18 mei 1675
Op verzoek van Godard Adriaan is in 1675 een verklaring opgesteld over de verwoesting van het kasteel. Niet alleen hoe het kasteel is afgebrand, maar ook de periode vooraf komt aan de orde. Volgens de verklaring is Lodewijk XIV op het kasteel geweest en heeft zijn broer, hertog van Orléans, zelfs hier geslapen.


Collectie: Regionaal Archief Zuid-Utrecht.
Wij ondergeschrevenen Johan Quint, jegenwoordich substituijt drost ende schout van de hoge heerlikheijt Amerongen, ende Godert van den Doorslagh, secretaris aldaer, certificeren ende verklaren bij dese, ten verzoecke van den hooch edelgeboren heere van Amerongen, etc., dat in den jare 1672, als de France tot Amerongen sijn gekomen en den koninck selfs in parsoon den hartogh van Orleans sijn logement op’t huijs te Amerongen heeft genomen, ende gedurende sijn verblijff aldaer, sulcken strickten ordre onder ’t volck was, dat doen ter tijt aen ’tselve huijs, hoven ende tuynen, mitsgaders des heeren van Amerongen goederen en plantagien geen de minste schade was gedaan, daer na als wij neffens andere ingesetenen bij malkanderen op’t huijs te Amerongen logeerden, wiert ons dickmalen vande France officieren die daer quamen en passeerden gevraecht, waer den heere vant huijs was. Waerop gemeenlick wierd geantwoort dat men het niet en wist. Ende naderhandt als ick onderschreven secretaris op het begeeren van de presente inwoonders bij den secretaris van den hartogh van Luxemborgh tot Utrecht een sauvegarden brieft versocht, vraegden mij denselven secretaris naer den heer van Amerongen, en horende dat ick mij daer van ignorant hielde, wenckte mij met sijn vinger en seijde wij weten wel dat hij in Duijtslant is, ende de Duitse vorsten tegens onsen koning ophitst en diergelijcke woorden, maer hij soude voor het dorp van Amerongen een sauvegarden brieft gereedt maken dewelke ick des anderen daags bequam en stont in denselven brieft geinsereert dese woorden: a la reserve du Chatteau du dit Lieu. Ende na dat bij de France publicq geworden was dat den heere van Amerongen wegens haer hoog mogende de heeren Staten-Generael sich in Duijtslant onthield, sijn twee capitainen met hare compagnien van ’t regiment La Reijne
op’t huijs te Amerongen komen logeren, en hebben tselve in possessie genomen, verjagende de onderdanen daer van daen, seggende dat alle de goederen van den heer van Amerongen waren geconfisqueert om dat niet op sijn huys was gekomen, noemende den heer spotswijse povre monsieur, ende wilden de voorschreven capitainen met hare soldaten vande ingeseten gedefroijeert wesen, lieten door haere sergeanten en soldaten alle dagen broot, vlees, boter en andere spijse de inwoonders affhalen, so lange dat de inwoonders ten deele begonden met hun kinderen honger te lijden, om datse geen spijse konden bekomen. Waer over sij moesten op anderen plaetsen trecken, en die capitainen niets meer vindende sijn doen ook vertrocken. Daarna is in februarij 1673 een edelman ofte officier genaamt La Fosse van de lijffgarde van den hartogh van Luxenburgh met 10 a 12 ruijters op den huijs en slote van Amerongen gekomen, seggende tegen die opgesetnen die daer weder opgevlucht waren, dat hij ordre hadde om tselve huijs te ruineren, en te verbrandden, ende dat ider daer van soude trecken, en hebben deselfde Franssen al voort bossen hout en strooij gedragen, boven in de toorens en door het geheele huijs, en het bovenste eerst aan brandt gesteecken en van boven tot beneden geheel afgebrandt. En hebben voorts des nachts de schone huijsingen en getimmerten om het voorburgh al mede affgebrant, niet tegenstaande dat de inwoonders te vooren een groote somme gelts presenteerde, dat het niet gebrandt soude worden maar dien officier sijde dat hij geen verschoninge vermochte te doen, onder andere, om dat den heer
van Amerongen tegens de interesse van den koninck van Vranckrijck ageerde. Na welcke tijt op de goederen ende weijlanden van welgemelte heere van Amerongen sijn gekomen, eerst eenige honderden karpeerden daarna ontrent 50 a 60 ossen en ettelijcke duijsenden schapen die men doen seijden dat den intendant Robert toebehoorde, ende wierden doen ook de bosschen en plantagien van meergemelte heere van Amerongen affgekapt. Hier op ons gevraechdt sijnde hoe groot wij dese schade van’t affbranden van’t huijs, voorburgh en ruine van de goederen daer aen behorende, wel souden estimeren soo hebben wij tselve soo pertinent niet konnen doen, maer verklaren bij onse vroomigheijt na dat wij tselve met verscheijde timmerluijden en metselaers hadden overleijd, dat onses oordeels diergelijcken, soo als het voorschrevene huijs en voorburgh voor het affbranden is geweest, wel over de hondert duijsent gulden soude kosten, behalven het afbreecken en opruijmen van de mueren, die door den vehementen brant en door het vallen van balcken en mueren tot in de gront waren geborsten, en na binnen en buijten uijt geweecke en in de gracht gevallen. Ende alsoo ons alle ’t geene voorschreven neffens veel meer ingesetenen van Amerongen seer wel bekent is, als hebbende het voorverhaelde selfs gehoort ende gesien, soo hebben wij substituut drost ende secretaris desen t’ eenen oirconde onderteekent op den 18e maij 1600 vijff ende tseventich.


