Op 5 juli 1672, de dag nadat de Staten van Holland besloten hadden prins Willem III tot stadhouder van Holland te benoemen, kreeg Willem hoog bezoek uit Engeland. Koning Charles II (Karel II) had twee van zijn belangrijkste ministers, de graaf van Arlington en de hertog van Buckingham, als afgezanten gestuurd. Ze werden door de bevolking hartstochtelijk toegejuicht.

Enthousiaste ontvangst
Waarschijnlijk hadden ze de hoop dat, nu de staatsgezinden niet meer aan de macht waren, de familiale band tussen Charles II en Willem III wel voor vrede zou zorgen. Ze scandeerden de leus ‘God zegene de koning van Engeland en de prins van Oranje en de duivel hale de Staten’. Echter de bedoelingen van Charles II waren minder mooi. Hij wilde juist een wig drijven tussen de Staten en de stadhouder.

Capitulatievoorstel
Willem III werd bijgestaan door twee ervaren adviseurs, Coenraad van Beuningen en Hiëronymus van Beverningk. Maar eerst had de prins alleen een gesprek met de Engelsen. Zij probeerden hem over te halen om te capituleren. In ruil voor vrede en en een aantal belangrijke havensteden als Sluis, Vlissingen en Den Briel, mocht hij dan soeverein vorst worden van het restant van wat er van de Republiek over zou blijven. Hij zou dan onder bescherming van Lodewijk XIV en Charles II regeren. De Republiek zou worden opgeheven, maar het Huis van Oranje zou aan de macht blijven met Willem III als prins.

Vredesvoorwaarden
Het aanbod werd door Willem verontwaardigd van de hand gewezen. Hij bleef liever stadhouder en gaf aan zijn plicht belangrijker te vinden dan zijn persoonlijke belangen. In het daaropvolgende gesprek met Van Beuningen en Van Beverningh werd afgesproken dat de Engelse heren zouden doorreizen naar het kamp van Lodewijk XIV om te proberen betere vredesvoorwaarden te krijgen. Men hoopte nog steeds dat Charles II op de hand van de Republiek was.










