Of heer Bommel een riddermatige levensstijl heeft en op een ridderhofstad woont, is niet te zeggen. Dat is, in de ogen van markies de Canteclaer van Barneveldt de Basse-Cour, overigens niet het geval. Deze heer is wel eens de volgende uitspraak ontschoten: “Parbleu! Men kan tegenwoordig de ogen niet neerslaan of de blik valt op een platte figuur!”
En inderdaad, heer Bommel waarvan alleen bekend is dat hij op een kasteel woont en veel geld heeft, want dat speelt immers nooit een rol, ziet toch wel een beetje op tegen deze zeer adellijk gedrag vertonende creatuur.
Maar wanneer ben je dan wel een zogenaamde riddermatige die een echt kasteel, een ridderhofstad mag bewonen? En wat is dan een ridderhofstad?
Hieronder een poging tot uitleg.

De Ridderhofstad in de middeleeuwen
De regels rondom Ridderhofsteden werden per provincie vastgesteld. Een Ridderhofstad, was in de middeleeuwen een versterkt huis of boerenhofstede, bewoond door een door de landsheer of bisschop erkende riddermatige. Bezitters van een ridderhofstad genoten bepaalde vrijheid van belasting. Er moest daarom een omschrijving van een “ridderhofstad” worden gegeven: het geheel moest verdedigbaar zijn met een slotgracht en een ophaalbrug. Ook een toren was gewenst. Maar ook tot de ridderhofstad behoorden de boerderijen die geld opbrachten door de pachters.
De lijst van Utrechtse ridderhofsteden
Dit leidde er in Utrecht toe dat zoveel mensen belastingvrijstelling eisten, dat er in 1536 een nieuwe definitie moest komen. Op basis daarvan werd een nieuwe lijst van ridderhofsteden opgemaakt. In eerste instantie kwam men op een totaal van 38 ridderhofsteden. In de loop van de jaren werd dit overigens weer uitgebreid werd tot 63. Naast belangrijk belasting voordeel, was er een andere reden waarom het belangrijk was om een ridderhofstad te hebben. In 1587 werd uitdrukkelijk de voorwaarde gesteld dat men in het bezit diende te zijn van een ridderhofstad om toegelaten te kunnen worden tot de ridderschap.

De ridderschap
In de ridderschap werden diverse (politieke) functies in de provincie verdeeld. Het was niet automatisch zo dat je als je een ridderhofstad had, je kon toetreden tot de ridderschap. Er werden ook andere eisen gesteld, zoals de riddermatige afkomst en de beschikking over een bepaalde hoeveelheid geld. Bij de wederopbouw na 1673 zijn de uiterlijke kenmerken van (de oude) ridderhofstad Amerongen herkenbaar geïntegreerd in de nieuwbouw. Dit zijn bijvoorbeeld de gracht met brug en de gestileerde toren in het symmetrische midden van het gebouw.
Het was in die tijd allemaal zo belangrijk dat de overzichtslijst van de leden van de ridderschap uit dubbele wapens bestaat: het wapen van de familie én van de ridderhofstad.

Nogmaals Bommel
Ik ga ervan uit dat, hoewel hij een schilderachtig oorspronkelijk kasteel bewoont, heer Bommel niet tot de ridderstand behoort. Waarschijnlijk zou hij dat wel willen, hoewel, hij doet het liefst in stilte goed. Het benodigde geld heeft hij in elk geval wel, want onze ambtenaar eerste klas, de heer Dorknoper heeft eens opgemerkt: “Geld speelt voor hem geen rol, en dat ondanks alle heffingen ineens, die ik heb toegepast! Tja, het valt niet mee om sommige vermogens tot een rechtvaardig gemiddelde terug te brengen. Men onderschat zo licht het werk van ons, ambtenaren eerste klasse”.
Dat ruim in het geld zitten is iets wat de familie van Reede en later ook onze graaf Bentinck graag wat meer hadden gedaan. Maar adel verplicht en dat kost nu eenmaal geld!










