Schoonmaken in het verleden

Het gebrek aan stromend water, goede afvoersystemen en elektriciteit maakte het schoonmaken vroeger vergeleken met nu een grote uitdaging. De schoonmaakmiddelen en -methoden zijn in de loop van de tijd veranderd, en waarschijnlijk ook verbeterd.

Schoonmaakmiddel

Bij reinigen is water eigenlijk onmisbaar. En schoon water was destijds in de grote steden niet altijd makkelijk te verkrijgen. Brouwersschuiten voerden schoon water aan, maar dat was duur. Op veel plekken deelde men daarom regentonnen en waterputten.
Bijenwas en een mengsel olijfolie en citroensap waren heel geschikt voor het onderhoud van houtwerk en meubels. Voor erg kwetsbare zaken kon je milde zeep en warm water gebruiken. Roestende metalen hadden een agressievere oplossing nodig, zoals bijvoorbeeld azijn. Het afstoffen van je spullen deed je met stofvleugels: echte vleugels van echte vogels.

Doorkijkje met op de voorgrond een gang, dan een open deur naar een binnenplaats met een pomp. De gang heeft een zwartwitte vloer, in de gang staat een bankje, verschillende deuren komen uit op de gang. Er hangen schilderijen en er zijn twee nissen met bustes. Een meid staat de gang te vegen. Ze kijkt naar de pomp waar een vrouw bij staat.
Meid die de gang van een huis veegt, Louis Henri de Fontenay, 1837. Collectie Rijksmuseum.

Vegen en kloppen

Verwarming met turf en verlichting met olie zorgden voor veel rook en roet. Dit roet moest je dagelijks verwijderen met bezems en kwasten. Wandtapijten, wollen geborduurde bedgordijnen tapijten werden uitgeklopt voor het verwijderen van stof, vuil en (voorkomen van) plaagbeestjes . Als bescherming tegen motten kon je voor wollen kleding stukjes kamfer of talgkaars gebruiken. Bij kasten en kisten werd ceder- en kamferhout gebruikt om de inhoud van textiel te beschermen.

Een kale ruimte met een naar achteren schuin aflopend plafond. Aan het plafond hangen horizontale stokken waar was aan hangt. Links tegen de muur (hout) staan wat vegers en op de achtergrond waarschijnlijk iets van een pers. Tegen de achterwand staan manden, waarvan één duidelijk met was, rechts achter liggen dekens opgestapeld. In het midden een eenvoudige tafel (plank op schragen) waar een pop achter staat met een jak aan en een schort voor. Voor haar op tafel ligt textiel en waarschijnlijk een oud strijkijzer. Rechts staat een rieten stoel. Aan de rechter wand hangen hoog nog was borstels.
De meid aan het werk met de schone was op de zolder. Poppenhuis van Petronella Dunois, ca 1676. Collectie Rijksmuseum.

Schuren en verdoezelen

Vloeren werden vaak met stro bedekt, dat verving men dan periodiek om een schijn van netheid te behouden. Vloeren, pannen en houten vaten moesten toch regelmatig gereinigd worden. Dat gebeurde dan door het schuren met zand. Reinheid was desalniettemin niet altijd haalbaar zoals men wenste. Onaangename geuren werden daarom verdoezeld door het gebruik van kruiden en bloemen.

Een dienstmeid staat in de keuken een koperen ketel te schuren. Op de grond staan een ton, kuip en lantaarn. Op de achtergrond knielt een meid bij een ketel op het vuur.
De ketelschuurster, Willem van Odekercke, ca. 1644. Collectie Rijksmuseum.

Klasse

Het niveau van reinheid hing vaak af van sociale klasse. Rijkere gezinnen hadden meer toegang tot betere middelen en faciliteiten om hun spullen netjes te houden. Zij hadden bijvoorbeeld eigen waterputten of systemen om regenwater op te vangen. Voor deze groep was een deugdzaam en eerbaar huishouden bovendien een eis om, vooral op hoog niveau, mee te kunnen draaien in het openbare leven.

Marion vd Hurk avatar