Margaretha is nog bij haar zoon en schoondochter op Middachten. En hoewel ze in Gelderland zit, houdt de Utrechtse politiek haar bezig. Gelukkig wordt die ten dele in Nijmegen uitgevochten, misschien dat ze er daarom van hoort.
naert schrijfve van mijne laeste het welcke den 15 deeser is geweest, worde ick seeckerlijck bericht hoe dat men heer schadee1Jasper Schade van Westrum, aen sijn swager den heere luchtere2Hendrick van Lochteren die te nimweege geweest heeft geschreefve, dat hij bij den heere vande boethof3Frederik van der Capellen, heer van de Boedelhof die broeder vande heere kapel4Gerlach van der Capellen, heer van Aersbergen is, soude intersideere5Intercedeeren: bemiddelen om den voorseijde heere kapel te beweechge dat hij soude afstant doen van sijn pretensie om volgens de leste augementasi inde ridderschap te wttrecht te kompareere6Compareren: Verschijnen, kan ook in de betekenis van vergaderen, hier ter vergadering verschijnen? , met belofte dat sij hem aenstonts raetsheer te hoof soude maecke en verseeckere dat se hem binne den tijt van twee ijaere inde ridderschap soude sette, [daer bij voechgende]
Jasper Schade van Westrum
En omdat in deze brief Schadee genoemd wordt, maken we van de gelegenheid gebruik om het schilderij van Frans Hals nog een keer te plaatsen. Uiteraard is Schade bij het schrijven van deze brief al ouder dan dat portret. Hij is zelfs al ouder dan het portret dat Jonson van Ceulen schilderde. Zou Margaretha de portretten kennen? Een mening zal ze in ieder geval hebben.
Wie denken deze mannen wel niet wie ze zijn? Welke rechten denken ze eigenlijk wel niet dat ze hebben? Kunnen ze dit wel waar maken? Margaretha hoopt maar dat hoogmoed voor de val komt. En ze gaat gelijk over tot de afsluiting van de brief. Hoe zou het komen dat Ursula Philippota zo dik is?
dan hoope dat hoochmoet voorde val komt, onse soon en dochter is noch wel dan sij wort heel dick, onse kindere en nicht van raetsfelt7Agneta Margaretha van Raesfelt, zus van Ursula Philippota preesenteere haeren dienst aen uhEd so doen ick en blijfve Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff en dieners M Turnor
Ze krabbelt nog onder de brief dat Van der Capellen niet geneigd is om af te zien van zijn plek. Godard Adriaan moest eens weten hoe hier in Nijmegen op de Gelderse Landdag over gesproken wordt.
De brief van 18 juni 1667 is de op één na vroegst bewaarde brief van Margaretha Turnor. Het blijft gissen waarom deze brieven wel bewaard zijn gebleven, en brieven van eerdere missies van Godard Adriaan niet. Margaretha schrijft de brief in het huis van haar zoon en schoondochter in Middachten. Waarschijnlijk zijn er in de dagen vóór deze brief ook brieven geschreven, maar die zijn niet bewaard gebleven. Wie de brief van 18 juni 1667 leest, krijgt dan ook het idee binnen te vallen in een lopend gesprek.
Margaretha begint haar brief met een verontschuldiging waarom ze niet eerder geschreven heeft: de post was laat. Daarna heeft ze het over een brief aan Christiaan van Rodenburg, een geëligeerde in de Staten van Utrecht. Margaretha had de postiljon naar Schenkenschans gestuurd, waar Rodenburg zich ophield met het visiteren van de vestingwerken. Maar toen de postiljon daar aankwam, was Rodenburg alweer naar Nijmegen vertrokken. Tot Margaretha’s leedwezen is de brief – waarvan de inhoud of strekking voor ons helaas onbekend is – niet bij de beoogde ontvanger terechtgekomen.
voor Eerst segge, dat ick tot mijn leetweese den heere roodeburch niet heb konne aentreffe, want so den Espresse die, ick afgesonde had aen wijburch1Onbekend om naer hem te verneeme me te schencke schans aen = quam was den heere luchtere2Hendrick van Lochteren en roodeburch dien middach daer aen gekoome ende wercke besichticht hebbende sijn den selfve avont ontrent vijf Eure weer naer nimweehge vertrocke sijnde ontrent Een Eur voort aenkoome van diegeene ick gesonde heb so dat ick niet weete waer sijnE te vinde is [en derfve uhEd brief niet]
Fragment uit illustratie voor ‘Den Arbeid van Mars’ (p. 74) van Allain Manesson Mallet, Romeyn de Hooghe, 1672. Collectie Rijksmuseum.
De Utrechtse Ridderschap
Politiek gekonkel neemt in de brief van 18 juni 1667 een prominente plaats in. Margaretha schrijft voornamelijk over de Utrechtse Ridderschap en de Vroedschap. Men had het voornemen om het aantal edelen in de Ridderschap te vermeerderen. Kon dat wel? Margaretha begreep dat het aantal edelen al eerder was uitgebreid, namelijk vlak na de Reformatie, in 1618 om precies te zijn. Er zaten toen namelijk nog veel katholieken in de Ridderschap. Sinds 1667 moesten de geëligeerden, ten minste voor de bühne, de gereformeerde godsdienst belijden.
[mentasi Een beschrijvin van state had behoore te weese wij] waer bij men had moete bekent macke dat men van sins was het lidt vande heere Edelen te verstercken, waer op dien heer mij seijde geantwoort te hebbe sulcks voordeese wel geschiet te sijn en dat korts naer de reformaesie om reedene datter doen noch so veel katolijcke heere waere daer om men den staet sulck bekent maeckte op datse mochte weete wie men inde regeeringe nam, maer dat sulcks seedert den ijaere achtien niet meer int gebruijck was geweest [dat ock so veel sijnhEd wt oude do]
Margaretha gaat nog even door over de Ridderschap en de Vroedschap. Zo worden er leugens verspreid en worden er personen verdacht gemaakt.
en sulcke groote wtgestroijde leu leuchgens wt vorsen, want is onverdrachlijck, de leugens daerse de heere Edelen meede soecken verdacht te maecken, tis voorwaer wel bedroeft en beklaechlij
De Heer almachtig is een kenner der harten
Margaretha hoopt dat dat de tijd de gemoederen zal verzachten, en dat blinde ogen geopend worden. Wij moeten handhaven wat billijk en rechtvaardig is. Laat de rest maar lekker onrustig ronddolen en laat verder alles aan de Heer over, de slechteriken zullen niet altijd aan het langste eind trekken.
[om moogen hebben,] ick hoope dat den tijt de gemoederen sal versachte en de blinde oochgen openen wat ons aengaet ben van harte verblijt te sien uhEd so gerust int werck is dat komt van Een goet gemoet te hebbe en niet anders te soecke als wat bil-lijck en recht is Een ijder int sijne te meijnteneere3Mainteneren: handhaven laet de rest woelle4Woelen: onrustig zijn de heer almacht – tich is een kener der harte sal ock alles te sijner tijt wel schicken ende geweldigers niet altijd laeten heerschen [voor mij sou geen swaericheijt maecken dat uhEd wt de reege]
God scheidt het licht van de duisternis, Sisto Badalocchio, naar Rafaël, 1607. Collectie Rijksmuseum.
Zware tempeest
In 1665 was de prins-bisschop van Münster, Bernhard van Galen, het oosten en noorden van de Republiek binnengevallen. Op 18 april 1666 werd de Vrede van Kleef gesloten, die een eind maakte aan de Eerste Münsterse Oorlog. Margaretha had gehoord dat Van Galen niet langer bisschop was; hij zou het bisschopsambt aan zijn broer overgedragen hebben en was bezig troepen te werven in Doesburg. Verder hoopte Margaretha snel iets te horen van de vloot. Het was namelijk erg slecht weer. Het lijkt wel of God boos is, of hij het op ons gemunt heeft. Waar blijft de zomer? Er is zelfs nog sprake van nachtvorst!
[gunne, insonderheijt indeese swaere en bekomerde tijde daer wij in sijn,] den bischop van münster5Bernhard van Galen, bisschop van Münster die menseijt sijn kap op den tuijn gehange te hebbe6De kap op de tuin hangen: een beroep vaarwel zeggen, komt van een monnik die zijn kap over (de muur van) de tuin hangt en het klooster verlaat. Dit heeft de bisschop niet gedaan. ent bischopsdom aen sijn broeder overgegeefve te hebbe heeft dees weeck volck te doesburch gehad om te werfve7Dat was tegen de bepalingen van de Vrede van Kleef in, waarin was afgesproken dat het leger van Münster niet groter zou zijn dan 3000 man. die Een ruijter so en sestich duijkatons op de hant presenteerde mij verlanckt seer te hoore hoet met onse scheepsvloote die in see is staet8Van 9 tot 14 juni 1667 vond de Tocht naar Chatham plaats. de wijlle wij deese weecke sulcke swaeren tempeest hebbe gehadt tis of dien goedertierener godt teenenmael op ons ver grimt en vertornt is wij hebbe geen soomer het maeckt hier noch alle nachte ijs
Schepen in de storm, Andries van Eertvelt (toegeschreven aan), 1600 – 1652. Collectie Rijksmuseum.
Margaretha schreef deze brief overigens op beduidend groter papier, waardoor de tekst op onze scans heel klein geschreven lijkt: de paginabreedte hier is nog hetzelfde.
1
Onbekend
2
Hendrick van Lochteren
3
Mainteneren: handhaven
4
Woelen: onrustig zijn
5
Bernhard van Galen, bisschop van Münster
6
De kap op de tuin hangen: een beroep vaarwel zeggen, komt van een monnik die zijn kap over (de muur van) de tuin hangt en het klooster verlaat. Dit heeft de bisschop niet gedaan.
7
Dat was tegen de bepalingen van de Vrede van Kleef in, waarin was afgesproken dat het leger van Münster niet groter zou zijn dan 3000 man.
8
Van 9 tot 14 juni 1667 vond de Tocht naar Chatham plaats.
Margaretha heeft een brief van Godard Adriaan van 6 oktober binnengekregen en geeft hem het grootste gelijk van de wereld dat hij daarin verontwaardigd is over het handelen van Pieter Both en de zijnen. Sinds ze terug is uit Utrecht blijken ze al weer bijna bij de partij van Nellesteyn weg te hebben willen lopen, totdat Cornelis van Beeck zich opeens vóór Nellesteyn verklaarde. Toen kozen ze eieren voor hun geld en bleven ook.
Ameronge den 9 ockto 1671 rec. 11 Oct: 1671
Mijn heer en lieste hartge
uhEd schrijfvens vande 6 deeser heb ick heede ontfange vinde uhEd het grootste gelijck vande werlt heeft misnoegen overde proseduere van bodt1Pieter Both van der Eem en de sijne te neeme, naer mijn vertreck van wttrecht verstaen ick dat sij al weer hebbe gedifukulteert2moeite hebben gehad de partij van nellisteijn3Johan van Nellesteyn te houde tot dat sij sagen dat de van beeck4Cornelis van Beeck hem voor nellisteijn deklaereerde en sij niet beeter en koste, [ick heb geseijt]
Twee mannen schudden elkaar de hand, Abraham Bloteling, naar anoniem, 1670. Collectie Rijksmuseum
Aan zulke vrienden heb je niets
Margaretha heeft laten weten dat ze zich niets van zulke ‘variabele vrienden’, waar je toch niet op kunt rekenen, wil aantrekken. Ze hoopt maar dat Nellesteyn zonder hen ook wel aan zijn meerderheid komt, dan doen ze maar wat ze niet laten kunnen.
[en sij niet beeter en koste,] ick heb geseijt dat ons seer weijnich aen sulcke varijabelle5variabele: wisselvallige, wispelturige vriende of liede seer weijnich geleechge was daer men doch geen staet op kost maecke hoope nellisteijn6Johan van Nellesteyn het sonder haer wel te booven sal koomen laetse dan doen watse wille, [de heer van rhijnswou heeft geen on]
Gezicht op het kasteel Zuylenstein bij Amerongen met links het poortgebouw, uit het zuiden. Anoniem, ca. 1800. Collectie Het Utrechts Archief
Hoog bezoek op Zuylestein
Bij de buren, Frederik van Nassau-Zuylestein en zijn vrouw, is prins Willem III op bezoek. Ze kennen elkaar goed, want Frederik, een onechte half-broer van Willems vader, was zijn gouverneur geweest tot hij zestien werd. De vrouwe van Zuylestein was hofdame van Willems moeder Mary. Het bezoek bezorgt Margaretha enige geluidsoverlast, want de vele paarden die gedrenkt moeten worden zorgen voor veel lawaai als ze naar het water rijden.
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff en dieners MTurnor
sijn hoocheijt is noch op Suijlisteijn alwaer de heer en vrou van Suijllisteijn deese middach sijn gekoome hier is sulcken gerij van paerde diese te water brenge den gansen dach overt voorbu rch dat het niet te hade7niet te harden is sij breecken en maecken het voorburch en de singen als Een dijck datter niet door te koome is ock so de steech, [deese sendt ick tot]
De vrouwe van Zuylestein: Mary Killigrew (1627-1677) echtgenote van Frederik van Nassau-Zuylestein (1624-1672) door M. L. A. Clifford /A. Hanneman. Privécollectie, bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Nog meer politiek
In de PS begint Margaretha er wéér over: nu blijkt Borre van Amerongen zich weer bij Both en Van Dinter te hebben aangesloten. Maar ja, dat was toen ze uit Utrecht vertrok, het kan nu zomaar weer anders zijn. Met zulke mensen weet je niet waar je aan toe bent.
de heer van sandenburch8Diederik Borre van Amerongen hout het nu heel met bot9Pieter Both van der Eem en van linteren10Jacob van Dinter , doen ick van wttrecht ginck wast so, maer men weet niet hoe ment met dat volck heeft
Regen
Het is nog net zulk nat herfstweer als een paar dagen geleden. Op Amerongen hebben ze nog niet één van de diverse soorten wintergranen kunnen zaaien.
het reegent hier alledaech noch so dat ick niet en weete hoe ment koorn weer in daerde11de aarde de sal krijge wij hebben noch niet Een kooren in daerde
Landschap met een ruïne en een ploegende boer in de regen, Izaak Jansz. de Wit, naar Jacob Cats, 1807. Collectie Rijksmuseum
Margaretha is in Utrecht geweest, waar ze de perikelen rondom de burgemeestersverkiezingen heeft kunnen aanschouwen. Alle ‘bekende lieden’ wantrouwen elkaar. Margaretha houdt alles nauwlettend in de gaten, en deelt de verworven informatie met haar heer en liefste hartje. Wat zijn ieders belangen? Wie doet met wie zaken? Godard Adraan moet het gevoel hebben dat hij eigenlijk helemaal niet weg is uit de Republiek.
[van den andere hebbe is niet wt te spreecke] ende sijalosije1Jaloezie van dat uhEd int huijs vande heer van sandenburch2Diederik Borre van Amerongen met Eenige heeft gesproocke buijten kenisse vand andere vriende, en dat dien Eene inden haech sou koome konense niet op Eenen, en sijn tegens de sollisitaesi vande luijte -nant kolonel als vijanden ingenoomen, hoet daer noch me gaen sal weet ick niet geloofve uhEd konfrater daer onder roeijt, de partij meende en segge sij hadde het kleijne maneken daer nu heel onder en so dat hij der noeijt weer op sou gekoome hebbe en waerent werck heel te boofven komt hijder nu weer op dat hij sijn oude nucken niet sal konne laeten en Erger sal sijn als voor dees in soma de sijalosij en murmeraesij3Murmeren: morren, mopperen is so groot dat te be droefve is wil hoopen alles noch Een goeden wtslach sal neeme
Margaretha heeft, zoals ze in haar vorige brief al aankondigde, in Utrecht met oud-burgemeester Johan van Nellesteyn gesproken. Ook sprak ze met domheer Everard Both van der Eem. Both van der Eem was de broer van vroedschapslid Pieter Both van der Eem. Maar goed, de hele situatie is ingewikkeld en Margaretha schrijft dat ze er niet verder over wil uitweiden omdat het zo’n lang verhaal is. Typisch Margaretha, volgt vervolgens tóch een lang verhaal. Jacob van Dinter, blijkt bereid te zijn alles aan Everard en Pieter Both over te laten. Mits zij er vrede mee hebben dat Jacob van der Dussen, de huidige burgemeester, er voor zorgt dat de broer van Jacob van Dinter, Johan van Dinter, afziet van zijn sollicitatie.
[Euren voor mijn vertreck noch seer disperaet] hoewel ick daechs te vooren de burgemeester Nellisteijn4Johan van Nellesteyn gesprocke hebende en daer Even te voorn den domheer bodt5Everard Both van der Eem niet ande dochte of alles sou wel sijn, alle die sirkomstansie6Circumstantie: omstandigheid sijn hier te lange te verhaelle, sal alleen segge dat bodt mij seijde dat van linteren7Jacob van Dinter alles aen hem bodt en sijn broeder differeerde als sij kontentement naeme dat hij te vreede was dat ock vander dusse8Jacob van der Dussen de burgemeester hem lintere en bodt gepreesenteert hadde van sijn broert de schouts9Johan van der Dussen, schout van Rhenen sollistaesie te disesteere10Desisteren: afzien van en haer wilde en koste versee ckeren vande nominaesije voor bodt [so sij sijn partij wil de]
Het klinkt allemaal ingewikkeld en dat is het ook. In ieder geval weten we dat zowel Jacob van Dinter als Jacob van der Dussen niet willen dat Johan van Nellesteyn weer burgemeester wordt. Godard Adriaan, en daarmee dus ook Margaretha, is wél voor de benoeming van Van Nellesteyn.
Verkiezingen in de 17e eeuw deden niet veel onder voor een hedendaagse verkiezingsstrijd…
Nadat Margaretha nog een heel essay heeft geschreven over de burgemeestersverkiezingen, stapt ze over op een nieuw onderwerp: de berg bij Rhenen, oftewel de Grebbeberg. Utrecht heeft het voornemen om de Grebbeberg te ‘bekramen’. Dit houdt in dat de berg door rieten matten tegen de golfslag van het water beschermd zal worden.
hier koomende verstaen ick dat men te wttrecht van sin is het bekramen11Bekramen: Het met strooien matten beschermen van bijvoorbeeld een dijk tegen golfslag van het water vanden berch bij rienen of de greb int b publijck aen te besteede en dat de schout van rhiene gesint is dat aen te neemen , nu verlanckt mij te weeten wat de heer van dijckevelt dies aengaende b op de uhEd schrijfvens heeft geantwoort, en of uhE hier Eits verders in wilt gedaen hebbe , [ de schade die]
Gezicht vanaf de Heimenberg bij Rhenen over de Rijn op de Betuwe met in het midden het dorp Lienden.Gezicht vanaf de Heimenberg bij Rhenen over de Rijn op de Betuwe met in het midden het dorp Lienden, anoniem, ca. 1690-1720. Collectie Het Utrechts Archief. Heimenberg is een ringwalburg op de Grebbeberg.
Schade en schande
Dan is er ook nog klein nieuws. Het heeft flink gewaaid maar Godzijdank is er heel weinig schade. Aaltje van Bemmel uit Amerongen is overleden. Aaltje had hoge schulden. Secretaris Kemp en predikant Keppel kibbelen over een aanzienlijk geldbedrag dat de kerk van haar tegoed zou hebben.
[hier Eits verders in wilt gedaen hebbe,] de schade die hier door de stercke wint is geschiet is heel weijnich de heere sij gedanckt, die ons so genadelijcke heeft bewaert de doot van Aeltge van bemel heb ick uhEd geschreefve waerdoor groote desensie tuschen onse gesupstituweerde seeckreetaris12Secretaris Kemp en de preedikant13Predikant Keppel is ontstaen, en dat over de twee hondert gul die de kerck van haer heeft te pree tendeere daer velpe borch voor staet die wel sufi tant genoech voor die peninge is maer ock lange ge
tracht heeft van die borchtocht ontslage te sijn [en nu]
Margaretha vindt het maar niets dat er zo gekrakeeld wordt. Komende zondag wordt het Heilig Avondmaal gevierd in de kerk, daar hoor je niet ruziemakend heen te gaan. En het gaat hier nog wel om de predikant en de schoolmeester!
[ontboode sijn waer niet wel gedaen,] men sal hier toe koomende sondach het nachtmael14Heilig Avondmaal in de protestantse kerk dat maar een paar keer per jaar plaats vond wt deelle tis niet wel dat men teegens die tijt so krackeelt15ruzie maakt insonderheijt voor preedikant en schoolmeester dan sij sijn beijde vrij wat kreegel16halsstarrig , en de schoolmeester meent hij nu heel den baes is [ ick sal verneeme wat vande jongen van Aeltgen van]
Een prinsje voor Fritsje
Kleine Frits en zijn zusje Antje zijn bij oma Margaretha op bezoek. Fristje drinkt elke dag op opa’s gezondheid en hoopt dat opa hem een prinsje zal brengen. Vermoedelijk bedoelt hij een pop.
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff en dieners MTurnor
onse joncker van Ameronge met sijn suster Antge sijn weer hier bij mijn sij preesenteere beijde haeren kleijne ootmoedige dienst aen groote papa en frits drinckt alledaech grootpapaes gesontheijt en hoopt grootpapa hem haest een prinsge sal brenge
Het geld waar Margaretha in haar twee vorige brieven over heeft geschreven, ligt bij huisbankier Adriaan Temminck in Amsterdam. Margaretha denkt dat het geld voor de wervingen door Willem III eveneens aan Temminck is overhandigd, maar ze weet het niet zeker. Erg blij is ze trouwens niet met die Prins van Oranje…
Geen nieuwe Tocht naar Chatham
De Staatse vloot ligt ergens in de contreien van Schoneveld. Het plan was om de Engelsen, net als in 1667, te verrassen. Maar de Engelse schepen hadden de zeilen al gehesen; het plan viel in het water. We zullen zien of de Staatse vloot de vereniging van de Engelse en Franse vloot nog kan beletten.
[hebbe die dat ambacht daer doet,] onse scheeps vloot leijt ontrent of opt schoone velt, quaeme wat te laet omt deseijn1Dessein: plan te voltrecken de Engelse scheepe laechge al seijl ree, nu sulle d onse sien ofse de konsijonsi2Conjunctie: vereniging van de franse met dEngelse konne beletten
Wat Margaretha echt niet begrijpt, is dat Willem III het vacante commissaris-generaalschap aan Armand de Caumant, markies de Montpouillan, heeft gegeven. Godard van Ginkel is er ook zeer verbouwereerd over, maar daar hoeft Margaretha niet over uit te wijden – Godard Adriaan zal dit vast wel uit de brieven van zijn zoon kunnen opmaken. Als het niet zulke zware en bekommerde tijden waren, dan had Van Ginkel – uiteraard met toestemming van zijn vader – het leger adieu gezegd. Het is niet eerlijk, vindt Margaretha. Van Ginkel heeft de post al die tijd als waarnemer bekleed, en nu gaat een ander er mee vandoor! Het gaat Margaretha niet eens om het ambt of het geld dat met het commisaris-generaalschap gepaard gaat, maar om de aantasting van de eer. Een ingezetene van het land, die goed en bloed inzet, wordt gepasseerd voor een buitenlander. Zijn dit nu de vruchten van de mooie woorden en beloften van de Prins aan Godard Adriaan?
dat sijn hoocheijt het vakante komijsarisgenerael =schap aen mompelijan3Armand de Caumont, marquis de Montpouillan die gisteren sijn Eet heeft gedaen heeft gegeefve sal uhEd wt het schrijfve vande heer van ginckel sien die daer vrij over ver= =set is en niet weet wat hij doen sal, waerende tijde niet so swaer en bekomert om de leefven alse sijn hij sou met uhEd premisie quiteere maer wat sal hij nu doen men heeft hem die plaets al den tijt laeten bediene sijn hoocheijt heeft selfs teegens ver scheijde geseijt dat hij sijn post wel heeft waergenoo =men en nu gaet men en Een ander booven sijn hooft
tis voorwaer hart Een ingeseeten vant lant die goet en bloet daer bij op set, ick kan niet segge hoeseer mij dit speijt niet so seer om dit amt oft inkoome van dien als om de smaet voorde werlt dit sijn de vruchte vande schoone woorde en belofte die uhE van tijt tot tijt sijn gedaen [doch paesijensi wij]
Bereden soldaten in hun kwartier, Pieter de Molijn, 1650 – 1660. Collectie Rijksmuseum
De hand die alles bestiert
Margaretha vindt dat we niet moeten kijken naar de stok die ons tegenslag op tegenslag geeft, maar naar de hand die alles bestiert. En dan zegt ze iets heel interessants: was het niet beter geweest als we bij ’t onze waren gebleven? Oftewel, als ze thuis in Amerongen waren gebleven? Dan hadden ze het huis wellicht kunnen redden. Ach, het heeft vast allemaal een reden: we moeten hier volgens Margaretha de bestiering van de allerhoogste in zien.
[van tijt tot tijt sijn gedaen doch paesijensi] wij moete niet sien op de stock die ons so slach op slach geeft maer op die hant die alles bestiert wie weet oft ons niet best waer geweest dat wij bijt ons waere gebleefve hadent ons noch gekonserveer en ons moogen behelpe so men best had gekost wie weet hoet ons nu noch gaen sal doch wij moeten hier in al meede sien op de bestierine der alderhoochste
God omringd door putti (detail), Nicolas Dorigny, naar Rafaël, 1695. Collectie Rijksmuseum
Stank voor dank
Trouwens, nog even terug naar die benoeming van Mompeljan… Dat is dus allemaal bekokstoofd door een neef van Margaretha’s heer en liefste hartje. Hij bemoeide zich met de benoeming op verzoek van Hedwig van Brederode, een zus van Amelia van Brederode. En Amelia Wilhelmina van Brederode was, je raadt het al, getrouwd met de markies van Montpouillan! Nog een saillant detail, die neef van Godard Adriaan, waarschijnlijk Frederik van Reede, een zoon van nestor Johan van Reede van Renswoude, bewoog een jaar geleden nog hemel en aarde om een wit voetje te halen bij de De Witten. En nu loopt hij te slijmen bij de Prins! Hij waait met alle winden mee, of zoals onze briefschrijfster het verwoord, hij ‘hangt zijn huik naar de wind’. Vorig jaar was Margaretha nog door vorst, sneeuw en hagel van Amerongen naar Utrecht gereisd om hem en zijn neef Van Rossem te helpen met hun sollicitatie! En nu? Krijgt ze alleen maar stank voor dank.
onse kosijn die uhEd naeme draecht4Vermoedelijk Frederik van Reede. Dit is in ieder geval de meest waarschijnlijke kandidaat heeft dit schoo =ne werck opt versoeck van hetwich van breederoode almeede helpe fasiliteere, maer ick sal ock daer kan ent Eenichsins te pas komt niet verswijgen wat Een vrint hij is geweest weijnich meer als Een ijaer geleede doen hij noch heemel en aerde be= weechde om onse vriende inde partij vande witte5Aanhangers van Johan en Cornelis de Witt, Staatsen te trecken, en nu hanckt hij so de huijck naer de wint6De huik naar de wind hangen: ‘zijn overtuiging wisselen met de omstandigheden’. Een huik is een mantel zonder mouwen. Betekent hetzelfde als ‘met alle winden mee waaien’ en ist beste kint, hoe liep hij mij de voorleeden winter Een ijaer ten ooren en deed mij door vorst sneeuw en hagel van Ameronge naer wttrecht reijse niet Eens maer vrij meer om niet alleen hem maer sijn neef van rossom7Waarschijnlijk Adriaan van Rossem in haer solisi =tasie te helpen, dit is nu de loon daer van [nu mijn lieste hartge neemt het mij niet qualij]
Op een gegeven moment dringt het tot Margaretha door dat ze wel erg veel aan het klagen is. Ze verontschuldigt zich en vraagt Godard Adriaan het haar niet kwalijk te nemen. Maar ze heeft het zo zwaar, en er is haast geen levende ziel waar ze vrijuit tegen durft te spreken. Het is een en al ellende. Eerst dat gedonderd met de compagnie, en nu weer dit… Oh, kon ze haar man maar weer eens onder twee ogen spreken. Eén ding weet ze zeker: wie op God vertrouwt, zal niet verloren gaan.
nu mijn lieste hartge neemt het mij niet qualij
de moet is mij so vol dat ick haest meen te bersten en heb imers geen leevende siel daer ick vrij teegens derf spreecken, tis imers teen opt ander Eerst met de kompangi en nu weer dit, och mocht ick uhEd Eens spreecken, nu dat kan niet sijn paesijensi, naer deese tijt Een beeter die op godt vertrout sal Evewel niet verlooren gaen[, ick wil]
Nieuwersluis en Nyenrode
De Fransen hebben geprobeerd om enige huizen in de omgeving van de pas door de Staatsen heroverde post te Nieuwersluis in te nemen, maar ze zijn door de Staatse troepen verdreven. Er zijn ook een paar Fransen gesneuveld. Margaretha heeft gehoord dat kasteel Nyenrode of het huis Ter Aa is afgebrand, maar dat gerucht is nog niet bevestigd. Wel schrijft ze dat de gravin van Waldeck, Elisabeth Charlotte van Nassau-Siegen, bij haar is geweest en heeft verteld dat ze via via heeft gehoord dat huis Ter Aa is afgefikt. De gravin heeft dit in een brief van haar man, de graaf van Waldeck, gelezen. De graaf heeft het op zijn beurt weer van de Johan van Stockheim, die het commando voert over Nieuwersluis. Vreemd, want zover Margaretha weet hebben de eigenaren van Ter Aa wel betaald om het huis te bewaren.
de post aende nieuwersluijs wort bij d onse noch ingehoude8Nieuwersluis is op 13 mei 1673 ingenomen door de Staatse troepen den vijant heeft getracht daeron= trent Eenige huijse inte neeme maer sijn van donse daer wt gedreefve met verlies van Eenig volck, nu seijt me datseet huijs te nieuwenroij9Nyenrode oft huijs te dr A10Ter Aa soude afgebrant hebbe doch hier is geen seeckerheijt van, so gaet de graefvin van waldeck11Elisabeth Charlotte van Nassau-Siegen, gravin van Waldeck van mij seijt de graef van waldeck12Georg Frederik van Wakdeck-Eisenberg briefve gehadt heef van stockom13Johan van Stockheim die aen nieuwer sluijs komandeert dewelcke schrijft dat huijs ter d A afgebrant is vande vijant, sij hebbe so ick meen almee tot afkoop van brande en schade betaelt[, de sweetse]
De Zweedse ambassadeurs die op weg zijn naar Aken voor de vredesbesprekingen, zijn bij de Bessemer hei tegengehouden door een partij Fransen. De Fransen wilden niet hebben dat de ambassadeurs door Maastricht trokken, waardoor de ambassadeurs nu een omweg moeten maken. Margaretha vindt het ongehoord, en eindigt vervolgens haar brief met de gebruikelijke afscheidsgroet.
[van brande en schade betaelt,] de sweetse Ambassadeurs die naer Acke sijn koomende op de bessemer heij14Bessemer ligt tussen Genk, Maasmechelen en Lanaken, tegen Nationaal Park de Hoge Kempen aan hebbe Een partij franse daer gevonde die niet wilde lijde dat sij door Maestricht soude passeere hebbense Een ander wech om doen gaen, ongehoorde dinge nu moet ick blijfve
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
1
Dessein: plan
2
Conjunctie: vereniging
3
Armand de Caumont, marquis de Montpouillan
4
Vermoedelijk Frederik van Reede. Dit is in ieder geval de meest waarschijnlijke kandidaat
5
Aanhangers van Johan en Cornelis de Witt, Staatsen
6
De huik naar de wind hangen: ‘zijn overtuiging wisselen met de omstandigheden’. Een huik is een mantel zonder mouwen. Betekent hetzelfde als ‘met alle winden mee waaien’
7
Waarschijnlijk Adriaan van Rossem
8
Nieuwersluis is op 13 mei 1673 ingenomen door de Staatse troepen
9
Nyenrode
10
Ter Aa
11
Elisabeth Charlotte van Nassau-Siegen, gravin van Waldeck
12
Georg Frederik van Wakdeck-Eisenberg
13
Johan van Stockheim
14
Bessemer ligt tussen Genk, Maasmechelen en Lanaken, tegen Nationaal Park de Hoge Kempen aan
Margaretha schrijft een korte brief want er gebeurt niets dat schrijvenswaardig is. Ze heeft het over de gebruikelijke bureaucratische beslommeringen en Welland blijft nog op zijn kamer maar is eerder beter als erger.
Het gasthuis, ca. 1700, Johannes van Bevoort, 1690 – 1710 (fragment). Collectie Rijksmuseum
Utrechtse politiek
Twee Utrechtse heren, de heer van Aertsbergen en de heer van Zuylen, komen langs om de politieke banden weer een beetje aan te halen. De heer van Zuylen heeft Godard Adriaan geschreven, maar weet niet zeker of de brieven aangekomen zijn.
ordinansi kan krijge, de heer van wellant hout noch al sijn kamer doch is meer beeter als Erger, den heer van Aertber1Heer van Aartsbergen: Gerlach van der Capellen en suijle2Hendrik Jacob van Tuyll van Serooskerken die vandaech hier geweest sijn preesenteere haeren dienst aen uhed den leste seijt wel drije a vier briefve aen uhEd geschreefve te hebbe die hij niet weet of uhEd heeft ont =fangen, vande heer van ginckel hoore wij
Zorgen
Aan het eind van de brief zijn er toch nog wat zorgen. Zo heeft Margaretha al niets van haar zoon gehoord sinds hij op veldtocht is.
Andere zorgen zijn er over de ziekenboeg. De afgelopen brieven werden overheerst door het geweld van de Fransen en het ziektebeeld van Welland. Kennelijk gaat het inmiddels goed met het zieke personeel en zijn de kleinkinderen niet ziek geworden. Tot nu toe. Helaas is Tietge toch ziek geworden, ze doet niets anders dan slapen. Margaretha is bang voor de pokjes.
seedert de marsch ock niet de heer hoope ick sal hem bewaeren, inwiens bescherminge uhEd beveelle, blijfve
Mijn heer en lieste hartge
uhEd getrouwe wijff M Turnor
onse kleijne dochter tietge is vandaech sieck geworde doet haest niet als slaepe ben beducht oft pockges mochte sijn, Een knecht vande heer van wellant is ock sieck so dat wij hier het halfve gasthuijs hebbe hoope het haest beete sal
Pokken
Glasdia van een patient (gezicht kind) met pokken, Rotterdam 1929, maker Laboratorium voor Gezondheidsleer der Universiteit; Amsterdam. Collectie Rijksmuseum Boerhave
Haar zorg om de pokjes is begrijpelijk. Wij denken aan de vrij onschuldige waterpokken, maar veel mensen gingen dood aan de “echte” pokken. Bovendien lieten die vaak littekens achter op je gezicht: letterlijk een pokdalig gezicht. De pokken waren erg besmettelijk, dus het is geen wonder dat Margaretha daar beducht op is. Pas halverwege de achttiende eeuw wordt er geëxperimenteerd met de inoculatie met koeienpokken, de voorloper van de huidige vaccinatie.
Wanneer Godard Adriaan en Margaretha deze maand samen zijn, volgen ze op de voet de berichtgevingen over het verblijf en de plannen van Lodewijk XIV. Maar waar is de Zonnekoning eigenlijk en wat voert hij uit?
Lodewijk slaat zijn kamp op in ons land. (eigen impressie)
Lodewijk begon zijn hele onderneming om de Republiek een lesje te leren: het kan niet anders dan dat dat kleine landje met die grote schatkist een makkelijke prooi is. Nadat hij, met behulp van de bisschoppen van Münster en Keulen, in een kort tijdsbestek zo’n zestig steden en zestien forten inneemt, verwacht hij een snelle en glorieuze overwinning. Holland zal snel op de knieën zijn gedwongen. Little did he know…
De Zonnekoning in Zeist
Nadat Utrecht is belegerd en de onderhandelingen met deze stad beginnen, vestigt Lodewijk zich met zijn hoofdkwartier tijdelijk in Zeist. Van 1 tot 10 juli is dit de belangrijkste plek in Europa. De Zeistenaren moeten hun ogen hebben uitgekeken toen de koning met groot gevolg, overladen met luxueuze kostuums en goederen, aankwam in het toen 28 huizen tellende dorp.
Lodewijk neemt zijn intrek in ‘Bogaerdslust’, het latere Villa Veelzigt (op deze plek staat nu het politiebureau). Omdat lang niet iedereen daarin past, worden ook andere huizen en zelfs de Oude Kerk gevorderd. Ook al verblijft Lodewijk in een eenvoudig dorp, hij blijft een koning met basisbehoeften. Daarbij hoort uiteraard goed gezelschap: zijn maîtresse Madame de Montespan is met hem mee gereisd.
Gezicht op de voorgevel van het huis Veelzicht te Zeist, voorheen stond hier ‘Bogaerdslust’’, waar Lodewijk XIV verbleef, 1828. Bron: Het Utrechts Archief
Lodewijk XIV denkt in een rap tempo te kunnen onderhandelen met Utrecht en Holland. Bij aankomst in Zeist is Utrecht al overmeesterd, maar het capitulatieverdrag moet nog wel worden gemaakt. Neef Welland, Godard Willem van Tuyll van Serooskerken, en twee andere ongelukkige afgezanten gaan naar Zeist voor onderhandelingen. Het is niet de koning zelf die ze te spreken krijgen, maar zijn oorlogsminister Louvois. Daar horen ze ‘coninx wil’. De sauvegardeeen garantie dat de Franse soldaten de stad niet zouden platbranden en plunderen waar ze om vragen, krijgen ze niet. Bij terugkomst blijkt hun opdracht sowieso al tevergeefs…de stad heeft zich al overgegeven en de inwoners krijgen de beschamende naam ‘sleuteldragers’.
Een ‘seer plaisante stad’
Tijdens zijn korte verblijf in Zeist bezoekt Lodewijk ook tweemaal de Domstad, maar kennelijk met tegenzin. Zijn broer moet hem overtuigen deze ‘seer plaisante stad’ te gaan zien. De Zonnekoning vertrouwt het Utrechtse volk niet helemaal en vreest voor een aanslag. Die donkere werven bij die gracht zijn namelijk uiterst handige plekken om vanuit te schieten of een bom te plaatsen. Zo dribbelt Lodewijk eerst vooral rondom de stadspoorten, maar vervolgt zijn weg uiteindelijk langs de Oudegracht, de Neude, de Gansmarkt, het Janskerkhof en de Drift, door de Wittevrouwenstraat om zo weer stad te verlaten door de Wittevrouwenpoort.
Op 10 juli heeft Lodewijk wel genoeg gezien van de Republiek. De onderhandelingen met Holland gingen niet vlot genoeg. Hij vertrekt en laat het verdere veroveren aan zijn leger over. Om vier uur in de ochtend gaat hij via Amerongen, Rhenen en Wageningen naar Arnhem, om weer wat later terug te keren naar zijn geliefde Frankrijk. Terwijl hij hobbelend in zijn koets naar huis wordt gebracht, laat hij zijn Franse leger achter in een land wat steeds verder onder water loopt….
Eerder schrijft Margaretha al over de onrust in de steden. Nu het Staatse leger op de vlucht is geslagen en de eerste steden zijn gevallen, wordt de onrust alleen maar erger. Rotterdam, Haarlem, Leiden, Utrecht, Delft, overal heerst onzekerheid. Kwade geruchten over verraad vinden vruchtbare grond in de angst van het volk. Wagens worden geplunderd, schepen mogen niet aanmeren: het volk heeft de macht overgenomen van de regenten. Zelfs de vrij geliefde Willem III trekt aan het kortste eind: hij mag Utrecht niet binnen komen met zijn leger.
[hij vertreckt merge naer Enlant,] hier is geen plaets daer men sich kan verseeckeren, te rotterdam haerlem leijden wttrecht is delft is alde gemeente1het gewone volk in op roer roepe niet ander als van veraet en dat ons lant verkocht is dat nu geleevert sal worde, hier plu =nderense de wagens met goet dewelcke wt gebrocht worde te delft houdense de scheepe aen willense niet laeten passeere de heere reegente2regenten: stadsbestuurders hebbe niet te segge, te wttrecht houdense de poorte toe wille sijn hoocheijt3Prins Willem III met de meliesie4militie die daer voor lege daer niet in hebbe dwinge de burgemeesters de sleutels af seggende dat die geen burgemeesters sijn maer sij selfs hamel5Nicolaas Hamel, burgemeester van Utrecht seijt me dat geprikuliteert(?) heeft om hals te koome, dan is ontkoome, ick was voorleede dijns dach inde stat van wttrecht maer Een Euri6een uur, wist niet hoe daer weer wt te koome dorst7dorsten: durfen mijn naem niet bekent maecke trock mijn kap inde oochgen ginck so stilletges onbekent wt de stat daer terstont de poorte op, gesloote wierde hade sij
geweeten ickt was, soude ongetwijfelt een affront8affront: belediging, krenking van de eer leeden hebbe, so roepense overde brandenburchse troepees dat die niet en koome en dat uhEd die pen =ninge in sijn sack gesteecke heeft, tis niet te bedencke so de mense spreecke op alle reegente ija op de prins selfs, och oogeluckichge komissie voor ons dewelcke mij altijt so swaer opt hart heeft geleegen, [ick bidt]
Met haar kap voor haar ogen getrokken glipte Margaretha stilletjes uit de stad. Zelfs haar naam wilde ze niet gebruiken. Ze is een bekende in Utrecht maar de stad voelt erg vijandig aan. Haar identiteit wil ze dus geheim houden. Kwaad volk beschuldigt Godard Adriaan van het geld voor de Brandenburgse troepen in eigen zakken steken. Hij is duidelijk geen populair man meer in Utrecht en dat gebrek aan populariteit straalt af op zijn familie.
Fragment uit de prent “Klacht over de rampspoed in de Republiek tussen 1672 en 1675” van Romeijn de Hooge (1675). Collectie Rijksmuseum
Rust in Amsterdam?
In meerdere steden heerst wanorde maar Margaretha schrijft ook dat het er in Amsterdam een stuk ordelijker aan toe gaat. De stad zit prop- en propvol met vluchtelingen maar door de voorzichtigheid van de regenten valt de onrust mee. Soldaten in dienst van de stad houden de orde. Margaretha is niet laaiend enthousiast over naar Amsterdam gaan — daar heersen immers dezelfde kwade geruchten als elders — maar het is een relatief veilige plek om heen te vluchten.
[broeder te sijn], want om dewaerheijt te segge tis hier overal in sulcke oproer vande gemeentegemeenschap die so vieleijn9vilein: gemeen spreecke en te Amsterdam selfs dat me
niet weet waer te wende, doch daer is noch geen oproer maer de gemeente stil alleen spreeckense op de vluchte- -line dat sij nu als Elck sijn goet inde stat heeft ock Eens rijck sulle worden dan dat sijn woorde, ock sijn de heere van Amsterdam seer voorsichtich en stelle van nu aen daer al ordere op neeme alledaech volck aen om inde stat te blijfve en hoope noch Eenige ruijterij in haer stat te krijgen, tis onge looflijck dat volck en goet daer gevlucht in komt men sou segge het onmoogelijck was de stat het sou konne berge, [ick heb meest al ons]
Het is drie dagen sinds de laatste brief naar Godard Adriaan wanneer Margaretha hem weer schrijft. De gebeurtenissen in de Republiek zijn in een stroomversnelling beland en het tempo van Margaretha’s brieven laat dat goed merken. Zoals wel vaker begint Margaretha met familienieuws: ze is namelijk bij haar zoon in Arnhem op bezoek geweest. Met Godard Junior gaat het absoluut niet goed. Eeuwig plichtsgetrouw vraagt hij of Margaretha zijn excuses aan zijn vader kan aanbieden, hij heeft namelijk in geen 2 of 3 postrondes geschreven. Godard van Ginkel slaapt door alle drukte nog maar drie uur per nacht en zit vrijwel constant in het zadel. Margaretha is bezorgd: als haar zoon nu maar gezond blijft.
Mijn heer en lieste hartge tis mij lief wt uhEd mesiefve1missive: brief vande Eerste deeser2eerste van deze maand sien deselfve weer tot berlijn wel is gearijveert, ick ben gisteren op dien dach wech en weer tot Aernhem3Arnhem ge= weest om den heer van ginckel noch Eens te sien die daer bij ons quam, hij bidt uhEd hem belieft te Excku seere4excuseren: vergeven dat hij in 2 a 3 poste niet heeft geschreefven heeft het omoogelijcke niet konne bij brenge door sijn meenichvuldige affaerees5affaires: zaken, hij slaept geen drije Euren op Een nacht en is meest gedurich te paert als hij maer gesont blijft, [ist noch goet maer mijn]
De Frans opmars
Ondertussen verloopt de Franse opmars gestaag. In drie dagen tijd hebben Lodewijks troepen evenveel dorpen veroverd: het Rijnfort Wesel, een kernpunt van de verdediging van de Republiek is gevallen, net als Orsoy en Büderick. De Fransen trekken op langs de Rijn richting de stad Kleef en daarna Nijmegen. Margaretha vreest dat het op de IJssellinie aan gaat komen. Erg veel vertrouwen heeft ze niet daarin: haar zoons verwachte dood ziet ze als een nutteloos offer.
[maer] men gelooft, het almeede over is, en dat de koninck6koning Lodewijk XIV daerReijnberck inpersoon voor is geweest, die men seijt deese Middach van meeninge was binne kleefe7de stad Kleef ligt in het gelijknamige hertogdom. Hoewel de stad in modern Duitsland ligt was Kleef in 1672 de facto deels onder controle van de Republiek te Eeten, en so voort recht op Nimweechge8Nijmegen aen te Marscheere welcke stat so geseijt wort van alles wel versien is, en hoopt men die haer sal konne def – fendeere9defenderen: verdedigen, dan vreest ick het op den ijsel10rivier de IJssel en de IJssellinie aldaar aensal koomen mijn hart int lijf bloeijt als ick der aen denck och wat droefheijt is mij aenstaende [ick derf niet al schrijfve]
Soldaten en generaals naar het front
Ook over het Staatse leger heeft Margaretha nog iets te melden. Eindelijk, na lang dralen, is commissaris-generaal Montbas aangekomen bij zijn positie in het leger! Hij heeft het commando gekregen over de troepen in de Betuwe en heeft als hoofdkwartier de Schenkenschans. Volgens de geruchten wordt Montbas te veel verantwoordelijkheid toevertrouwt. De toekomst zal het leren. Ook is luitenant-generaal Van Steenhuizen aangekomen bij zijn troepen alsof hij alle tijd van de wereld heeft. Duidelijk neemt Margaretha de beide generaals nog niet serieus, haar zoon moest immers steeds hun werk doen.
Er gaan dagelijks nog steeds nieuwe troepen naar het (verwachte) front. Zo kwam er afgelopen nacht een troep Spaanse soldaten langs Amerongen. Deze soldaten dwongen de boeren om hun eten en drinken te geven, nog een teken dat het leger slecht georganiseerd is. Margaretha heeft de brug van het kasteel maar omhoog laten halen om moeilijkheid te voorkomen. Een stuk minder onbehouwen was een Zeeuws regiment dat eerder langs kwam. Het is wel duidelijk welk land de beste soldaten levert. Over de voortgang van de oorlog op zee is Margaretha kort: het schijnt dat de Staatse vloot verwikkeld is geweest in een zeeslag maar meer weet ze zelf ook nog niet. Hopelijk is het een overwinning.
vreesende de poste aengehoude mochte worde, uhEd heeft sijn soon tot dienst vant lant op geoffert maer ick vreese hij wel Een rechte offerhande11offrande: offer sal sijn en vrees hem niet weer te sulle sien, momba12Commissaris-generaal Jean Barton de Montbas is Entelijck int leeger ge koome, die men het komanda overt alt volck dat inde beetuwe13Betuwe leijt14leijen: liggen heeft gegeegve daer niet weijnich op gesproocke wort dat men hem so veel toe vertrout steenhuijse15Luitenant-generaal Ludolf van Steenhuizen is op sijn muijltges int leeger gekoome16op zijn muiltjes komen: op zijn gemak, erg kalm ondertusche moet de heere van ginckel het werck doen en wat noot waert dat het daer noch gin soot hoorde maer de disordrees17disordre: wanorde sulle ons ruwineere18ruïneren: ten gronde richten hoe roept men nu om de troepees vande keurvorst en verlanck men daer naer die hier indeesen hoochgen noot wel van doen sijn, deese nacht is hier int dorp ontrent de 800 spaense voet knechte19De Republiek heeft in 1672 een bondgenootschap gesloten met Spanje. Er is afgesproken dat Spanje troepen levert tegen de Franse invasie. die naert leeger gaen en Een reesgement20regiment wt seelant geweest dewel = cke saeme over de 1600 man maeckte de seuwe ginge naer nimweege, die hebbe deminste insolensie21insolentie: onbeschaamdheid, onbetamelijkheid, lompheid niet gedaen maer deerste hebbe vrij wat deesordere22disordre: wanorde ge maeckt de boere mostense Eeten en drincke geefve of se dwongense, ick liet de bruchge vant huijs op treck vreesde voor swaericheijt23zwarigheid: moeilijkheden, problemen, vandaech krijch ick ock tijdine24tijdingen: nieuws dat onse scheeps vloote van Eergistere merge aen Een sijn geweest sonde dat men weet hoet daermee staet, als dat men seer fuijrijEus25furieus: op zeer krachtige, heftige wijze heeft hooren schiete ontrent doeversans26Doeverenschans, nabij Heusden de heer almachtich wilse bij staen ende vicktoorije27victorie: overwinning geefve, [gisteren isser te wttrecht]
Onrust in Utrecht
Ook binnen landsgrenzen begint het te rommelen. Waar Margaretha eerder nog in één enkel zinnetje schrijft over onrust in Utrecht wijdt ze nu flink uit. Daar ontstond een volksoproer toen een aantal regenten erop betrapt werden samen met hun bezittingen de stad te willen ontvluchten. De vrouwen van het houtsgilde, een onderdeel van het Utrechtse Zakkendragersgilde, vonden dat dit absoluut niet kon. “Zullen de heren die onze mannen hebben doen uitgaan om te vechten, vluchten en ons hier ten prooi achterlaten?” Zo luidde hun aanklacht. De vrouwen rukten koffers open en strooiden de bezittingen van de regenten uit op straat. Enkel met geweld werd de rust enigszins hersteld. Volgens Margaretha lijkt het er op dat nu iedereen die de stad Utrecht uit wil onderhevig is aan controle door de burgers.
[ende vicktoorije geefve], gisteren isser te wttrecht inde stat ock geen kleijne ontsteltenisse28ontsteltenis: oproer, opschudding geweest door Eenich goet dat de luijtenant kolonel wee29Georg Johann van Weede en andere wt de stat meende te vluchte, het welcke de vrouwe vande hout schilde30de houtsgilde is onderdeel van het Utrechtse zakkendragersgilde. Leden van het houtsgilde mogen zakken dragen tot 3 el. niet wilde lijde roepen sullende heere vluchte die onse mans hebbe doen wtgaen om te vechte en ons hier ten proij31prooi geefve dat wille
wij niet lijden, een rockte de koffers open dat het silver ent gout dat daer in was door de weech verstroijde, de burgers moste inwa – pene om de vrouwe te stille, nu maegcher32mag er so geseijt wort niet wt of inde stat oft moet besichticht worde, [uhEd denckt Eens hoe men]
Overal om heer heen ziet Margaretha de klauwen van de angst om zich heen grijpen. Zelf begint ze nu opniew te twijfelen of Amsterdam wel veilig is. Koning Lodewijk XIV heeft immers beloofd deze stad te zullen belegeren en plunderen. In de steden en op het platteland heerst een verslagen gevoel. Mensen pakken hun spullen en vluchten weg. Margaretha wil dat ook doen maar ze weet niet waarheen. Ze is ten einde raad.
[of inde stat oft moet besichticht worde,] uhEd denckt Eens hoe men hier sit ock nu ist wel Een tijt van Elende , en derf ick met de kindere en vrou van Ginckel niet langer hier te blijfve en weet noch niet waer ons derf vertrouwe tot Amsterdam is meest al ons goet, en seijt men nu dat de konin33Koning Lodewijk XIV het daer teenemael op heeft aengesien, en dat hij die stat sal wille beleegeren, dat mij seer bekomert34bekommeren: zorgen maken want met vier sulcke kleijne kinderen in Een beleeger de stat te sijn sou wel benout35benauwd weesen, ock nu komt het de op aen en is den tijt van onse Elende voor hande hoe sit ick nu in Eensaemheijt en sonder raet en weet niet wat ick doen sal, heb sulcke koste met wech doen van mijn goet gehadt en weet nog niet oft verseeckert is, ick ben so bedroeft dat ick mij niet weet te laeten, hier te platte lande en inde steeden is sulcken verslagentheijt dats niet wt te spreecken alle mense packen hier en vluchten haer goet, och wat tijt beleefve wij de heer almachtich wil ons bijstaen en behoede dat wij in hande van die tierane36tirannen niet en valle want sij leefve groulijck37gruwelijk met de mense daer sij koome, hiermeede blijfve
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
Titelpagina van het pamflet van Georgius Buchananus: T’samensprekinghe, Vant recht der Coninghen, ofte Overheyt over haere Onderdanen, ende der Onderdanen plicht teghens haer, deur onderlinghe verbindinghe, Amsterdam 1610, anoniem, 1610. Collectie Rijksmuseum. Spotprent op de Spaanse vredesvoorstellen van Albrecht aan de Staten-Generaal, augustus 1598. Titelprent van een pamflet getiteld: T’samensprekinghe, Vant recht der Coninghen, ofte Overheyt over haere Onderdanen, ende der Onderdanen plicht teghens haer, deur onderlinghe verbindinghe. De Batavier en de Arragonees worden benaderd door een tiran en een jezuïet met olijftakken en zwaarden. Onderschrift: Mistrouwen het sterckste Wapen is tegens den Tyran. Deur te licht vertrouwe, wert bedroge menich man.
1
missive: brief
2
eerste van deze maand
3
Arnhem
4
excuseren: vergeven
5
affaires: zaken,
6
koning Lodewijk XIV
7
de stad Kleef ligt in het gelijknamige hertogdom. Hoewel de stad in modern Duitsland ligt was Kleef in 1672 de facto deels onder controle van de Republiek
8
Nijmegen
9
defenderen: verdedigen,
10
rivier de IJssel
11
offrande: offer
12
Commissaris-generaal Jean Barton de Montbas
13
Betuwe
14
leijen: liggen
15
Luitenant-generaal Ludolf van Steenhuizen
16
op zijn muiltjes komen: op zijn gemak, erg kalm
17
disordre: wanorde
18
ruïneren: ten gronde richten
19
De Republiek heeft in 1672 een bondgenootschap gesloten met Spanje. Er is afgesproken dat Spanje troepen levert tegen de Franse invasie.
Margaretha mist Godard Adriaan sterk. Het nieuws dat hij een nieuwe commissie (opdracht) had aangenomen om naar Saksen te gaan kwam dus zeer ongewenst. Gelukkig blijkt dit niet waar te zijn. Godard Adriaan schrijft in een brief van 26 april aan Margaretha dat hij niet van plan is om enige verdere opdrachten aan te nemen.
uhEd vande 26 April is mij te rechter tijt geworden, ben blijde daer wt te sien de goede reesoluijsie1resolutie: voornemen die de selfve heeft van sich ingeen nieuwe komissie weer te laeten kan wel oordeelle uhEd noch in geen twee a drij maen thuijs sal konne sijn [men seijt ock uhEd nootsaeck]
Het is niet enkel goed nieuws. Godard Adriaan zal minstens nog twee tot drie maanden in het buitenland verblijven voor hij naar huis zal kunnen gaan. Maar in vergelijking met een extra commissie valt deze tijd flink mee. Margaretha moet zich er maar tevreden mee stellen.
Gezicht op Huis Bergestein bij Wijk bij Duurstede, gezien vanuit het westen, Roelant Roghman, ca. 1646 – ca. 1647. Collectie Rijksmuseum. Bergestein ligt praktisch bij Amerongen en was van Jan van der Does.
Trage politiek
Margaretha klaagt regelmatig tegen Godard Adriaan over de trage bureaucratie van de Republiek. De overheid doet niets terwijl er een oorlog dreigt. Deze inactie duurt nu al maanden. Ze moet haar frustratie en klachten kwijt bij iemand, schrijven aan Godard Adriaan biedt voor haar een mogelijkheid tot opluchting.
[watter op mocht koomen,] het doet mij leet ick uhEd bekomer met onse swaericheijt2zwarigheid: problemen maer deselfve sou niet geloofve hoet hier te lande staet en hoe slap en traech de order tot onse defensie toegaen, daerom bidt niet qualijck te neemen ick mijn klachte so dickmael aen uhEd doen, den noot drin so seer dat ick meen mij wat te verlichte als ickt Eens aen uhEd schrijfve, als nu den heer van Edijckvelt3Everard van Weede, heer van Dijkveld, is een belangrijk man in de Utrechtse politiek en een bondgenoot van Godard Adriaan. naer den haech is wie houde wij inde provinsie die sich Eenige affaerees4affaires: zaken vande staet sal behartige, bij de heere vande stat5De regenten van de stad Utrecht of de vroetschape6De vroedschap is een van de bestuurlijke organen in Nederlandse steden in de zeventiende eeuw. gaet het so wonderlij toe dat niet te seggen is, den burgemeester hamel7Nicolaas Hamel, burgemeester van Utrecht. Een nauw bondgenoot van van Dijkveld heeft niet ter werlt te seggen, in Een woort geseijt gisser niet als wiltsang8wiltsang: zoals het moet zijn, rechtvaardig aen niet me te doen is, en noch willense9willen ze
met haer hooft door en alles naer haer sin hebe de heer van berckesteijn10Jan van der Does, heer van Bergestein, is lid van de Staten van Utrecht en de Generaliteitsrekenkamer en wellant11Godard Adriaans neef en pleegzoon Goderd Willem van Tuyll van Serooskerken, heer van Welland, is sinds kort lid van de Staten van Utrecht sijn hier ge weest om haer afscheijt vande heer van ginckel te neemen, wat sijn sij geluckich bij deese tijde hebbe wel Een goet lot verkreechge buijten – andere die lijf en leefven moeten wagen nu de heer almachtich weet wat ons ter salicheijt best is, [voort gout willense niet min te Amster]
Portret van twee mannen met paarden, jachthonden en bedienden, Cornelis Picolet, 1664. Collectie: Slot Zuylen.
De politici willen alles naar hun eigen zin hebben. Dat is Margaretha’s schampere conclusie. Het opbouwen van de verdediging gaat traag omdat het gezien wordt als een speelveld voor een politiek machtsspel. Het is als de onrust onder de generaals maar dan op het landelijke toneel. De politici hebben makkelijk praten: zij hoeven hun lijf en leven niet te wagen. Dat er mensen gaan sterven weten ze dan weer wel: zo neemt Godard Willem van Tuyll van Serooskerken alvast afscheid van zijn neef en pleegbroer Godard van Reede – Ginkel. Het staat er droevig voor.
1
resolutie: voornemen
2
zwarigheid: problemen
3
Everard van Weede, heer van Dijkveld, is een belangrijk man in de Utrechtse politiek en een bondgenoot van Godard Adriaan.
4
affaires: zaken
5
De regenten van de stad Utrecht
6
De vroedschap is een van de bestuurlijke organen in Nederlandse steden in de zeventiende eeuw.
7
Nicolaas Hamel, burgemeester van Utrecht.
8
wiltsang: zoals het moet zijn, rechtvaardig
9
willen ze
10
Jan van der Does, heer van Bergestein, is lid van de Staten van Utrecht en de Generaliteitsrekenkamer
11
Godard Adriaans neef en pleegzoon Goderd Willem van Tuyll van Serooskerken, heer van Welland, is sinds kort lid van de Staten van Utrecht