. In de provincie Utrecht staan veel mensen er financieel slecht voor. Bezittingen brengen weinig op, terwijl iedereen wel belasting moet betalen. Maar contant geld is er niet. Ook belastingontvanger Boscher kan zijn betalingen niet doen en vervalt in een oude gewoonte: hij stuurt wie geld van hem moet hebben door naar zijn eigen schuldeisers met het idee dat ze het dan onderling maar moeten regelen. Margaretha ziet het hoofdschuddend aan en is blij dat de 4.000 gulden voor Godard Adriaan veilig bij huisbankier Temminck liggen.

Eerste brieffragment geldproblemen
Tweede brieffragment geldproblemen

inde provinsi van wttrecht staet het godt beetert seer
bedroeft6het staat bedroefd: het staat er slecht voor de laste blijfve Even groot de mense konne van
haer goet niet maecken de schattine moete Evenwel betaelt
worden, de fenansiers7financiers klage datter geen gelt is den
ontfanger boscher seijt me klaecht niet langer renthe
te konne betaelle, veel min Eenige ander laste daer sijn kantoor mee beswaert is, doch daer wort ock geseijt dat hij sijn oude maxsijme8maxime: stelregel volcht en die gelt van hem moete hebe

[dat naer mesuer die metge van heijmenberchs dochte heeft9geheel onduidelijk wat deze zin hier doet]
sent daer mee te handele en dan isser noch gelt te krijgen
tis bedroeft datter so gaet , de vier duijsent gul
die onder teminck legge kan uhEd vaste staet op
maecken10vaste staat opmaken: op rekenen en naer sijn welgevalle trecke11opnemen

Twee mannen zitten in een vertrek aan een tafel waarop vele geldstukken, twee boeken en een stokbeurs liggen. Een van de mannen heeft een weegschaaltje in de hand, de ander wordt door de Dood (in de gedaante van een skelet) van achteren belaagd met een pijl. Aan de muur hangt een klok. Op de voorgrond staat een geldkist, waarin bovenin een beeldje ligt dat Caritas voorstelt. Onder de voorstelling is ruimte leeg gelaten voor een onderschrift.
De geldwegers en de Dood, Jacques van Gheyn II (ontwerp en atelier), Zacharias Dolendo (mogelijk prent), 1593-1597. Collectie Rijksmuseum.

Neef Welland weer

Deze algemene geldproblemen zijn een mooi bruggetje naar het wandelende geldprobleem in de familie: neef Welland. Margaretha wijdt er bijna de helft van haar brief aan! In verband met de afbetaling van drie kapitalen heef hij haar naar Utrecht laten komen met de familiejuwelen die zij voor hem in onderpand heeft. Maar eerst is hij zelf niet thuis, de volgende dag is de notaris waar de juwelen tegen geld moesten worden ingewisseld de stad uit, en uiteindelijk weigert hij het bewijs waar straks uit moet blijken dat de kapitalen zijn afgelost aan Margaretha te zullen geven. Maar zolang de notaris de stad uit is, kan er sowieso niets worden afgelost. Dit blok zullen ze dus nog wel even aan hun been hebben. Margaretha verbijt zich en probeert geduld te oefenen. Hadden ze het maar achter de rug! Volgende week moet ze er weer voor naar Utrecht, en dan zal ze alles op alles zetten om van Welland af te raken. Hopelijk neemt Godard Adriaan haar niet kwalijk dat ze hier zo uitgebreid, “wat in de breedte”, over schrijft.

Brieffragment Welland

honde[rd] gul[den] heeft gekost, insoma dit sulle wij aen ons
been moete hebbe paesijensigeduld waeren wijder maer
af ick sal hier om dees weeck weer naer wttrecht
moeten en al doen wat ick kan om van hem af te
weesen, hoop vhEd mij niet qualijck sal neeme
dat ick dit so wat int breede schrijf

Het kantoor van de notaris. Een klerk of boekhouder in onderhandeling met links een man met een geldzakje en rechts een vrouw met een jongetje met een fluit op schoot. In het midden een tafel waarop een kasboek en enkele munten liggen. Op de achtergrond een boekenkast en verzegelde documenten aan de muur.
Het kantoor van de notaris, Jan Woutersz. Stap, ca. 1629. Collectie Rijksmuseum.

Nog een keer de Oost-Indische kist

Tijd voor iets leuks: De Oost-Indische kist is onbeschadigd vanuit Utrecht per schip aangekomen op kasteel Amerongen. In de vorige brief had ze al aangekondigd te zullen vertellen wat er verder in zit, want ze had toen alleen nog maar het bovenste laagje bekeken. Ze heeft hem nu helemaal ‘geopend en ontpackt’. De unboxing is compleet!

Theepot van porselein met een geribd, bolvormig lichaam en S-vormige tuit, beschilderd in onderglazuur blauw. De wand is verdeeld in vakken met afwisselend een bloeiende plant (chrysant, pioen) en een persoon zittend op een omheind terras; de schouder met een band servetwerk afgewisseld met een bloem in een cartouche. Voorzien van een 19e-eeuws zilveren montuur en handvat door Arnoldi & Wielick, Amsterdam 1850. Kraakporselein.
Theepot met vakdecoratie met planten en mensen en een zilveren montuur, Chinees, ca. 1610-1630, zilveren montuur Arnoldi en Wielick, ca. 1850. Collectie Rijksmuseum.

Wat zou er nog meer tevoorschijn zijn gekomen? Tja…, ‘niets meer dan allerhande theekopjes en theekannetjes’ en een paar ‘fraaie rariteiten’ die je in een kabinet ten toon zou kunnen stellen. Daarnaast nog een mooi vierkant trijpen tafelkleed met hun wapens er in, maar te klein om als vloerkleed te kunnen gebruiken. Verder ‘een menigte van thee’. Al met al een mooi cadeau, maar Margaretha lijkt niet helemaal te weten wat ze er mee aan moet. Er zat ook verder geen brief bij. Ze stapt maar snel over het volgende onderwerp: vissen!

Brieffragment Oost-Indische kast

Eijntlijck is hier de kast die wt oostindie is gekoome hie
onbeschadicht aengekoome die geopent en ontpackt
heb, niet anders als alderhande tee kopges keetelt
gesketeltjes en dier gelijcke met noch Eenige fraeije raerijteijt
om in Een kabinet te sette en Een vierkant tafe
kleet van trijpt12trijp: fluweelachtige stof of diergelijcke met ons beijder wape
int midde, welcke kleet heel fraeij is, en jamer
dat het niet so groot is om voor Een partaere te
dienen, daer is ock meenichte vande tee bij, tis
al Een fraijpreesent hebbe daer geen brief bij gevonde

Oosters tapijt met de honderd antiquiteiten. Middenveld: een blauwe achtergrond is bedekt met rijen van de zogenaamde honderd antiquiteiten in beige, grijsblauw en bruin, waaronder een tafel, een bloesemtak in vierkante pot, een penseelpot, een waaier, een dambord, een bel, twee samengestrikte veren, een bolvormige vaas en een staande penseel. Rand is effen beige.
Oosters tapijt met honderd antiquiteiten, Chinees, 1600-1699. Collectie Rijksmuseum. Op dit tapijt staan wel niet de familiewapens, maar er zijn wel ‘allerhande theekopjes, keteltjes en diergelijke’ op te zien!

Karpers in de gracht

Een aanwinst waar Margaretha zelf erg over te spreken is, zijn de karpers, samen 1500 pond, die ze gekocht heeft van een schipper die voorbij kwam. Sommige zijn meer dan een voet lang! Ze heeft ze in de gracht uitgezet en als Godard Adriaan thuiskomt zal er vis genoeg zijn. Ze laat nog verder vissen in het lage water van de Rijn en de zijarmen. Waarschijnlijk zijn de vissen in het laag staande water extra makkelijk te vangen.

Brieffragment karpers

, nu wat anders, ick hier van Een schipper die
passeerde 14 a 1500 pootpond? of een andere maat kerpers gekocht en in ons
grachte geset daer wel 600 onder sij die rijcklijck
Een voet lanck sijn de resteerende minder en
naevenant hoope uhEd dit aengenaem sael sijn
en laet nu bij dit lage water inde rhijn en hancke
visse en al inde graf te sette so dat teegens uhEd
komste hoope die wel van vis te sulle sijn versien

Visstilleven. Op de hoek van een houten tafel liggen enkele verschillende soorten vissen op een aardewerken vergiet.
Stilleven met vissen, Pieter de Putter, ca. 1639-1659. Collectie Rijksmuseum.

Uitnemend schoon weer

Misschien staat het water wel zo laag omdat het zo lang mooi en droog weer is geweest. Rond Amerongen is het volgens Margaretha in ieder geval al een maand ‘uitnemend schoon weer’ geweest dus misschien gold dat ook hoger stroomopwaarts op de Rijn. Voor de steenoven was het weer in ieder geval prima. Ze hebben flink kunnen doorstoken en nu zijn ze klaar. Verder is ook alles goed, er zijn nog een paar zieken, maar niemand gaat dood, en de meesten zijn er al weer bijna bovenop.

Eerste brieffragment weer, steenoven en zieken
Tweede brieffragment weer, steenoven en zieken

, wij hebbe hier nu Een maent ontrent wtneement
schoonweer gehadt dat ons steen oven wel geluckt
heeft die affgestoockt is, voort ist noch alles

wel hier sij so hier en daer wat siecke aen heete
koortse maer sterfve weijnich sijnde haest wt of
koomender van op, [den domheer ijan van wijck]

Kuiperijen in de Domstad

Jan van Wijck, domheer van St. Pieter is overleden. Prins Willem mag nu een opvolger aanwijzen, want Van Wijck is in een ‘bisschopsmaand’ overleden, en de stadhouder is te beschouwen als opvolger van de bisschop. In andere maanden mogen de andere domheren kiezen. Ondertussen wordt er ook flink ‘gekuipt’ om het ambt van burgemeester. Gijsbert van Hoolck, die in juni een beroerte heeft gehad ligt ziek in Den Haag en zal ook snel overlijden. Als gedeputeerde wordt hij waarschijnlijk opgevolgd door Van Dinteren. Velen zijn jaloers!

Afsluiting baantjes en burgemeestersverkiezingen

[koomender van op,] den domheer ijan van wijck
is tot wttrecht overleede wiens proofve tot sin
=peeter aen sijn hoocheijt is koome te vervallen,
als hij sijn inde bischops maent gestorfven,, hier
meede blijfve

Mijn heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijff
M Turnor
tot wttrecht kuijpt me
met kracht om burge=
meester te worde en ver
lanckt men wiet weese
sal, den heer van hoolack
seijt me dat inde haech leijt
en sterft en dat van dintere
daer in sijn plaets sal koome
daer veel s ijaloers van sijn

Een rijk versierd medaillon met een marmeren rand. Boven het medaillon een zon rondom het rood-witte wapen van Utrecht (geheel is teken van de universiteit. Boven aan weerszijden twee vliegende engeltjes en onder het medaillon de tekst" Viris amplissimis Gisberto vanhoolck theodorico veldhusio coss hoc pietatis et doctrinae sacrarium bono reiplubicae secundae auspicus fuit dedicatum A.D. XVII LL Aprilis MSCXXXVI. Daaronder het wapen van de stad utrecht, vastgehouden door twee leeuwen met een kroon erop.
Afbeelding van het schoorsteenstuk in de senaatskamer in het Academiegebouw (Domplein 29) te Utrecht, met de portretten van Dirk Jacobsz. van Veldhuisen en Gijsbert Jansz. van der Hoolck, burgemeesters van Utrecht tijdens de inwijding van de hogeschool in 1636. Foto: J. Lub, collectie: Het Utrechts Archief.

  • 1
    continuereing, voortzetting ↩︎
  • 2
    contagieuse: besmettelijke ↩︎
  • 3
    regneren: woeden, heersen ↩︎
  • 4
    Celle ↩︎
  • 5
    grootse ontvangst ↩︎
  • 6
    het staat bedroefd: het staat er slecht voor ↩︎
  • 7
    financiers ↩︎
  • 8
    maxime: stelregel ↩︎
  • 9
    geheel onduidelijk wat deze zin hier doet ↩︎
  • 10
    vaste staat opmaken: op rekenen ↩︎
  • 11
    opnemen ↩︎
  • 12
    trijp: fluweelachtige stof ↩︎

Bittere kou, bittere armoede en de foute vrouw

 
       
Door Datum Plaats
Geschreven Margaretha Turnor 16 december 1676 Amerongen
Ontvangen Godard Adriaan van Reede 23 december 1676
Lees hier de originele brief

Het is koud op Amerongen, bitter koud. Het is in jaren niet zo koud geweest. Nou ja, als Godard Adriaan het zegt, misschien is het in Bremen nog wel kouder, vooruit dan maar. Maar het heeft de afgelopen nacht op Amerongen zo hard gevroren dat het ijs meer dan een halve voet dikker is geworden. Meer dan 15 centimeter erbij dus. Ideale schaatsomstandigheden, maar daar staat Margaretha’s hoofd niet naar. De vissen in de gracht, dat is haar grote zorg! Ze heeft twee man aan het werk gezet om de bijten in de gracht open te houden zodat de vissen het overleven. Als die aan het ene eind klaar zijn met hakken, is het andere eind al weer dichtgevroren en kunnen ze opnieuw beginnen.

Aanhef brief en vorst

[rec. 27. Dito]
Ameronge den
16 deesem 1676

Mijn heer en lieste hartge
uhEd mesiefve vande 9 deeser is mij behandicht,
en beklaechge deselfve in deese felle koude, geloof
het daer vrij felder is als hier, hoewel de vorst
ons so hart aen stast alse in Eenige ijaeren her=
waert heeft gedaen, t heeft hier deese nacht
meer als Een halfve voet dickte gevroore ent
water kontiniweert noch te valle, so dat ick
voor onse vis inde grafte vrees, twee mense hebbe
gestadich en heelen dach werck te bijten als
sijt opt, Een ent open hebbe leijt het opt ander
weer toe, veel kleijne vis stef sterfter die int
bijten aent ijs blijft hange, maer als noch weijnich
groote, [ick laet vermidts hier geen sijn, Een modder]

Op het ijs staan een deftig geklede dame en heer op te schaats te kijken naar een man met een bijl in zijn hand. Voor hem een mooi rond wak in het ijs. Naast hem staat een jongen met een visnet.
Een man bijt een wak om vissen te vangen, Fragment uit: IJsvermaak bij een stad, Hendrik Avercamp, ca 1620. Collectie Rijksmuseum.

De winter van ‘76

Buisman citeert deze brief van Margaretha in ‘Duizend jaar weer, wind en water’ als bron voor de koudegolf van december 1676. Twee weken lang houdt deze strenge vorst aan. En niet alleen in Amerongen: zo is de trekvaart van Haarlem naar Leiden dichtgevroren.

Margaretha doet haar uiterste best om de vis te laten overleven. Ze wil een baggeraar uit een veengebied laten komen om kuilen in de gracht uit te baggeren. De vissen hebben in de diepte meer overlevingskans. Ze doet alles wat ze kan, maar er zijn grenzen en bovendien ‘heb ock wercks genoech de kindere warm te houde’. 

Brieffragment modderman en kinderen

[groote,] ick laet vermidts hier geen sijn, Een modder
man wt t veen koomen om te sien of hij geen
wije kuijlle sou konne wt haelle om de diepte
te hebbe daer de vis haer in kost berge, in soma
ick doe al wat ick kan, moet het voort op geefve
heb ock wercks genoech de kinderen warm te houde

Heel erg vol gekriebelde ets met een hoge ruimte waar van alles staat (wieg, bezem) en hangt (Hammen). Voor het vuur waarin een ketel hangt zitten twee vrouwen met kinderen.
Interieur met kinderen en vrouwen voor de haard
toegeschreven aan Eugène François de Block, 1840 – 1842. Collectie Rijksmuseum.

Het dak

Ondertussen wordt er nog steeds gewerkt aan het huis. De leidekkers zijn bezig met het solderen van de loden goten rond het huis, dat hebben ze vandaag af. Dan moeten ze verder met het dichten van de openingen tussen de verschillende daken op het huis maar dat is ook maar werk voor een dag of twee. Verder is er voor de rest van het jaar weinig te doen. Schut en Rietvelt zijn naar Amsterdam.

Eerste brieffragment dak
Tweede brieffragment dak

gu de leijdeckers sijn noch beesich int soudeere vande
loode goote die buijten omt huijs legge krijgense
vandaech gedaen, dan moetense de kille voort

dicht maecken dat ock in Een dach al twee sal gedaen
sijn, aende rest is niet geleege, dat kan sose segge geen
schade doen, salder dan laete wt scheijde tot het
voor ijaer want tis schande so weijnich alse doen
gisteren is schut en riet velt vertrocke en naer
Amsterdam gegaen, [de teijckenin die hier neffens]

Weer tekeningen

Schut heeft voor zijn vertrek nog een tekening van de voorburcht gemaakt die Margaretha met haar brief meestuurt. Van Ginkel is van mening dat de voorburcht vierkant moet worden en heeft de tekening al bekeken. Schut was het daarmee eens en nu moet Godard Adriaan er maar eens naar kijken. Eigenlijk moet hij het ook zelf ter plaatse komen bekijken voordat er iets gedaan kan worden. Alles is nu opgeruimd en het is indrukwekkend. Van Ginkel is enthousiast, hij vindt het ‘seer manifijck en fraeij’.

Brieffragment weer tekeningen

[Amsterdam gegaen,] de teijckenin die hier neffens
gaet heeft schut voor sijn vertreck gemaeckt daer
de seekretaris uhEd hier nefens bericht van doet ,
de heer van ginckel die gistere weer naer Middach
is gegaen deese teijckenin gesien hebbende vintse wel
goet maer oordeelt dat het voorburch behoorde vier
kant inde haeck te koome, het welcke schut hetselfe
aengeweese sijnde heel goet keurde, uhEd belieft
sijn speekulasie daer op te neemen, daer is tijt ge
noech toe want daer kan mijns oordeels al heel
niet in gedaen worde voor uhEd het selfs op de
plaetse siet, nu het nieu geboude huijs opgeruijmt is
geeft het Een groote ruijmte en vindt den heer van
ginckel het seer manifijck en fraeij, [met de meule]

Een vogelvluchtperspectief van het kasteel en de tuin, waarbij duidelijk te zien is hoe de waterpartijen de tuin onderverdelen en hoe het kasteel in de gracht en ten opzichte van de voorburcht ligt. Bovenaan de afbeelding, in de landerijen, het wapen van Bentinck.
Het algehele plan van het huijs te Amerongen met zijn tuinen en plantages, Anco Wigboldus, 1941. Collectie Kasteel Amerongen. Op deze afbeelding is de vierkante, maar scheef ten opzichte van het huis liggende voorburcht goed te zien.

De molen

Margaretha heeft nog weinig tijd gehad voor de molen, maar ze gaat er achteraan. Ze zal informeren of ze de betaling in termijnen mag doen en dan beginnen met duizend gulden. Minder kan niet, want ‘die mense sijn so arm als Jop en worde van haer schuldenaers van alle kante overvalle’. Die duizend gulden zullen dus direct naar de schuldeisers gaan en mogelijk eindigt de molenaar en zijn gezin dan alsnog, zoals de Bijbelse Job1Job 2, op de mesthoop. Want Margaretha gaat op zoek naar een andere molenaar. Schut en Rietvelt hebben de molen, de rosmolen en het huis al geïnspecteerd en naar hun oordeel gaan de reparaties zo’n 400 ducatons kosten.

Eerste brieffragment molen
Tweede brieffragment molen

[ginckel het seer manifijck en fraeij,] met de meule
naer heb ick noch geen tijt gehadt sint het ontfang
van uhEd brief te spreecke sal sien hoe ickt daer
meede maecke en oft op termijne sal konne ver=
=kocht worde, altijt geloof datter Een duijsentgul
tot betaeline vande Eerste paeij sal moeten sijn
want die mense sijn so arm als Jop2Job 1:21 en worde van
haer schuldenaers van alle kante overvalle, ick heb
de wint en rosmoolle van schut en rietvelt laete besien

daermen om de wint en rosmoolle met het huijs
in gebruijcklijcke reeperaesie te brenge noch wel
bijde vier hondert duijcketons aen te koste sal
moeten hangen, dat is over de 1200f, Een goede
moolenaer geloofve wij wel krijge sulle alstmaer
so verde is, [den heer van wellant heeft aen mij ge=]

Een oude, naakte man met een grijze baard zit op een mestvaalt, zijn hoofd in zijn linkerhand die op zijn knie leunt. Een vrouw gooit een emmer water over hem heen, op de achtergrond woedt brand.
Job op de mestvaalt, Albrecht Dürer, 1505. Collectie Städel Museum, Frankfurt am Main.

Foute vrouw

Margaretha heeft een brief gehad van neef Welland met het verzoek om een goedkeuring van pater familias Godard Adriaan voor zijn huwelijk. Zijn toekomstige vrouw is immers intelligent en niet onbemiddeld. De dame in kwestie is Eleonora Constantia van der Meijden. Ze is niet van adel en ze is weduwe, maar dat zijn geen zwaarwegende bezwaren tegen het huwelijk. Wat dan wel? Eleonora heeft zich door haar eerste echtgenoot laten schaken. Ze is dus zonder goedkeuring van haar ouders getrouwd en dat schandaal is algemeen bekend. ‘Ick heb hem geantwoort niet te konne begrijpen dat hij geen meer ambijsie heeft als so een vrou [….] te neemen die onder sijn kondijsij is, daer hem Godt met so veel aensienlijcke middelen heeft geseegent’. Kortom, Welland, kun je nu echt niets beters krijgen? Maar Margaretha vreest dat ‘het al te verde gekoomen is’.

Brieffragment Welland en zijn lief

[so verde is,] den heer van wellant heeft aen mij ge=
schreefve versoeckt ick bij uhEd soude intersideere
dat sijn geinklineerde houlijck beliefde goet te
vinde also sij Een Persoon van seer groot verstant
en middelen is , ick heb hem geantwoort niet
te konne begrijpen dat hij geen meer ambijsie
heeft als so Een vrou behalfve andere reedene
te neemen die onder sijn kondijsie is, daer
hem godt met so veel aensienlijcke middelen
heeft geseegent, en versocht hij hem wel wilde
bedencken Eer hij hem hier verder ingaesgeert
op dat hem niet berout alst te laet sal sijn
, maer naert segge vande werlt die daer inde
haech so wel als te wttrecht den mont vol van
hebbe, vrees ick dat het al te verde gekoome is
, nu ick wilt beste hoopen, [opt geene de heer van]

Ets van een man met een vrouw onder de arm.
De schaking van de vrouw, Samuel van Hoogstraten, 1648-1650. Collectie Rijksmuseum.

Klein nieuws

Prins Willem is terug uit Zeeland en viel in Den Haag met zijn neus in de boter: een rel in de kerk waardoor hij genoodzaakt was om drie predikanten te schorsen. Van Ginkel heeft hem in Den Haag nog gesproken en kreeg een geruststellend bericht over zijn salaris. Geldproblemen alom….

In haar postscripten doet Margaretha nog de groeten van ‘ons kleijn geselschap’. Ze heeft Godart Adriaans brief van 12 december ontvangen en maakt daar nog even snel wat opmerkingen over. Maar ‘de post staet te vertrecke’, adieu voor vandaag!

Brieffragment Klein gezelschap

al ons kleijn geselschap tot godert in kluijs preese
teere haere dienst aen groote papa

Recente reacties

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema door Anders Norén