Margaretha heeft de brief van 17 januari ontvangen. Ze gaat uitgebreid op Godard Adriaans brief in. Daarnaast is er nog nieuws over de herbouw van het huis en is er heibel in het dorp. En zijn de Fransen weer op oorlogspad?
Elk meent meester van het zijne te zijn
Waarschijnlijk is Godard Adriaan in de brief van 17 januari nogal uit z’n slof geschoten, want Margaretha voelt de behoefte zich te verontschuldigen. Het gaat om de rekening van het hardsteen uit Bremen: die is hoger uitgevallen dan verwacht.

Ameronge den 26/16 ijanwa 1680
Mijn heer en lieste hartgeuhEd aengenaeme vande 7/17 dees heb ick ontfange
waer op tot Antwoort dient dat wel wenste
de reeckenin vande hartsteen van breeme wt de
4000 f die wij van domburch1In de brief van 6 januari was hij renteheffer hebbe opgenoome
had konne betaelt worde, maer die peninge
hebbe nergens nae bereijckt de schulde die
hij weegens onse timeraesge doen maels
hadde, ock hadde wij doen die reecknin
niet, noch wiste niet wat wij daer schuldich
waeren, het doet mij leet dat de reecknine
so hooch loope, [uhEd weet datter op mijn](Ondersteboven:
ons godertge de heer sij
gedanck weer wel doch siet
noch als een doeij so bleeck
en geswolle int aensicht2waarschijnlijk had hij de bof

Goede huisvrouw
Godard Adriaan moet begrijpen dat Margaretha bij de herbouw van het huis steeds zijn akkoord heeft afgewacht, en nooit iets heeft laten uitvoeren zonder zijn expliciete toestemming. Juist daarom is zij terughoudend om werklieden aan het werk te zetten, want geld loskrijgen van schuldeisers blijkt buitengewoon moeilijk, het zijn echte woekeraars. Een alternatief om aan geld te komen is er op korte termijn niet. Misschien brengt het komende jaar verbetering — al meent elk meester van het zijne te zijn, en wil dus beschikken over wat hij denkt dat hem toebehoort.


[so hooch loope,] uhEd weet datter op mijn
begeerte of sindelijckheijt indeese timeraes
ge niet is gemaeckt al datter gedaen is,
is op uhEd begeerte en ordere geschiet,
ick heb van heetere weegens het gelt van blan
sche niet Een woort geschreefve, sal mij dat
uhEd Esprese last niet bemoeijen, ben ock
seer beschroomt Eenich volck int werck te stelesonde al voorens te weeten wat gelt daer toe is
want is ongelooflijck hoe de mense die wij
schuldich sijn moeijlijck valle om gelt,
tis waer uhEd heeft groot gelijck domburch en
diergelijcke sijn rechte woeckenaers maer wat
soude wij gedaen hebbe moste gelt hebbe en
kostent nergens krijgen, ick wenste so
seer als Eimant dat wij dat kapitael koste
af losse en ons pant weer in ons macht
hebbe, maer sien daer geen raet toe voor
dat het ijaer om is, vermaerte geloof ick
dat t eijde sijn goet raeckt maer Elck
meent meester vant sijn te sijn[, ick sal]

Water, zand, wind
In haar vorige brief schreef Margaretha al over het ongure weer. Het water dat eerst gestegen, toen gedaald, en toen weer gestegen was, is nu weer gedaald. De duivegaten staan wel nog onder water. Het zand kan ook nog steeds niet uitgereden worden. Zand voor de metselaars aan laten voeren is wel mogelijk, dus dat zal Margaretha zo snel mogelijk regelen. Dan kan er in ieder geval gewerkt worden. De molen is ook verhuurd, voor ƒ340 per jaar. De molenaar draagt dan wel de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de zeilen en touwen.


het water is weer aent valle doch valt
seer slapges en sijn onse duijfve gaete
noch onder water, het water is dit
mael op wveel naer niet op sijn hoochste ge
weest, dewijl men geen sant aerde kan
rijde laet ick sant voor metselaers rijdeso datter niet versuijmt wort noch de paerde
leech blijfve staen, ick heb ock onse moolle
aende moolenaer van mouricks broer ver
huert voor34340f int ijaer midts
dat hij die van seijlle en touwe die bij
naer weer moste vernieut worde
moet onder houde[, men hoort hier]

Een diplomaat op oorlogspad?
De Franse ambassadeur Jean-Antoine de Mesmes, beter bekend als d’Avaux, stuurt voortdurend memories aan de Staten-Generaal. Wat er in de memories staat en wat d’Avaux er mee wil bereiken, wordt niet duidelijk uit de brief van Margaretha. Dreigt er weer een oorlog? Het lijkt er wel op, als we Margaretha’s brieven moeten geloven…
Intermezzo: wat er daadwerkelijk gebeurde
De 21e-eeuwers achter dit blog zijn bij Kerrewin van Blanken te rade gegaan, die de correspondentie van d’Avaux heeft bestudeerd. Kerrewin wist te vertellen dat d’Avaux in deze periode probeert de Republiek te bewegen tot een defensief verdrag met Frankrijk. Daarmee hoopt hij niet alleen de Franse positie te versterken, maar ook de spanningen tussen de Staten van Holland — vooral Amsterdam — en stadhouder Willem III te verdiepen. De Staten weigeren echter en beroepen zich op hun neutraliteit: zij zouden geen enkel bindend verdrag met een buitenlandse macht willen sluiten.
D’Avaux doorziet dit argument en noemt het misleidend. Nog maar twee jaar eerder hebben de Staten immers een verdrag met Engeland gesloten, naast vergelijkbare verdragen met de keizer en Spanje. Dat zij juist met Frankrijk geen verdrag willen aangaan, presenteren zij volgens d’Avaux onterecht als principiële neutraliteit. Tegelijk doen er geruchten de ronde dat de Franse koning de Republiek tot een alliantie zou willen dwingen.

Om dit beeld te corrigeren, laat d’Avaux, zonder zichzelf als bron te tonen, het Engels-Nederlandse verdrag van maart 1678 drukken, voorzien van toelichtingen in het Vlaams. Hij verspreidt dit samen met eigen memoires en beschouwingen, die in Amsterdam worden vertaald en naar verschillende Hollandse steden gestuurd. Waarschijnlijk zijn dit de memoires waar Margaretha Turnor op doelt.
Terug naar Margaretha
Margaretha hoopt in ieder geval dat god almachtig alles ten beste wil schikken. En dat ze niet weer, zoals acht jaar geleden tijdens het Rampjaar, in afwezigheid van haar man have en goed moet achterlaten op de vlucht voor de vijand…

[moet onder houde,] men hoort hier
godt beeter niet als van swaericheit veroor
saeckt door de scherpe meemoorie die doorde
franse Ambassadeur geduerich worde in
gegeefven, het welcke bij veelle seer ge=
Apreehendeert3Apprehendeeren: in beslag nemen wort en swaer hoofdich
maeckt, godt almachtich wil alles ten
beste schicken, ons voor weer in uhEd ap
sensie te moete vluchte, bewaeren[, de heer]

Eer en aanzien
Gelukkig is er ook goed nieuws, want Van Ginkel – en dat zal Godard Adriaan zonder twijfel ook al wel van zijn zoon zelf hebben vernomen – is door Willem III beloond met het gouverneurschap van Utrecht. Vroeger had Frederik van Nassau-Zuylestein de positie. Dat levert veel eer en aanzien op!

[sensie te moeten vluchte, bewaeren,] de heer
van ginckel sal buijte twijfel uhEd hebbe
geschreefve hoe dat sijn hoocheijt hem op Een
seer oblijgante manier het goevernement
van wttrecht in voechge het den heer van
Suijlisteijn heeft gehadt, heeft gegeefven
daer wel niet veel aen vast is maer is
noch al Een Eer en aensien,

Het kerstschandaal
Dan volgt er een heel relaas van maar liefst twee kantjes over een kwestie tussen de predikant en ene Evert de Wael. Hier vind je alle brieffragmenten over dit schandaal, een korte versie is beschikbaar op Een huis vol verhalen.
Kort voor Kerstmis zou Evert de Wael, die dronken was, op het stadhuis hebben gezegd dat de predikant een leugenaar was, die leugens in het kerkenboek had geschreven.

hier is weer Een spul vande ander werck met de
preedikant4Bernhard Keppel en Evert de wael, den laeste
voor korsmis opt raethuijs neffens het ge=
=recht sijnde daert gerecht Een maeltijt had
en Evert dewael beschoncke of droncke
was, soude door klaes van velpe seer aen
gedronge sijn geweest om te segge waerom
hij niemant wt de kercken raet tot schee
pen wilde nomeneeren, sou Eijntlijck Evert
de wael geseijt hebbe dat de preedikant Een
leugenaer was die leugens int kerckenboe
geschreefven hadt en Een man was die
geen konschensie5Consciëntie: Geweten; Het besef, de kennis van goed en kwaad hadt, [waer op hem]

Spijt
De volgende dag wordt Evert de Wael hieraan herinnerd, maar hij weet niet meer wat hij gezegd heeft. Wel heeft hij enorme spijt. Hij vraagt de secretaris te laten achterhalen wat hij gezegd heeft en hij vraagt hem excuses over te brengen. De secretaris gaat hier niet in mee. Van Velpen heeft het voorval aan de kerkenraad en de predikant gemeld en de kerkenraad neemt verdere stappen.

[geen konschensie hadt,] waer op hem
dit sanderendaech indachtich gemaeckt
sijn, hij bij de seeckreetariis6Godert van den Doorslagh quam hem ver
socht bij velpe te gaen en te versoecke de
wijlle hij niet wist wat geseijt had en dat
hem sule leet was geseijt te hebbe, dat hijt
aende preedikant of kerckenraet niet wil
de segge of bekent maecken, het welcke
de seeckreetaris seijt niet aengenoome te hebbe
om te doen, en velpe geraporteert heeft
donderdaechs daer aen inde kerckenraet of
wel Eerst aende preedikant, waer op dit
neffensgaende is gevolcht, [daer de preedikans]

Ruïneren
Margaretha nuanceert de zaak: wat Evert de Wael dronken gezegd heeft, zeggen anderen nuchter en daar heeft de kerkenraad niets tegen gedaan. Volgens Margaretha wordt De Wael hier onrecht aangedaan, omdat men wist dat hij dronken was en hem nu beschuldigt van opzettelijk handelen. Sterker nog: de kerkenraad heeft gezegd dat ze Evert de Wael willen ruïneren. Margaretha verwoordt het als volgt: “Waar de tuin het laagst is, komt men het eerst”, ofwel de zwakkeren hebben het het zwaarst.

[doort dorp hebbe geloopen,] het geene deese
man bij den dronck heeft geseijt seggender
wel meer nuchtere en daer doet niet teegens
maer daer den tuijnt laechst is wil men
t Eerst over sij hebbe volmondich geseijt
dat se Evert dewael wille ruijneere, de
seeckreetaris heeft mij sels geseijt dat Evert
de wael droncke opt raethuijs was doen hij
dit seijde dat hij daerom geen attestaesie
dien avont wilde schrijfve om datse meest
al droncke waeren, en nu seggense in dit
neefvensgaende dat hijt met voorbedachten
raet heeft geseijt, hoe ackordeert dit,
De goddeloze kerkenraad
De dominee en de kerkenraad doen alsof het een algemene regel is: alle lidmaten moeten nou eenmaal in de kerk komen en anders zijn ze verantwoording verschuldigd aan de kerkenraad. Margaretha stuurt de beschuldiging van de kerkenraad mee als bijlage. Ze is het duidelijk niet eens met de dominee en de kerkenraad.

nu wort ock geseijt dat den preedikant met
sijn kerckenraet voorneemens sijn vande
stoel af te leesen dat alle litmaeten
sulle gehoude sijn in sijn kerck te koomen
of voor sijn kerckenraet te kompareere7Compareren: verschijnen om
reedene te geegeren8verschrijving? waerom sij daer
wt blijfven, ick had liefver wie weet
wat te doen als bij sulcken godloosen
kerckenraet te kompareeren die haer
niet ontsien de armemensche met sulcke
valsheede als in dit neefensgaende staet
te beschuldigen, [dat ick so wel bij de
gelde was als niet ben sou naer den haech]

Een beetje dom
Evert de Wael wil tegen het bijgesloten stuk in beroep gaan bij de classis. Zo’n beroep kost tijd, is niet makkelijk en… kost geld. Margaretha vindt het duidelijk niet eerlijk. Margaretha heeft het Evert zelf ook gezegd: hij had dit niet moeten zeggen. Kortom, hij was een beetje dom. Margaretha hoopt dat Godard Adriaan het haar niet kwalijk neemt dat ze zo lang over deze zaak door blijft gaan, maar ze vindt dat hij moet weten wat er hier in het dorp speelt…

[ick paeseijnsie hebbe,] dit neefvensgaende hebbe
sij Evert dewael thuijs gesonde die daer van
aent klasses wil Apelleere , sij doen dien
man groote koste en moeijt aen, tis waer
ick hebt hem ock geseijt hij had wel mooge swijge
ent niet behoore so te spreecke, dan de
man is ock so getreen dat wt de overvloet
vant hart de mont droncke sijnde dickmael
spreeck hoewel de waerheijt niet altijt
geseijt wil sijn, ick heb goet gedocht hoewel
weete het uhEd niet als faesgerije die hij
niet keeren kan sal geefve, te schrijfve
op dat hij mochte weeten wat hier om gaet
hoope deselfve niet qualijck sal neeme
ick hem hiermeede so lange op houde,

- 1In de brief van 6 januari was hij renteheffer
- 2waarschijnlijk had hij de bof
- 3Apprehendeeren: in beslag nemen
- 4Bernhard Keppel
- 5Consciëntie: Geweten; Het besef, de kennis van goed en kwaad
- 6Godert van den Doorslagh
- 7Compareren: verschijnen
- 8verschrijving?