Na een tijdelijk verblijf in Amsterdam vertrekt Margaretha Turnor met haar schoondochter Philippota en haar vier kinderen naar hun huis in Den Haag. Ook acht personeelsleden uit Amerongen zijn overgekomen. Haar zoon Godard verblijft hier ook een paar maanden. Hij moet herstellen van een heftige beroerte, vermoedelijk veroorzaakt door de barre omstandigheden aan het front.
Vrijwel dagelijks gaat Margaretha naar het Binnenhof om de achterstallige betalingen van haar man op te eisen. Het geld heeft ze hard nodig, aangezien de inkomsten uit hun landerijen zijn drooggevallen. Ook is de prijs van voedsel flink gestegen. Het wordt voor Margaretha nog rampzaliger wanneer in het Haagse huis de pokken uitbreekt. Haar vierjarige kleindochter Margaretha heeft hoge koorts en slaapt vrijwel niet. Ook andere huisgenoten raken besmet, maar uiteindelijk knapt iedereen gelukkig weer op.















