Een beetje adellijke familie had natuurlijk paarden en koetsen. Zo ook graaf Van Aldenburg Bentinck. Aan het hoofd van het stalbedrijf stond de eerste koetsier Carl Bock (What’s in a name!). Bock (1854-1937) huisde met zijn gezin bij de toegangspoort. Hij had een oudere broer, Friedrich, die in dienst was van de Aldenburg Bentinck’s op kasteel Middachten. Zij waren samen uit het Oost-Pruisische Pilwe naar Nederland gekomen.

Kasboekjes
Meneer Bock hield de staluitgaven nauwkeurig bij. Zo is te lezen dat in 1891 de ‘victoria‘ voor ruim 200 gulden is opgeknapt. Negen jaar later moest de wagenmaker weer langskomen: de victoria was aan het roesten. Het arbeidsloon van de wagenmaker was relatief hoog, namelijk 1,55 gulden per uur. Ter vergelijking: een knecht verdiende negen gulden per week.
Rijles en longeren
Carl Bock had ook de taak de kinderen Von Ilsemann les te geven. Dat gebeurde in de ‘manege’ achter de tennisbaan. Manege is misschien een beetje een groot woord voor een cirkel bestrooid met turfmolm!
Als de familie geen tijd of zin had om te rijden, longeerde koetsier Bock de paarden in de manege. Of de paarden ook weidegang (tijd in de wei) kregen is niet bekend. Tegenwoordig weten we dat dat eigenlijk onontbeerlijk is. Een paard 23 uur per dag op stal laten staan en een uurtje per dag bewegen is niet erg diervriendelijk. Gelukkig mocht Uranus, het paard van Elisabeth, wel vaak los door de kasteeltuin banjeren!

De nieuwe tijd
Van de opvolger van paard en wagen, de auto, moest Carl Bock niets weten. Toen in 1907 de eerste auto zijn intrede deed op Kasteel Amerongen, gaf Bock het op, na een keer een foutje gemaakt te hebben. Hij liet de eer aan zijn ondergeschikte, Gerrit Esveld, de laatste palfrenier (helper van de koetsier).




