In de Lodewijkskamer hangt het portret van een vriendelijk kijkende heer in een indrukwekkend uniform. Het is Willem Frederik van Reede. Niet een van Reede die direct is opgegroeid in Amerongen, zijn vader Arend Willem was de jongere broer van onze vijfde graaf. Willem Frederik staat dus niet centraal in de verhalen die we op Amerongen vertellen. Toch is het zeer interessante heer.

In dienst van de koning
Na een militaire carrière treedt Willem Frederik van Reede in 1814 in dienst van koning Willem I. Hij wordt benoemd tot hoofd van de hofhouding van prins Frederik, de jongste zoon van de koning. In datzelfde jaar verkrijgt hij het adellijk predicaat ‘jonkheer’. Als gezant van de koning verblijft hij in die tijd enkele maanden aan het hof van koning Lodewijk XVIII. In 1815 wordt hij opgeroepen te dienen in het leger van Wellington. In die hoedanigheid is hij betrokken bij de Slag bij Waterloo. Het levert hem de Militaire Willemsorde op.

Hofmaarschalk
In 1815 krijgt hij tevens een nieuwe functie. De koning stelt hem aan als hofmaarschalk. Het is zijn taak om de koninklijke huishouding en de ceremoniële evenementen aan te sturen. Het is de tijd dat België deel uit maakt van het koninkrijk en de koning afwisselend verkeert in Den Haag en Brussel. Willem Frederiks taak beperkt zich echter tot de Haagse hofhouding. In 1822 verleent de koning hem de titel ‘graaf’.
Minister van Buitenlandse Zaken
De loopbaan aan het koninklijke hof wordt in mei 1824 onderbroken door de benoeming tot minister van Buitenlandse Zaken. Desondanks bepaalt de koning dat Willem Fredrik deel blijft uitmaken van zijn hofhouding. Deze combinatie van minister en hofhouding is zeer tegen de zin van Willem Frederik, zo weten we uit een brief. Volgens de Russische gezant in De Haag blijkt hij een capabel minister, die een goed gevoel voor omgangsvormen en etiquette heeft. Hij steekt gunstig af tegen de ietwat lompe en stuurse koning, zo vindt de gezant. Op eigen verzoek wordt hij als minister al een jaar later eervol ontslagen.

Eerste Kamerlid
De koning benoemt hem dan als Minister van Staat. Als zodanig woont hij het huwelijk bij van zijn vroegere pupil prins Frederik. Inmiddels is hij opperkamerheer van de koning geworden en lid van de Eerste Kamer. In 1835 wordt hij voorzitter van de senaat en dat ambt zal hij tot zijn overlijden in 1838 bekleden.




