Tegenwoordig klagen we vooral over zoekgeraakte pakjes, maar Margaretha werd vooral geconfronteerd met zoekgeraakte brieven. Het is weer zover. Uit de brief die Godard Adriaan haar op 16 september heeft geschreven, maakt ze op dat haar brief van 18 augustus niet is aangekomen.
[rec.a 7. october] Ameronge den 28/18 septem 1680
Mijn heer en lieste hartge
wt uhEd aengenaeme vande 16 deeser sien ick dat de mijne vande 18 Augusti noch niet was te recht gekoomen, kan niet dencken waer die heen is gesockelt, [wat belanckt de oostindise ]
De Oost-Indische kist
De Oost-Indische kist waar Margaretha al op 2 september over schreef, is in Utrecht aangekomen en Margaretha heeft daar de inhoud van geïnspecteerd. Bovenop vond ze ‘Indiaense tronies’, portretstudies dus van mensen uit het huidige Indonesië. Verder theeketeltjes en porseleinen kopjes. Veel verder was ze niet gegaan, heel begrijpelijk, want zo’n breekbare lading moet goed verpakt zijn voordat de kist naar Amerongen gebracht kon worden.
De herkomst van de kist is meer dan ooit mysterieus. Op 2 september schreef Margaretha dat Casembroot de kist had gestuurd maar nu denkt ze dat ene Boudaen hem heeft gestuurd. Ze had Temminck gevraagd om naar het Oost-Indische pakhuis te gaan voor de kist, maar dat was voor niets geweest. Hoe dan ook, de kist was aangekomen.
[heen is gesockelt,] wat belanckt de oostindise kassa heb ik tot witrecht geopent en daer booven in gesien bevonden ses schilderije van indiaanse troonije voort tee keeteltges en diergelijcke porseleijne kopges met Eenige andere diergelijcke raerijteijte heb de kast niet heel ontpackt wat daer noch onder in mochte legge weete niet hebse weer toegedaen en int jngense schip naer Ameronge gesonden [dat doort laeghe ]
Interieur met twee vrouwen die thee drinken, anoniem, 1700-1799. Collectie Rijksmuseum.
Thee
In Nederland was thee in deze tijd nog steeds een exclusieve drank. Pas in 1610 was de eerste lading thee in Nederland aangekomen. Artsen schreven het voor als medicijn. Thee was duur en alleen rijke mensen konden het betalen. Pas in de achttiende eeuw was het voor een grotere groep mensen betaalbaar.
In elke stad kwamen speciale theewinkels waar allerlei soorten thee te koop waren. Maar thee was nog steeds duur en een theekistje was niet voor niets voorzien van een slot.
Margaretha vermoedt dat zijne hoogheid inmiddels in Celle is. Ze vraagt of hij nog naar Maagdenburg komt en of Godard Adriaan hem daar nog zal spreken om te horen wanneer hij weer thuis komt. Het gaat haar allemaal weer om geld. Kennelijk hebben de Staten van Holland hun bijdrage aan de Staten Generaal betaald zodat er weer uitbetalingen naar de diverse provincies zullen komen. In ieder geval heeft Temminck een bedrag van 4000 gulden onder zijn beheer, dus Godard Adriaan hoeft zich geen zorgen te maken.
Willem III prins van Oranje te paard voor Kasteel Amerongen. Op de achtergrond het Noorderpaviljoen.
Van kelders tot reiskoetsen
Ondertussen gaat de bouw vrolijk verder. Er is een put gemaakt in de kelder van het paviljoen, er gaat gewerkt worden aan de gewelven van de kelder onder het koetshuis en aan de zolder boven de stal. Het kostte ook weer geld want de leidekkers hadden lood te kort en lood is niet goedkoop, Margaretha moest negenhonderd gulden betalen. Maar de steenoven deed haar werk uitstekend en Margaretha verwacht er morgen of overmorgen weer een flinke lading stenen uit te kunnen halen. En zoals gebruikelijk gaat ze dan van het ene moment op het andere weer op een ander onderwerp over. Temminck heeft kennelijk al eerder drie Berlijnse reiskoetsen ontvangen voor bepaalde heren maar nu heeft hij er nog twee bij en hij weet niet waar die naar toe moeten. Wat Godard Adriaan met deze kennis moet?
En daarmee moest ‘mijn heer en liest hartge’ het weer een weekje doen!
[afgestoockt sal sijn,] Sinijoor Teminck schrijft mij, weer boven de 3 voorgaen berlijnse kalesse die voorde heere smitser1Joan Carel Smissaert kasgepijn2Onbekend en noch Een ontfange, nu noch twee heeft gekree gen soude Een letter schrifts niet weetende waerse weese moete of waer hij daer meede sal blijfve, en is den goede man daer mee verleege, tis wonde dat se hem het goet so los toesende sonde daer van te adverteeren, ick hoop uhEd den heer van ginckel sult sien, hiermeede blijf
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff MTurnor
Margaretha snapt er niets van, de brief die ze de achttiende schreef lijkt verdwaald te zijn. Gelukkig heeft ze die van de vierde van haar man wel ontvangen. Hij schrijft kennelijk weinig interessants, want ze gaat er verder niet op in. Wel belangrijk is natuurlijk de Oostindische kist. Die is inmiddels in Utrecht; daar gaat ze morgen heen, dus in haar volgende brief schrijft ze wat erin zit.
[rec. 22e 7ber.]
Ameronge den 5/15 septem 1680
Mijn heer en lieste hartge uhEd aengenaeme vande 4 deeser heb ick ontfange, dat de mijne vande 18 Augusti niet is te rechte gekoome doe mij leet kan niet dencke waer die is verdwaelt, het oostindis preesent is ten huijse van beusekom1Nicolaas van Beusinchem tot wttrecht aengekoomen derwaerts ick merge met godts hulp meen te gaen en overmerge weer hier te sijn sal met de naeste post schrijfve waer in het selfve bestaet en wat het is, [aengaen uhEd]
Honden bieden een brief aan, Johannes de Mare (prent) naar Bernard te Gempt, 1860-1879. Collectie Rijksmuseum.
Verlengde missie
Margaretha heeft begrepen dat Godard Adriaan nog wel even weg zal blijven. Willem III heeft zowel tegen Margaretha als tegen hun zoon gezegd dat hij in Berlijn moet blijven. Hoe lang is Margaretha niet helemaal duidelijk geworden. Maar Willem gaat naar Celle en zoon Van Ginkel gaat mee, zij gaan er beiden vanuit dat ze Godard Adriaan daar treffen. Dan moeten ze daar maar even overleggen.
[het selfve bestaet en wat het is,] aengaen uhEd thuijs koome heb ick voordees geschreefve, hoe dat sijn hoocheijt aen mij en daer nae den heer van ginckel heeft geseijt uhEd alsnoch niet van berlij sal konne maer noch Eenigen tijt daer moete blij =fven, of daer meede nu de heelle winter verstaen wort kan ick niet weeten, als sijn hoocheijt nu te sel komt en uhEd de heer van ginckel siet daer hij staet op maeckt, hoope deselfve het best sal hoore, [ondertuschen sal ick in maent van]
Margaretha zal in de maand van oktober zorgen voor de gevraagde provisie. Nu is het even de vraag wat Margaretha bedoelt want het kan zowel inhoud voor de provisiekast zijn als keiharde munten. Hoewel ze niet verwacht geld van het land te krijgen, springt ze daarna gelijk over op het geld dat voor hem klaar ligt en dat ze dat direct regelt. Dus wellicht is de provisie van oktober dan toch meer om op te peuzelen.
[hoore,] ondertuschen sal ick in maent van ockto uhEd van sijn begeerde proovijsie versorchge en hoewel geen Apreehensie tot Eenige betaeline vant lant voor Eerst sien, kan uhEd he vaste staet maecke op vier duijsent gul die ick in weijnich dage sal versorchge dat booven de laeste wissel die deselfve ter som van 1000 gul nu onlans heeft getrocke [en de 500f die]
Er volgt een onnavolgbare berekening van geld dat Godard Adriaan opgenomen heeft, dat aan Temminck in Amsterdam betaald is. Ze belooft één ding: als Godard Adriaan met de keurvorst naar Maagdenburg gaat, dan zorgt ze ervoor dat hij nergens om verlegen hoeft te zitten.
[maer sal sien hoe ickt met hem maeck,] so uhE met den heere keurvorst naer maechdenberch gaet kan ick wel dencke uhEd gelt sult moeten hebbe, ick sal so veel doen alst moo gelijck is onvEd in gerustheijt te stelle en niet verleege laeten, [ick doen al wat]
Stilleven met kazen, amandelen en krakelingen, Clara Peeters, 1615. Collectie Mauritshuis.
Werkvolk
Één van de manieren om geld over te houden, is om minder werkvolk op de bouwplaats in dienst te hebben. De eerste zijn inmiddels vertrokken. Het hele stalgebouw met de paviljoens is nu onder dak, dus ze kunnen de timmerlieden en metselaars best missen. Nu het dak erop zit moet de leidekker wel aan de slag.
[en niet verleege laeten,] ick doen al wat ick kan om Een goeij deel vant werck volck vanden hals af te krijge laet deesen dach 4 metselaers 4 operlie en 6 timerlie bij provijsie wt het werck gaen, dewijlle het geheelle werck nu onder dack is en de
leijdeckers nu begine de leije opt Eerste pau velijoen te legge, konne wij de voornoemde wercklie mise, [de vrou van ginckel is]
Schoondochter Philippota is ziek. Ze heeft koorts en zinkingen aan haar been. Zinkingen kunnen eigenlijk van alles zijn, maar aan je been is het waarschijnlijk heel lastig. Margaretha is dus maar even een dag naar Middachten geweest. Ze is nu weer terug in Amerongen, want het is kermis en daar moet ze zich wel even laten zien.
[wercklie mise,] de vrou van ginckel is heel niet wel geweest heeft Een kontiniwe =le koorts gehadt met Een sinck in aent been dat seer geinflameert2Inflammatie: Ontsteking, veelal van de huid, vurigheid, gepaard gaand met puistjes en soms ook met zwelling en verzwering was doch nu in alles beeter de koorts haer verlaeten ick ben Een dach tot Middachte geweest deese Middach weer hier gekoomen, tis hier kermis daerom niet versuijmt heb, [sijn]
Bezoeken van de zieken. Eén van de zeven daden van barmhartigheid. Prent van Abraham Brosse, uitgegeven door Jean Leblond (I), 1640-1642. Collectie Rijksmuseum
Zijn Hoogheid
Uiteraard moeten ook de bewegingen van Zijn Hoogheid gemeld worden. Hij zou eigenlijk via Twickel naar Celle, maar hij heeft het veranderd. Hij gaat nu via Schoonheten, waar Hendrik Bentinck, de broer van zijn kamerheer Hans Willem woont.
Van Ginkel gaat via huis Dorth (bij Bathmen) en reist dan met Gustaaf Adriaan graaf van Flodroff naar Celle.
[kermis daerom niet versuijmt heb,] sijn hoocheijt so men seijt gaet vandaech wt den haech op soesdijck van daer naer schoonheij bij de broer vande kamer heer bentin en so voort na sel, was Eerst van meenin op twickel gegaen te hebbe maer is verandert, den heer van ginckel gaet toekoomende maegtech na t huijs te dort om sanderendaechs met de graef van floodorp en andere heere haer reijs voort naer sel te sette, de heer almach =tich wilse alle geleijde en voor ongelucke bewaere, [op Middachte legge wel 4 a 5]
Landschap met reizigers bij een herberg nabij een pleisterplaats, Salomon van Ruysdael, 1660. Collectie Rijksmuseum.
En trouwens
Aan het eind van de brief komt Margaretha nog even terug op eerdere onderwerpen. Philippota was niet de enige die ziek was op Middachten, ook vier of vijf personeelsleden waren ziek. Het was maar goed dat Margaretha er was. Ze kon helaas niet langer blijven, want druk, druk, druk.
En dat gedoe met dat geld blijft gedoe. Het lijkt erop dat Van Heteren het ook niet voor elkaar krijgt om geld los te krijgen. Waarschijnlijk is ze op haar tripje naar Middachten nog even langs Rosendael gereden, want Jan van Arnhem zal kijken of er bij de Ridderschap van de Veluwe nog geld is.
Het geluk zit in de ps: de steenoven stookt én brandt.
[ent mij te laeten weeten,] hier meede blijfve
Mijn heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijf M Turnor de steen oven is aent stoocke en brande ick heb uhEd meesiefve aende seeckreetaris gegeefve als mij docht die wel te sijn
Fantasievoorstelling van de bouw van de piramides, met een grote steenoven waar de vlammen uitslaan, Gottfrid Pfaunz (prent) naar Johann Claude Sarro, 1709-1762. Collectie Rijksmuseum.
Het is rustig met de brieven, maar Margaretha meldt aan Godard Adriaan dat ze zijn brief van 21 augustus heeft ontvangen. Ze begint meteen over de kist uit Oost-Indië die Casembroot heeft gestuurd en die nog niet is aangekomen. Jan Casembroot is een connectie van Godard Adriaan en zijn zoon is koopman in Perzië. Heeft Godard Adriaan in zijn brief de komst van de kist aangekondigd? In ieder geval, voor zover Margaretha weet, staat de kist in het Oost-Indisch pakhuis in Amsterdam en ze heeft Temminck gevraagd ervoor te zorgen dat de kist naar Utrecht wordt verstuurd.
[rec.a 8. 7ber.]
Ameronge den 2 septem 1680
Mijn heer en lieste hartge
uhEd aengenaeme vande 21 Augusti is mij ter rech =ter tijt behandicht, de kasse1Casse: Kist of een stuk huisraad waarin iets opgeborgen kan worden wt oostin die vande heer kasenbroot2Waarschijnlijk Jan de Casembroot gesonde is noch tot wttrecht niet aengekoomen, mijn wort geseijt dat die tot Amsterdam int oostindis packhuijs soude staen waer over aen teminck heb geschreefe en versocht so se daer is, op wttrech ten huijse van teminck beusekom te sende, [met onse timer ]
Het zal eens niet over de bouw gaan! Heel plichtsgetrouw meldt Margaretha de nieuwste vorderingen. De metselaars werken aan de schoorstenen van het eerste paviljoen, de timmerlieden zijn bezig met de kap van het tweede paviljoen, de leidekkers zijn bezig met de dakramen. En als de kap van het tweede paviljoen af is, dan zal Margaretha een deel van de timmerlieden ontslaan. Laat ze het maar niet horen, dan gaan ze vast langzamer werken. Het is een paar dagen mooi weer geweest, de stenen hebben kunnen drogen. Dat is een serieus ding, je kunt geen natte stenen in de oven leggen. Margaretha hoopt dus dat het droog blijft zodat ze de steenoven vol kunnen laden en aan kunnen steken.
[bij naer gedeckt,] so haest de timerlie met het sette vande kap sulle gedaen hebbe sal ick Een deel van dat volck afschaffe daer wel naer verlange, wij hebbe nu hier drij a 4 dagen wtneement schoon weer ge had alst godt beliefde dat wijt noch so
wat mochte houde sou op al ons werck seer wel koomen, en insonderheijt3Inzonderheid: voornamelijk op de steenoven daerse noch bij gebreck van droochge steen niet met inkruijen hebbe gedaen, [doch hoop]
Godard Adriaan snapte ongetwijfeld precies waar Margaretha op doelde in deze brief, maar voor ons arme lezers blijft het gissen. Er is een verzoek gestuurd aan de Staten van Utrecht, Van Heteren is naar Den Haag en Margaretha wil ervoor zorgen dat Temminck over 3000 gulden kan beschikken voor de kosten van de bouw.
ick hoor noch van geen petisie4Petitie: verzoek supleetoor5Suppletoir: aanvullend die al aende proovinsi van wttrecht most gesonde sijn, nu van heeteren weer inde haech is, w verwachte te hoore hoet daer mee gaet, volgens de reeckenin van teminck heeft hij te boven de laeste en al de wissels die uhEd heeft getrocke betaelt sijnde, noch suijver in hande 2600 f, waer bij ick noch so veel sal voech ge, tot 3000f kompleet die voort tot
uhEd behoef onder hem sonder Ergens ande ge Empoloijeert te worde sulle blijfve, [daer]
Hopelijk was Godard Adriaan goed wakker toen hij deze brief kreeg, Margaretha springt werkelijk van de hak op de tak. Zo schrijft ze eerst dat ze actie gaat ondernemen tegen de kerkenraad die haar veel te eigenzinnig is. Zoonlief is aan het jagen met de prins, in Dieren en in Hoog Soeren. Ze hoopt dat ze heel thuis komen.
[in sal koomen,] als de vakansie6Vacantie: periode dat kerkenraad niet functioneert wt is sal ick sien wat ons teegens onse ongerijmde7Ongerijmd: met het gezond verstand in strijd en opijniatere8Opiniatreren: hardnekkig volhouden kercken= =raet te doen staet, den heer van ginckel is Eenige tijt herwaerts seer susijet aen sijn hoocheijt op de jacht tot dieren en hoochsoere geweest hoop alles daer wel vergaen sal, tis een viement9Viement, vehement: heftig, onstuimig jaegen
Ze schrijft dat de dood van de heer Von Eller zu Laubach haar spijt, het moet een verlies zijn voor de Keurvorst. In Den Haag is ook een belangrijke heer overleden, aan de kinderpokken nog wel, en zijn functie zal waarschijnlijk naar Johan Pesters gaan. De heer van Zuilen, Hendrik Jacob van Tuyll van Serooskerken, heeft een ruil gedaan met Adam van Lockhorst en is daardoor nu dijkgraaf van de Lekdijk Benedendams, de dijk die de Lopikerwaard beschermt. Voor zijn zoon heeft hij het ambt van maarschalk van Abcoude binnen weten te halen. Margaretha heeft er een mooie uitdrukking voor: ‘elk slaat zijn nootjes en het ijzer als het heet is’. En eigenlijk geeft ze hem groot gelijk.
en daer bij het Maerschalck Amt van Abkoude voor sijn soon t sijn al fraije saecke Elck slaet sijn nootges ent ijser dewijlt heet is, ten is haer niet te misprijse
Margaretha sluit af met een lekkere roddel over Everard van Weede, de heer van Dijkveld. Hij is in Brussel om daar voor zijne hoogheid één of andere zaak met een prinses te regelen. Van Weede was een ras diplomaat en Godard Adriaan kende hem goed. Hij heeft nu kennelijk wat geldproblemen. Daar is Margaretha ook goed mee bekend …
Mijn heer en lieste hartge
Uhed getrouwe wijff MTurnor
ps den heer van dijckvelt is tot bruijsel, om de Affaerees van sijn hoocheijt die daer teegens de prinses van ijsengaren heeft waer te neemen, men roept so dat hij vant sijn so veel te parijs heeft verteert, dat so breet niet moe sijn dewijl hij sujeten daer ontbiet om tapijte voor hem te koope
1
Casse: Kist of een stuk huisraad waarin iets opgeborgen kan worden ↩︎
Deze brief is flink gehusseld tijdens het scannen. Het zijn twee vellen met elk vier kantjes en een memorie en ook nog en ps op een apart blaadje. Hier de bijbehoren scannummers: 1e vel kant 1 – 73; 1e vel kant 2 – 74, 77; 1e vel kant 3 – 80; 1e vel kant 4 – 81; 2e vel kant 1 – 78; 2e vel kant 2 – 79; 2e vel kant 3 - 79; 2e vel kant 4 - 80; Memorie voor – 74 gedeeltelijk, 77; Memorie achter - 78; Ps voor – 74 overdwars, 75; Ps achter - 76
Margaretha doet weer eens haar stinkende best om geld te krijgen, maar veel succes heeft ze niet. Maar voor het over die echt belangrijke zaken gaat, moet ze eerst wat rechtzetten. Eerst het allerbelangrijkste: het gaat goed met Godard Adriaan. Kennelijk heeft Beusichem Godard Adriaan geschreven dat Margaretha 350 gulden per morgen betaald zou hebben voor het land van het Domkapittel. Dat klopt natuurlijk niet, dat zou wel heel erg duur zijn. Zo doet Margaretha geen zaken. Het stuk land is ongeveer 3,5 morgen, dus daar wil ze in totaal 350 gulden voor geven, dus 100 gulden de morgen. Dat is een goede koop, Smissaert en Van Beek zijn er mee bezig, het wachten is op goedkeuring door het Domkapittel.
haech den 15 ijuli 1680
Mijn heer en lieste hartge
wt uhEd vande 3 deeser sien ick deselfve met al het sijne noch wel waert daer de heer voor gedanckt moet sijn, beusekom moet abuijs hebbe dat hij uhEd heeft geschreefve ickt lant vant kapittel vande dom voor 350f de merge sou gekocht hebbe dat waer veel te dier ick most so niet te mart gaen, tis ontrent 3½ merge groot daer soude wij 350f saeme voor geefven dat sou honde gul de merge weese het is tuschen ons geseijt heel goet koop dans staet noch raport door den heere van beeck en smitser aent kapittel daer van te doen en haer Aproobasie te verwachte het welcke geloof vandaech gedaen sal worden, [so lan]
Margaretha is in Den Haag om de betalingen voor Godard Adriaan te regelen. Ze was eerst in Utrecht en heeft daar iedereen die er toe doet gesproken, iedereen was erg beleefd en bij haar langs gekomen. Alleen burgemeester Gruijter had zij bij hem thuis bezocht. Die was wel duidelijk: er is geen geld. Er is zelfs zo weinig geld dat Utrecht al een half jaar achter is met het betalen van de predikanten. En die hebben allemaal kinderen thuis zitten en die hebben geen brood om te eten. Ook de soldaten die bij Maastricht liggen lopen weg omdat ze geen soldij krijgen.
[kost niet helpe] sij seijde altemael datter
geen gelt inde provinsie was ija dat sij niet wiste hoe sij haer preedikante die nu ander half ijaer ten achteren waeren daer onder sijn die met huijsen vol kindere sitte en geen broot hebbe om te Eeten, soude betaellen, de seeckreetaris luchtenburch seijde die selfe merge Een brief van Maestricht van Een kapteijn die hij noemde gekreechge te hebbe die klaechde dat meer als de helft van sijn kompangi was verloope en so hij geen gelt vande provinsi van wttrecht kreech niet Een man langer kost houde, [de heere seijde]
Koffievlek uitgewerkt tot prekende dominee op kansel, Jan Brandes, 1770 – 1790. Collectie Rijksmuseum.
Geld uit Overijssel?
Van Ginkel heeft Willem III gesproken en die wist inderdaad dat Utrecht geen geld heeft. Maar hij dacht dat Overijssel nog moest betalen, dus daar gaat hij zeggen dat zij moeten betalen. Margaretha heeft er een hard hoofd in. Ambassadeurs worden of door de provincie ingehuurd, of door de Staten Generaal. Voor een missie in opdracht van de Staten Generaal moeten alle provincies bijdragen. Dus zo moet Margaretha maar zien dat ze Godard Adriaans kostje bij elkaar scharrelt.
[verwachten is,] de heer van ginckel heeft sijn hoocheijt hier ock over gesproocke als ock de heer van schraefve moer , die ock teegens haer alle beijde seijde wel te weeten dat wttrecht geen gelt kost geefve, maer dat over ijsel noch schuldich was dat hij wilde schrijfve dat die ons soude betaelle,
Gezicht op het Grote Kerkhof in Deventer, Jan de Beijer, 1744. Collectie Rijksmuseum. Gezicht vanuit het noordoosten op het Grote Kerkhof te Deventer met links het Landshuis (zetel van de Gedeputeerde Staten van Overijssel) en het stadhuis en op de achtergrond de Duinpoort.
Holland heeft wel geld. Echt waar!
Ze is in Den Haag en de raadspensionaris Gaspard Fagel heeft beloofd bij haar langs te komen. Ook daar heeft ze een hard hoofd in: ze verwacht dat hij het zal vergeten. Willem III had bovendien gezegd dat Holland al meer betaald heeft dan nodig is. Dat kan wel zijn, maar Margaretha zou hem heel goed kunnen uitleggen van welk geld Holland Godard Adriaan kan betalen. Holland heeft namelijk geld apart gezet voor een ambassadeur in Frankrijk, maar ze hebben helemaal geen ambassadeur in Frankrijk. Dus dat geld kan prima naar Godard Adriaan. Nou is het maar de vraag of er iemand naar haar uitleg wil luisteren, en als ze al luisteren, dan voeren ze haar idee waarschijnlijk toch niet uit. Ze zal het de raadspensionaris toch even voorstellen.
sijn hoocheijt seijt ock dat hollant overbetaelt heeft oversulcks niet betaelle kan, maer alst haer beliefde sou ick haer wel aenwijse waer wt sij mij soude konne betaelle tis waer sij hebbe opt ijaer 8i, tachtentich duijsent gul betaelt , maer se hebbe 20000£ ses ijaeren aen Een getroefe ijaerlijcks getrocken tot betaellin van haere ordinaerisse Ambassadeur in vranckrijck die sij daer niet hebbe gehad so datse daer van 40000f over hebbe daer uhEd noch wel wt kost betaelt worden maer vrees sijt niet doen en sulle, so ick den heere r p kom te spreecke salt hem segge, [so]
Stel in gesprek terwijl een tweede heer zich afwendt, Gesina ter Borch, ca. 1654 – ca. 1658. Collectie Rijksmuseum.
Een memorie
Als er geen geld komt, weet Margaretha echt niet hoe ze alle eindjes aan elkaar moet knopen. Godard Adriaan moet natuurlijk geld hebben, maar ze moet ook het werkvolk en de materialen betalen. Ze pruttelt ook nog wat na over hoeveel tijd (en dus geld!) het de metselaars om de dubbele bogen van de stal te metselen.
Het leuke van deze brief is dat Godard Adriaan hier het bijgesloten memorie bewaard heeft. Deze heeft hij niet opgeslagen in zijn archief, maar hier krijgen we toch een kijkje in Margaretha’s financiële administratie.
Memoorije vant geene hier voor Eerst nootsaecklijck moet betaelt worden aen loot ontrent de ________________ 700f den panne ontrent de ______________ 400f aen spijckers ontrent de ____________ 300f noch aen turf voorde steen oven ontrent de __________________600f
___________________ 2000 f
nu moeten het arbeijts volck die alle seer om gelt roepe ock wat hebbe, ent gekochte lant ter som van 350 f betaelt worden
Hoera voor de kerk!
Na de reformatie vielen alle goederen van de (katholieke) kerk toe aan de Staten van Utrecht. De Utrechtse kapittels die we zo nu en dan tegen komen in de brieven bleven dus bestaan. Alleen waren ze geen religieuze instelling meer, maar meer een beheersorganisatie. Binnen de kapittelorganisaties waren baantjes te verdelen voor adel en regenten en je kon rechten kopen op bijvoorbeeld prebendes voor ongehuwde dochters of een deel van de inkomsten van het onroerend goed van zo’n kapittel.
Het is is Johan Pesters gelukt om op deze manier een prove voor de Van Reedes te krijgen ter waarde van 7500 gulden. Het moet nog wel geheim blijven, maar Margaretha heeft al de helft naar Temminck gestuurd zodat Godard Adriaan het kan gebruiken. Margaretha dankt de grote God dat hij juist nu toch weer wat geld toe weet te zenden.
Als er nou alsnog geld van het land komt, dan wil Margaretha dat graag gebruiken om een aantal leningen af te betalen. Maar eerst maar eens zorgen dat ze daadwerkelijk wat krijgen.
[voorseijde som van 7500f ons voldaen,] so goet is dien grooten godt nu wij weer bij dees wan betaeline vant lant, int de grootste ongeleegentheijt om gelt waeren sent hij ons weer dit so onver= wacht toe, als wij hoop hadde om gelt vant lant te krijgen soude ick onder korexsi met dit gelt kapijtaele aflegge maer so lange dit so staet weet niet dat wijt konne misse, [Eve=]
Inmiddels komt de post met een brief van Godard Adriaan. Hij lijkt zich minder zorgen te maken om hun financiële situatie en ook Margaretha lijkt die volledig vergeten te zijn. Ze is blij dat Godard Adriaan een caleche voor haar zal verzorgen. Margaretha heeft nog niet gehoord dat het Pruisische hout in Amsterdam aangekomen is.
[wort] so aenstonts ontfange ick uhEd aengenaeme vande 10 deeser bedancke deselfve dat hij mij van Een kales sal versorchge, ick hoor noch vande pruijse deelle niet geloof niet dat die tot Amster dam sijn aen gekoomen, [so aenstonts schrijft]
Jachtstoet op Het Loo – 2e helft 17e eeuw. Willem III en een hoge gast zitten in een calèche met opgezette kap, Romeijn de Hooghe, ca. 1700. Collectie Gelders Archief.
Nog meer of minder geld
Kennelijk zit er ook een brief van Johan Pesters bij de post. Godard Adriaan kan pas vrijdag beschikken over de 3750 gulden waar Margaretha eerder over schreef. Ze verzucht dat je pas op geld kan rekenen als je het daadwerkelijk in je handen hebt: “ick sech in waerheijt men kan op geen gelt ter werlt staet maecke als dat men in handen heeft”.
Deze opmerking over geld maakt weer een hele overweging los waar het binnengekomen geld wel en niet aan uitgegeven moet of kan worden. Kennelijk is er ook geld van Van Heteren geleend om secretaris Isaäc de Blanche te kunnen betalen. Die moet natuurlijk zijn geld als eerste terug hebben. Dan is het tijd om een eind aan de brief voor haar liefste breien. Weer een atypische afsluiting. Wat brengt Margaretha’s hoofd op hol?
[heeft daer is niet aen te koomen,] uhEd sal mij van dit gelt voor Eerst wat beliefve tot de timeraesge te laete gebruijcke of weet geen wtkomst so wij vant lant betaelt worden sou van opijnie sijn dat ick van heetere de twee duijsent gul die wij wee =gens den heer blansche den 4 ijuni laest leeden hebbe ge ontfange weerom sou geefve
om niet te diep indien goede man sijn schult te vervalle, ick verseeckere uhEd mocht ick Eens bij deselfve sijn sou ock wel wat te segge hebbe dat de pen niet derf vertrouwe, nu mijn lieste ick blijf
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
Of toch niet
Kennelijk hoeft de post in de stad niet op haar te wachten, want ze heeft nog tijd voor een naschrift en een ps op een apart briefje. Het bedrag dat Overijssel nog moet betalen aan de Staten Generaal voor onkosten is hoger dan de onkosten van Godard Adriaan, dat zou dus moeten lukken. Godard Adriaan krijgt de groeten van Margriet uit Den Haag (?) en het blijft maar regenen.
De volgende dag volgt de ps op het aparte briefje. Er is een brief van Temminck binnengekomen en het Pruisische hout is in Amsterdam. Hij meldt ook dat hij lang geen brief van Godard Adriaan gehad heeft. Dat vind Margaretha vreemd, want in zijn laatste brief schrijft Godard Adriaan nog dat hij geld via een wissel heeft “getrokken”.
ps so aenstonts sijnde den 16ijuli ontfange Een brief van teminck die schrijft de 40 pruijse deelle tot Amsterdam wel sijn aengekoome, en dat hij in lange van uhEd geen briefve heeft gehadt dat mij verwondert om dat uhEd in sijn voorgaende mij schrijft Een wissel getrocke te hebbe
Gezicht op Rhenen uit het oosten, P.W. van de Weijer naar J. Goossen, 1867. Collectie Het Utrechts Archief. Op de rivier een voorbeeld van vlotterij: het vervoeren van houten stammen door er vlotten van te maken.
Sommige zaken gaan zo langzaam dat Margaretha er gek van wordt en anderen hebben zoveel haast, dat ze het niet bij kan benen. De eerste traagheid is in ieder geval opgelost: de missende brief van 12 juni is terecht en die van 19 juni is inmiddels ook binnen.
[rec. a 7. Julij] Ameronge den 29/19 ijuni 1680
Mijn heer en lieste hartge uhEd vermiste brief vande 12 deeser die al tot keulen is geweest heb ick neffens die vande 19 deeser, deese weeck ontfange, [tis heel goet uhEd over sijn betaeline]
Een postiljon (postvervoerder) op een varken. Fragment uit een spotprent, anoniem, 1720. Collectie: Rijksmuseum.
Werkgever
Godard Adriaan heeft raadspensionaris Fagel geschreven over de betaling van zijn werk. Margaretha is er blij om, want het is weer eens een zootje. Godard Adriaan is op pad voor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, maar in de praktijk zijn dat zeven provincies die allemaal hun eigen ding doen. De missie is opgezet door de Staten Generaal, maar die heeft zelf geen geld, ze zijn afhankelijk van de bijdragen van de provincies. Een deel is formeel geregeld, maar er blijft altijd gedonder over de onkostenvergoedingen.
[weeck ontfange,] tis heel goet uhEd over sijn betaeline aende heere raet pensionaeris heeft geschreefve want kan noch met de resteerende 2310f niet te rechte koomen, [van heetere schrijft dat hollant weijgert]
Caspar Fagel (1634-88). Raadpensionaris van Holland sedert 1672, met op de achtergrond de vergaderzaal van de Staten van Holland op het Binnenhof te Den Haag, Johannes Vollevens (I) (kopie naar), 1672 – 1700. Collectie Rijksmuseum.
Onkostenvergoedingen
Nu is het zo dat er volgens de raadspensionaris de resterende 2310 gulden niet betaald kan worden, want dat zijn onkosten en die moeten door de provincies betaald worden. Holland wil niet betalen, want die hebben hun bijdragen al gedaan en dat klopt. In Utrecht hadden ze een omweg gekozen om te betalen. Uit Den Haag komt het bericht dat Groningen en Overijssel hun bijdrage voor de onkosten nog niet betaald hebben. En laat Margaretha daar nou net geen connecties hebben die radertjes in beweging kunnen zetten!
[koomen,] van heetere schrijft dat hollant weijgert te betaelle seggen dat sij ock inde post van de= froijemente1Defroijementen: onkostenvergoedingen hebbe voldaen het welcke hem bij de komijs2Commies: (rekenplichtig) ambtenaar vande finansi komans3Onbekend wort gekonfir =meert so dat dit niet alleen hapert maer sien niet hoet in toekoomende voort sal gaen laest inde haech sijnde heb ick verstaen dat de proo vinsie van overijsel en greunine op dit loopende ijaer niet niet op haer post van defroijemente hebbe betaelt of ock noch niet hebbe te laste, maer sulle wijt daer moete gaen soecke daer wij mijns weetens niet Een mens hebbe hebbe die ons daer in te rechte sulle helpe, [dat sal ons seer]
Vervolgens bedenkt Margaretha samen met Van Heteren allemaal manieren om toch een betaling te forceren. Heel creatief, maar onnavolgbaar.
Kaart van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, Gerard Valck, 1690. Collectie Rijksmuseum.
Dubbele bogen
Schut is langs geweest en de bouw aan de stallen en bijbehorende paviljoens gaat gestaag door. Gestaag, maar wel langzaam. Heel… erg… langzaam. Iemand, uit de brief wordt niet duidelijk wie, heeft bedacht dat de ramen en deuren van de stallen en het koetshuis met dubbele bogen gemetseld moeten worden en dat kost gewoon heel erg veel tijd. Margaretha denkt dat het nog zeker tien of twaalf dagen duurt voor ze zo hoog zijn dat ze de balken voor de zolder kunnen gaan leggen.
[met den Eerste sal verwachte,] Meester Schut die deese weeck hier is geweest is gistere weer naer Amsterdam vertrocken, het metsel werck gaet seer lamsaem voort ijae so dat schrick het tesien het welcke komt door die dubbelde boochge die sij booven de vensters en deure vande stal en koetshuijs moete maecke daer sij deese heelle weecke over drij vande dubbelde boochge die en twee boven de vensters dat maer ordinarise booge sijn boven de vensters int voorste pavelijoen gewerckt hebbe, so datse naer mijn gissine noch wel 10 a 12 dage werck hebbe Eersij door gaens de hoochte sulle hebbe om de balcke op te legge, daer toe hebbe wij al deese weeck seer quaet weer gehadt dat al wat verhindert heeft, [sij hebbe nu perfeckt overleijt wat loot]
Stal met blauwe regen, Annemiek Barnouw, 2016. Je kunt je voorstellen dat het metselen van boog boven boog boven boog een klusje was waar de metselaars hun tanden op stuk konden bijten.
Wegvliegend geld
Doordat Schut er was hebben ze nog eens goed kunnen overleggen hoeveel lood er nou eigenlijk precies nodig is. De secretaris had 200 gulden gebudgetteerd, maar er zal zeker 700 gulden aan lood nodig zijn. En daar vliegt weer 400 gulden weg (kennelijk had Margaretha als ervaren bouwvrouwe al 100 gulden hoger ingezet dan de optimistische schatting van de secretaris). En het is niet alleen het lood. Zo zijn er zoveel dingen. Maarja, ze zijn nu eenmaal bezig, dus moeten ze door. Maar uit het diepst van haar hart hoopt Margaretha dat het nu bijna klaar zal zijn.
[heeft,] sij hebbe nu perfeckt overleijt wat loot der moet weesse, den seeckreetaris hadt gemeen datter ontrent de 200f aen loot sou moete sijn maer nu bevint sich datter wel bij de 700f aen loot sal moeten sijn want der noch over de 7000 pont sal moete sijn, en dat moet kontant gelt weesen, so dat ons dit al weer 400f buijten onse gissine gaet so gaet het al in meer dingen, tis niet moogelijck dat men so Effen op alles sijn staet in dit werck kan maecken, wij sijn hier nu in en moetender doer, hoope het nu haest ten Eijnde
sal koomen, [voorleeden dijnsdach is hier in pasant wt en int huijs]
Margaretha heeft ook bezoek gehad. ‘Meneer de Kolenbel’ was zo haastig dat hij geeneens een glas wijn wilde. Justus David de Coulombel was domheer in Utrecht en Raad voor de Keurvorst van Brandenburg. De dag erna kwamen Eberhard Danckelman en zijn vrouw. Danckelman had in Utrecht gestudeerd en was de leraar geweest van de oudste zoon van de keurvorst. Hij zal in de komende jaren de Universiteit van Halle (1694) en de Berlijnse Academie voor Kunsten (1696) oprichten. Maar daar is Margaretha natuurlijk helemaal niet mee bezig. Zij wil de relaties van Godard Adriaan gewoon zo goed mogelijk fêteren.
[sal koomen,] voorleeden dijnsdach is hier in pasant wt en int huijs geweest Monseu de kolenbel maer was so haestich dat geen tijt gaf hem Een glas wijn te geefve, den anderen dach sijnde woonsdach quam den heer en vrou danckel man recht op den Middach so de spijs op tafel wiert gedrage, sij liete vrage of sij mij geen ongeleegentheijt soude doen naer den Eeten het huijs te koomensien, daer op ickversocht sij bij mij wilde koomen Eeten gelijck sijdeeden, ick gaf haer het best dat ick kost dat tot mijn leetweesen niet veel was, sij scheene heel wel te vreede te sijn, saegen het huijs maer wilde niet blijfven hoeseer ickse badt wilde dien avont noch met de nacht schuijt naer Amsterdam, so dat ick niet kost doen het geene wel wenste, [ick heb ock inde korante gesien de]
De Keurvorst van Brandenburg heeft Maagdenburg tot hertogdom verheven. Bij de vrede van Osnabrück in 1648 was besloten dat het aartsbisdom Maagdenburg na het overlijden van de laatste administrator (gekozen bisschop), August von Sachsen-Weißenfels, zou toevallen aan Brandenburg en een hertogdom zou worden. Maagdenburg werd dus geseculariseerd. Margaretha is hier zeer tevreden mee en hoopt dat Godard Adriaan dat doorgeeft aan de Keurvorst.
[het geene wel wenste,] ick heb ock inde korante gesien de sucksesie die den heere keurvorst aent hartoochdom Maechdenberch heeft gedaen, ick ben inmijn pertikulier daer in verheucht , tis Een seer groot Erfnis, wij sijn ock veroblijgeert voorde gunst die sijn keurvorstlijcke doorluchtichheij aen uhEd belieft te toonnen, [ick had gemeent het gras of]
Margaretha sluit haar brief af met een praktisch puntje. Ze had het hooi op de bovenste “bolle” (uiterwaarde) graag verkocht, maar dat is niet gelukt. Nu moet ze dus zelf gaan hooien, maar ze moet nog zien hoe ze dat voor elkaar krijgt met dit weer.
aen uhEd belieft te toonnen, ick had gemeent het gras of hoeij van boovenste bol te verkoope maer heb niet gekost moet het selfver hoeijen en heb sulcken quade weer daer op dat ick nie weet hoet tot hoeij sal krijgen sullen ons best doen ent voort godt almachtich beveelle, die uhEd in sijn heijlige bescherminge wilneemen, blijfvende Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
Margaretha heeft haar papier helemaal volgeschreven, maar er komt toch nog een prangende nabrander. Die schrijft ze maar op een los papiertje. Het koetsje (calèche) uit Berlijn slijt zo dat ze er eigenlijk niet meer mee de weg op kan. En dat terwijl ze hem maar één keer sinds Godard Adriaans vertrek gebruikt heeft! Kennelijk is de slijtage al voor zijn vertrek ontstaan, want Margaretha wil eigenlijk wel een nieuwe. En als het kan, dan met een iets grotere deur. Nu moet ze er zijwaarts in en dan is het nog ingewikkeld om er in of uit te komen. Margaretha heeft geluk dat ze niet in de voertuigen van de moderne rijken hoeft te stappen: met al die rokken in een Porsche of Ferrari stappen is helemaal een ellende. De moderne drempels zijn daarentegen een fluitje van een cent vergeleken bij de slechte wegen waarover Margaretha moest in haar calèche.
ons berlijns kalesge hoewel ickt selfve maer Eens sint uhEd vertreck heb gebruijckt, gaet seer af en so dat ment selfve niet sonder vrees van op de wech te breecke kan gebruijcken, so uhEd weer so Een belieft te hebbe sou daer sijnde Een weer konne versorchgen in welcken geval ick wenste de portiere om wt en in te gaen Een weijnich wijder mochte sijn ick moet hier vanter sijden wt en in gaen en dan heb ickt noch quaet genoech om in of wt te koomen
De Weerdpoort van binnen, Cornelis Pronk, 1748. Collectie British Museum. De koets op de brug lijkt op een calèche.
Het is twee en een halve week geleden dat Margaretha aan Godard Adriaan schreef en ze realiseert zich dat in haar laatste brieven ‘swaericheijt’ de boventoon voerde. Maar ja, wat moet je als het water maar niet wil zakken met stagnerende bouwwerkzaamheden tot gevolg. En dan zullen we het maar niet over de geldzorgen hebben. Gelukkig kan Margaretha nu positiever nieuws brengen: het is de hele week al prachtig weer! Dat betekent dat het werk bij de steenoven, het metselwerk én het graafwerk flink gevorderd zijn.
rec.a 19e Maij Amerongen den 11/1 meij 1680
Mijn heer en lieste hartge
uhEd aengenaeme vande Eerste deeser heb ick ter rechter tijt ontfange, het is mij leet ick in mijne voorgaende ija tot mijne laeste in kluijs niet ande heb konne schrij als van swaericheijt en dat men hier met geen werck voort en kost, nu sal ick segge dat wij dees heelle weeck seer schoon weer hebbe gehadt inde welcke ons werck so wel op de steen oven alst metsel werck ende graefvers heel wel hebbe ge= vordert, [moogen wij sulcken weer wat houden]
Over bouwen in het algemeen. Uit: Georgica curiosa : das ist: Umständlicher Bericht … von dem adelichen Land- und Feldleben, Wolf Helmhard von Hohberg, 1682. Collectie Heinrich Heine Universität Düsseldorf
Het water zakt
Vanwege het mooie weer, is het water gelukkig ook aan het zakken. Zoveel zelfs dat ze de sluis vandaag open heeft laten zetten. Hierdoor zijn de binnen weiden al weer bijna droog. De uiterwaarden drogen ook op, maar daar heeft men nog niet zo veel aan. Het gras is zwart van het slib en stinkt zo erg dat mensen hun vee er niet op kunnen laten grazen. Dat brengt nieuwe zorgen met zich mee, want het droogvoer is op.
[kort maecke,] het water dat hier op al de wtter waerde heeft gestaen, is heel aent valle en so dat van daech de sluijse heb doen open sette waer door de binne weije die voort meerendeel vant wel waeter onder stonde, bij naest weer drooch sijn, de buijte waerde sijnt water wel quijt maert gras is so swart en vol slib en stinckt so seer datter geen mense haer beeste op derfve brenge, daerse seer over lamenteere want sijn wt gevoert en weete geen wech met de beeste,
Natuurlijk moeten Margaretha en Godard Adriaan het ook in deze brief even over geld hebben. Margaretha verwacht dat ontvanger De Leeuw uit Utrecht binnenkort 4000 gulden zal betalen. Als zij dat geld heeft ontvangen, kan ze weer een flinke som geld, nog eens 1000 gulden, betalen aan hun bankier, de heer Temminck in Amsterdam.
ick heb den ontfange, de leuw tot wttrecht adver= =tensie doen geefve vane ordinansi van 4000f die op sijn kantoor sal koome te betaelle, die penin =ge ontfange hebbende sal ick weer Een goede some gelt aende heer teminck tot Amsterdam sende die ons bij de duijsent gulde heeft ver schooten,en t ick sal maecke hij weer duijsent gul tot betaeline van uhEd te treckene wissels in hande hout, bedancke deselfve seer voorde goede sorchge die hij belieft te drage, [dat de twee]
Margaretha hopt van onderwerp naar onderwerp. Ze heeft een hoop te bespreken. Na het geld zijn uiteraard de stenen aan de beurt. Eerder schreef ze dat de twee bestelde beelden en een lading hardsteen onderweg zijn vanuit Amsterdam naar Amerongen. Nu heeft ze gehoord dat er ook een lading van 600 stenen voor de heer van Renswoude bij zit. Wat moet ze hier in vredesnaam mee? Ze zal zelf aan hem schrijven waar ze de 600 stenen naartoe moet sturen en hoe. Gelukkig voor haar blijkt dat niet nodig. Aan het eind van de brief vermeldt ze dat de vloerstenen naar Den Haag moeten.
[sorchge die hij belieft te drage,] dat de twee beelde en verdere hartsteen tot Amsterdam is aengekoome en voort op wech is om hier te brenge heb ick uhEd met de laeste post geschree ock 600 vroersteene die ick hoore voorde heer van rhijnswou1Johan van Reede van Renswoude te sijn, hoe ick die voort sal krijge of waerse moete sijn weete niet sal daer over aende heer van rhijnswoude schrijfve, [hoope ock dat]
De brief is natuurlijk niet compleet zonder een update over de soap met de kerkenraad. Margaretha besteedt er maar liefst anderhalve pagina aan. Zoon Godard is nu nog in Den Haag, maar had haar beloofd bij terugkomst naar de zaak te kijken. Ook zou hij er met een theoloog uit Leiden over praten. Maar er is sprake van een kink in de kabel. Zijne Hoogheid Willem III vertrekt komende week naar Soestdijk en de Veluwe. Daar moet Godard van Ginkel bij zijn. Daarnaast staat de kerkenraad op punt van veranderen en het geschil moet natuurlijk afgewikkeld worden met de huidige kerkenraad. Margaretha wil het geschil graag opgelost hebben, maar is nog steeds heel zeker van haar gelijk. Zoals ze afgelopen winter al een aantal keer tegen hun zoon heeft gezegd, is ze bereid de predikant vanuit de grond van haar hart te vergeven.
den heer van ginckel is noch inde haech, heeft mij belooft op sijnhEd weer komste al hier het werck van preedikant bij de en kerckenraet bij de hant te neeme en sien wat daer in te doen staet, ock dat hij met teoligante2Theologant: Godgeleerde, theoloog so tot leijden als Elders daer over sou spreecke om te sien hoe wa daer met de beste forme en manier af sulle koome, maer vermidts ick hoor sijn hoocheijt inde aenstaende weeck naer soesdijck en voort naerde veelu gaet en gelijck uhEd weet de heer van ginckel dan moet present sijn en op passe, [weet]
[sien hoement maeckt,] ondertusche bid ick en mij te geloofve en te vertrouwe dat so veel mij aengaet ick geensins soeck de kleijni =heijt vande preedickant of gedenck aent geen hij mij heeft gedaen dat sal ick seer gaerne aen Een sijde stelle en hem wt gront van mijn hart vergeefve, en niet liefver sien als dat al dit werck in minne mocht bij geleijt worde welcke aende heer van ginckel deese winter
verscheijde maelle heb geseijt, de advijse die ick vande advokaete en rechtgeleerde heb genoome is niet wt Een partiekuliere pasie die ick teegens den preedikant of kerckenraet heb maer op uhEd begeerte en ock het segge van deen en dande die meende sulcke prosiduere bij den heer niet hoorde geleede te worden
Gezicht op de Bovenpolder te Amerongen, uit het westen, met op de achtergrond de toren van de Andrieskerk en het Kasteel Amerongen. Fotograaf: onbekend. Collectie: Het Utrechts Archief.
Laatste mededelingen
Na de afsluiting van haar brief, volgen er toch nog een paar mededelingen die dicht op elkaar zijn neergepend. Eerst wat lieve berichten van de kleinkinderen. Godertje wil graag dat Margaretha zijn nederige dienst aan opa overbrengt en hij wil weten hoe het met Godard Adriaans gezondheid is. Ook Annetje en Reiniertje komen hun nederigheid tonen. Tot slot komt Margaretha terug op de 4000 gulden die ze eerder in de brief noemde. De Leeuw laat weten dat hij ze niet eerder kan betalen dan over een maand. Daar zijn ze mooi klaar mee.
de heer van rheijnsou daer so een brief van ontfange begeert sijn vloersteen inde haech salse sijnhEd daer sien te bestelle, en blijfve
Mijn heer en lieste hartge
godertge komt en begeert ick sijn oot moedige dienst sal preesenteere aen groote papa en vrage hoet met groote papa gesontheijt is, en versoecke dat den heer blansche en jeneken niemant toch goede sorchge voor groote papa sulle drage dat hij wel gedient mach worde Antge en reijniertge preesenteer van gelijcke haere oot moedigen dienst, den ontfange de leuw laet mij weete niet Eer de bekende 4000f te konne betaelle als inde tijt van Een maent
Het is meteen duidelijk wat Margaretha het meest bezig houdt: het stijgende water! Bovenaan haar brief, nog boven de aanhef, schrijft ze het laatste nieuws: het water is vandaag nog zes duimen (16 cm) gestegen. En dan voegt ze er ook maar de ‘oetmoedige dienst’ van Fritsje aan toe. Fritsje zal morgen naar Leiden vertrekken, weer naar Leiden, schrijft ze zelfs.
het water is deese dach noch 6 duijm gewasse fritsge die merge weer na leijde gaet preesenteer sijn oet moedige dienst
Ameronge den 14/24 April 1680 [reca. 5 mei]
Mijn heer en lieste hartge
De ‘anderendaegse’ koorts
Margaretha leeft mee met haar Godard Adriaan vanwege de ziekte van ‘Jan de kamerlin’, maar ze is zelf ook ziek geweest. Ze heeft de ‘anderendaegse’ koorts gehad met een zeer zware verkoudheid. In principe is ‘anderdaagse koorts’ een aanduiding voor malaria, maar Margaretha heeft het niet alleen over verkoudheid, ze klaagt ook over aanhoudende hoest. Misschien toch een flinke griep?
wt uhEd aengenaeme vande 17 deeser sien ick met leet weese dat ijan de kamerlin so sieck blijft legge sonde datter beeterschap voor hande is, twijfele niet of het moet uhEd seer inkomoodeere dat mij bekomert wenste deselfve daer Een bequaem man kost krijge op dat hij niet ongedient mocht weesen, ick heb den anderendaechse koorts met Een seer swaere verkoutheijt en hoest gehadt de koortse heeft mij al Eenige tijt verlaete en de hoest is het swaer =ste ock over daer de heere voor gedanckt moet sijn
Ziekbed, Abraham de Blois naar Jan Havicksz. Steen, 1679-1726. Collectie Rijksmuseum.
het kraeme vande vrou van ginckel is oorsaeck ick uhEd proovijsie1Provisie: voorraad niet Eer heb gesonde kreech den brief van Monseu blansche so ick stont om op de koets te gaen sitte nm naer Middachte te gaen, daer ick 10 dage geweest ben, en so haest ick weer hier quam heb ick al gesonde dat ontbo =de was het welcke int begin vande voorgaen weeck naer Amsterdam is gegaen en voorleeden sondach van daer met Een hamburchs vaerder is afgevaere so dat geloof het nu
het nu al tot hamburch moet sijn en uhEd haest sult ontfange, [het doet mij leet Mon]
Bijna schuldbewust schrijft Margaretha dat ze op Amerongen weer aan het metselen zijn, maar dat het allemaal niet zo snel en zo goed gaat. Godard Adriaan schreef dat het bij hem zulk mooi weer, nou, ze wilde wel dat het in Amerongen ook zo was. De laatste week hebben de metselaars maar anderhalve dag kunnen werken door de aanhoudende regen. De wegen zijn zo slecht dat er ook al geen stenen op de bouwplaats gebracht kunnen worden.
Niettemin, Margaretha geeft de moed niet op: morgen is het nieuwe maan, hopelijk wordt het weer dan beter.
[verwachte te weeten ] wij sijn hier aent metselen maer vorderen seer weijnich door dit quaet en onstuijmich weer dat deese ganse maent lang geduert heeft, kan mij niet ge- noech verwondere dat Uedele schrijft daer sulck schoonen weer gehadt te hebbe, ick wenste de selfve hier eens waert geweest soudt selfs sien de onmoogelijckheijt, deese week hebbe de metse- laers weer naulijcks anderhalfve dach konne wercke sijn telckens uut gereegenst
Er is weer een schip met hout aangekomen uit Amsterdam. Margaretha noemt onder andere kruisramen en delen voor het leidak. Het wordt op dit moment gelost en daar is haast mee, want het water op de rivier stijgt snel. De uiterwaarden staan al blank. In de afgelopen nacht is het water acht duim gestegen. Het water nadert de kade die het dorp Amerongen moet beschermen. Voor de dorpsbewoners is het heftig. Veel boeren hebben al vee in het land lopen en dat moeten ze nu weer binnen halen. Maar ze hebben geen voer meer voor hun dieren.
[of weet geen raet met den steenove,] wij hebe weer Een schip met hout so kruijs raemte als deelle tot het leij dack en ane hout ick van Amsterdam gekreechge daer men mee doende is te losse en men sich mee moet haeste want het water op de reevier wast so viement dat meest al de wtter waerde onder staen en is noch deese nacht over de acht duijm gewasse het loopt al naer de kaeij wat int dorp is datse noch hoopen te houden, de mense klage en kerme dat droefvich is te hoore hebbe geen voer meer voor haer beeste en moete diese inde weij hebbe gedaen weer op haelle, [krijn]
Grazende koeien in de uiterwaarden, Jan de Visscher naar Jan van Goyen, 1682-1709. Collectie Rijksmuseum.
Geldzorgen
Het eeuwige probleem van Margaretha: geld. Krijn van Kampen is op pad om turf te kopen om de steenoven te kunnen stoken. Maar als hij terugkomt, met turf, dan moet ze die turf betalen en als er weer voldoende stenen, ook de metselaars. Margaretha hoopt dat hij nog een maand weg blijft.
De Haagse kermis
Ursula Philippota is dan wel net uit de kraam, maar Van Ginkel en zij zijn van plan om aan het eind van deze week naar Den Haag te gaan. Het is de Haagse kermis! Ook Willem III was daar een groot liefhebber van. Behalve attracties waren er handelaren die echt van heinde en ver kwamen. Ze hebben gevraagd of Margaretha mee wilde gaan, maar ze vindt dat ze niet weg kan van Amerongen. Ze moet toch echt opletten wat de werklui hier uitspoken! En als het maar even kan van het weer, dan gaat ze toch minstens één maal per dag naar de steenoven. Maar ze begint de jaren inmiddels wel te voelen…
[valt,] de heer en vrou van ginckel maecke staet int lest vande toekoomende weeck naer den haech te gaen alwaert dan kermis sal sijn hadde gaerne dat ick mee ginck maer salt niet doen kan geen sins van hier uhEd sou niet geloofve als ick se niet geduerich op de hacke sit hoet ter toe gaet, tis mij seer gemacklijck dat ick nu so naer bijt werck ben, want beken dat ick so wel niet meer voort kan als voor dees, [Evewel alst]
Haagse Kermis met de prins en prinses van Oranje, Daniel Marot, 1686. Collectie Rijksmuseum.
Een nieuwe brouwer
Zoals gebruikelijk springt Margaretha in haar brieven van de hak op de tak. Ze heeft een nieuwe brouwer bier laten brouwen voor dagelijks gebruik en iedereen is heel tevreden. Het heeft haar 38 gulden gekost en kennelijk vindt ze dat een koopje. Ze zal hem nu ook vragen om bruin bier te brouwen.
[twee mael daechs naer de steen oven,] ick heb ock voor ons vande nieuwe loenense brouwer wit bier voor onse tafel laete brouwe dat so Elck seijt heel wel gevalle is, het heelle gebrout kost mijn 38f daer voor heb ick twee tonn schoon 8f en 12 tonne 4f bier so dat mij het 4f bier naulijcks 2f de ton kost, nu sal ick noch Eens bruijn bier voort volck van ijanpeeterse die hier int dorp woont laete brouwe [om die swaere reeckenine vande]
In de laatste regels van haar brief schrijft Margaretha dat ze de mest uit het schaapskot uit heeft laten rijden in de boomgaard. En daar moet ‘mijn heer en lieste hartje’ het dan maar mee doen!
dat werck sulle koen, ick heb ock de messe wt het schaeps schot om de boome inde groote en hoochlange boogaert laete rijden blijf Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijf M Turnor
Godard Adriaans brief van de tiende april is keurig bezorgd. De brieven die wij hebben van haar aan Godard Adriaan komen nog maar net wekelijks binnen. Wat er aan de hand is weten we niet, Margaretha schrijft ook nauwelijks over brieven die niet aankomen.
Gedoe met de bouwheer
Kennelijk heeft Godard Adriaan in een brief aan de secretaris nog een wijziging voorgesteld. Margaretha geeft aan dat het nu nog kan, maar de metselaars moeten al aanpassingen doen. Ze hoopt wel dat dit de laatste beslissing zal zijn, want vanaf nu moeten ze bij veranderingen “schade maken”. En dat is wat Margaretha niet wil. Om haar man gerust te stellen helpt ze hem even herinneren dat de stal zo lang is dat er 24 à 25 paarden in passen.
[reca. 28e. April]
Ameronge den 20/10 April 1680
Mijn heer en lieste hartge beijde uhEd meesiefve1Missive: brief vande en 10 deeser sijn mij ter rechter tijt behandicht, het werck wort volgens uhEd schrijfvens aende seeckreetaris gemaeckt waerom de metselaers Een stuck van Een middel muer hebbe moeten opneeme hoop het nu bij die laeste reesolusie2Resolutie: beslissing, besluit sal blijf =ven, ock soudense sonde merckelijcke schade geen veranderin konne maecken, de stal sal voor 24 a 25 paerde lanck sijn en tot aent koets huijs door schieten, [wij hebbe hier]
Het weer is slecht, dus kunnen ze bij de steenoven maar niet beginnen met het vormen van de stenen. Krijn van Kampen is op weg naar Zwartsluis om turf te halen. Alleen zit Margaretha zo omhoog qua stenen, dat ze zodra er turf is, moet gaan bakken, ook al hebben ze nog maar drie of vier monden steen. Bovendien moeten ze snel zijn, want als het water op de rivier stopt met wassen en weer zakt, dan gaat de vaart (Vaartsche Rijn) bij Utrecht dicht om de sluis te repareren. Dan kunnen er dus geen schepen door. Dus ze heeft meer schippers om turf op pad gestuurd en die verwachten in drie weken weer terug te zijn. Maar ja, maar ja. Het ene gedoe leidt tot het volgende gedoe, want vier schepen turf kost veel geld.
[is dat wij beeter weer sulle krijge,] krijn van kampe is met t samooreuse3Samoreus: Type lang vrachtschip wt naer swarte
sluijs om turf te koopen tot de steen oven die wij door gebreck van steen genootsaeckt sulle sijn so haest wij drij a vier monde vol steen sulle hebbe af te stoocken, ock sullense so haest het waeter dat op de reevier weer aent wasse is, laech wort aende vaert bij wttrech de sluijs vermaecke en so lang dat duert sullender geen scheepe door konne vaeren daer om ick ock noch te Eer om den turf heb moeten sende die staet maecke binne den tijt van 3weecken met den turf hier te sulle sijn, die 4 samoreuse sulle al bij de 1300f aen gelt bedraechge, [oft gebeurde]
Margaretha’s grootste zorg is dat als die schepen komen, ze al dat geld niet heeft en ook niet weet waar het geld vandaan zou kunnen komen. Gelukkig heeft ze een plan B en ze hoopt dat Godard Adriaan het ermee eens is.
Binnen de provincie heeft de familie een aantal functies waar ze geld voor krijgen en dat is onder andere geld vanuit de Ridderschap en ook voor het kamelaarschap (functie waarin de geldzaken geregeld worden) voor de Lekdijk. Dit geld gaat kennelijk rechtstreeks naar Van Beusinchem, maar Margaretha weet dat het er is. Haar belangrijkste zorg nu is dat de steenvormers doorwerken, die krijgen elke veertien dagen 200 tot 250 gulden. De smeden willen ook geld, maar die moeten maar even wachten.
[1300f aen gelt bedraechge,] oft gebeurde dat ick opt aenkoome van selfve so veel gelt niet in kreech gelijck ock voor de hant niet sien waert van daen sou koome hoop uhEd niet qualijck sal neemen ick het gelt dat onder beusekom leijt en hij onsen weege vande ridderschap en de kamelaer vande leckendijck heeft ontfange, licht, so het volck aent vorme vande steenblijft moeter alle 14 dage ontrent de 200f en 250f tot de steen ove weese behalfve het ande volck, de smits
loopen ock ock om gelt dan die moeten noch wat wachten
Kussen met het wapen van het waterschap Lekdijk Bovendams, anoniem, 1706. Collectie Rijksmuseum.
Gedoe met de kerkenraad
De fittie met de kerkenraad begint behoorlijk uit de hand te lopen. Zowel Margaretha als de kerkenraad winnen juridisch advies in. Margaretha’s adviseurs, je verwacht het niet, zijn het natuurlijk helemaal met haar eens: de kerkenraad had absoluut het recht niet om die arme Evert de Wael aan te klagen. Alleen lijkt Evert de Wael helemaal verdwenen te zijn uit het verhaal. Juridisch adviseurs zijn er daarentegen des te meer: burgemeester Jacob van der Dussen van Utrecht en de kersverse procureur-generaal van het Utrechtse hof: Everard Becker. Ook syndicus (juridisch ambtenaar) Gerbrand Schagen uit Wijk bij Duurstede bemoeit zich ermee.
Margaretha vindt het in ieder geval allemaal maar lastig. Zonder Godard Adriaans toestemming doen ze niets, dus hij krijgt alle gegevens toegestuurd.
[is dit int werck stelle,] versoecke niet
qualijck te neemen ick uhEd hiermeede weer moeijlijck valle dewijlle het Een werck is dat ick over mij niet derfve neeme te meer om dat de heer van ginckel hier wat swaerhoofdi in is meent het wat luijt roepe sal, de Advokaten segge alle drij dat het vrij te ver vande kerckenraet gegaen is en geensins hoort geleeden te werde, ick heb met de laeste post uhEd kopije wt den brief van becker ge sonde waer wt deselfve kan sien op wat manier mer hij en vande dusse meent men behoorde te proosedeere,van die opijnie is ock schage , wij sulle sonde hier iets verder in te doen uhEd beliefve verwachte, [ons fritsge is met]
Gezicht op het Provinciaal Gerechtshof in de hoofdgebouwen van de voormalige St.-Paulusabdij te Utrecht, vanaf het voorplein uit het zuiden, C.C.A. Last, ca. 1550-1650. Collectie Het Utrechts Archief.
Gedoetjes
Margaretha eindigt haar brief met een paar ongerelateerde “gedoetjes”. Het eerste is eigenlijk helemaal geen gedoe: maar Frits heeft paasvakantie! Hij is met de praeceptor naar Middachten. Hij schijnt redelijk te wennen aan Leiden en ook de relatie met professor Spanheim lijkt goed. Die schrijft wel dat Frits nog maar aan het begin van zijn leerloopbaan staat.
Als het geen hoog water meer wordt, dan kan het zijn dat het goed komt met het koren in het Spijk. De provisie die Godard Adriaans trouwe metgezel Isaäc de Blanche heeft besteld, is scheep (aan boord) en vertrekt morgen van Amsterdam naar Hamburg.
[in te doen uhEd beliefve verwachte,] ons fritsge is met de vakansi van paesche met sijn presepter nae Mid= dachte, seijt tot leijden al te wennen en tot den heer spanheijm weel te mooge weese, maer tis noch vroech hij sal noch Eerst beginne sijn ordere vande leer =re volgens t schrijfve vande heer spanheijm, het koorn inde spijck hoopt me dat noch voort meerendeel behoude sal sijn, so der maer geen waeter meer komt, daer men weer voor vreest, de proovijsie die Monsu blansche heeft ontboode is scheep en sal merge van Amsterdam op hambur afvaere hoop het wel sal overkoome, blijfve Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
Gezicht op de twee haven- of scheepskranen in het IJ te Amsterdam, Anoniem, 1693-1694. Collectie Rijksmuseum.
Margaretha heeft de brief van 6 maart ontvangen en ze is helemaal blij. Godard Adriaan is weer beter! En de keurvorst ook. Dat de gezondheid maar lang mag duren.
[reca. 24. Martij] Ameronge den 16/6 maart 1680
Mijn heer en lieste hartge
wt uhEd aengenaeme vande 6 deeser sien ick dat deselfve weer wel is daer van harte om verblijf ben alsmeede dat den heere keurvorst beeter was het Een Ent ander hoope godt lange sal laete kontiniweere, [het grauwe koetspaert]
Probleempaarden
Maar die paarden! Het is en het blijft een ellende. Het grauwe koetspaard is niet sterk genoeg om de kar met stenen te trekken. De twee paarden die Godard Adriaan als koetspaarden had gedacht, die waren kreupel. Margaretha doet niet aan rusthuizen voor oude paarden dus ze zijn verkocht. Er zijn nu nog drie paarden over plus de oude witte ruin die de kar met stenen moet trekken. Margaretha hoopt dat die het deze zomer nog uithoudt!
[den jongen ruijn dande het blesge] nu sijnder noch de drie die inde karre gebruij worde en den oude witte ruijn die weer inde steen kar sal gaen hoope hij dat deese soomer noch sal wt houde so dat wij
dit ijaer geen kar paerde hoope vandoen te hebbe ten waere ons Een mocht koome te ontvalle, [maer ben beesich met twee koets]
Interieur van een stal met paarden en figuren, Wouter Verschuur, 1850-1875. Collectie Rijksmuseum.
Nieuwe koetspaarden
Ondertussen kijkt Margaretha toch wel vast rond naar nieuwe koetspaarden. Ze heeft er al eentje gekocht en ze is op zoek naar een tweede. Niet te jong graag, met zes of zeven jaar zijn die paarden rustig genoeg om voor een koets te draven. Nou ja, ze wil ze ook graag gebruiken om de ploeg te trekken, je rijdt tenslotte niet iedere dag in je koets. Ondertussen moet ze ook op zoek naar een andere koetsier want de huidige koetsier heeft koorts.
[ontvalle,] maar ben beesich met twee koets paerde voor mij te koope saer Een toe gekocht heb en hoope hier noch Een toe te sulle vinde wilse niet jonger als 6 a 7 ijaer out hebbe om dat van meeninge ben die mee inde ploech te gebruijcken, den jongen korneelis heeft noch al de koorts daerom ick naer Een koetsier sal moeten om hoore
De landbouw in Holland, Claes Jansz. Visscher (II), 1608-1610. Collectie Rijksmuseum.
Een tegenvaller
Margaretha slaagt er niet in om land te verpachten. Wat is nu weer het probleem? Veel boeren stoppen met hun bedrijf. Ze noemt er een paar die alles hebben verkocht, van de ploeg en de paarden tot de wagen. Het gaat niet alleen om boeren maar ook om functionarissen als ‘syndicus’ Gerhard Schagen uit Wijk bij Duurstede. Hoe moet dat nu? Als het land braak blijft liggen, brengt het niets op maar er moet wel belasting op worden betaald en die wordt echt niet minder.
, ick kan noch geen lant meer verhueren de liede hier schaffe veel haer bouwerij af korneelis verweij de majoor ijan quint hebbe ploech wage en paerde en alles ver kocht sijnt bouwe moe so heeft ock de sin dekus1Syndicus: een syndicus ondersteunt het hof, vertegenwoordiger van een collectief, kan ook een functie zijn schage te wijck gedaen, alst so voort gaet vrees ick dat hier veel lant woest sal blijfve legge, en de schattine Even hooch waer salt van betaelt worde,
Boerderijen tussen boven, Gillis van Scheyndel (I), 1605-1653. Collectie Rijksmuseum.
Vorderingen van de bouw
Temminck heeft twee schuiten kalk gekocht voor 68 stuivers de hoed. Het was wel een beetje duur, schrijft Margaretha, maar voor minder was het niet te krijgen. Nu is een hoed ongeveer 12 hectoliter en 68 stuivers is drie gulden en veertig cent, voor ons klinkt het als een koopje, maar Margaretha leefde in andere tijden. In totaal gaat het om 700 gulden, in 1680 een hoop geld. Een beetje positief nieuws, het houtwerk voor in de stal en in de paviljoens is al gemaakt, van vurenhout. Voor de buitenramen zal eikenhout gebruikt worden. En Schut is bezig met de koop van hout voor onder het leidak en het pannendak. Dat gaat bij elkaar zo’n 800 gulden kosten. Temminck heeft de zaagmolenaar betaald, dat gaat om ongeveer 290 gulden. Margaretha heeft net 4000 gulden ontvangen, maar dat verdwijnt snel op deze manier. Het hout dat in Amsterdam ligt, dat Margaretha nog wilde gebruiken is ook volgens de secretaris te slecht om te gebruiken.Het zit vol kwasten en het is krom. Dat kan dus beter maar verkocht worden. Elke cent is welkom.
[het gekochte hout, de saech blocke die van ons noch tot Amsterdam legge seijt schut en ook de seeckreetaris dat ons nergens toe konne die =net ijae selfs niet om latten af te saechge om ondert panne dack te legge om datse te vol quaste en te krom sijn so datse toe boere huijse selfs onbequaam zijn en ons best is die te verhandelen
Gezicht op een zaagmolen buiten de Utrechtsepoort, Cornelis Buys, 1756-1826. Collectie Rijksmuseum.
Het weer zit wel erg tegen
Margaretha klaagt steen en been over het weer. Het waait, het sneeuwt, het hagelt, het regent, het onweert. De wegen zijn modderpoelen, er kan geen aarde weggereden worden, er kan geen steen aangevoerd worden voor de metselaars. Kortom, de werklui krijgen zo niets voor elkaar. Margaretha voelt zich duidelijk schuldig want dit kost allemaal geld. Als het even kan, belooft ze, dan zorgt ze dat het werk doorgaat. Daar moet Godard Adriaan het dan maar even mee doen.
wij hebbe hier alle daech sulcke onstuijmige weer van wint hagel sneuwe en reegen ijae ock donder en blixsem, dat geen weegen op droochgen en wij aen geen werck konne koomen, [de]
Geen tijd voor beleefdheden vandaag. Margaretha valt gelijk met de deur in huis. In Utrecht was Carel Valckenaar nog bij haar geweest, vanwege het rekenmeestersambt. Hij wil graag dokter Van Straaten voorstellen, maar hij zou het fijn vinden als Godard Adriaan hem zou laten weten wat hij voorstelt.
[rec. 10e. Martij] Ameronge den 2 maert 1680
Mijn heer en lieste hartge naert afgaen van mijne laeste, tot wttrecht noch sijn is den heer van duijckenburch1Carel Valckenaar bij mij geweest die ick uhEd schrijfvens weegens het reeckenmeester amt heb gekomuniseert, dewelcke noch bij sijn hEd voorgaende segge perseesteerde, dat is dat hij seijt te vreede te sijn int geen uhEd hier in belieft te doen
Schotel met een perzikboom met bloesem en vruchten en vijf vleermuizen, Chinees, eind 19de eeuw. Collectie Rijksmuseum.
Familie en geld: Alexander van Berck
Er is financiële hommeles binnen de familie. Er lopen twee zaken en die lopen allebei hoog op. Om te beginnen is er het geval Carel Alexander van Berck. Hij is de tweede man van Godard Adriaans zus Catharina. Wat er precies met hem speelt wordt niet helemaal duidelijk. Catharina is al in 1651 overleden in het kraambed van hun eerste kind. Uit een eerder huwelijk had Catherina een dochter, Anna Margaretha, en in het archief zijn ook afrekeningen te vinden tussen Anna Margaretha en haar tante (onze Margaretha). Hierin bemiddelde Alexander van Berck, dus vermoedelijk heeft het iets met deze afrekeningen te maken.
Pop, voorstellende de kraamvrouw. Poppenhuis van Petronella Dunois, ca. 1676. Collectie Rijksmuseum.
Familie en geld: Welland
Welland2Goderd Willem van Tuyll van Serooskerken is de zoon van wijlen Godard Adriaans zus Anna Walburg. Toen hij wees werd hebben Godard Adriaan en Margaretha hem opgenomen en werd Godard Adriaan zijn voogd. Een belangrijke taak van de voogd was om de financiën voor het kind te regelen. Dat betekende ook dat er een afrekening gemaakt werd voor de kosten die voor de opvoeding gemaakt zijn. Welland is Godard Adriaan en Margaretha nog geld schuldig en hij maakt niet heel veel aanstalten om iets te gaan betalen. Hij heeft nog acht maanden, maar hij betaalt zelfs de rente niet. Ook andere schuldeisers hebben het nakijken.
Beide zaken komen veel terug in de brieven maar vergen dieper onderzoek in de financiële afrekeningen om precies te begrijpen waar het om gaat.
[wille doen,] wat belanckt het werck van berck3Carel Alexander van Berck en wellant4Goderd Willem van Tuyll van Serooskerken het Eerste meent becker dat haest sal konne afgedaen sijn waer toe hij belooft den prockereur aente sulle maenen, tot het ander heeft wellant noch acht maende tijt, Eer hij de kapitaelle hoeft op te brenge, hoe wel hij belooft heeft van tijt tot tijt die te sulle aflegge geschiet daer niet van, ijae selfs voldoet hij de rente niet
Strijd tussen de geldzakken en geldkisten (titel op prent: Ryckdom maeckt dieven), Pieter van der Heyden naar Pieter Brueghel (I). Collectie Rijksmuseum.
Geld voor land: Moersbergen
Margaretha wil ook weer land kopen. Ze heeft wat moeite met de potentiële verkoper, de heer Van Moersbergen. Hij bedenkt allemaal uitvluchten om zijn land niet te verkopen, terwijl hij het wel ter veiling aangeboden heeft, maar niemand heeft geboden. Het schijnt dat zijn land bezwaard is met een fideï-commis. In dit geval betekent dit dat het onvervreemdbaar land is van de familie. Het is een constructie waarbij zijn vader of al een eerdere generatie heeft vastgelegd dat de erfgenaam beschikking krijg over het land, tot het kan overgaan op de generatie. Dat betekent concreet dat hij het land waarschijnlijk niet mag verkopen, misschien zelfs niet mag verpanden.
met de heer van moersberge5Johan Gerard van Oostrum kan ick ock niet te recht koomen die maeckt almeede wtvluchte opt verkoope van sijn lant daer weijnich apreehensi toe is, want hij heeft verscheijde partije lant laete veijlle daer niet voor geboode wort ock wort geseijt dat hij niet veel verkoope kan vermidts sijn goet viedekomis is, wat hier van waer is weet ick niet
De erfpacht rondom de Heimenberg in Rhenen blijft ook onduidelijk. Is dat nou 80 gulden en daar bovenop nog eens 50 gulden? Dat zou jaarlijxs (ik houd van de x die Margaretha hier gebruikt) 130 gulden zijn, dat lijkt Margaretha toch wel te veel. Het vervelende is dat ze ook het ‘huurceel’, het huurcontract, dat Godard Adriaan met Van der Dussen gesloten heeft niet kan vinden. Het wordt niet helemaal duidelijk wat ze hierin van Godard Adriaan verwacht. Wil ze zijn mening, wil ze weten waar hij dat huurcontract gelaten heeft of vraagt ze voor de veiligheid maar niets zodat ze de vrije hand heeft? Ze gaat in ieder geval gelijk door met het geld dat haar man tot zijn beschikking heeft. Dat is natuurlijk allemaal geregeld.
weegens het ackoort dat uhEd met vande dusse weege den heijmen berch heeft aengegaen, heb ick met de rent =meester vande domeijne gesproocke, die nu ock meent abuijs int op stelle van sijn reecknin gehadt te hebbe, hij reeckende 80f ijaerlijxs bovende Erfpacht van 50f sijaers, so dat volgens sijn reecknin wij hem 80f voorde heijmenberch en 50f aende Erfpacht dat waer saem 130f ijaerlijxs, het welcke mijns oordeels te veel soude sijn, ick kan geen heur seel weegens den heijmenberch vinde ock het ackoort niet dat uhEd met vande dusse heeft aengegaen, weegens de Erfpacht b
Normaal gesproken is het werk aan het huis en de tuin de bodemloze put, maar in deze brief geen woord over de kosten. Het volk is wel hard aan het graven aan de wal tussen de vijver en het kleine boomgaardje aan de steeg of bij de hamei, de poort.
Dukenburg heeft zes perzikboompjes kado gedaan (zou dit iets te maken hebben met het gedoe rondom het rekenmeestersambt?) en die staan nu tegen de muur van de middelste tuin. De hovenier is bovendien bezig om de grond te prepareren voor een wijngaard. Die moet komen achter de muur bij de loodsen van de brouwerij en het washuis. Ze is nog op zoek naar wat goede wijnstokken.
Stel je hier niet een wijngaard voor om echt wijn te gaan maken. Het gaat waarschijnlijk om een een aantal stokken voor de druiven en mogelijk ook voor de schaduw!
[post deselfve van alles bericht te sulle doen,] van daech heeft het volck begonne aent karre ent wt graefve vaonde wal die tuschen de vijfver ent kleijne boogaertge aende steech of homeij leijt, inde voor winter heeft de heer van duijckenburch ons ses perscke boom =tges gesonde die aen muer vande middelste hoff ge= set sijn, den hoofvenier is ock beesich om de Aerde te preepereere tot het sette van wijngaerde, achter de muer teegens de lootse vand stallinge brouhuijs en washuijs, ben beesich om goijen aert van druijfve te krijgen
Fritsje zal dit jaar twaalf worden, dus heeft Van Ginkel een beslissing genomen over het onderwijs van Margaretha’s lievelingskleinkind. Hij zal onderwijs krijgen in Leiden bij de theoloog professor Spanheim. Waarschijnlijk komt hij daar in huis en hij krijgt teven een huisonderwijzer, een praeceptor. Dit gaat alles bij elkaar 1200 gulden per jaar kosten! Kennelijk vond Godard Adriaan dat ook veel, want Margaretha geeft hem daar gelijk in. Maar ja, ze willen het kind niet overal hebben, dus wat doe je eraan?
de heer van ginckel heeft sijn soon fritsge te leijde bij de proo fesser spanheijm6Friedrich Spanheim met Een presepter besteet, die niet min als 1200f sijaers voor haer beijde wil hebbe, uhEd heeft gelijck tis te veel voor Een kint, maer sij willen hem niet overal hebbe wat salme dan doen, de preesepter is hier al bij hem is van leijde van geboorte doch sijn ouders woone tot delft handelen in laeckenen, het schijnt Een goet Eerlijck man te sijn die mee gaende is sij soude binne 14 dage of wtterlijck 3 weecke naer leijde gaen, [onse neef lant is met de kompangi]
De praeceptor
Die praeceptor is al in Amerongen en hij lijkt een goed en eerlijk mens te zijn. Hij komt uit Delft en zijn ouders zijn daar lakenhandelaar. Over twee à drie weken zullen ze dan echt naar Leiden vertrekken. Daar houdt Margaretha het bij. Ze schrijft nog kort iets over de carrière van Neef Lant die maar niet wil vlotten. Hij is nu met het regiment van hun zoon (en Van Ginkel zelf) naar Breda. Dan in de PS komt nog wat extra informatie: de praeceptor heet Harinkhuizen en hij heeft verstand van en kennis in de “poolesije” en theologie. En als iemand weet wat Margaretha bedoelt met poolesije… Het zou kunnen komen van “policeren” (besturen, ordenen) of van “polijt” (netjes, keurig). Het zijn beide vaardigheden waar een jonge man wat aan zou kunnen hebben.
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
ps de preesepter van fritsge is genaemt haerinckhuijse schijnt verstant te hebbe en kenisse inde poolesije als inde teeoligie, wenste uhEd hem hadt gesien
Leerling en leraar in een studeervertrek, Daniel Berger (naar Daniel Nikolaus Chodowiecki), in of na 1773. Collectie Rijksmuseum.